Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Egypte / ISIS
Telegraaf: Internet nieuws over Egypte
ISIS by Walid Shoebat
ISIS Releases 5-Year Plan For Caliphate Stretching From Spain to China!


Walid Shoebat, endtimes
Is Ron Wyatt a Liar? ("They've found Pharoah's chariots on the bottom of the Red Sea")
REVEALING GOD'S TREASURE - RON WYATT.flv
Ark of the Covenant Ronn Wyatt
Mount Sinai- proof of the supernatural
MORE SUPPRESSED BIBLE EVIDENCE!!! pt.a
MORE SUPPRESSED BIBLE EVIDENCE!!! pt.b
Ron Wyatt's sons Danny and Ronny share their Testimonies and visit Yisrael
Ron Wyatt's website
Wyatt Archaeological Research - Amazing Discoveries [Full Presentation]
The Rosetta stone (1/5)
John Benefiel on It's Supernatural with Sid Roth - Baal Divorce Decree
Ancient Egypt's Buildings Documentary

(http://www.scheppingofevolutie.nl/index.php?url=art_egyptische_chronologie.htm)
(Babylon, Farao Egypte, Satan, Mammon, nazi, SS, vrijmetselaars, NWO, illuminatie) in kinderspeelgoed, zonaanbidding (afgod).

Matthéüs 5

43 Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.
44 Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;
45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij (YHWH) doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
46 Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?
47 En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?
48 Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.
 


Naam Leeftijd Jaar Plaats
Jakob (Stierf op een leefijd van 147) (Israël) 12 stammen Hij is 17 jaar in Egypte tijdens zijn overlijden 130 2298 Egypte
Uittocht van de kinderen van Israël na 430 jaar in Egypte 430  2728 Uittocht



Ezechiël 20

Israëls zonden sedert den uittocht uit Egypte
En het geschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op den tienden derzelver maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen, om den HEERE te vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezicht.
Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Komt gij, om Mij te vragen? Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik van u gevraagd worde, spreekt de Heere HEERE.
Zoudt gij hun recht geven, zoudt gij hun recht geven, o mensenkind? Maak hun de gruwelen hunner vaderen bekend;
En zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage als Ik Israël verkoos, zo hief Ik Mijn hand op tot het zaad van het huis Jakobs, en maakte Mijzelven hun in Egypteland bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben de HEERE, uw God.
Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen.
En Ik zeide tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen zijner ogen weg; en verontreinigt ulieden niet met de drekgoden van Egypte; Ik, de HEERE (YHWH), ben uw God.
Maar zij waren wederspannig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen; niemand wierp de verfoeiselen zijner ogen weg, noch verliet de drekgoden van Egypte; daarom zeide Ik, dat Ik Mijn grimmigheid over hen uitgieten zou, om Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland.
Doch Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat hij niet ontheiligd wierde voor de ogen der heidenen, in welker midden zij waren; aan welke Ik Mij, voor derzelver ogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren.
10 En Ik voerde hen uit Egypteland, en bracht hen in de woestijn.
11 Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend, dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven.
12 Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de HEERE (YHWH) ben, Die hen heilige. 
13 Maar het huis Israëls werd wederspannig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in Mijn inzettingen niet, en verwierpen Mijn rechten; dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven; en zij ontheiligden Mijn sabbatten zeer, dat Ik zeide, Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdoen.
    14 
Maar Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat die niet ontheiligd werd voor de ogen van die heidenen, voor welker ogen Ik hen uitvoerde.
15 Evenwel hief Ik ook Mijn hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen;
16 Daarom dat zij Mijn rechten verwierpen, en in Mijn inzettingen niet wandelden, en Mijn sabbatten ontheiligden; want hun hart wandelde hun drekgoden na.
17 Doch Mijn oog verschoonde hen, dat Ik hen niet verdierf, en geen voleinding met hen maakte in de woestijn.
18 Maar Ik zeide tot hun kinderen in de woestijn: Wandelt niet in de inzettingen uwer vaderen, en onderhoudt hun rechten niet, en verontreinigt u niet met hun drekgoden.
19 Ik ben de HEERE (YHWH), uw God, wandelt in Mijn inzettingen, en onderhoudt Mijn rechten, en doet dezelve.
20 En heiligt Mijn sabbatten, en zij zullen tot een teken zijn tussen Mij en tussen ulieden, opdat gij weet, dat Ik, de HEERE, uw God ben.
21 Maar die kinderen waren ook wederspannig tegen Mij; zij wandelden niet in Mijn inzettingen, en Mijn rechten namen zij niet waar, om die te doen; dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven; zij ontheiligden Mijn sabbatten, dat Ik zeide, Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen, volbrengende Mijn toorn tegen hen in de woestijn.
22 Doch Ik keerde Mijn hand af, en deed het om Mijns Naams wil, opdat hij voor de ogen der heidenen niet zou ontheiligd worden, voor welker ogen Ik hen uitgevoerd had.
23 Ik hief ook Mijn hand tot hen op in de woestijn, dat Ik hen verspreiden zou onder de heidenen, en hen verstrooien in de landen;
24 Omdat zij Mijn rechten niet gedaan hadden, maar Mijn inzettingen verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, en hun ogen achter de drekgoden hunner vaderen waren.
25 Daarom gaf Ik hun ook besluitingen, die niet goed waren, en rechten, waarbij zij niet leven zouden.
26 En Ik verontreinigde hen in hun giften, omdat zij door het vuur deden doorgaan al wat de baarmoeder opent; opdat Ik ze verwoesten zou, ten einde dat zij zouden weten, dat Ik de HEERE ben.
27 Daarom, mensenkind, spreek tot het huis Israëls, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Hiermede nog hebben Mij uw vaderen gesmaad, dat zij door overtreding tegen Mij overtreden hebben.
28 Als Ik hen in het land gebracht had, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven had, om hetzelve hun te geven, zo zagen zij naar allen hogen heuvel, en alle dicht geboomte, en offerden daar hun offeren, en gaven daar hun tergende offeranden, en daar zetten zij hun liefelijken reuk, en daar offerden zij hun drankofferen.
29 En Ik zeide tot hen: Wat is die hoogte, waarhenen gij gaat? Nochtans is de naam daarvan genoemd hoogte, tot op dezen dag toe.
30 Daarom zeg tot het huis Israëls: Alzo zegt de Heere HEERE: Zijt gij verontreinigd geworden in den weg uwer vaderen, en hoereert gij achter hun verfoeiselen?
31 Ja, met het offeren uwer gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, zijt gij verontreinigd aan al uw drekgoden tot op dezen dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis Israëls? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik van u gevraagd worde!
32 Daarom, dat in uw geest opgeklommen is, zal geenszins geschieden, dat gij zegt: Wij zullen als de heidenen en als de geslachten der landen zijn, dienende hout en steen.
33 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Zo Ik niet met een sterke hand, en uitgestrekten arm, en met een uitgegoten grimmigheid over u zal regeren!
34 Want Ik zal u uit de volken voeren, en u vergaderen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door een uitgegoten grimmigheid.
35 Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn der volken, en Ik zal met u aldaar rechten, aangezicht aan aangezicht;
36 Gelijk als Ik gerecht heb met uw vaderen in de woestijn van Egypteland, alzo zal Ik met u rechten, spreekt de Heere HEERE.
37 En Ik zal ulieden onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder den band des verbonds.
38 Daartoe zal Ik, die rebel zijn, en die tegen Mij overtreden, uit ulieden uitzuiveren; Ik zal hen uit het land hunner vreemdelingschappen uitvoeren, en zij zullen in het landschap Israëls niet wederkomen, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.
39 En gijlieden, o huis Israëls, alzo zegt de Heere HEERE: Gaat henen, dient een ieder zijn drekgoden, ook hierna, dewijl gijlieden naar Mij niet hoort; doch ontheiligt niet meer Mijn heiligen Naam, met uw giften en met uw drekgoden.
40 Want op Mijn heiligen berg, op den hogen berg Israëls, spreekt de Heere HEERE, daar zal Mij het ganse huis Israëls in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen aan hen nemen, en daar zal Ik uw hefofferen eisen, en de eerstelingen uwer heffingen met al uw geheiligde dingen.
41 Ik zal een welgevallen aan ulieden nemen om den liefelijken reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren, en u vergaderen zal uit de landen, in dewelke gij zult verstrooid zijn, en Ik zal in u geheiligd worden voor de ogen der heidenen.
42 En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik u in het landschap Israëls gebracht zal hebben, in het land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, om hetzelve uw vaderen te geven.
43 Daar zult gij dan gedenken aan uw wegen, en aan al uw handelingen waarmede gij u verontreinigd hebt, en gij zult van u zelven een walging hebben over al uw boosheden, die gij gedaan hebt.
44 Zo zult gij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik met u gedaan zal hebben, om Mijns Naams wil, niet naar uw boze wegen, noch naar uw verdorven handelingen, o huis Israëls, spreekt de Heere HEERE.
45 Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
46 Mensenkind, zet uw aangezicht naar den weg van het zuiden, en drup tegen het zuiden; en profeteer tegen het woud van het veld in het zuiden.
47 En zeg tot het zuiderwoud: Hoor des HEEREN woord: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal een vuur in u aansteken, hetwelk in u allen groenen boom en allen dorren boom verteren zal; de vlammende vlam zal niet uitgeblust worden, maar daardoor zullen verbrand worden alle aangezichten van het zuiden tot het noorden toe.
48 En alle vlees zal zien, dat Ik, de HEERE, dat aangestoken heb; het zal niet uitgeblust worden.
49 En ik zeide: Ach, Heere HEERE, zij zeggen van mij: Is hij niet een verdichter van gelijkenissen?

Genesis 35

Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt uen verandert uw klederen;
En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-El; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid,
  en met mij geweest is op den weg, dien ik gewandeld heb.
Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren
waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom, die bij Sichem is.

Leviticus 26

1 Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!
30 
En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
31 En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.

Maleáchi 1

11 Maar van den opgang der zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden,
    en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt de HEERE der heirscharen.

Hier bedoeld YHVH Satan en zijn gevolg.

1 Makkabeeën 4

 52 Op de vijfentwintigste van de negende maand, te weten de maand kislew, van het jaar 148 
 53 stonden ze in alle vroegte op en brachten volgens voorschrift een offer op het nieuwe brandofferaltaar. 
 54 Op dezelfde dag en op hetzelfde uur dat vreemde volken het altaar hadden ontwijd, werd het nieuwe altaar ingewijd, terwijl er liederen en muziek van citers, harpen en cimbalen ten gehore werden gebracht.
 55 Het hele volk knielde neer en boog diep voorover om de hemel, die hen geholpen had, te loven.
 56 Acht dagen lang vierden ze de inwijding van het altaar en brachten ze vol vreugde brandoffers, vredeoffers en dankoffers.
 57 Ze versierden de voorkant van de tempel met gouden kransen en met schildjes. Ze vernieuwden de poorten en de priestervertrekken en voorzagen ze van deuren.
 58 Er heerste grote vreugde onder het volk omdat de smaad die ze van de vreemde volken ondervonden hadden, was afgewend.
 59 Judas bepaalde samen met zijn broers en de hele volksvergadering dat het feest van de altaarinwijding jaarlijks acht dagen met blijdschap en vreugde gevierd zou worden, te beginnen op 25 kislew.
 60 In die tijd bouwden ze ook een hoge muur om de Sion, met versterkte torens, zodat andere volken het heiligdom niet nog eens binnen zouden kunnen vallen.
 61 Judas legerde er een garnizoen om de berg te bewaken en hij versterkte Bet-Sur, zodat het volk een vesting had aan de grens met Idumea.

Ezechiël 8

15 En Hij zeide tot mij: Hebt gij, mensenkind, dat gezien? Gij zult nog wederom grotere gruwelen zien dan deze.

16 En Hij bracht mij tot het binnenste voorhof van het huis des HEEREN (YHWH); en ziet, aan de deur van den tempel des HEEREN, tussen het voorhuis en tussen het altaar, waren omtrent vijf en twintig mannen; hun achterste leden (kont) waren naar den tempel des HEEREN (YHWH), en hun aangezichten naar het oosten (Mekka), en deze bogen zich neder naar het oosten voor de zon. (Zonaanbidding)

17 Toen zeide Hij tot mij: Hebt gij, mensenkind, dat gezien? Is er iets lichter geacht bij het huis van Juda, dan deze gruwelen te doen, die zij hier doen? Als zij het land met geweld vervuld hebben, zo keren zij zich, om Mij te vertoornen; want zie, zij steken de wijnranken aan hun neus.

18 Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid, Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luider stem roepen, nochtans zal Ik hen niet horen.




VENUS, DE ILLUMINATEN EN DE ZONNEGOD TECHNOLOGIE
OlympicZion.nl | De illuminati muziek industrie ontmaskerd! Save your Soul
Britney Spears - alter ego's??


Deuteronomium 4

Mozes vermaant het volk tot onderhouding van Gods geboden
Nu dan, Israël! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de HEERE (YHWH), uwer vaderen God, u geeft.
Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE (YHWH), uw God, die ik u gebiede.
Uw ogen hebben gezien, wat God om Baäl-Peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-Peor navolgde, dien heeft de HEERE (YHWH), uw God, uit het midden van u verdaan.
Gij daarentegen, die den HEERE (YHWH), uw God, aanhingt, gij zijt heden allen levende.
Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de HEERE (YHWH), mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven.
Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk!
Want wat groot volk is er, hetwelk de goden zo nabij zijn als de HEERE (YHWH), onze God, zo dikwijls als wij Hem aanroepen?
En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?
Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en gij zult ze aan uw kinderen en uw kindskinderen bekend maken.
 10 Ten dage, als gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, aan Horeb stondt, als de HEERE tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;
11 En gijlieden naderdet en stondt beneden dien berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden des hemels; er was duisternis, wolken en donkerheid).
12 Zo sprak de HEEREN (YHWH) tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet de stem der woorden; maar gij zaagt geen gelijkenis, behalve de stem.
13 Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen.
14 Ook gebood mij de HEEREN (YHWH) ter zelver tijd, dat ik u inzettingen en rechten leren zou; opdat gij die deedt in dat land, naar hetwelk gij doortrekt, om dat te erven.
15 Wacht u dan wel voor uw zielen; want gij hebt geen gelijkenis gezien, ten dage als de HEEREN (YHWH) op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak;
16 Opdat gij u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, de gedaante van man of vrouw,
17 De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt;
18 De gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt; de gedaante van enigen vis, die in het water is onder de aarde;
19 Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, des hemels ganse heir; en wordt aangedreven,
      dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke de HEERE (YHWH), uw God, aan alle volken onder den gansen hemel heeft uitgedeeld.
20 Maar ulieden heeft de HEERE (YHWH) aangenomen, en uit den ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat gij Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is.
21 Ook vertoornde Zich de HEERE (YHWH) over mij, om ulieder woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat de HEERE, uw God, u ter erfenis geven zal.
22 Want ik zal in dit land sterven; ik zal over de Jordaan niet gaan; maar gij zult er overgaan, en datzelve goede land erven.
23 Wacht u, dat gij het verbond des HEEREN (YHWH), uws Gods, hetwelk Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat gij u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat de HEERE, uw God, u verboden heeft.
24 Want de HEERE (YHWH), uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.
25 Wanneer gij nu kinderen en kindskinderen gewonnen zult hebben, en in het land oud geworden zult zijn, en u zult verderven, dat gij gesneden beelden maakt, de gelijkenis van enig ding, en doet, wat kwaad is in de ogen des HEEREN (YHWH), uws Gods, om Hem tot toorn te verwekken;
26 Zo roep ik heden den hemel en de aarde tot getuige tegen ulieden, dat gij voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar gij over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; gij zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.
27 En de HEERE (YHWH) zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar de HEERE (YHWH) u henen leiden zal.
28 En aldaar zult gij goden dienen, die des mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken.
29 Dan zult gij van daar den HEERE (YHWH), uw God, zoeken, en vinden; als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel.
30 Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot den HEERE (YHWH), uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.
31 Want de HEERE (YHWH), uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond uwer vaderen, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten.
32 Want, vraag toch naar de vorige dagen, die vóór u geweest zijn, van dien dag af, dat God den mens op de aarde geschapen heeft, van het ene einde des hemels tot aan het andere einde des hemels, of zulk een groot ding geschied of gehoord zij, als dit:
33 Of een volk gehoord hebbe de stem van God, sprekende uit het midden des vuurs, gelijk als gij gehoord hebt, en levend zij gebleven?
34 Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden eens volks aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en met grote verschrikkingen; naar al hetgeen de HEERE (YHWH), uw God, ulieden voor uw ogen in Egypte gedaan heeft?
35 U is het getoond, opdat gij wetet, dat de HEERE (YHWH) die God is; er is niemand meer dan Hij alleen!
36 Van den hemel heeft Hij u Zijn stem laten horen, om u te onderwijzen; en op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur doen zien; en gij hebt Zijn woorden uit het midden des vuurs gehoord.
37 En omdat Hij uw vaderen liefhad, en hun zaad na hen verkoren had, zo heeft Hij u voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd;
38 Om volken, die groter en machtiger waren dan gij, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven; om u in te brengen, dat Hij u hunlieder land ter erfenis gave, als het te dezen dage is.
39 Zo zult gij heden weten, en in uw hart hervatten, dat de HEERE (YHWH) die God is, boven in den hemel, en onder op de aarde, niemand meer!
40 En gij zult houden Zijn inzettingen en Zijn geboden, die ik u heden gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE (YHWH), uw God, u geeft, voor altoos.
Drie vrijsteden verordend
41 Toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon;
42 Opdat daarheen vlood de doodslager, die zijn naaste onwetende doodslaat, dien hij van gisteren en eergisteren niet haatte; dat hij in een van deze steden
       vlood en levend bleef;
43 Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten.
Herhaling van de wet der tien geboden
44 Dit is nu de wet, die Mozes den kinderen Israëls voorstelde:
45 Dit zijn de getuigenissen, en de inzettingen, en de rechten, die Mozes sprak tot de kinderen Israëls, als zij uit Egypte waren uitgetogen;
46 Aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; welken Mozes sloeg, 
       en de kinderen Israëls, als zij uit Egypte waren uitgetogen,
47 En zijn land in bezitting genomen hadden; daartoe het land van Og, koning van Bazan; twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan
       waren, tegen den opgang der zon;
48 Van Aroër af, dat aan den oever der beek Arnon is, tot aan den berg Sion, welke is Hermon;
49 En al het vlakke veld, aan deze zijde van de Jordaan, naar het oosten, tot aan de zee des vlakken velds, onder Asdoth-Pisga.

 
What you're showing me are agricultural circles. Watered mechanically. You find them in many desert regions, even in America.

What troubles me is the missile launch pads with munitions blasting patterns there, now in the hands of the Muslim Brotherhood, who are sworn to destroy Israel.

Google maps: 30°36'32.17"N 31°59'22.35"E

(30 september 2013: revmichellehopkins)

 


Jesaja 19

Profetie over Egypte (2013)
De last van Egypte. Ziet, de HEERE (YHWH/Yeshua) rijdt op een snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden van Zijn aangezicht, en het hart der Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen.
Want Ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren, dat zij zullen strijden een iegelijk tegen zijn broeder, en een iegelijk tegen zijn naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk.
En de geest der Egyptenaren zal uitgeledigd worden in het binnenste van hen, en hun raad zal Ik verslinden; dan zullen zij hun afgoden vragen, en den bezweerders, en den waarzeggers, en den duivelskunstenaars.
En Ik zal de Egyptenaars besluiten in de hand van harde heren, en een strenge koning zal over hen heersen, spreekt de Heere HEERE der heirscharen.
En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen en verdrogen.
Zij zullen ook de rivieren verre terugdrijven, zij zullen ze uithozen, en de gedamde stromen opdrogen; het riet en het schilf zullen verwelken.
Het papiergewas bij de stromen, aan de oevers der stromen, en al het gezaaide aan de stromen, zal verdrogen; het zal weggestoten worden, en niet meer zijn.
En de vissers zullen treuren, en allen, die den angel in de stromen werpen, zullen rouw maken; en die het werpnet uitbreiden op de wateren, zullen kwijnen.
En de werkers in het fijne vlas zullen beschaamd worden, ook de wevers van de witte stof.
10 En zij zullen met hun fondamenten verbrijzeld worden, allen, die voor loon lustige staande wateren maken.
11 Gewisselijk, de vorsten van Zoan zijn dwazen, de raad der wijzen, der raadgevers van Faraö, is onvernuftig geworden; hoe kunt gijlieden dan zeggen tot Faraö; Ik ben een zoon der wijzen, een zoon der oude koningen?
12 Waar zijn nu uw wijzen? Dat zij u nu te kennen geven of vernemen, wat de HEERE (YHWH) der heirscharen beraadslaagd heeft tegen Egypte.
13 De vorsten van Zoan zijn zot geworden, de vorsten van Nof zijn bedrogen; zij zullen ook Egypte doen dwalen, tot den uitersten hoek zijner stammen.
14 De HEERE heeft een zeer verkeerden geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om en om wentelt in zijn uitspuwsel.
15 En er zal geen werk wezen voor de Egyptenaren, hetwelk het hoofd of de staart, de tak of de bieze doen mag.
16 Te dien dage zullen de Egyptenaars zijn als de vrouwen; en zij zullen beven en vrezen vanwege de beweging van de hand des HEEREN (YHWH) der heirscharen, welke Hij tegen hen bewegen zal.
17 En het land van Juda zal den Egyptenaren tot een schrik zijn; zo wie het vermelden zal, die zal in zichzelven bevreesd wezen vanwege den raad des HEEREN der heirscharen, dien Hij tegen hen beraadslaagd heeft.
18 Te dien dage zullen er vijf steden in Egypteland zijn, sprekende de spraak van Kanaän, en zwerende den HEERE (YHWH) der heirscharen; een zal genoemd zijn een stad der verstoring.
Vereniging van Egypte, Assyrië en Israël
19 Te dien dage zal de HEERE een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teken aan haar landpalen voor den HEERE (YHWH).
20 En het zal zijn tot een teken, en tot een getuigenis den HEERE der heirscharen in Egypteland, want zij zullen tot den HEERE (YHWH) roepen vanwege de verdrukkers, en Hij zal hun een Heiland en Meester zenden, Die zal hen verlossen.
21 En de HEERE (YHWH) zal den Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaars zullen den HEERE (YHWH) kennen te dien dage; en zij zullen Hem dienen met slachtoffer, en spijsoffer, en zij zullen den HEERE een gelofte beloven en betalen.
22 En de HEERE (YHWH) zal de Egyptenaars dapper slaan, en genezen; en zij zullen zich tot den HEERE (YHWH) bekeren, en Hij zal Zich van hen verbidden laten, en Hij zal hen genezen.
23 Te dien dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte in Assyrië, dat de Assyriërs in Egypte, en de Egyptenaars in Assyrië komen zullen; en de Egyptenaars zullen met de Assyriërs den HEERE dienen.
24 Te dien dage zal Israël de derde wezen met de Egyptenaren en met de Assyriërs, een zegen in het midden van het land.
25 Want de HEERE (YHWH) der heirscharen zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriërs, het werk Mijner handen,  en Israël, Mijn erfdeel!

"ONE NATION FOR NEW HOLOCAUST
ANTI-SEMITIC BANNER & CHANTS AT SOCCER GAME IN EGYPT Gepubliceerd op 6 jan 2012


Dramatic video as thousands clash with Egypt riot police in Cairo. Gepubliceerd op28 januari 2011
Amazing: Egyptian UprisingGepubliceerd op 9 februari 2011
Cairo clashes video: Egypt riot cops fire tear gas, rubber bullets.
Gepubliceerd op 20 november 2011
New dictator being born in Egypt: Khaled el-Shami. 
Gepubliceerd op 1 december 2012
From Arab Spring to Islamist Egypt? Draft constitution leaves minorities and women at risk. 
Gepubliceerd op 1 december 2012
Inside Story - The state of Egypt's revolution. 
Gepubliceerd op 26 januari 2013
Port Said verdict cause deadly clashes 
Gepubliceerd op 26 januari 2013
Death sentences over Egypt football massacre.
 Gepubliceerd op 26 januari 2013
New violence in Port Said, Egypt, leaves several dead. 
Gepubliceerd op 27 januari 2013
Egypt's Port Said hit by renewed deadlyclash. 
Gepubliceerd op 27 januari 2013
10 March 2013 BREAKING NEWS Egypt's Military making threats to take control again Gepubliceerd op 27 jan 2013
10 March 2013 Muslim Group Threatens Egypt's Coptic Christians - end times news update 3-10-13 
Gepubliceerd op 27 jan 2013












Bron: Locusts in Egypt Fly In Cairo Sky2013 (3 maart 2013)
Swarm Of 30 Million Locusts Hit Egypt 2013 (2 maart 2013)
Locusts swarm in Cairo (2 maart 2013)





HOREB
1) Berg van de wetgeving (o.t.)
2) Berg uit de bijbel
3) Berg van het gouden kalf
4) Berg der wetgeving
5) Berg van de wetgeving
6) Bijbelse berg
7) Bijbelse figuur of naam
8) Berg (bab.)
9) De berg god
10) Gods berg
11) Sinaï

heir
heir zelfst.naamw. 'arch.' leger, groep weerbare mannen
leger, bende
Let op: Spelling (deels) uit 1864: o. (-en), zie HEER.
~LEGER, o. (-s), groote massa.
•"arch." leger, groep weerbare mannen •erfgenaam •leger
1) Breuk
2) Hazenleger
3) Krijgsmacht
4) Legermacht
5) Legerschaar
6) Legerschare
7) Leger
8) Menigte
9) Strijdmacht



Sinaïberg


De Sinaïberg, de Horebberg of de Djebel Moesa is een 2285 meter hoge berg in het Sinaïgebergte in Egypte.
De berg ligt op het zuidelijke gedeelte van het schiereiland Sinaï. De naam Sinaï is waarschijnlijk afkomstig van de
Sumerische maangod Nanna die door de Babyloniërs Sin werd genoemd. Horebberg (in Saudi Arabië) stamt uit het Hebreeuws en 
betekent 'berg van God'. Djebel Moesa is Arabisch voor 'berg van Mozes'.
Aan de voet van de berg ligt het St. Catharinaklooster dat gesticht is tussen 548 en 565 na Christus.
Het wordt geroemd om zijn architectuur en bijzondere ligging in het ruige landschap. Verder is de berg belangrijk voor de drie
grote Abrahamitische religies. Om deze redenen staat het hele gebied met de berg en het klooster sinds 2002 op de
Werelderfgoedlijst van UNESCO.
Voor zowel de joden, de christenen als de moslims is de Sinaïberg een heilige berg. Het is de berg waar God volgens de traditie
de Tien geboden aan Mozes gaf.


 
Mozes ontvangt de stenen tafelen op de berg Sinaï (Dat was in Saudi Arabië Horeb)
Dit wordt beschreven in het boek Exodus uit de Tenach en de Bijbel. Het verblijf van Mozes en zijn volk aldaar wordt beschreven
in de laatste hoofdstukken van Exodus en in het gehele boek Leviticus en de eerste hoofdstukken van Numeri.
Sommigen denken echter dat de Horebberg uit de Bijbel niet dezelfde is als de huidige Sinaïberg, volgens de joodse traditie
zou de berg verborgen land zijn.
In het fragment hieronder, uit Exodus 31, worden met de twee tafelen der getuigenis de Tien Geboden bedoeld.

God spreekt tot Mozes over de sabbat en de andere geboden en zegt:

13. Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen
Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE ben, Die u heilige.
14. Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder,
die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.
15. Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is den sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN!
Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden.
16. Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond.
17. Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israëls een teken in eeuwigheid zijn; dewijl de HEERE, in zes dagen, den hemel en
de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en Zich verkwikt heeft.
18. En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op den berg Sinaï te spreken geëindigd had, de twee tafelen der getuigenis, tafelen
van steen, beschreven met den vinger Gods.

Uit de Statenvertaling van de Bijbel uit 1637.

ZIE OOK BIJ:
Neboberg, de berg waar Mozes volgens de bijbel gestorven is.

Romeinen 9

Droefheid van Paulus over het ongeloof in Israël
Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mede getuigenis gevende door den Heiligen Geest),
Dat het mij een grote droefheid, en mijn hart een gedurige smart is.
Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees;
Welke Israëlieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen;
Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.
Gods vrijmacht
Doch ik zeg dit niet, alsof het woord Gods ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn.
Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izaäk zal u het zaad genoemd worden.
Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.
Want dit is het woord der beloftenis: Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben.
10 En niet alleenlijk deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit een bevrucht was, namelijk Izaäk, onzen vader.
11 Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende;
12 Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen.
13 Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.
14 Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre.
15 Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben.
16 Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods.
17 Want de Schrift zegt tot Faraö: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de ganse aarde.
18 Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil.
19 Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil wederstaan?
20 Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt?
21 Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het éne vat ter ere, en het andere ter onere?
22 En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid;
23 En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid?
24 Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.
25 Gelijk Hij ook in Hoséa zegt: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde.
26 En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden.
27 En Jesaja roept over Israël: Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.
28 Want Hij voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.
29 En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Indien de Heere Sebaôth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sódom geworden, en Gomórra gelijk gemaakt geweest.
30 Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid, die uit het geloof is.
31 Maar Israël, die de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen.
32 Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet, want zij hebben zich gestoten aan den steen des aanstoots;
33 Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; en een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
 

Sodom en Gomorra
 

Lot zijn vrouw

Zefánja 2

Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE (YHWH) der heirscharen, de God Israëls: Moab zal zekerlijk zijn als Sódom, en de kinderen Ammons als Gomórra, een netelheide, en een zoutgroeve, en een verwoesting tot in eeuwigheid! De overigen Mijns volks zullen ze beroven, en het overige Mijns volks zal ze erfelijk bezitten.

Ruins of Sodom and Gomorrah Found !



Genesis 19

Sódom en Gomórra verwoest
En die twee engelen kwamen te Sódom in den avond; en Lot zat in de poort te Sódom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.
En hij zeide: Ziet nu, mijne heren! keert toch in ten huize van uw knecht, en vernacht, en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten.
En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.
Eer zij zich te slapen legden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sódom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk, van het uiterste einde af.
En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die dezen nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.
Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;
En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad!
Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezen mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.
Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als een vreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken.
10 Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe.
11 En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur te vinden.
12 Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit deze plaats;
13 Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht des HEEREN, en de HEERE ons uitgezonden heeft, om haar te verderven.
14 Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de HEERE gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende.
15 En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt.
16 Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.
17 En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.
18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere!
19 Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!
20 Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.
21 En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt.
22 Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.
23 De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.
24 Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sódom en Gomórra regenen, van den HEERE, uit den hemel.
25 En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands.
26 En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.
27 En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des HEEREN gestaan had.
28 En hij zag naar Sódom en Gomórra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.
29 En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.
Vertrek van Lot
30 En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters.
31 Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.
32 Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.
33 En zij gaven dien nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.
34 En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden.
35 En zij gaven haar vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.
36 En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader.
37 En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader der Moabieten, tot op dezen dag.
38 En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-Ammi; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op dezen dag.


Uittocht uit Egypte
De Uittocht uit Egypte of Exodus (naar het Grieks: ἔξοδος; exodos "weg uit") (Hebreeuws: יציאת מצרים, Jetsi'at Mitzrajiem) is het Bijbelverhaal van het vertrek van de Israëlieten uit het oude Egypte. In de strikte betekenis van het woord heeft de term alleen betrekking op het vertrek uit Egypte zoals het Bijbelboek Exodus beschrijft; in bredere zin heeft de term ook betrekking op het verblijf in de woestijn tussen Egypte en Kanaän en de wetgeving, zoals beschreven in de Bijbelboeken Leviticus, Numeri en Deuteronomium. Tegenwoordig neemt men veelal aan dat het uitgebreide verhaal gevormd is tijdens of na de Babylonische ballingschap (6e, 5e eeuw voor Christus), maar dat de kern van het verhaal ouder is, daar zijn al sporen van in de 8e en 7e eeuw voor Christus, in de tekst van de Deuteronomist (de boeken van Deuteronomium tot en met 2 Koningen). Sommige geleerden nemen echter aan dat de bronnen nog ouder zijn; en dat er daadwerkelijk herinneringen bewaard zijn gebleven aan het ineenstorten van de beschaving van de bronstijd in de 13e eeuw voor Christus.

 
Nijldelta en Sinaï                                                          Exodus Route
 
 
The children of Israel lived in the Nile delta area or the land of Rameses, and first encamped at the northern end of the Gulf of Suez or Succoth at the beginning of the Exodus. This was the first point where they went into the camping mode. Then they traveled through the wilderness of the Red Sea, or what we call today the Sinai Peninsula, and encountered the Gulf of Aqaba. (1 koningen 9:26 noemt dit de Rode Zee) 
   
                   Uitgang naar het strand 2005
Het strand op Nuweiba is extreem groot en kon een heel erge grote menigte huisvesten in de tijd van Mozes.
Ph-Hahiroth betekent 'berg met het gat'. Wat van toepassing zou kunnen zijn bij de mond van de kloof.


Het eerste Bijbelboek, Genesis eindigt met de lotgevallen van Jozef, zoon van Jacob, die als slaaf naar Egypte verkocht wordt, daar een machtig man wordt en die zijn familie tijdens een hongersnood naar Egypte laat komen, waar ze gaan wonen in Gosen, in de Nijldelta. (zie Isis) Het volgende Bijbelboek Exodus vertelt, hoe een nieuwe farao, "die Jozef niet gekend heeft" het volk Israël tot slaven maakt. De kleine jongetjes die geboren worden, moeten worden gedood. Baby Mozes wordt echter verstopt en na enige tijd als vondeling opgenomen en opgevoed door een prinses. Als hij volwassen is, slaat hij een Egyptische slavendrijver dood en moet vluchten. Terwijl hij als schaapherder werkzaam is, heeft hij een ontmoeting met God, die vertelt dat zijn naam JHWH (“Ik ben”) is en die hem de opdracht geeft naar de farao te gaan en de vrijlating van de Israëlieten te eisen. God zal de farao zo treffen met plagen dat hij uiteindelijk toe zal geven. Tien plagen zijn nodig om de Israëlieten vrij te krijgen.

Aldus sluit God zijn verbond met Israël. Mozes krijgt echter nog veel meer wetten. Onder andere over de inrichting van de draagbare tempel (tent der samenkomst) en de offerdienst. Bovendien worden de tien woorden op stenen tabletten geschreven. Voor dit alles blijft Mozes vrij lang weg. Het ongeduldige volk richt een eredienst in rondom een gouden kalf. Woedend gooit Mozes de stenen tafels met de wet kapot. Opnieuw moet hij de berg op, waar God zich op een bijzondere manier aan hem laat zien. Het boek Exodus eindigt met de inwijding van de tabernakel, waarbij de heerlijkheid van JHWH, God, zichtbaar wordt (hoofdstuk 40).

De weergave van de tekst van de Tien geboden op 18e-eeuws perkament, in het Hebreeuws, door de
Amsterdamse Jekoeti'eel Sofeer

 

Het boek Leviticus bevat wetten van God.

Numeri
 vertelt hoe de Israëlieten onder leiding van God van Sinaï naar Kanaän, reizen, maar weigeren verder te gaan, omdat spionnen meldden dat er reuzen woonden. God besluit dan dat ze in de woestijn moeten blijven tot de generatie die Egypte heeft verlaten, is uitgestorven. Na een verblijf van 38 jaar in de oase Kadesh Barnea trekt de nieuwe generatie naar de grens van Kanaän.

Het boek Deuteronomium vertelt, hoe Mozes ze, met het Beloofde Land in zicht, herinnert aan hun reis en ze nieuwe wetten geeft. Hij sterft precies 40 jaar na de uittocht uit Egypte. Dit besluit het boek Deuteronomium en dit besluit de Tora.

Oorsprong van het verhaal van de uittocht
De weergave van het verhaal in de boeken Exodus, Numeri en Deuteronomium is het bekendste verslag van de uitocht uit Egypte, maar daarbuiten zijn er nog meer dan 150 verwijzingen naar te vinden in de Bijbel. De wijsheidsliteratuur, (de boeken Job, Prediker en Spreuken) is de enige categorie van betekenis die die de uittocht uit Egypte niet noemt. De oudste verwijzingen vinden we bij de profeten Amos en Hosea., die in de 8e eeuw in het koninkrijk Israël het tienstammenrijk actief waren; Micha en Jesaja 1 t/m 39, in dezelfde periode geschreven in Juda, noemen de uittocht geheel niet; het is denkbaar dat de Exodus-traditie in de 8e eeuw in noordelijke koninkrijk belangrijker werd gevonden dan in het zuidelijke Juda.

Culturele betekenis zie ook Pesach
In het Joodse Paasfeest staat de Haggadah, het relaas van de uittocht uit Egypte centraal. Bij het vertrek uit Egypte krijgen de Israëlieten de opdracht om ongezuurd brood (dat niet gerezen is, matzes) te maken, omdat ze haastig weg zullen trekken, en de deurposten met bloed van een geslacht lammetje te bestrijken, zodat de Engel des doods hen zal overslaan (vandaar de Hebreeuwse naam Pesach = overslaan, vergelijk Engels Passover) wanneer hij de eerstgeborenen van Egypte zal doden. (Sommige geleerden geloven dit bijbelse verslag niet en speculeren dat het bloed op de deurpost een magisch ritueel geweest is om demonen van het huishouden weg te houden.) De Joodse overlevering heeft nationale en individuele herinneringstekens bewaard , zoals het radicale wegdoen van al het gezuurde of gegiste brood voor Pesach en het vasten van de oudste zoon de dag voor Pesach.

Wij Christenen vieren dit feest ook.

 
                                                                                                                 wagenrad
 
Revealing God's Treasure - The Red Sea Crossing (Evidence through findings)


  



2014

Ontstaan
Oorspronkelijk is Isis de naam van een beschermgodin uit de Nijldelta. (zie uittocht Egypte) Zij werd vervolgens geassimileerd met Wadjet, de slangengodin (Lucifer, Duivel, slang, ...) van de beneden Nijl. Bij de vereniging van het noordelijke Beneden-Egypte en het zuidelijke Opper-Egypte was zij het die ook de identiteit van Nekhbet aannam, de giergodin van Opper-Egypte. Zij droeg op bepaalde afbeeldingen de gierenvleugels.

Diodorus van Sicilië meldt in zijn geschriften dat Isis als uitvindster van de landbouw (Zie Genesis 4:2) werd vereerd, en eveneens als grote heelmeesteres. Zij was ook degene door wie (of onder wie) het eerst de wet van rechtvaardigheid in het land werd ingesteld. In dat systeem was het voorgeschreven "dat de koningin grotere macht en eer toekwam dan de koning en dat in het privé leven ook de vrouw autoriteit zou hebben over de echtgenoot, en dat de echtgenoten er in het huwelijkscontract zouden in toestemmen hun vrouw in alles gehoorzaam te zijn".
De Godin Isis was in deze landbouwstaat altijd heel sterk met de Nijl verbonden, het vruchtbare water dat volgens de jaarlijkse cyclus het land kwam bevloeien. Tempels werden er als uitkijkposten bij geplaatst, die toelieten de tekenen aan de hemel te herkennen die samenvielen met het wassende water. Deze tempels waren dan ook alle op het zuiden gericht. De belangrijkste tempel van Isis bevond zich op het eilandje Philae helemaal zuidelijk in de Nijl, namelijk daar waar men het aanzwellende Nijlwater het vroegst kon opmerken.

Genealogie
Isis
Volgens het Egyptisch scheppingsverhaal was Isis de dochter van Geb en Nut, de god van de aarde en de godin van de hemel. Isis of Aset was de zuster van haar echtgenoot Osiris (Egyptisch Oesir) en van Nephthys en Seth. Horus is haar zoon en symboliseert het jaarlijks verdwijnen en opkomen van het leven, zoals dat in de landbouw zichtbaar wordt (zie ook: Geboorte van Horus).
Het gebruik om poppen van de korengeest te maken bestaat nu nog altijd bij de Kopten. Tijdens de goede week wordt een voorstelling van Christus in de vorm van een mummie op het altaar gelegd van vrijdag tot zondag, omgeven door bloemblaadjes e.d. Vrouwen (mannen niet) vullen ook nog altijd potjes met aarde en zaaien daarin. Dit doet denken aan de tuin van Adonis. Op Sicilië werd in het voorjaar altijd zo’n pot ("tuin van Adonis") gemaakt, die daarna werd weggegooid. Osiris, haar geliefde, kreeg de landbouw van haar geleerd. (De landbouw ontstond ergens in het 10e millennium v.Chr. na de laatste ijstijd). Diodorus Siculus meldt dat Isis algemeen werd beschouwd als de uitvindster van de landbouw en als zodanig vereerd, maar ook als grote genezeres en arts, en verder als degene die als eerste de wet van rechtvaardigheid in het land instelde. Voor de regeneratie van Osiris is Isis belangrijk als actieve kracht die het lichaam van Osiris, dat in 14 stukjes gesneden werd, weer één maakt. Dat is zijn wederopstanding als Horus. De symboliek is dat Osiris moet lijden en sterven opdat wij leven: koren wordt gedorst, gemalen enzovoorts en herleeft via het zaaizaad het volgende jaar. Brood speelt een grote rol in de Isiscultus evenals wijn (het bloed van Osiris).

Attributen en functie
Muurschildering van Isis (museum van Karnak in Egypte)
Isis stond bekend als vruchtbaarheidsgodin en als een meesteres van magie, die zelfs Ra om de tuin leidde in de mythe van Ra en Isis. Haar man Osiris echter werd gedood door zijn broer Seth en zijn lijk in stukken gesneden. Isis, geholpen door Anubis, de jakhals-god die het balsemen uitvond, verzamelde de stukken en wist door haar magie zwanger te worden van een zoon Horus die zijn vader zou wreken en diens plaats op de troon innemen. Osiris werd heerser over het dodenrijk en Isis was permanent op zoek naar hem. Er is (in de vierde Sallierpapyrus) een versie van de mythe van de strijd tussen Horus en Seth, waarin Isis probeerde haar broer - ondanks diens wandaden - te redden. Daarop werd Horus woedend en hakte haar hoofd af. Maar Thoth verving het hoofd van Isis door dat van een koe. De koe was het symbool van liefde.
Isis en Horus

Muurschildering van Isis (museum van Karnak in Egypte) (zie de uil die wordt gebruikt in de Bohemian Grove)


Bohemian Grove - Alex Jones

De farao's van de 1e dynastie noemden zich afstammelingen van IsisDit verwijst naar de oorspronkelijke functie van deze godin als Moedergodin in een samenleving die op landbouw gericht was en matriarchaal. Er komen ook vrouwelijke farao's voor. 
Isis en Osiris staan later model voor het Egyptische koningschap. Een koning huwde bij voorkeur met zijn zuster,
bij zijn leven was hij een Horus, en schreef een van zijn namen met de Horusvalk erboven. Bij zijn overlijden werd hij een Osiris en als zodanig vereerd. Kenmerkend voor Isis is de troon, de Mu'at. waarop zij doorgaans plaats neemt, en die op zich als symbool voor de godin geldt en in de hiëroglief van haar naam voor komt. Het is een teken van opperste macht en gezag. Ook de Isisknoop is kenmerkend. Dit is een soort wrong in het kleed waarmee de nauwe relatie tussen aarde en hemel wordt gesymboliseerd, en die ook door haar priesteressen werd gedragen. Isis nam mettertijd de aspecten en attributen van meerdere andere godinnen over, zoals Selket, Hathor, Neith en Noet, om die te verenigen in een enkele godheid.

Attributen waarvan zij er met andere godinnen gemeen heeft zijn:
de Ankh, symbool van vruchtbaarheid en eeuwig leven;
het sistrum en het halssnoer menat van Hathor;
de zonneschijf met de stierenhoorns van Hathor;
de haarpruik in de vorm van de opgevouwen vleugels van een gier, attribuut van de hemelgodinnen, met Nekhbet als eerste;
vaak de afbeelding van de troon, symbool van de macht, boven het hoofd of als teken op zich om haar aan te duiden de was scepter en de papyrusstengel in de handen;
de Mu'at, troon als symbool in de hiëroglief van haar naam en die zij op het hoofd draagt.

Vanaf het Nieuwe Rijk is ze niet meer van Hathor te onderscheiden. Men spreekt dan van Isis-Hathor. Beiden dragen dezelfde haartooi
(koeienkop met omhoornde zonneschijf die op een krans van uraeusslangetjes rust, en een pruik in de vorm van een gier.
Isiscultus
Isis
Egyptische god
Aset, Auset
Q1 t
H8
I12
Isis in hiërogliefen
Cultuscentrum Philae, Beheit el-Hagar
Gedaante Vrouw met het symbool van troon op haar hoofd, ook koeienhoorns met tussenin zonneschijf (symbool vruchtbaarheid)
Dierlijke verschijning Havik, cobra
Associatie Magie, vruchtbaarheid, mysterie, liefde
Griekse god Demeter
Isis
Isis
Portaal  Portaalicoon   Egyptologie

Bekende plaatsen van oorsprong van de Isiscultus waren Taposiris Magna in de noordelijke delta, dat verbonden was met Alexandrië door een 45 km lange processieweg, en Philae het meest zuidelijke eiland in de Boven-Nijl, waar het vruchtbare slik het eerst het land overspoelde. Plutarchus beschreef hoe de sarcofaag waarin Osiris door zijn broer Seth werd opgesloten een belangrijke rol speelde in het ritueel. Het sluiten van het deksel zou symbool staan voor het verdwijnen van het water. Dit ritueel staat afgebeeld op het mozaïek van Preneste.


 
Priesteres van Isis (Romeins standbeeld 2e eeuw, Museo Archaeologico Regionale, Palermo)

Na de verovering door Alexander de Grote in 332 v.Chr. werd de Isiscultus ook naar de hellenistische wereld overgebracht. Vanaf de 2e eeuw v.Chr. begon haar cultus zich door toedoen van handelaren en zeelieden door het hele Middellandse Zeegebied te verspreiden, maar ook tot in Pannonië, Gallië tot aan de Rijn, en in Bretagne. Zoals de Demeter van Eleusis, verleende Isis onsterfelijkheid aan degenen die in de mysteriecultussen werden ingewijd. In Griekenland werd zij vaak met Demeter gelijkgesteld. Plutarchus heeft wel de meest uitgebreide beschrijving nagelaten van de mythe van Isis en Osiris, maar hij schrijft over een cultus die in de tijd van de Ptolemeeën aan veel veranderingen had blootgestaan, vooral onder Griekse invloed. Deze Griekse historicus beschrijft de godin als "Het vrouwelijke natuurprincipe". Zij werd volgens hem onder talloze namen vernoemd, aangezien zij zich vlot "in dit of het gene verandert" en "ontvankelijk is voor iedere wijze van gedaante en vorm".
In de Romeinse tijd was de cultus van Isis vanaf 80 v.Chr. tot in de 6e eeuw bijzonder populair en dus zeker niet langer beperkt tot Egypte en Griekenland. Haar cultus gold aldus Fr. Cumont "van Alexandrië tot Arles en van de uithoeken van de Sahara tot de Britse eilanden, van de bergen van Asturië tot de heuvels van de Donau".[4] In de Romeinse mysteriën werd zij aanroepen als "De Ene die Al is". Keizer Gaius (zie de serie Merlin van de BBC 2008-2012)(bijgenaamd Caligula) bouwde een tempel voor Isis. Haar eredienst ging met veel prachtige rituelen en muziek gepaard, onder andere het gebruik van sisters, een soort besnaarde rammelaar, die nu in Ethiopië nog wel gebruikt wordt.
In Rome bestonden de cultus van Isis en de cultus van Cybele naast elkaar. De Isiscultus was veel rustiger, vergelijkbaar met de cultus van Demeter. Demeter was de godin van het graan, bij de Romeinen geïdentificeerd met Ceres. Men at brood dat besmet was met de schimmel van 'moederkoren' (el-got) wat in feite LSD opleverde, vandaar extase en dansen. Zo werd ook het muziekinstrument (sistrum) symbool van Hathor. Dit instrument wordt vandaag nog steeds gebruikt in de Koptische kerk. Het sistrum kan gecombineerd zijn met een niet te hoge zuil (bijvoorbeeld Tempel van Hateh-Sut). Isis werd vaak afgebeeld als de Moedergodin met Horus, haar zoontje, op schoot. Onderzoek houdt het voor mogelijk, dat dit beeld tijdens de kerstening door het christendom werd overgenomen als de Madonna met Kind. Heiligdommen werden omgevormd tot christelijke kerk. In Egypte bleef haar eredienst bestaan tot 552 na Chr., toen liet keizer Justinianus de tempel sluiten. In Beneden-Egypte had tot dan toe enkel de later gekomen Iraanse initiatiecultus van Mithras de hare in aantal volgelingen overtroffen. Deze laatste was vooral een cultus van soldaten.

Isis en andere volken
Ook buiten de Egyptische grenzen werd Isis tenslotte zeer populair en werd zij al naargelang haar aspect met andere godinnen geassimileerd. Door de Grieken werd Isis vereenzelvigd met Demeter en Aphrodite en met nog vele andere godinnen. In het oude Rome ontstond een populaire Isiscultus in de tijd van Julius Caesar, wat leidde tot verspreiding over het hele Romeinse Rijk (getuigen de talrijke terracotta beeldjes die als huwelijksgeschenk werden gegeven). In Pompeii kan een compleet opgegraven Isistempel worden bezichtigd.
Het is bekend dat ook in Engeland in de Romeinse tijd de Isisdienst werd beleden. Een Isistempel in Londen aan de oever van de Thames en een Isisaltaar in Chester getuigen van het bestaan van deze religie op de Britse Eilanden in die tijd.
Misschien heeft de Godin Danu (zie gedicht Der Ister), de goddelijke voormoeder van de Tuatha de Danaan uit Ierland (al dan niet verwant met de Romeinse Diana, de Griekse Dione en de Indische Danu), de grondslag gevormd voor de eredienst die als Heksencultus is bestempeld. Isis ligt aan de oorsprong van heel wat mythen van de mensheid, waarrond een levendige traditie ontstond, en die in heel wat kunstwerken en literaire werken tot uiting is gekomen.

Parallellen in katholicisme en orthodoxie
Een aantal onderzoekers is van mening dat de Isiscultus in laat-Romeinse tijden een invloed heeft gehad op de ontwikkeling van de christelijke cultus van de Moedermaagd Maria. Getuigenissen geven aan dat dit de katholieke Kerk toeliet om grote aantallen gelovigen in haar rangen te halen die voordien de Isiscultus aanhingen, en die wel bereid waren zich te bekeren voor zover een op Isis gelijkende vrouwelijke figuur beschikbaar was waar zij hun vroeger geloof konden op focussen. Iconografisch vallen in ieder geval de gelijkenissen op tussen de zittende Isis die haar zoon Horus zoogt en de talloze Madonna's, die de zittende Maria die haar zoon Jezus in de arm houdt en eventueel zoogt afbeelden. Ook is er een parallel tussen de maagdelijkheid van Isis en die van Maria. Ook van Isis werd verteld dat de conceptie niet-lichamelijk was, en dat zij dus als maagd geboorte gaf aan Horus, net zoals in de Frygische mythologie de god Attis uit de maagdelijke moeder Nana stamde.
Ook al wordt de Maagd Maria in katholicisme en orthodoxie niet aanbeden (maar vereerd), toch vertolkt zij de rol van altijd bijstaande moederfiguur op een wijze die parallellen vertoont met die in de eertijds gangbare Isiscultus.
De verering van de Zwarte Madonnas zou een late uitloper zijn van de Isiscultus in het zuidelijke Nubië, waar aanvankelijk de zwarte Isis van Philae werd vereerd.
De Mariaverering in de orthodoxe en zelfs in de Anglicaanse traditie wordt vaak onderschat. Traditionele iconen zijn nog steeds populair in de hedendaagse orthodoxe ritus. Zie ook kerstening en syncretisme.

Genesis 4

Kaïn en Habel
En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zeide: Ik heb een man van den HEERE verkregen!
En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kaïn werd een landbouwer.
En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht des lands den HEERE offer bracht.
En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan;
Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.
En de HEERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?
Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.
En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.
En de HEERE zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?
10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.
11 En nu zijt gij vervloekt; van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen.
12 Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.
13 En Kaïn zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.
14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.
15 Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.
16 En Kaïn ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.
17 En Kaïn bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons, Henoch.
18 En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechújaël; en Mechújaël gewon Methúsaël; en Methúsaël gewon Lamech.
19 En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.
20 En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.
21 En de naam zijns broeders was Jubal; deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.
22 En Zilla baarde ook Túbal-Kaïn, een leermeester van allen werker in koper en ijzer; en de zuster van Túbal-Kaïn was Naëma.
23 En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!
24 Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.
25 En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij,sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen.
26 En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den Naam des HEEREN aan te roepen.

Ezechiël 29

Spreek en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Faraö, koning van Egypte! dien groten zeedraak, die in het midden zijner rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.
En Egypteland zal worden tot een wildernis en woestheid, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben; omdat hij zegt: De rivier is mijn, en ik heb die gemaakt.

Ezechiël 32

11 
Want zo zegt de Heere HEERE: Het zwaard des konings van Babel zal u overkomen.


Vermenging van goden en mensen
Genesis 6:1-4.
1 Zo kwamen er steeds meer mensen op aarde, en zij kregen dochters. 
2 De zonen van de goden zagen hoe mooi de dochters van de mensen waren, en ze kozen uit hen de vrouwen die ze maar wilden. 
3 Toen dacht de HEER: Mijn levensgeest mag niet voor altijd in de mens blijven, hij is immers niets dan vlees; hij mag niet langer dan honderdtwintig jaar leven. 
4 In die tijd en ook daarna nog, zolang de zonen van de goden gemeenschap hadden met de dochters van de mensen en kinderen bij hen kregen, leefden de giganten op aarde.
Dat zijn de befaamde helden 
(Farao´s en andere helden uit de bijbeluit het verre verleden.

Ik vind veel over Babylon en Egypte en het houdt verband met de Illuminati.
The Revelation Of The Pyramids - 
The Truth - Must Watch!!!!  Kijk bij 1:10:00 hours (Film is weg, maar ik heb het nog in mijn archief)

Aerth born

                 

More than 9 feet tall with 6 vingers and 6 toes and red hair. (Hybrid, children from humans with fallen angels) / Meer dan 9 feet = 2.7432 meters lang met 6 vingers en rood haar. 


Lost Pyramids and Other Hidden Ancient Artifacts 
Will Destroy Evolution Theory giant nephilim humans skeletons
2 Samuel 21,20
Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een vechtjas die aan elke hand zes vingers had en aan elke voet zes tenen: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet.
1 Kronieken 20,6
Tijdens weer een andere veldslag, ditmaal bij Gat, was er een reus die aan elke kant zes vingers en zes tenen had: vierentwintig in totaal. Ook hij was een Refaïet.

Ik heb altijd al geweten dat we voorgelogen werden. (kijk op het eind van de clip)



Egypte anno 2013

حلم الخلافة الإسلامية يتحقق على يد محمد مرسي  (Egypte 1 mei 2012 speech) Problemen in Jeruzalem zie hieronder de beschrijving


May 01, 2012 Clip No. 3431
Egyptian Cleric Safwat Higazi Launches MB Candidate Muhammad Mursi's Campaign: Mursi Will Restore the "United States of the Arabs" with Jerusalem as Its Capital

Following are excerpts from an address made by Egyptian cleric Safwat Higazi at a rally in which he launched the presidential elections campaign for Muslim Brotherhood candidate Muhammad Mursi. The rally aired on Al-Nas TV on May 1, 2012.
Safwat Higazi : We can see how the dream of the Islamic Caliphate is being realized, Allah willing, by Dr. Muhammad Mursi and his brothers, his supporters, and his political party. We can see how the great dream, shared by us all - that of the United States of the Arabs... The United States of the Arabs will be restored, Allah willing. The United States of the Arabs will be restored by this man and his supporters.
The capital of the Caliphate - the capital of the United States of the Arabs - will be Jerusalem, Allah willing.
[...]
Ceremony leader : Mursi will liberate Gaza tomorrow.
Crowds : Mursi will liberate Gaza tomorrow.
Ceremony leader : I am an Egyptian and proud of it.
Crowds : I am an Egyptian and proud of it.
Ceremony leader : Mursi will liberate Gaza tomorrow.
Crowds : Mursi will liberate Gaza tomorrow.
Ceremony leader : Mursi will liberate Gaza tomorrow.
Crowds : Mursi will liberate Gaza tomorrow.
Ceremony leader : Say: "Allah Akbar."
Crowds : Allah Akbar.
Ceremony leader : Say: "Allah Akbar."
Crowds : Allah Akbar.
Ceremony leader : Say: "Allah Akbar."
Allah Akbar.
Safwat Higazi : Our capital shall not be Cairo, Mecca, or Medina. It shall be Jerusalem, Allah willing. Our cry shall be: "Millions of martyrs march toward Jerusalem." Millions of martyrs march toward Jerusalem.
Crowds : Millions of martyrs march toward Jerusalem.
Crowds : Millions of martyrs march toward Jerusalem.
Safwat Higazi : Millions of martyrs march toward Jerusalem.
Crowds : Millions of martyrs march toward Jerusalem.
Ceremony leader : Banish the sleep from the eyes of all Jews.
Come on, you lovers of martyrdom, you are all Hamas.
From the eyes of all Jews...
Come on, you lovers of martyrdom, you are all Hamas.
Banish the sleep from the eyes of all Jews.
Come on, you lovers of martyrdom, you are all Hamas.
Forget about the whole world, forget about all the conferences.
Brandish your weapons... Say your prayers...
Brandish your weapons... Say your prayers...
And pray to the Lord.
From the eyes of all Jews...
Come on, you lovers of martyrdom...
Banish the sleep from the eyes of all Jews.
Come on, you lovers of martyrdom, you are all Hamas.
Safwat Higazi : Indeed, all the lovers of martyrdom are Hamas. I say from this podium, from Al-Mahalla, from the heart of the Delta, the heart of Egypt, so that the whole world may hear.
We say it loud and clear: Yes, Jerusalem is our goal. We shall pray in Jerusalem, or else we shall die as martyrs on its threshold.
Millions of martyrs march toward Jerusalem.
Crowds : Millions of martyrs march toward Jerusalem.
[...]

Bron: http://davidb.mystarband.net/Duduman.html
"Those that live in defilement, that meditate upon evil things, will have no escape. They will not have My protection. I will destroy Babylon," says the Lord, "because of the wickedness and blasphemy of this country. Not only here, but wherever there is sin, I will punish it harshly. Only the righteous will I save; some even out of the midst of the fire."

"The great day, the day of terror, the day of affliction, of pain; the day of the punishment of Babylonprophesied in the Bible, is soon coming, and I will only spare the righteous," says the Lord. "I forgive who I want, I make holy who I want, and I prepare who I want. Judge no one, for Mine is the judgment," says the Lord. "Each of you judge yourself. Pray and draw close to me, and if you will obey I will come to your aid. I will send a chariot of salvation and take each one out in his appointed time."
 

 


Zon aanbidding
 
 
  
Paus, Vaticaan (zon aanbidding, Lev 26:30) Anno 2013


(Egypte, Farao, Zon aanbidding, Lev 26:30) Anno ±3500 jaar geleden


Lev 26:30
En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.

2 Kron 14:5
Hij nam ook weg uit alle steden van Juda de hoogten en de zonnebeelden; en het koninkrijk was voor hem stil.

2 Kron 34:4
En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baäls; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden.

2 Kron 34:7
Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land van Israël; daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.

Jes 17:8
En hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk zijner handen, ook hetgeen zijn vingeren gemaakt hebben, zal hij niet aanzien, noch de bossen,noch de zonnebeelden.

Jes 27:9
Daarom zal daardoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, en dit is de ganse vrucht, dat Hij deszelfs zonde zal wegdoen, wanneer Hij al de stenen des altaars maken zal als verstrooide kalkstenen, de bossen en de zonnebeelden zullen niet bestaan.

Ez 6:4
Daartoe zullen uw altaren verwoest, en uw zonnebeelden verbroken worden; en Ik zal uw verslagenen nedervellen voor het aangezicht uwer drekgoden.

Ez 6:6
In al uw woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uw altaren woest en eenzaam zijn, en uw drekgodenverbroken worden en ophouden, en uw zonnebeelden afgehouwen, en uw werken uitgedelgd worden.

Jozua 24

Jozua vernieuwt het verbond met Israël te Sichem
Daarna verzamelde Jozua al de stammen van Israël te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, en deszelfs hoofden, en deszelfs richters, en deszelfs ambtlieden; en zij stelden zich voor het aangezicht van God.
Toen zeide Jozua tot het ganse volk: Alzo zegt de HEERE (YHVH), de God Israëls: Over gene zijde der rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, namelijk Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.
Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde der rivier, en deed hem wandelen door het ganse land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak.
En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau; en Ik gaf aan Ezau het gebergte Seïr, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen togen af in Egypte.
Toen zond Ik Mozes en Aäron, en Ik plaagde Egypte, gelijk als Ik in deszelfs midden gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit.
Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwaamt gij aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaderen na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee.
Zij nu riepen tot den HEERE (YHWH), en Hij stelde een duisternis tussen u en tussen de Egyptenaars, en Hij bracht de zee over hen, en bedekte hen; en uw ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt gij vele dagen in de woestijn gewoond.
Toen bracht Ik u in het land der Amorieten, die over gene zijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en gij bezat hun land erfelijk, en Ik verdelgde hen voor ulieder aangezicht.
Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, en hij streed tegen Israël; en hij zond heen, en deed Bíleam, den zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou.
10 Maar Ik wilde Bíleam niet horen; dies zegende hij u gestadig, en Ik verloste u uit zijn hand.
11 Toen gij over de Jordaan getrokken waart, en te Jericho kwaamt, zo krijgden de burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; doch Ik gaf hen in ulieder hand.
12 En Ik zond horzelen voor u heen; die dreven hen weg van ulieder aangezicht, gelijk de beide koningen der Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog.
13 Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan gij niet gearbeid hebt, en steden, die gij niet gebouwd hebt, en gij woont in dezelve; gij eet van de wijngaarden en olijfbomen, die gij niet geplant hebt.
14 En nu, vreest den HEERE (YHVH), en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan gene zijde der rivier, en in Egypte; en dient den HEERE (YHVH).
15 Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE (YHWH) te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE (YHVH) dienen!
16 Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons, dat wij den HEERE (YHWH) verlaten zouden, om andere goden te dienen.
17 Want de HEERE (YHVH) is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaderen uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebracht, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al den weg, door welken wij getogen zijn, en onder alle volken, door welker midden wij getrokken zijn.
18 En de HEERE heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs den Amoriet, inwoner des lands. Wij zullen ook den HEERE (YHVH) dienen, want Hij is onze God.
19 Toen zeide Jozua tot het volk: Gij zult den HEERE (YHVH) niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uw overtreding en uw zonden niet vergeven.
20 Indien gij den HEERE (YHVH) verlaten en vreemde goden dienen zult, zo zal Hij Zich omkeren, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u verdoen, naar dat Hij u goed gedaan zal hebben.
21 Toen zeide het volk tot Jozua: Neen, maar wij zullen den HEERE (YHVH) dienen.
22 Jozua nu zeide tot het volk: Gij zijt getuigen over uzelven, dat gij u den HEERE (YHVH) verkoren hebt, om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen.
23 En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot den HEERE (YHVH), den God van Israël.
24 En het volk zeide tot Jozua: Wij zullen den HEERE (YHVH), onzen God, dienen, en wij zullen Zijner stem gehoorzamen.
25 Alzo maakte Jozua op dienzelven dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem.
26 En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een groten steen, en hij richtte dien daar op onder den eik, die bij het heiligdom des HEEREN (YHVH) was.
27 En Jozua zeide tot het ganse volk: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen des HEEREN (YHVH), die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen ulieden zijn, opdat gij uw God niet liegt.
28 Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel.


  

Ezechiël 8

Gruwelen in den tempel
Het geschiedde nu in het zesde jaar, in de zesde maand, op den vijfden der maand, als ik in mijn huis zat, en de oudsten van Juda voor mijn aangezicht zaten, dat de hand des Heeren HEEREN (YHWH) daar over mij viel.
Toen zag ik, en ziet, een gelijkenis, als de gedaante van vuur; van de gedaante Zijner lenden en nederwaarts was vuur; en van Zijn lenden en opwaarts, als de gedaante ener klaarheid, als de verf van Hasmal.
En Hij stak de gelijkenis ener hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen den hemel, en bracht mij in de gezichten Gods te Jeruzalem, tot de deur der poort van het binnenste voorhof, dewelke ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld der ijvering, dat tot ijver verwekt.
 (Hij strekte iets uit dat de vorm had van een hand en pakte me bij mijn haren beet. In dit goddelijk visioen tilde de geest me op, tussen hemel en aarde, en bracht me naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, waar het afschuwelijke godenbeeld staat dat de woede van de HEER wekt.)
En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israël was aldaar, naar de gedaante, die ik in de vallei gezien had.
En Hij zeide tot mij: Mensenkind, hef nu uw ogen op naar den weg van het noorden; en ik hief mijn ogen op naar den weg van het noorden, en ziet, tegen het noorden aan de poort van het altaar was dit beeld der ijvering, in den ingang.
   (Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk nu naar het noorden.’ Ik keek naar het noorden en zag daar buiten de poort een altaar staan; het godenbeeld dat de woede van de HEER wekt stond in de toegang.) 
En Hij zeide tot mij: Mensenkind, ziet gij wel, wat zij doen, de grote gruwelen, die het huis Israëls hier doet, opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga? Doch gij zult nog wederom grote gruwelen zien.
Zo bracht Hij mij tot de deur van het voorhof. Toen zag ik, en ziet, er was een hol in den wand.
En Hij zeide tot mij: Mensenkind, graaf nu in dien wand. En ik groef in dien wand, en ziet, daar was een deur.
Toen zeide Hij tot mij: Ga in, en zie de boze gruwelen, die zij hier doen.
  10 Zo ging ik in, en ik zag, en ziet, er was alle beeltenis van kruipende dieren en verfoeielijke beesten, en van alle drekgoden (afgoden) van het huis Israëls, geheel rondom aan den wand gemaald.
 (10 Toen ik binnen was en rondkeek, zag ik op de muren om me heen allerlei afbeeldingen van de afgoden van het volk van Israël, van kruipende beesten en andere dieren, stuk voor stuk onrein.) 
11 En zeventig mannen uit de oudsten van het huis Israëls, met Jaäzánja, den zoon van Safan, staande in het midden van hen, stonden voor hun aangezichten; en een ieder had zijn rookvat in zijn hand, en een overvloedige wolk des reukwerks ging op.
12 Toen zeide Hij tot mij: Hebt gij gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis Israëls doen in de duisternis, een ieder in zijn gebeelde binnenkameren? want zij zeggen: De HEERE ziet ons niet, de HEERE heeft het land verlaten.
13 En Hij zeide tot mij: Gij zult nog wederom grote gruwelen zien, die zij doen.
14 En Hij bracht mij tot de deur der poort van het huis des HEEREN, die naar het noorden is, en ziet, daar zaten vrouwen, bewenende den Thammuz.
(14  en hij bracht me naar de ingang van de noordelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zaten vrouwen die rouwden om de god Tammuz.) 
   15 
En Hij zeide tot mij: Hebt gij, mensenkind, dat gezien? Gij zult nog wederom grotere gruwelen zien dan deze.
 (16 Hij bracht me naar de binnenhof van de tempel van de HEER. Bij de ingang, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Ze stonden met hun rug naar de tempel, met hun gezicht naar het oosten, en ze bogen zich in aanbidding neer voor de zon.
16 En Hij bracht mij tot het binnenste voorhof van het huis des HEEREN; en ziet, aan de deur van den tempel des HEEREN, tussen het voorhuis en tussen het altaar, waren omtrent vijf en twintig mannen; hun achterste leden waren naar den tempel des HEEREN, en hun aangezichten naar het oosten, en deze bogen zich neder naar het oosten voor de zon.
17 Toen zeide Hij tot mij: Hebt gij, mensenkind, dat gezien? Is er iets lichter geacht bij het huis van Juda, dan deze gruwelen (afgodendienst) te doen, die zij hier doen? Als zij het land met geweld vervuld hebben, zo keren zij zich, om Mij te vertoornen; want zie, zij steken de wijnranken aan hun neus.
18 Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid, Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luider stem roepen, nochtans zal Ik hen niet horen.

Exodus 12

37 Alzo reisden de kinderen Israëls uit van Raméses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.
38 En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee.
40 De tijd nu der woning, dien de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren (430 jaren).
41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn.

Galaten 4

Sara en Hagar, voorbeelden van de twee verbonden
20 Doch ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijn stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u.
21 Zegt mij, gij, die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet?
22 Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, één uit de dienstmaagd, en één uit de vrije.
23 Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis;
24 Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar;
25 Want dit, namelijk Agar, is Sinaï, een berg in Arabië, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.
26 Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.
27 Want er is geschreven: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij, die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer, dan dergene, die den man heeft.
28 Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was.
29 Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar den Geest geboren was, alzo ook nu.
30 Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije.
31 Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.  (Het nieuwe verbond)



Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen