Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Yeshua/Jezus
Yeshua/Jezus: Koning der Koningen. 
Zijn titels zullen Zijn:

Wonderbare Raadgever, Machtige God, Vader der eeuwen, Vorst van Vrede.

Yehsua is geboren op 
(20 maart 6 BC) Nisan 1 nieuwe maan, het begin van de Bijbelse kalender en strief op volle maan nisan 14/15 wanneer de lammeren geslacht worden voor het Pascha.
Vanaf 10 nisan tot het slachten werd Yehsua gevangen gehouden.

Tabernacle is in 9 maanden gemaakt zo ook een baby.

Exo 40:2
2 Op den dag der eerste maand, te weten op den eersten der maand, zult gij den tabernakel, de tent der samenkomst, oprichten.

Exo 40:17
17 En het geschiedde in de eerste maand, in het tweede jaar, op den eersten der maand, dat de tabernakel opgericht werd. 

Terugkomst van Jezus/Yeshua
Ben je er klaar voor?

Iedereen heeft het over de terugkomst van Yeshua. Ook zijn er veel valse bijbelstudies over Zijn terugkomst.
Een daarvan is de Rapture/opname van de Bruid voor de (grote) verdrukking.
Maar als mensen heel goed nadenken en goed de Bijbel gaan lezen dan kloppen al die verhalen niet.

Kijk naar het verhaal van Noach en het Exodus vehaal. Noach en zijn gezin en Mozes en de Israëlieten werden niet weggehaald maar ze werden wel beschermd. En zo zal dat ook zijn als Yeshua ons komt halen. Wij worden zelfs onthoofd tijdens de grote verdrukking vlak voor Zijn terugkomst. 

Spreuken 8
22 De HEERE (YHWH) bezat Mij (Yehsua) in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan.
23 Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan.
24 Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;
25 Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
26 Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld.
27 Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;
28 Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;
29 Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;
30 Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;
31 Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
32 Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
33 Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
34 Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.
35 
Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE (YHWH) .
36 Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.

8:23 From eternity I was appointed, from the beginning, from before the world existed.
appointed = to get, acquire, create, buy, possess
Strong's G2424 - Iēsous = Jesus = "Jehovah is salvation"
Strong's H3444 - 
יְשׁוּעָה yĕshuw`ah = salvation, deliverance  
Strong's H3091 - יְשׁוּעָ֑ה Yĕhowshuwa`  Joshua or Jehoshua = "Jehovah is salvation"
Isa 26:1
In that day this song will be sung in the land of Judah: We have a strong city; God makes salvation its walls and ramparts.
Strong's H6005 - `Immanuw'el = Immanuel = "God with us" or "with us is God"
Strong's H3444 - יְשׁוּעָ֑ה yĕshuw`ah = salvation, deliverance
Psalm 119: 155
Jesaja 26: 1; 49: 8; 52: 7; 59:17; 60: 18.

Lukas 17

Over de komst van het Koninkrijk Gods
20 En gevraagd zijnde van de farizeeën, wanneer het Koninkrijk Gods komen zou, heeft Hij hun geantwoord en gezegd: Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat.
21 En men zal niet zeggen: Ziet hier, of ziet daar, want, ziet, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden.
22 En Hij zeide tot de discipelen: Er zullen dagen komen, wanneer gij zult begeren een der dagen van den Zoon des mensen te zien, en gij zult dien niet zien.
23 En zij zullen tot u zeggen: Ziet hier, of ziet daar is Hij; gaat niet heen, en volgt niet.
24 Want gelijk de bliksem, die van het ene einde onder den hemel bliksemt, tot het andere onder den hemel schijnt, alzo zal ook de Zoon des mensen wezen in Zijn dag.
25 Maar eerst moet Hij veel lijden, en verworpen worden van dit geslacht. (Joden en Christenen worden onthoofd)
26 En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen.
27 Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen.
28 Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden;
29 Maar op den dag, op welken Lot van Sódom uitging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en verdierf ze allen.
30 Even alzo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.
31 In dienzelven dag, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af, om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die kere desgelijks niet naar hetgeen, dat achter is.
32 Gedenkt aan de vrouw van Lot.
33 Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelve zal verliezen, die zal het in het leven behouden.
34 Ik zeg u: In dien nacht zullen twee op een bed zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
35 Twee vrouwen zullen te zamen malen; de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.
36 Twee zullen op den akker zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
37 En zij antwoordden en zeiden tot Hem: Waar, Heere? En Hij zeide tot hen: Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden.

Nadat je overlijd slaap je tot de wederopstanding, maar er zijn er twee opstandingen.

De eerste opstanding: is van Yeshua en dan leef je voor eeuwig.
De tweede opstanding: is die van Satan en die leid tot de dood in vuur en sulfer, genaamd de eeuwige dood.
(renounce their faith/afstand doen van hun geloof)

De tweede opstanding komt pas 1000 jaar na de eerste opstanding.
En tijdens die tweede opstanding gaat Satan vertellen dat hij de Messias is en dat het de eerste opstanding is en hij gaat iedereen nog 1 keer in de maling nemen om tegen Yeshua te gaan vechten voordat ze de tweede dood/veroordeling van YHWH krijgen.

Je moet nu in DIT leven ervoor kiezen, welke van de twee toekomsten je wilt hebben.

Johannes 1

50 Nathánaël antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israëls.

Matthéüs 27

37 En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE IS JEZUS, DE KONING DER JODEN.

Johannes 19

19 
En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS DE NAZARÉNER, DE KONING DER JODEN.

Johannes 18

36 Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.
37 Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.

Zefánja 3

15 
De HEERE heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning Israëls, de HEERE (YHWH), is in het midden van u, gij zult geen kwaad meer zien.

Johannes 12

13 
Namen de takken van palmbomen, en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren (YHWH)HijDie is de Koning Israëls!

Johannes 5

29 
En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.

Ken Peters - I Saw The Tribulation (Cleaned Up Audio & Video) (Copy)
1973 Prophecy David Wilkerson The Vision HD (Copy)
KING MESSIAH - His Name Revealed

Deuteronomium 18

Belofte van een groot Profeet
15 Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen;
16 Naar alles, wat gij van den HEERE, uw God, aan Horeb, ten dage der verzameling, geëist hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te horen de stem des HEEREN, mijns Gods, en ditzelve grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.
17 Toen zeide de HEERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.
18 Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.
19 En het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken.
20 Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, hetwelk Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven.
21 Zo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat de HEERE niet gesproken heeft?
22 Wanneer die profeet in den Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat de HEERE niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen.

Jeremía 23

De Spruit van David
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige SPRUIT zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE (YHWH): ONZE GERECHTIGHEID.
Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd.
Maar: Zo waarachtig als de HEERE (YHWH) leeft, Die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.

Zacharía 12

Belofte van den Geest der genade
10 Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.
11 Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadrímmon, in het dal van Megíddon.
12 En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder; het geslacht van het huis Davids bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;
13 Het geslacht van het huis van Levi bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; het geslacht van Simeï bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;
14 Al de overige geslachten, elk geslacht bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder.

Jesaja 7

14 
Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUEL heten.

Micha 5

Voorzegging der geboorte van den Messias
En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
Daarom zal Hij henlieden overgeven, tot den tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen Zijner broederen zich bekeren met de kinderen Israëls.
En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde.
En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen.
Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in deszelfs ingangen. Alzo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden.
En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt.
Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde.
Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagenen verdoen.
10 En Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken.
11 En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen guichelaars hebben.
12 En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen.
13 Voorts zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden verdelgen.
14 En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.

Psalmen 2

Strijd en zegepraal van den Messías
Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?
De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE (YHWH), en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:
Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.
Die in den hemel woont, zal lachen; de Heere (YHWH) zal hen bespotten.
Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.
6 Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.
Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE (YHWH) heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.
Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
10 Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
11 Dient den HEERE (YHWH) met vreze, en verheugt u met beving.
12 Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.

Psalmen 22

Verlaten en toch roepende tot God
Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.
Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israëls.
Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.
Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.
Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.
Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:
Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!
10 Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.
11 Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.
12 Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.
13 Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
14 Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.
15 Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
16 Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.
17 Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
18 Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.
19 Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
20 Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.
21 Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.
22 Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.
23 Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.
24 Gij, die den HEERE (YHWH) vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israël!
25 Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.
26 Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.
27 De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE (YHWH) prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.
28 Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE (YHWH) bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.
29 Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.
30 Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.
31 Het zaad zal Hem dienen; het zal den Heere (YHWH) aangeschreven worden tot in geslachten.
32 Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.

Markus 10

Derde aankondiging van het lijden
32 En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden;
33 Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren;
34 En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.

Jesaja 53

Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?
Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.
Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.
Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.
Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding mijns volks is de plage op Hem geweest.
En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.
10 Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.
11 Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.
12 Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.

Handelingen 8

32 En de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.
33 In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.

Matthéüs 27

12 En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.
13 Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele zaken zij tegen U getuigen?
14 MaarHij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.

Markus 14

Jezus voor het Sanhedrin
53 En zij leidden Jezus henen tot den hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de schriftgeleerden.
54 En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen in de zaal des hogepriesters, en hij was mede zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur.
55 En de overpriesters, en de gehele raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om Hem te doden, en vonden niet.
56 Want velen getuigden valselijk tegen Hem, en de getuigenissen waren niet eenparig.
57 En enigen, opstaande, getuigden valselijk tegen Hem, zeggende:
58 Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen.
59 En ook alzo was hun getuigenis niet eenparig.
60 En de hogepriester, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?
61 Maar Hij zweeg stil, en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?
62 En Jezus zeide: Ik ben het. En gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechterhand der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels.
63 En de hogepriester, verscheurende zijn klederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van node?
64 Gij hebt de godslastering gehoord; wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem, des doods schuldig te zijn.
65 En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem kinnebakslagen.

Lukas 23

Jezus voor Heródes
En als Heródes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.
En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.
10 En de overpriesters en de schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftiglijk.
11 En Heródes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.
12 En op denzelfde dag werden Pilatus en Heródes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap de een tegen den anderen.

Psalmen 11
Vertrouwen op God
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen naar ulieder gebergte, als een vogel?
Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.
Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?
De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.
De HEERE proeft den rechtvaardige; maar den goddeloze, en dien, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel.
6 Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.
Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.
 

Psalmen 91

Gods bescherming tegen gevaren
Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.
Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!
Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.
Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.
Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt;
Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.
Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.
Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien.
Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! Den Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek;
10 U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.
11 Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.
12 Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.
13 Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.
14 Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.
15 Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.
16 Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.


Pre Trib Rapture vs Post Trib explained. ONE DEBUNKED
Getting Yourself Ready for the Rapture

Earthquakes in Israel and Bible Prophecy- Revelation 11:13 - Prophecy in the News! Oct 25 2013
Openbaringen:9:13 
Als een dief in de nacht.
- Een Dringend Bericht - Van God (Profetisch)
Orthodox Rabbi Reveals Name of Messiah _JESUS_,_Yehoshua_ or _Yeshua_(Hebrew)_1
ALERT! PROOF The Biggest EVENT in History is About to Happen!!! 1 
The Ark of the covenant found - now revealed the blood of Christ on the mercy seat - Documentary
Jezus komt terug in 2017-2018?
After the Tribulation (Full Movie) - Alex Jones
Secret Genetic Experiments Human-Animal Hybrids
 







Er zijn drie beloftes van God als jij je geloof in G-d/Jezus Christus/Heilige Geest belijd tot in je dood. 
Net zoals Jezus zijn leven heeft opofferd als een lam voor onze zonden. 

  • Wij worden in de gevangenis (voor het gerecht) gegooid, geselen (geslagen) en gestenigd en onthoofd met de guillotine (ik denk dus geen andere enge dingen ). Openbaringen 20:4.
  • 1000 jaar als koningen met hem samen regeren. Openbaringen 20:4.
  • Het eeuwige leven
1 advies beleid dezelfde woorden die Jezus aan het kruis belijde:

Lukas 23
 
46 En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest.

Best UFO Sightings of 2013 Illuminati Secrets Exposed! Incredible Footage!

Zie bij:
 9 min Hollywood 
speelt onder een hoedje met de NWO/regering/illuminatie en verteld hun plannen in films/muziek en documentaires, etc.
Zie bij: 16 minuten wordt verteld dat Jezus het niet is, maar wel bedrog en de illuminatie en regering die erachter zit.
Zie bij: 20 min regering en NWO, drugs, 
bestraling, mind control, manipulatie, educatie enz.
Zie bij: 24 minuten nadat men de Aliëns heeft onmoet willen ze van het Geloof afstappen en dat is precies wat hun (gevallen engelen/demonen enz.) daarmee willen bereiken.
Zie bij: vanaf 30 minuten regering en NWO, drugs, bestraling, mind control, manipulatie, educatie enz. en nog veel meer goede uitspraken.

"Finaly is someone telling the truth. What all the Aliens want you to do is for you to abandon God and religion. They are truly demonic and the governement is using this for the NWO and read your Bible all Kings and governements are going to fight Jesus in Armageddon." 
 




(Hypothese) 7 jaar verdrukking op de helft hiervan 5 januari 2015 wordt het erger (vervolging).



Het is en blijft een gok maar de datum kan 20 maart zijn 2015.

Pastor Mark Biltz - Blood Moons: Decoding the Imminent Heavenly Signs Part I (April 14, 2014)


Daniël 9

De zeventig weken
24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.
25 Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.
26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid wordenmaar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten (Nephilims?), hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg (oorlog) zijn, en vastelijk besloten verwoestingen. 



Start Obama 1e periode.
ALERT! PROOF The Biggest EVENT in History is About to Happen!!!

Daniël 8

12 En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offeren hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.

Openbaring 13

En het werd een mond gegeven, om grote dingen en godslasteringen te spreken; en het werd macht gegeven, om zulkste doen, twee en veertig maanden.


Start Obama 2e periode.

UFO Sightings is it a Bird is it a Plane? No it's WTF? "Real Superman" Caught On Video? (Bewijs dat er iets demonisch zichtbaar bezig al is).

ALERT! PROOF The Biggest EVENT in History is About to Happen!!!, he is near, Get ready!

Project Enoch 2012 New religion of the Age of Aquarius? (One world Religion voor 42 maanden verdrukking).

Pastor Goes To Jail For Home Worship
American Muslims Stone Christians in Dearborn, MI (Original edit) (Dit is van 2012)
God's Holy Law is Supported by Scientific Evidence (Wetten van Mozus)
E7 Has the Temple of the Lord been rebuilt under the feet of the gentiles?_1
Rapture Signs! Then Tribulation Period!

Jerusalem Special Report - The Building of the Third Temple (Zie de driehoek is er weer)
Orthodox Rabbi Reveals Name of Messiah "JESUS","Yehoshua" or "Yeshua"(Hebrew) (Kort nadat Ariel Sharon overlijd dan komt Jezus terug in de wolken).
REMEMBER ARIEL SHARON? NEARLY SIX YEARS IN A COMA, AND ISRAEL STAYS MUM
http://xandernieuws.punt.nl/content/2010/07/profetie-rabbi-kaduri-redux-messias-verschijnt-na-dood-ariel-sharon






























Eze 21:26
Thus saith the Lord GOD; Remove the diadem, and take off the crown: this shall not be the same: exalt him that is low, and abase him that is high.

 
Strong's H4701 - mitsnepheth
מִצְנֶפֶת

Transliteratie

mitsnepheth

Uitspraak

Mits · neh '· Feth (Key)

Woordsoort

vrouwelijk zelfstandig naamwoord

Root Word (Etymologie)

TWOT Referentie

Overzicht van Bijbelse gebruik

1) tulband (van de hogepriester)

Authorized Version (KJV) Vertaling Count - Total: 12
AV - mijter 11, diadeem 1

Ezechiël 21

25 En gij, o onheilig, goddeloos vorst van Israël, wiens dag komen zal, ten tijde der uiterste ongerechtigheid;
26 Alzo zegt de Heere HEERE: Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is.
27 Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft, en dien Ik geven zal.
28 En gij, mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de Heere HEERE, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;
29 Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, welker dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid.
30 Keer uw zwaard weder in zijn schede! In de plaats, waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal Ik u richten.
31 En Ik zal over u Mijn gramschap uitgieten, Ik zal tegen u door het vuur Mijner verbolgenheid blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van brandende mensen, smeders des verderfs.
32 Het vuur zult gij tot spijze zijn, uw bloed zal zijn in het midden des lands; uwer zal niet gedacht worden; want Ik, de HEERE, heb het gesproken.


Openbaring 11:3
En Ik zal twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.

Openbaring 12:6
En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, 
opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen. 

Openbaringen 11: 2

De voorhof buiten de tempel moet je overslaan. Meet die niet op, want hij is bestemd voor de heidenen, die de heilige stad tweeënveertig maanden lang zullen vertrappen.
En laat het voorhof uit, dat van buiten den tempel is, en meet dat niet, want het is den heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden.

Daniel 12: 7
Een van hen zei tegen de in linnen geklede man die zich boven het water van de rivier bevond: ‘Hoe lang duurt het tot het einde van deze wonderbaarlijke gebeurtenissen?’
En hij zeide tot den Man, bekleed met linnen, Die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen?
Daarop hoorde ik de in linnen geklede man die zich boven het water van de rivier bevond spreken. Hij hief beide handen op naar de hemel en zwoer bij de eeuwig Levende: ‘Eén tijd, een dubbele en een halve tijd: wanneer de macht van het heilige volk niet langer verbrijzeld zal worden, dan zullen al deze dingen zich hebben voltrokken.’
En ik hoorde dien Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechter- en Zijn linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij Dien, Die eeuwiglijk leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleind hebben te verstrooien de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen worden.
Ik hoorde het, maar begreep het niet en zei: ‘Mijn heer, hoe zal dit alles aflopen?’
Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen?
Maar hij zei: ‘Ga heen, Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd.
En Hij zeide: Ga henen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde.

 

Jesaja 11

De Messias en Zijn vrederijk
Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.
En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN.
En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen.
Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met den adem Zijner lippen zal Hij den goddeloze doden.
Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn.
En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven.
De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os.
En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in den kuil van den basilisk.
Men zal nergens leed doen noch verderven op den gansen berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
Herstel van Gods volk
10 Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.
11 Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sínear, en van Hamath, en van de eilanden der zee.
12 En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks.
13 En de nijd van Efraïm zal wegwijken, en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen.
14 Maar zij zullen den Filistijnen op den schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen te zamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn.
15 Ook zal de HEERE den inham der zee van Egypte verbannen, en Hij zal Zijn hand bewegen tegen de rivier, door de sterkte Zijns winds; en Hij zal dezelve slaan in de zeven stromen, en Hij zal maken, dat men met schoenen daardoor zal gaan.
16 En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israël geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optoog.
 

Openbaring 20

De satan voor duizend jaren gebonden
En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een grote keten in zijn hand;
En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren;
En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.
De eerste opstanding
En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.
Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.
Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.

 
Barack Obama zijn laatste ambtstermijn 2013-2017. 
(3 jaar/42 mnd = 2-8-2012 tot 2-2-2016).
Rev 11:2
But the court which is without the temple leave out, and measure it not; for it is given unto the Gentiles:
and the holy city shall they tread under foot forty and two months.

Dan 12:7
And I heard the man clothed in linen, which was upon the waters of the river, when he held up his right hand and his left hand unto heaven, and sware by him that liveth for ever that (it shall be) for a time, times, and an half; and when he shall have accomplished to scatter the power of the holy people, all these things shall be finished.

Jezus komt terug in de wolken: Alle stammen streuren want de eerste opstanding komt dan pas. (Na de 3e wereld oorlog?). 

Er komt nu een verdrukking van 3,5 jaar sinds 2 augustus 2012.
11 september 2001 tot 11 september 2015 (
NY/Vaticaanstad=Babel) 7 X 0,5=14 jaren (Daniel 4+12)


ALERT! PROOF The Biggest EVENT in History is About to Happen!!!
UFO Sightings Aliens & President Secret Meetings MUFON Cover Up? Preston Dennett Explains! (zie bij 0:45 min._Sinds 1947 is Israël gesticht en zijn de zogenaamde Aliens Ufo's begonnen in de USA).

Dit zijn eigenlijk geen aliëns maar demonen/gevallen engelen of nep/fake van de regering zelf.


Mat 24:30
And then shall appear the sign of the Son of man in heaven: and then shall all the tribes of the earth mourn, and they shall see the Son of man coming in the clouds of heaven with power and
great glory.
 
Dan zal aan de hemel het teken zichtbaar worden dat de komst van de Mensenzoon aankondigt, en alle stammen op aarde zullen zich van ontzetting op de borst slaan als ze de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, bekleed met macht en grote luister. Matteüs 24:30.

Jezus antwoordde: ‘U zegt het. Maar ik zeg tegen u allen hier: vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige en hem zien komen op de wolken van de hemel.’ Matteüs 26:64.

Dan zal men de Mensenzoon zien komen op de wolken, bekleed met grote macht en luister. Marcus 13:26.

Jezus zei: ‘Dat ben ik, en u zult de Mensenzoon aan de rechterhand van de Machtige zien zitten en hem zien komen op de wolken van de hemel.’ Marcus 14:62.

en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn. 1 Tessalonicenzen 4:17.

Handelingen 1

En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.
10 En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;
11 Welke ook zeiden: Gij Galilése mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.

Hij komt te midden van de wolken, en dan zal iedereen hem zien, ook degenen die hem doorstoken hebben. Alle volken op aarde zullen over hem weeklagen. Ja, amen. Openbaring 1:7.

Jezus komt ons halen als een dief in de nacht:

Besef wel: als de heer des huizes had geweten in welk deel van de nacht de dief zou komen, dan zou hij wakker gebleven zijn en niet in zijn huis hebben laten inbreken. Matteüs 24:43.

want u weet zelf maar al te goed dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht. 
1 Tessalonicenzen 5:2.

Daar bedoelt hij meer zeer onverwacht.


Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen. Mat 24:36.

PROOF THAT JESUS IS COMING SOON!
JESUS is COMING VERY SOON!!!

E7 Has the Temple of the Lord been rebuilt under the feet of the gentiles ? (Zeer informatief)

Ezechiël 21:26
.
 26 zo zegt de Here HERE: Neem weg die tulband! (moslim) zet af die kroon! Zo zal het niet blijven. Verhoog wat laag is; verlaag wat hoog is. 

(Dit is de troon van Jezus onder de Moskee).

Rebuilding the Temple - CBN.com
Jerusalem Special Report - The Building of the Third Temple
3rd TEMPLE COMING SOON: IRREFUTABLE PROOF UNITED STATES IS THE LITTLE HORN & 
Interesting video, yet USA is NOT Beast mentioned in Bible. To say that USA is Little horn is UNBIBLICAL. USA is falling and Islam is rising. All major events will be in middle east not USA.
Rabbi Chaim Richman and Yitzchak Reuven
Gershon Salomon: Founder of Temple mount faithful


Just completed:
The tzitz of pure gold, fashioned by the craftsmen of the Temple Institute, and ready to be worn by the High Priest in the Holy Temple.

“And make a plate of pure gold, and engrave upon it, like the
engravings of a signet: Holy to HaShem… And it will go upon Aaron’s
forehead…” (Exodus 28:36-37)

With gratitude to HaShem, and with thanks to all whose generous support has made this possible, Rabbi Chaim Richman and Yehuda Glick unveil the Golden Crown of the High Priest.
 


 

Politieke stroming die het stichten van een joodse staat in Palestina tot doel heeft.

Al in de Hebreeuwse bijbel speelt het verlangen om terug te keren naar Zioneen andere benaming voor de stad Jeruzalem, een belangrijke rol. Met de opkomst van het Europese nationale denken in tweede helft negentiende eeuw heeft ook het idee postgevat dat het joodse volk een nationale eenheid vormt en een eigen staat zou moeten hebben. Een joodse staat met Jeruzalem als hoofdstad zou naast de inlossing van een bijbelse belofte ook een plek creëren waar joden vrij zouden zijn van vervolging.

Tijdens het Eerste Zionistisch Congres in Bazel in 1897 is, onder leiding van Theodor Herzlhet zionisme tot politieke ideologie verheven. Het Zionistisch Congres wierp zich op als vertegenwoordiger (parlement) van het joodse volk en kon vanuit die positie op hoog politiek niveau lobby voeren. Kleine groepen joodse migranten vestigden zich ondertussen in het toenmalige Palestina.

Zie voor uitgebreide informatie het thema-artikel Zionisme en hachsjara

Politiek is geen volk meer maar de machthebbers van de aarde/land die samen tegen Jezus gaan vechten in Armegeddon.

 

2 Timótheüs 3

De moeilijke tijden der laatste dagen
En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.
Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig.
Zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden,
Verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods;
Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van deze.
Want van dezen zijn het, die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden geladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden;
Vrouwkensdie altijd leren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen.
Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, alzo staan ook dezen de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof.
Maar zij zullen niet meerder toenemen; want hun uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van genen geworden is.
Vermaning tot getrouwheid
10 Maar gij hebt achtervolgd mijn leer, wijze van doen, voornemen, geloof, lankmoedigheid, liefde, lijdzaamheid.
11 Mijn vervolgingen, mijn lijden, zulks als mij overkomen is in Antiochíë, in Ikónium en in Lystre; hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Heere heeft mij uit alle verlost.
12 En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.
13 Doch de boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid.
14 Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt;
15 En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is.
16 Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;
17 Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.

Romeinen 16:17

17 En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelve.

Openbaring 16

13 Toen zag ik dat uit de bek van de draak, uit de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten tevoorschijn kwamen in de vorm van kikkers.
13 En ik zag uit den mond des draaks, en uit den mond van het beest, en uit den mond des valsen profeets, drie onreine geesten gaan, den vorsen gelijk;
14 Dat zijn demonische geesten die tekenen verrichten en eropuit gaan om alle koningen op aarde bijeen te brengen voor de strijd op de grote dag van de almachtige God.
14 Want het zijn geesten der duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen der aarde en der gehele wereld, om die te vergaderen tot den krijg van dien groten dag des almachtigen Gods.
15 ‘Ik kom onverwacht als een dief!’ Gelukkig is wie wakker blijft en zijn kleren aanhoudt: hij hoeft niet naakt rond te lopen en zich voor iedereen te schamen.
15 Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.
16 Ze brachten hen bijeen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.
16 En zij hebben hen vergaderd in de plaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Armagéddon.
Rev 16:14
For they are the spirits of devils, working miracles,
which go forth unto the kings of the earth and of the whole world, to gather them to the battle of that great day of God Almighty.

Rev 16:15
Behold, I come as a thief. Blessed is he that watcheth, and keepeth his garments, lest he walk naked, and they see his shame.

Rev 16:16
And he gathered them together into a place called in the Hebrew tongue 
Armageddon.

Strong's G717 - Harmagedōn
Ἁρμαγεδών

Transliteratie

Harmagedōn

Uitspraak

Har-ma-ge-dō'n (Key)

Woordsoort

juiste locatieve zelfstandig naamwoord

Root Word (Etymologie)

Van Hebreeuwse oorsprong הַר(H2022)en מְגִדּוֹן (H4023)

TWNT Referentie

Overzicht van Bijbelse gebruik

Armageddon = "de heuvel of de stad van Megiddo"

1) In Openbaring 16:16 het toneel van een strijd van goed en kwaad wordt gesuggereerd door die strijd vlakte van Esdrelon, die beroemd was voor twee grote overwinningen, van Barak over de Kanaänieten, en van Gideon over de Midianieten, en voor twee grote rampen, de dood van Saul en Josia.Vandaar dat in de Openbaring een plaats van grote slachting, het toneel van een verschrikkelijke vergelding over de goddelozen. De RSV vertaalt de naam als Har-Magedon, dat wil zeggen de heuvel (zoals Ar is de stad) van Megiddo.

Authorized Version (KJV) Vertaling Count - Totaal: 1
AV - Armageddon 1

Lucas 21
Het penningske der weduwe
En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen.
Het penningske der weduwe
Toen Hij opkeek, zag Hij de rijken hun gaven in de offerkist werpen.
En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleinepenningen daarin werpen.
Hij zag ook een behoeftige weduwe twee koperstukjes daarin werpen,
En Hij zeide: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft ingeworpen.
en zeide: Waarlijk, Ik zeg u, deze arme weduwe heeft meer dan allen daarin geworpen.
Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek, al den leeftocht, dien zij had, daarin geworpen.
Verwoesting van Jeruzalem voorzegd; begin der smarten
Want deze allen hebben van hun overvloed iets bij de gaven geworpen, maar zij heeft van haar armoede haar ganse levensonderhoud erin geworpen.
Rede over de laatste dingen
En als sommigen zeiden van den tempel, dat hij met schone stenen en begiftigingen versierd was, zeide Hij:
En toen sommigen van de tempel zeiden, dat hij met schone stenen en wijgeschenken versierd was, sprak Hij:
Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.
Wat gij daar aanschouwt – er zullen dagen komen, waarin geen steen op de andere zal gelaten worden, die niet zal worden weggebroken.
En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden?
En zij vroegen Hem en zeiden: Meester, wanneer zal dit dan geschieden? En wat is het teken, dat deze dingen zullen gebeuren?
En Hij zeide: Ziet, dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na.
Hij zeide: Ziet toe, dat gij u niet laat verleiden. Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben het, en: De tijd is nabij. Gaat hen niet achterna.
En wanneer gij zult horen van oorlogen en beroerten, zo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden; maar nog is terstond het einde niet.
En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten, laat u niet beangstigen. Want die dingen moeten eerst geschieden, maar dat is nog niet terstond het einde.
10 Toen zeide Hij tot hen: Het ene volk zal tegen het anderevolk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk.
10 Toen zeide Hij tot hen: Volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk,
11 En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentiën; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van den hemel geschieden.
11 en er zullen grote aardbevingen, en nu hier, dan daar pestziekten en hongersnoden zijn, en ook vreselijke dingen en grote tekenen van de hemel.
12 Maar vóór dit alles, zullen zij hun handen aan ulieden slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil.
12 Maar vóór dit alles zullen zij de handen aan u slaan en u vervolgen, door u over te leveren in de synagogen en gevangenissen, en u voor koningen en stadhouders te leiden om mijns naams wil.
13 En dit zal u overkomen tot een getuigenis.
13 Het zal voor u hierop uitlopen, dat gij zult getuigen.
14 Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe gij u verantwoorden zult;
14 Neemt u daarom in uw hart voor, niet vooraf te bedenken, hoe gij u zult verdedigen.
15 Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten.
15 Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerstaan of weerleggen.
16 En gij zult overgeleverd worden ook van ouders, en broeders, en magen, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden.
16 En gij zult overgeleverd worden zelfs door ouders en broeders en verwanten en vrienden, en zij zullen sommigen van u doden,
17 En gij zult van allen gehaat worden om Mijns Naams wil.
17 en gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil.
18 Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan.
18 Doch geen haar van uw hoofd zal teloor gaan;
19 Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.
De grote verdrukking
19 door uw volharding zult gij uw leven verkrijgen.
20 Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.
20 Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is.
21 Alsdan die in Judéa zijn, dat zij vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen.
21 Laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen, en die op het land zijn, er niet binnengaan,
22 Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is.
22 want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat.
23 Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk.
23 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! Want er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk,
24 En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.
Wederkomst van den Zoon des mensen
24 en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle heidenen, en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn.
25 En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven;
25 En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding,
26 En den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
26 terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen.
27 En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.
27 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid.
28 Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.
28 Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt.
29 En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de bomen.
29 En Hij sprak een gelijkenis tot hen: Let op de vijgeboom en op al de bomen.
30 Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zo weet gij uit uzelven, dat de zomer nu nabij is.
30 Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is.
31 Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het Koninkrijk Gods nabij is.
31 Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is.
32 Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn.
32 Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat alles geschiedt.
33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
De waakzaamheid
33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
34 En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens overkome.
34 Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud, en die dag niet plotseling over u kome, als een strik.
35 Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den gansen aardbodem gezeten zijn.
35 Want hij zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde.
36 Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen.
Jezus' laatste dagen in Jeruzalem
36 Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen.
37 Des daags nu was Hij lerende in den tempel; maar des nachts ging Hij uit, en vernachtte op den berg, genaamd den Olijfberg.
37 Overdag leerde Hij in de tempel, doch de nachten bracht Hij buiten door op de berg, Olijfberg genaamd.
38 En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in den tempel, om Hem te horen.
38 En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in de tempel om Hem te horen.

Lucas 21
Het penningske der weduwe
1 Toen Hij opkeek, zag Hij de rijken hun gaven in de offerkist werpen. 
2 Hij zag ook een behoeftige weduwe twee koperstukjes daarin werpen, 
3 en zeide: Waarlijk, Ik zeg u, deze arme weduwe heeft meer dan allen daarin geworpen. 
4 Want deze allen hebben van hun overvloed iets bij de gaven geworpen, maar zij heeft van haar armoede haar ganse levensonderhoud erin geworpen.
Rede over de laatste dingen
5 En toen sommigen van de tempel zeiden, dat hij met schone stenen en wijgeschenken versierd was, sprak Hij: 
6 Wat gij daar aanschouwt – er zullen dagen komen, waarin geen steen op de andere zal gelaten worden, die niet zal worden weggebroken. 
7 En zij vroegen Hem en zeiden: Meester, wanneer zal dit dan geschieden? En wat is het teken, dat deze dingen zullen gebeuren? 
8 Hij zeide: Ziet toe, dat gij u niet laat verleiden. Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben het, en: De tijd is nabij. Gaat hen niet achterna. 
9 En wanneer gij hoort van oorlogen en onlusten, laat u niet beangstigen. Want die dingen moeten eerst geschieden, maar dat is nog niet terstond het einde.
10 Toen zeide Hij tot hen: 
Volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk, 
11 en er zullen grote aardbevingen, en nu hier, dan daar pestziekten en hongersnoden zijn, en ook vreselijke dingen en grote tekenen van de hemel. 
12 Maar vóór dit alles zullen zij de handen aan u slaan en u vervolgen, door u over te leveren in de synagogen en gevangenissen, en u voor koningen en stadhouders te leiden om mijns naams wil.
13 Het zal voor u hierop uitlopen, dat gij zult getuigen. 
14 Neemt u daarom in uw hart voor, niet vooraf te bedenken, hoe gij u zult verdedigen. 
15 Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerstaan of weerleggen.
 
16 En gij zult overgeleverd worden zelfs door ouders en broeders en verwanten en vrienden, en zij zullen sommigen van u doden, 
17 en gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil. 
18 Doch geen haar van uw hoofd zal teloor gaan; 
19 door uw volharding zult gij uw leven verkrijgen.
20 Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is. 
21 Laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen, en die op het land zijn, er niet binnengaan, 
22 want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat.
 
23 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! Want er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk, 
24 en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle heidenen, en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn.
25 En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, 
26 terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. 
27 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. 
28 Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt.
29 En Hij sprak een gelijkenis tot hen: Let op de vijgeboom en op al de bomen. 
30 Zodra zij uitlopen, weet gij uit uzelf, omdat gij het ziet, dat de zomer reeds nabij is. 

31 Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het Koninkrijk Gods nabij is. 
32 Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat alles geschiedt. 
33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
34 Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud, en die dag niet plotseling over u kome, als een strik. 
35 Want hij zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde. 

36 Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen.
37 Overdag leerde Hij in de tempel, doch de nachten bracht Hij buiten door op de berg, Olijfberg genaamd. 38 En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in de tempel om Hem te horen.

Lukas 21
Wederkomst van den Zoon des mensen
25 En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven;
26 En den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
27 En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.
28 Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.
29 En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de bomen.
30 Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zo weet gij uit uzelven, dat de zomer nu nabij is.
31 Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het Koninkrijk Gods nabij is.
32 Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn.
33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
De waakzaamheid
34 En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens overkome.
35 Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den gansen aardbodem gezeten zijn.
36 Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen.
Jezus' laatste dagen in Jeruzalem
37 Des daags nu was Hij lerende in den tempel; maar des nachts ging Hij uit, en vernachtte op den berg, genaamd den Olijfberg.
38 En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in den tempel, om Hem te horen.

Ezechiël 7
Het einde komt

1 Het woord des HEREN kwam tot mij: 
2 Gij nu, mensenkind, zo zegt de Here HERE over het land Israëls: het einde komt! Het einde over de vier hoeken des lands! 
3 Nu breekt het einde voor u aan, want Ik zal mijn toorn tegen u loslaten, Ik zal u richten volgens uw wandel en al uw gruwelen aan u vergelden. 
4 Ik zal u niet ontzien en geen deernis hebben, maar Ik zal uw wandel aan u vergelden, uw gruwelen zullen op u neerkomen, en gij zult weten, dat Ik de HERE ben.
5 Zo zegt de Here HERE: Onheil op onheil! Zie, het komt! 
6 Er komt een einde; het einde komt! Het wordt wakker over u! Zie, het komt! 
7 De doem komt over u, inwoner des lands! De tijd komt! De dag is nabij. Verwarring en geen vreugdegeroep op de bergen! 
8 Nu zal Ik weldra mijn grimmigheid over u uitstorten en mijn toorn ten volle over u brengen, Ik zal u richten volgens uw wandel en al uw gruwelen aan u vergelden. 
9 Ik zal niets ontzien en geen deernis hebben; naar uw wandel zal Ik u vergelden, en uw gruwelen zullen op u neerkomen. En gij zult weten, dat Ik, de HERE, het ben, die slaat.
10 Zie, de dag! Zie, het komt; de doem voltrekt zich; de staf bloeit; de overmoed spruit uit. 
11 Het geweld is opgeschoten tot een staf van goddeloosheid. Niets zal er van hen overblijven, noch van hun rumoer, noch van hun getier; verdwijnen zal al hun praal.
12 De tijd komt! De dag nadert! De koper verheuge zich niet en de verkoper treure niet, want toorngloed komt over heel hun rumoerige menigte. 
13 Want de verkoper zal tot het verkochte niet terugkeren, ook al zouden beiden dan nog in leven zijn, want de profetie tegen heel hun rumoerige menigte is onherroepelijk, en niemand, voor wie de ongerechtigheid zijn lust en zijn leven is, zal zich handhaven.
14 Blaast maar op de trompet en maakt alles gereed, er is echter niemand die ten strijde trekt; want mijn toorngloed is over heel hun rumoerige menigte. 
15 Het zwaard buiten, de pest en de honger binnen! Wie op het veld is, zal door het zwaard sterven; en wie in de stad is, die zullen de honger en de pest verteren. 
16 Al zouden enigen van hen ontkomen, dan zullen zij op de bergen zijn als duiven uit de dalen, allen klagende, ieder om eigen ongerechtigheid. 
17 Alle handen zullen slap worden en alle knieën van water druipen.
18 Zij zullen zich met rouwgewaden omgorden, schrik zal hen overdekken, op alle gezichten zal schaamte zijn, op ieders hoofd een kale plek. 
19 Hun zilver zullen zij op straat werpen en hun goud zal een voorwerp van afschuw zijn; hun zilver en goud zullen hen niet kunnen redden op de dag van de verbolgenheid des HEREN; zij zullen zich daarmee niet kunnen verzadigen, noch daarmee hun binnenste kunnen vullen, want het is hun een struikelblok tot ongerechtigheid geweest. 
20 Daarvan hebben zij de sierlijke pracht tot hovaardij aangewend; daarvan hebben zij hun gruwelijke beelden, hun afschuwelijkheden, gemaakt; daarom zal Ik dat voor hen maken tot een voorwerp van afschuw, 
21 Ik zal het aan de vreemden ten roof en aan de goddelozen der aarde ten buit geven, opdat zij het ontheiligen. 
22 Ik zal mijn aangezicht van hen afwenden en men zal mijn kleinood ontheiligen: geweldenaars zullen er binnendringen en het ontheiligen.
23 Maak een keten gereed, want het land is vol bloedschuld en de stad vol geweld. 
24 Ik zal de kwaadaardigste volken doen komen en deze zullen hun huizen in bezit nemen; Ik zal een einde maken aan de trots der machtigen, en hun heiligdommen zullen ontheiligd worden. 
25 Angst komt; dan zullen zij behoud zoeken, maar het is er niet. 
26 Ramp op ramp zal komen, gerucht op gerucht zich verbreiden. Zij zullen een gezicht begeren van een profeet, aan de priester zal een aanwijzing ontbreken en raad aan de oudsten. 
27 De koning zal rouw bedrijven en de vorst zal zich in ontzetting hullen en de handen van het volk des lands zullen van schrik verlamd zijn. Overeenkomstig hun wandel zal Ik hun doen, naar hun gedragingen zal Ik hen richten. En zij zullen weten, dat Ik de HERE ben.

Spreuken 16: 16.
Hoeveel beter is het, wijsheid te verkrijgen dan goud,
hoeveel verkieslijker is het, verstand te verwerven dan zilver!

Marcus 8: 38.
Want wie zich voor Mij en voor mijn woorden schaamt in dit overspelig en zondig geslacht, de Zoon des mensen zal Zich ook voor hem schamen, wanneer Hij komt in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige engelen.

Matteüs 10.
De roeping en uitzending der apostelen

1 En Hij riep zijn twaalf discipelen tot Zich en gaf hun macht over onreine geesten om die uit te drijven en om alle ziekte en alle kwaal te genezen. 
2 En dit zijn de namen van de twaalf apostelen: vooreerst Simon, genaamd Petrus, en Andreas, zijn broeder; en Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes, zijn broeder; 
3 Filippus en Bartolomeüs; Tomas en Matteüs, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeüs en Taddeüs; 
4 Simon de Zeloot en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; 
6 begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. 
7 Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. 
Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet.
Voorziet u niet van goud of zilver of koper in uw gordels, 
10 van geen reiszak voor onderweg, geen twee hemden, geen sandalen, geen staf, want de arbeider is zijn voedsel waard. 
11 Welke stad of welk dorp gij ook binnenkomt, onderzoekt wie het daarin waard is, en blijft daar tot uw vertrek. 
12 Als gij het huis binnentreedt, geeft het de vredegroet; 
13 en indien het huis het waard is, zo kome uw vrede daarover; doch indien niet, zo kere uw vrede tot u terug. 
14 En indien iemand u niet ontvangt of uw woorden niet hoort, verlaat dat huis of die stad en schudt het stof uwer voeten af. 
15 Voorwaar, Ik zeg u, het zal voor het land van Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag des oordeels dan voor die stad.
16 Zie, Ik zend u als schapen midden onder wolven; weest dan voorzichtig als slangen en argeloos als duiven.
17 Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren aan de gerechtshoven en zij zullen u geselen in hun synagogen; 
18 gij zult ook geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en voor de volken. 
19 Wanneer zij u overleveren, maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet; 
20 want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt. 
21 Een broeder zal zijn broeder overleveren ten dode en een vader zijn kind, en kinderen zullen opstaan tegen hun ouders en hen ter dood brengen. 
22 En gij zult door allen gehaat worden om mijns naams wil; maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. 
23 Wanneer men u vervolgt in deze stad, vlucht naar de andere; want voorwaar, Ik zeg u, gij zult niet alle steden van Israël zijn rondgekomen, voordat de Zoon des mensen komt.
24 Een discipel staat niet boven zijn meester, of een slaaf boven zijn heer. 
25 Het is genoeg voor de discipel te worden als zijn meester, en voor de slaaf als zijn heer. Indien men aan de heer des huizes de naam Beëlzebul heeft gegeven, hoeveel te meer aan zijn huisgenoten! 
26 Vreest hen dan niet, want er is niets bedekt, of het zal geopenbaard worden, en verborgen, of het zal bekend worden. 
27 Wat Ik u zeg in het donker, zegt het in het licht; wat gij u in het oor hoort fluisteren, predikt het van de daken. 
28 En weest niet bevreesd voor hen, die wèl het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel. 
29 Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. 
30 En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld. 
31 Weest dan niet bevreesd: gij gaat vele mussen te boven.
32 Een ieder dan, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is; 
33 maar al wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal ook Ik verloochenen voor mijn Vader, die in de hemelen is.
34 Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. 
35 Want Ik ben gekomen om tweedracht te brengen tussen een man en zijn vader en tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; 
36 en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn.
37 Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; 
38 en wie zijn kruis niet opneemt en achter Mij gaat, is Mij niet waardig. 
39 Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.
40 Wie u ontvangt, ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij gezonden heeft. 
41 Wie een profeet ontvangt als profeet, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt als rechtvaardige, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen. 
42 En wie één van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker koud water te drinken geeft, voorwaar, Ik zeg u, zijn loon zal hem geenszins ontgaan.


Matteüs 24

Verwoesting van Jeruzalem voorzegd; begin der smarten
En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen.
Rede over de laatste dingen
En Jezus ging de tempel uit en vertrok. En zijn discipelen kwamen tot Hem om Hem op de gebouwen van de tempel te wijzen.
En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet een steen op den anderensteen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.
En Hij antwoordde en zeide tot hen: Ziet gij dit alles niet? Voorwaar, Ik zeg u, er zal hier geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken.
En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?
Toen Hij op de Olijfberg gezeten was, kwamen zijn discipelen alleen tot Hem en zeiden: Zeg ons wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?
En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.
En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ziet toe, dat niemand u verleide!
Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.
Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden.
En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.
Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet.
Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentiën, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.
Want volk zal opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen nu hier, dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn.
Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten.
Doch dat alles is het begin der weeën.
9 Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.
Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en zij zullen u doden, en gij zult door alle volken gehaat worden om mijns naams wil.
10 En dan zullen er velen geërgerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.
10 En dan zullen velen ten val komen en zij zullen elkander overleveren en elkander haten.
11 En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden.
11 En vele valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden.
12 En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.
12 En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen.
13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
13 Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.
14 En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.
De grote verdrukking
14 En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.
15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)
15 Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan – wie het leest, geve er acht op – laten dan wie in Judea zijn,

16 Dat alsdan, die in Judéa zijn, vlieden op de bergen;
16 vluchten naar de bergen.
17 Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen;
17 Wie op het dak is, ga niet naar beneden om zijn huisraad mede te nemen, en wie in het veld is,
18 En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen.
18 kere niet terug om zijn kleed mede te nemen.
19 Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen!
19 Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen.
20 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat.
20 Bidt, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat.
21 Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.
21 Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal.
22 En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.
22 En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort.
23 Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet.
23 Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet.
24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.
24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden.
25 Ziet, Ik heb het u voorzegd!
25 Zie, Ik heb het u voorzegd.
26 Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet.
26 Indien men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de binnenkamer, gelooft het niet.
27 Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.
27 Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn.
28 Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.
De komst van Christus
28 Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen.

After the Tribulation (Full Movie) - Alex Jones
29 En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
29 Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen.
30 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.
30 En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid.
31 En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot hetandere uiterste derzelve.
31 En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere.
32 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.
32 Leert dan van de vijgeboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is.
33 Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.
33 Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur.
34 Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
34 Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt.
35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
Vermaning tot waakzaamheid
35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
36 Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.
Vermaning tot waakzaamheid
36 Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.
37 En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.
37 Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn.
38 Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;
38 Want zoals zij in [die] dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging,
39 En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.
39 en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.
40 Alsdan, zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
40 Dan zullen er twee in het veld zijn, één zal aangenomen worden en één achtergelaten worden;
41 Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.
41 twee vrouwen zullen aan het malen zijn met de molen, één zal aangenomen worden, en één achtergelaten worden.
42 Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.
42 Waakt dan, want gij weet niet, op welke dag uw Here komt.
43 Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.
43 Maar weet dit: Als de heer des huizes geweten had, in welke nachtwaak de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben en in zijn huis niet hebben laten inbreken.
44 Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
Gelijkenis van de twee dienstknechten
44 Daarom, weest ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen.
45 Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd?
45 Wie is dan de trouwe en verstandige slaaf, die de heer over zijn dienstvolk gesteld heeft om hun op tijd hun voedsel te geven?
46 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.
46 Zalig die slaaf, die zijn heer bij zijn komst zó bezig zal vinden.
47 Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.
47 Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem over al zijn bezit zal stellen.
48 Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen;
48 Maar als die slaaf slecht was, en in zijn hart zou zeggen:
49 En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards;
49 Mijn heer blijft uit, en hij zou beginnen zijn medeslaven te slaan en met de dronkaards zou eten en drinken,
50 Zo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet;
50 dan zal de heer van die slaaf komen op een dag, dat hij het niet verwacht, en op een uur,
51 En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.
51 dat hij het niet weet, en hij zal hem folteren en hem in het lot der huichelaars doen delen. Daar zal het geween zijn en het tandengeknars.
 

Daniël 12 

En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. De eerste opstanding
10 Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.

Daniël 9

10 En wij hebben der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten.

Zacharia 14:1-21.
1 Er komt een dag dat de HEER zal ingrijpen, Jeruzalem, dat de buit binnen je muren wordt verdeeld. 
2 Ik zal alle volken samenbrengen – zegt de HEER – om tegen Jeruzalem ten strijde te trekken. De stad zal worden ingenomen, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen verkracht. De helft van de inwoners wordt in ballingschap weggevoerd, maar het deel dat overblijft zal niet worden uitgeroeid. 
Daarna zal de HEER uittrekken en de strijd tegen die volken aanbinden, net als weleer. 
4 Die dag zal hij zijn voeten op de Olijfberg planten, ten oosten van Jeruzalem. De Olijfberg zal in tweeën splijten: de ene helft glijdt weg naar het noorden en de andere naar het zuiden, zodat er een breed dal ontstaat van oost naar west. 
5 Jullie zullen wegvluchten, het dal in tussen die twee bergketens die zullen reiken tot aan Asel, zoals jullie ook gevlucht zijn bij de aardbeving in de tijd dat koning Uzzia regeerde over Juda. En de HEER, mijn God, zal verschijnen met al de zijnen. 
6 Op die dag zal er geen licht zijn; de hemellichamen verliezen hun glans. 
7 Op die ene dag, die alleen de HEER kent, zal er geen onderscheid zijn tussen dag en nacht. Pas tegen het vallen van de avond zal er weer licht gloren. 
8 Als die tijd aanbreekt, zal er in Jeruzalem zuiver water ontspringen: de ene helft zal in het oosten in zee uitmonden en de andere helft in het westen, zowel in de zomer als in de winter. 
En de HEER zal koning worden over de hele aarde. Dan zal de HEER de enige God zijn en zijn naam de enige naam. 
10 Het hele land wordt zo vlak als de Jordaanvallei, van Geba in het noorden tot aan Rimmon in het zuiden. Maar Jeruzalem zal zijn hoogverheven plaats behouden. Van de Benjaminpoort tot aan de oude poort, de Hoekpoort, en van de Chananeltoren tot aan de koninklijke perskuipen. 
11 zal de stad bewoond zijn. Jeruzalem zal weer een veilige woonplaats zijn, want er zal nooit meer vernietiging over worden afgeroepen.
12 De volken die tegen Jeruzalem ten strijde zijn getrokken, zullen door de HEER worden getroffen met een afgrijselijke plaag: terwijl ze nog levend rondlopen zal hij hun vlees laten wegteren van hun botten, hun ogen laten wegrotten in hun kassen en hun tong laten wegrotten in hun mond. 
13 De HEER zal op die dag zo’n paniek onder hen zaaien dat ze elkaar beetgrijpen en slaags raken. 
14 Ook Juda zal zich mengen in de slag om Jeruzalem. De rijkdommen van de belagers zullen als buit bijeen worden gebracht: grote hoeveelheden goud, zilver en kostbare gewaden. 
15 En alle dieren in het vijandelijke kamp, paarden, muildieren, kamelen en ezels, zullen door dezelfde plaag worden getroffen als de mensen.
16 De overlevenden van de volken die Jeruzalem hebben belaagd, zullen dan jaarlijks naar de stad komen om de HEER van de hemelse machten als koning te vereren en het Loofhuttenfeest te vieren. 
17 En is er op aarde een volk dat niet naar Jeruzalem komt om de HEER van de hemelse machten als koning te vereren, dan zal er in dat land geen regen vallen. 
18 Ook Egypte zal, wanneer zijn volk niet naar Jeruzalem komt, stellig worden getroffen door deze plaag, waarmee de HEER de volken straft die het Loofhuttenfeest niet komen vieren. 
19 Dat zal de straf zijn voor Egypte en de andere volken die niet deelnemen aan het Loofhuttenfeest.
20 Als die tijd aanbreekt, zal zelfs op de bellen van de paarden gegraveerd staan: ‘Aan de HEER gewijd’. De kookpotten in de tempel zullen dienen als offerschalen voor het altaar. 
21 Alle kookpotten in Jeruzalem en Juda zullen aan de HEER van de hemelse machten gewijd zijn; ieder die wil offeren, kan ze gebruiken om er zijn offer in te bereiden. Als die tijd aanbreekt, zullen er nooit meer handelaars zitten in de tempel van de HEER van de hemelse machten. 

15 augustus 2010:

2 Thessalonicensen 2: 1-17. (Statenvertaling)
1 En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem,
2 Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware.
Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zijen dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs;
4 Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.
5 Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb?
6 En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd.
7 Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.
8 En als dan zal de ongerechtige geopenbaard worden, den welken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijn er toekomst;
9 Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen;
10 En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden.
11 En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
12 Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.
13 Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid;
14 Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus.
15 Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief.
16 En onze Heere Jezus Christus Zelfen onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade,
17 Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk.


2 Thessalonicensen 2: 1-17. (Het Boek)

Wat de terugkeer van onze Here Jezus Christus en onze hereniging betreft,
2 broeders, vragen wij u dringend het hoofd koel te houden. Laat u niet in de war brengen
 door geruchten dat de grote dag van de Here er al zou zijn. Als u mensen hoort die hierover een visioen boodschap van God of zelfs een brief van ons zou hebben gekregen, geloof hen niet.
3 Laat u door niemand iets wijs maken. Want die dag komt pas als twee dingen zijn gebeurd: Eerst zal de grote ontrouw aan God komen en daarna zal de "mens van zeer grote zonde" opstaan, die voortkomt uit de goddeloosheid.
4 Hij zal God uitdagen en alles omwerpen wat de mensen vereren. Hij zal zelfs in de tempel van God gaan zitten en beweren dat hij God is.
5 Herrinnert u zich niet dat ik u dit verteld heb toen ik bij u was? U weet wel wat hem in de weg staat. 
6 Maar te zijner tijd zal hij tevoorschijn komen. 
7 Want de geheime wetteloosheid is al in werking getreden, maar heeft zich nog niet kenbaar gemaakt. Dat kan pas als hij, die dit nog verhindert, weg is.
8 Dan zal de "mens van zeer grote zonde" in de openbaarheid treden. Maar de Here Jezus zal hem door Zijn adem vernietigen en hem, als Hij terugkomt, alleen al door ZIjn stralende verschijning machteloos maken.
9 De "mens van zeer grote zonde", zal komen en optreden als satan zelf, vol duivelse list en kracht. Hij zal iedereen een rad voor de ogen draaien, door allerlei opzienbarende, bedrieglijke wonderen te doen.
10 In elk geval de mensen die op weg zijn naar de ondergang, omdat zij niets willen weten van de waarheid waardoor zij gered hadden kunnen worden.
11 Omdat zij niet van de waarheid houden, laat God hen met hun hele hart in leugens geloven.
12 Zij zullen allemaal veroordeeld worden, omdat zij niet de waarheid geloven, maar met genoegen onrecht accepteren.
13 Maar wij moeten God altijd voor u danken, broeders. De Here houdt van u. Hij heeft u uitgekozen als de eersten in Thealonica die gered zouden worden, om u voor Zichzelf af te zonderen door de Heilige Geest en door uw geloof in de waarheid.
14 Hij heeft u door ons het goede nieuws verteld en u geroepen om deel te krijgen aan de eer en macht van onze Here Jezus Christus.
15 Laat u dus niet van de wijs brengen; houd vast aan wat u van ons hebt geleerd door wat wij hebben gezegd en geschreven.
16 Wij hebben ervaren dat God, onze Vader, Die zoveel van ons houdt, zo goed is ons altijd weer moed en hoop te geven.
17 Daarom vragen wij Hem 
en 
onze Here Jezus Christus u te bemoedigen en kracht te geven om goed te doen in woord en daad.
 

Handelingen 2
16 Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joël:
17 En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
18 En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
19 En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.
20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.
21 En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
22 Gij Israëlietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazaréner, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet;
23 Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
24 Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.
25 Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde.
26 Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;
27 Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien.
28 Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.
29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.
30 Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.
32 Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
33 Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.
34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand.
35 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
36 Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.
 

Zacharia 3

 Vervolgens liet hij me de hogepriester Jozua zien. Deze stond voor de engel van de HEER, met aan zijn rechterhand Satan, die tegen hem pleitte.
Het gezicht van den hogepriester Jósua. Profetie van den Spruite
Daarna toonde Hij mij Jósua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan.
De engel van de HEER zei tegen Satan: ‘De HEER zal je het zwijgen opleggen. De HEER, die Jeruzalem heeft uitverkozen, zal jou het zwijgen opleggen. Is deze Jozua niet een stuk zwartgeblakerd hout dat uit het vuur is weggerukt?’
Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?
Nu was Jozua in vuile kleren voor de engel verschenen.
Jósua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond.
Deze zei tegen degenen die voor hem stonden: ‘Trek hem die vuile kleren uit.’ En tegen Jozua zei hij: ‘Hierbij reinig ik je van alle schuld en kleed ik je in een feestelijk gewaad.’
Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.
Ik zei: ‘Ze zouden hem een nieuwe tulband moeten omdoen.’ Ze deden hem een nieuwe tulband om en kleedden hem aan in het bijzijn van de engel van de HEER.
Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij.
De engel verzekerde Jozua:
Toen betuigde de Engel des HEEREN Jósua, zeggende:
Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Indien je mij gehoorzaamt en mijn voorschriften in acht neemt, indien je mijn tempel beheert en mijn voorhoven bewaakt, zal ik je opnemen in deze kring.
Zo zegt de HEERE der heirscharen: Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan.
Luister, hogepriester Jozua, jij en je priesters die voor je zitten en die in staat zijn om tekens uit te leggen. Ik zal mijn dienaar sturen, de telg aan de stam van David.
Hoor nu toe, Jósua, gij hogepriester! gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.
Ik leg een steen voor je neer, Jozua, één enkele steen, waarop zeven ogen rusten. Ikzelf zal daarin een inscriptie graveren – spreekt de HEER van de hemelse machten – en in één enkele dag zal ik dit land reinigen van alle schuld.
Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Jósua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal Zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.
10 Op die dag – spreekt de HEER van de hemelse machten – zullen jullie elkaar uitnodigen onder de wijnrank en onder de vijgenboom.’
10 Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijn naaste nodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom.
 

Dit is niet mijn mening maar ik weet dus ook niet of dit klopt.

Is Barack Obama de 'bliksem uit de hemel' waar Jezus over sprak?


27 okt 2009, 23:04 
Is Bar
ack Obama de 'bliksem uit de hemel' waar Jezus over sprak? 

De naam van de Amerikaanse democratische presidentskandidaat Barack Obama valt bizar genoeg te herleiden naar zowel de Hebreeuwse als Griekse grondtekst van de bijbel. 'Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen,' zegt Jezus in Lucas 10:18. Had Hij het misschien over Barack Obama? 

De naam Barack betekent in het Hebreeuws (Baraq) 'bliksem'. Ook in het Grieks betekent Barak 'bliksem'. 

De Hebreeuwse term 'bama' wordt gebruikt als referentie naar de 'hoogten' van de hemel, zoals in Jesaja 14:14. Dit wordt in dat hoofdstuk direkt in verband gebracht met de val van lucifer, satan. 

De Hebreeuwse letter vau wordt vertaald als een 'O' of een 'U', en wordt hoofdzakelijk gebruikt om een verbinding tussen twee woorden of twee concepten te maken. Barack O Bama vertaalt zich vanuit het Hebreeuws dan ook als 'Bliksem van (uit) de hemel.' In Lukas 10:18 heeft Jezus (indien Hebreeuws sprekend) daarom letterlijk gezegd: 'Satan Baraq O Bama.'

Ik geloof niet dat dit helemaal klopt:

(
שטן ברק אובמה = Satan Baraq OBama) ברק אובמה
Bliksem/baraq = ברק
Obama = אובמה
18 
En Hij zeide tot hen: Ik
zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen. Lukas 10:18.
. ויאמרו אליהם, אני ירא שטן כמו נפילה ברק מן השמים
Bliksem van (uit) de hemel = הבזק (מ) השמים


Lucas 10:18 bevat het woord
 'vallen'. Het Griekse woord waar dit van vertaald is betekent echter niet letterlijk 'vallen' maar 'overtredingen' of 'schendingen'. Vrijwel alle bijbelgeleerden zijn het hier over eens. Het Griekse woord voor vallen is namelijk 'pipto', maar dat woord wordt hier niet gebruikt. 

Het Griekse woord wat in Lucas 10:18 wordt gebruikt is 'pesouta'. Dit is waarschijnlijk een fonetische vertaling van de Hebreeuwse stamvorm 'pesa', wat refereert naar opstand, rebellie, zonde of 'overtreding'. Dit is exact het concept van 'satan' in de christelijke theologie, en past precies in de context van Jezus' woorden over de val van satan uit de hemel. 

Samenvattend kan Lucas 10:18 dus letterlijk vertaald worden als: 
'Satan is als bliksem (Bara(c)k) van / uit (O) de hoogte (bama) der hemelse rebellie / zonde / overtreding.' 

Passen we dit toe op een andere, overeenkomende tekst: 'Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn' (Matteüs 24:27),dan ontstaat er een buitengewoon interessante mogelijke verklaring. 

Het woord 'gelijk' is in het Engels vertaald met 'voor' en is op zijn beurt vertaald van het Griekse woord 'gar'. Dit woord kan eveneens vertaald worden met 'wanneer' of 'ziende'. 

Barack Obama groeide als moslim op in het 'oosten' (Indonesië), maar kwam naar het westen om daar een bliksemsnelle carrière te maken tot presidentskandidaat van de machtigste Westerse natie op Aarde, de Verenigde Staten. 

Vertaald staat er dan in Matteüs 24:27: 

'Wanneer/Ziende de bliksem (Barack) komende uit het oosten (Indonesië, moslim-achtergrond) en licht tot het westen (VS), zo (dan) zal de komst van de Zoon des mensen zijn.' 

In Lukas 17:24 staat de vergelijkbare tekst: 
'Want gelijk de bliksem flitst en van de ene kant des hemels tot de andere kant licht, zó zal de Zoon des mensen wezen op Zijn dag.' 

Deze tekst kan dan gelezen worden als: 
'Wanneer/Ziende bliksem (Barack) komende (O) uit de hemel (Bama)... zo (dan) zal de Zoon des mensen komen.' 

Gaf Jezus werkelijk een verborgen aanwijzing voor de identiteit van de antichrist en daarmee het tijdstip van Zijn terugkomst? Gezien de vele antichrist-kandidaten valt dat nog te bezien, maar de betekenis van Barack Obama's naam in het Hebreeuws (en Grieks) en de toepasbaarheid op de woorden van Jezus is op zijn minst zeer opmerkelijk te noemen. 

door Xander

(Met dank aan: C. Godfrey) 
bron:http://xandernieuws.punt.nl/?id=483800&r=1&tbl_archief=&
 

Exodus 19
Verschijning van de HEER op de Sinai; de tien geboden
1 In de derde maand, op precies dezelfde dag dat ze uit Egypte waren weggetrokken, kwamen de Israëlieten in de Sinaiwoestijn. 
2 Ze waren vanuit Refidim verder getrokken en in de Sinaiwoestijn gekomen. Daar sloegen de Israëlieten hun kamp op, vlak bij de berg. 
3 Mozes ging de berg op, naar God. De HEER riep hem vanaf de berg toe: ‘Zeg tegen het volk van Jakob, laat de kinderen van Israël weten: 
4 “Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. 
5 Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort mij toe. 
6 Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.” Breng deze woorden aan de Israëlieten over.’ 
7 Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat de HEER hem had opgedragen. 
8 En het hele volk antwoordde als uit één mond: ‘We zullen alles doen wat de HEER heeft gezegd.’ Mozes bracht het antwoord van het volk aan de HEER over, 
9 waarop de HEER tegen hem zei: ‘Ik kom naar je toe in een donkere wolk, dan kan iedereen het horen wanneer ik met je spreek en zullen ze voor altijd vertrouwen in je hebben.’ Toen Mozes de HEER vertelde wat het volk had geantwoord, (9 And the Lord said unto Moses, Lo, I come unto thee in a thick cloud, that the people may hear when I speak with thee, and believe thee for ever). 
10 zei de HEER hem ook: ‘Ga terug naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen, en laten ze hun kleren wassen. 
11 Bij het aanbreken van de derde dag moeten ze gereed zijn, want op die dag zal de HEER voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinai. 
12 Geef aan tot waar het volk mag komen, en waarschuw hen dat ze de berg niet op gaan; zelfs de voet daarvan mogen ze niet betreden. Wie zich op de berg waagt, moet ter dood gebracht worden. 
13 Zo iemand mag met geen vinger aangeraakt worden; hij moet worden gestenigd of met pijlen doorboord. Of het nu mensen of dieren betreft, ze mogen niet in leven blijven. Pas als het geluid van een ramshoorn weerklinkt, mogen ze de berg op gaan.’ 
14 Weer ging Mozes naar beneden, naar het volk. Hij droeg hun op zich te heiligen en hun kleren te wassen. 
15 ‘Zorg ervoor dat u overmorgen gereed bent,’ zei hij, ‘en dat u in de tussentijd geen gemeenschap hebt met een vrouw.’
16 Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde. 
17 Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven ze staan. 
18 De Sinai was volledig in rook gehuld, want de HEER was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig. 
19 Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid. 
20 De HEER was op de top van de Sinai neergedaald. Hij vroeg Mozes naar hem toe te komen, en Mozes ging naar boven. 
21 De HEER zei tegen Mozes: ‘Ga naar beneden en waarschuw het volk dat ze niet te dichtbij komen in de hoop de HEER te zien, want dan zullen velen van hen het leven verliezen. 
22 Ook de priesters, die gewoonlijk wel in de nabijheid van de HEER mogen komen, moeten op eerbiedige afstand blijven, anders zal de toorn van de HEER tegen hen losbarsten.’ 
23 Mozes antwoordde de HEER: ‘Het volk kan de Sinai niet op gaan. U hebt ons immers zelf bevolen de berg af te grenzen en als heilig te beschouwen.’ 
24 De HEER zei: ‘Ga naar beneden, en kom samen met Aäron weer terug. Maar de priesters en het volk mogen niet dichterbij komen, zij mogen de berg niet op gaan, anders zal mijn toorn tegen hen losbarsten.’ 
25 Mozes ging terug naar het volk en bracht hun dit over.

Johannes 16
Jezus, de overwinnaar der wereld
29 Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, en zegt geen gelijkenis.
30 Nu weten wij, dat Gij alle dingen weet, en Gij hebt niet van node, dat U iemand vrage. Hierom geloven wij, dat Gij van God uitgegaan zijt.
31 Jezus antwoordde hun: Gelooft gij nu?
32 Ziet, de ure komt, en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden, een iegelijk naar het zijne, en gij Mij alleen zult laten; en nochtans ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij.
33 Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.

2 Tessalonicenzen 2

De openbaring van den antichrist
En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem,
De wederkomst des Heren
Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van [onze] Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem,
Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware.
dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren (reeds) aanbrak.
Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs;
Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs,
Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.
de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is.
Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb?
Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb?
En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd.
En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd.
Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, die hem nu wederhoudt, die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.
Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; (wacht) slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is.
En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst;
Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here [Jezus] doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt.
Hemzeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen;
Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen,
10 En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden.
10 en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden.
11 En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;
11 En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven,
12 Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.
Opwekking tot standvastigheid
12 opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid.
13 Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid;
13 Maar wij behoren God te allen tijde om u te danken, door de Here geliefde broeders, dat God u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid.
14 Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus.
14 Daartoe heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus.
15 Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief.
15 Zo dan, broeders, staat vast en houdt u aan de overleveringen, die u door ons, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, geleerd zijn.
16 En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade,
16 En Hij, onze Here Jezus Christus, en God, onze Vader, die ons heeft liefgehad en ons eeuwige troost en goede hoop door zijn genade verleend heeft,
17 Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk.
17 trooste uw harten, en make ze sterk in alle goed werk en woord.

The Rapture is SOON!!! 
Rev 13:5
And there was given unto him a mouth speaking great things and blasphemies; and power was given unto him to continue forty and two months.
Rev 13:6
And he opened his mouth in blasphemy against God, to blaspheme his name, and his tabernacle, and them that dwell in heaven.

Rev 13:7
And it was given unto him to make war with the saints, and to overcome them: and power was given him over all kindreds, and tongues, and nations.

Rev 13:8
And all that dwell upon the earth shall worship him, whose names are not written in the book of life of the Lamb slain from the foundation of the world.

Rev 13:9
If any man have an ear, let him hear.

Rev 13:10
He that leadeth into captivity shall go into captivity: he that killeth with the sword must be killed with the sword. Here is the patience and the faith of the saints.
 
Derde tempel in Jeruzalem staat klaar voor bouw. This Temple is Jesus Himself. 
Deze tempel die de Joden willen bouwen is Jezus zelf. De steen die ze niet willen aannemen, zelfs verwerpen.


1. Spreuken 4,23 Van alles waarover je waakt, waak vooral over je hart, het is de bron van je leven. 

2. Zacharia 9,8 Ik zal de wacht betrekken en mijn land beschermen tegen doortrekkende legers. Geen tiran zal het nog binnenvallen, want nu waak ik er met eigen ogen over. 

3. Sirach 7,24 Heb je dochters? Waak over hun lichaam, geef niet te veel aan hen toe. 

4. Matteüs 18,10 Waak ervoor ook maar een van deze geringen te verachten. Want ik zeg jullie: hun engelen in de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van mijn hemelse Vader. 

5. 2 Korintiërs 11,2 Ik waak over u zoals God over u waakt. Ik heb u aan één man uitgehuwelijkt, aan Christus, en ik wil u als een kuise bruid aan hem geven. 

6. 1 Timoteüs 6,20 Timoteüs, waak over hetgeen je is toevertrouwd en mijd het goddeloze gepraat en de tegenstrijdigheden van wat ten onrechte kennis wordt genoemd 

Zacharia 14:19
19. Dit zal de zonde der Egyptenaren (Lucifer en zijn aanhangers) zijn, mitsgaders (alsook, bovendien) de zonde aller heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten.

Dit zal de straf zijn 2403 van Egypte 4714 , en de straf 2403 van alle naties 1471 die niet komen 5927om 2287 het feest 2282 van tabernakels 5521.

Zec 14:19
This shall be the punishment 2403 of Egypt 4714, and the punishment 2403 of all nations 1471 that come not up 5927 to keep 2287 the feast 2282 
of tabernacles 5521.

Loofhuttenfeest

ALERT! PROOF The Biggest EVENT in History is About to Happen!!!
UFO Sightings Aliens & President Secret Meetings MUFON Cover Up? Preston Dennett Explains! (Dit zijn geen Christenen)
(zie bij 0:45 min._Sinds 1947 is Israël gesticht en zijn de zogenaamde Aliens Ufo's begonnen in de USA).
Roswellincident

Dit zijn eigenlijk geen aliëns maar demonen/gevallen engelen.

2012: van 's avonds 30 september tot 's avonds 7 oktober

16-10-2008 11:48

JERUZALEM - Joden vieren van 14 tot 21 oktober het Loofhuttenfeest
Tijdens dit feest, waarvoor God de opdracht gaf in Leviticus 23, herdenkt het Joodse volk dat het door Hem uit Egypte geleid na veertig jaren in het beloofde land Kanaän aankwam.

Loofhuttenfeest -      
  viering van het Loofhuttenfeest in een orthodoxe synagoge


een Joods gezin in een loofhut. 

Vooral orthodoxe Israëliërs overnachten tijdens het feest in een hut, wat hen herinnert aan de jaren die de Joden tijdens de woestijnreis doorbrachten in tenten. Ook wordt er met de ”loelav” -een bundeling van een palmtak, drie mirtetakjes en twee wilgentakjes- gezwaaid tijdens het lezen van de Psalmen in de synagoge. De takken symboliseren, samen met een citrusvrucht, de natuur. Zo wordt God gevraagd voor al het groen te zorgen. Het Loofhuttenfeest staat verder in het teken van dankbaarheid dat de oogst is binnengehaald. Daarmee markeert het feest het einde van de oogst en het begin van het regenseizoen. Hoofdfoto: Israëliërs vragen om een Nederlandse vlag aan een deelneemster aan de jaarlijkse Jeruzalem Mars. Aan de mars deden gistermiddag duizenden christenen mee die in Jeruzalem het Loofhuttenfeest vieren dat door de Internationale Christelijke Ambassade in Jeruzalem is georganiseerd.

 

Het ontstaan van de staat Israël

Algemeen - Internationale betrekkingen - Politieke geschiedenis
‘De Joodse troepen begonnen ongewapende burgers stelselmatig te vermoorden’HN nr. 1/2008
Door: Simone Korkus
Zestig jaar geleden werd de staat Israël opgericht. Pas veertig jaar later ontdekten de Nieuwe Historici dat dit gepaard ging met bloedbaden en gruwelijkheden aan Joodse zijde. Maar over de hamvraag, of er een vooropgezet plan was om de Palestijnse Arabieren uit het land te verdrijven, verschillen zij van mening.

Op 14 mei 1948 proclameerde David Ben Goerion, de nieuwe Israëlische premier, in het overvolle Tel Aviv Museum de onafhankelijkheid van de Joodse staat Israël. De aanwezige Joodse leiders stonden op en zongen spontaan Ha tikva, het Israëlische volkslied. Het Britse mandaat over Palestina, dat 28 jaar eerder door de Volkenbond was toegekend, was beëindigd.

Een dag later, net voor zonsopgang, werden de bewoners van Tel Aviv gewekt door een oorverdovend lawaai. Vier Egyptische Spitfires bombardeerden de stad. De Arabisch-Israëlische oorlog - die eigenlijk nog steeds voortduurt - was begonnen.

Jarenlang legde de traditionele zionistische visie de schuld van die oorlog en de consequenties ervan - het vertrek van de Palestijnse Arabieren - bij de Arabische kant. Volgens deze zienswijze zou Palestina tot de komst van de Joodse kolonisten nauwelijks bevolkt zijn geweest. De Arabieren die er woonden waren na de Israëlische onafhankelijkheid gevlucht op aandrang van hun leiders. En vervolgens moest het kleine Israël als een David vechten tegen Goliath - de Arabische miljoenenovermacht. Dit zionistische beeld werd eigenlijk pas veertig jaar later serieus aan de kaak gesteld.

In 1982 deed een jonge Israëlische journalist en historicus, Benny Morris - nu hoogleraar geschiedenis aan de Ben Goerion Universiteit - onderzoek naar de Palmach, de gevechtseenheid van de Haganah. Morris kreeg toegang tot geheime Palmach-documenten, en deze vormden de sleutel tot een heel ander verhaal.

Morris ontdekte dat Israël in 1948 een serie gruwelijkheden - massamoorden, vernietigingen en verkrachtingen - tegen de Palestijnse Arabieren had begaan. Hem werd de toegang tot de archieven ontzegd, maar datzelfde jaar werden geheime documenten uit de Israëlische staatsarchieven vrijgegeven en bijna tien jaar later militaire archieven, die zijn bevindingen bevestigden.

Tot die tijd, vertelt Morris, wisten niet alleen de gewone burgers, maar ook historici in Israël nauwelijks wat er gebeurd was. In de beginjaren van de jonge staat waren er wel incidentele kritische publicaties en polemieken over zijn ontstaansgeschiedenis, maar de Israëlische overheid hield gegevens geheim, en Joden die bij de acties betrokken waren geweest hielden hun mond of hun was verzocht te zwijgen.

Ook andere historici, onder wie Ilan Pappe en Avi Shlaim, beiden tegenwoordig werkzaam aan Britse universiteiten, begonnen aan de hand van de officiële documenten de zionistische geschiedenis te herschrijven. Ze noemden zichzelf de Nieuwe Historici.

Burgeroorlog
Het zionistische project had eigenlijk vanaf het begin een koloniaal karakter, menen de Nieuwe Historici, dat werd gevoed door een soort romantisch nationalisme. De zionisten wisten dat Palestina bevolkt was. Ze wilden zoveel mogelijk Joden naar Palestina halen, en dat kon alleen als ze de Palestijnse Arabieren die er al woonden al dan niet vrijwillig het land uit zetten. Morris legt uit: 'In 1947 maakte de zionistische beweging plannen om 800.000 Joden - de meesten oorlogsslachtoffers - binnen vier jaar in Palestina op te nemen. Maar er woonden al zo'n 1,25 miljoen Arabieren, die hun land niet wilden opgeven.

De internationale wereld, vertegenwoordigd in de kersverse Verenigde Naties, zat met de kwestie in zijn maag. Er waren toenemende wrijvingen tussen Joden en Arabieren in Palestina. De Britse pogingen om zowel de Joodse als de Arabische bevolking te vriend te houden mislukten. In de Verenigde Naties stelde het United Nations Special Committee on Palestine (UNSCOP), dat in Palestina een onderzoek had ingesteld en beide partijen had gehoord, voor om Palestina in twee staten te verdelen.

David Ben Goerion, leider en architect van de Joodse staat, geloofde in Joodse soevereiniteit over heel Palestina. Maar hij was ook een pragmaticus en begreep dat het beter was om een Joodse staat te hebben op een gedeelte van het land dan al het land zonder Joodse staat. Hij accepteerde het plan van de Verenigde Naties.

De Arabische vertegenwoordigers weigerden echter. Zij verwachtten dat de internationale gemeenschap hun natuurlijk recht op het land zou accepteren. Dat bleek een misvatting. De sympathie van de wereldopinie ging na de Tweede Wereldoorlog uit naar de overlevenden van de Jodenvervolging, en de Palestijnse Arabieren slaagden er niet in hun belangen te verdedigen.

Het idee om Palestina in tweeën te delen werd op 29 november 1947 in VN-resolutie 181 aanvaard. Het was een wat slordig plan, waarbij 55 procent van het land naar de Joodse minderheid zou gaan en de Arabische meerderheid 45 procent kreeg. Jeruzalem zou een corpus separatum onder controle van de Verenigde Naties blijven. Azzam Pasha, secretaris-generaal van de in 1945 opgerichte Arabische Liga, die de interesses van de Arabische lidstaten behartigde, reageerde profetisch: 'Deze verdeellijn wordt niets anders dan een lijn van vuur en bloed.'

En inderdaad volgde op de resolutie van de Verenigde Naties een golf van Arabische en Joodse terreur en bloedvergieten, die leidde tot een regelrechte burgeroorlog. Tussen december 1947 en maart 1948 vielen er gemiddeld 100 doden en 200 gewonden per week - aan zowel Joodse als Arabische kant - op een bevolking van 2 miljoen inwoners.

Al Huseini, leider van de Arabieren in Palestina en moefti - religieus leider - van Jeruzalem, vocht tegen de Joodse gemeenschap. Overal in het land braken onlusten uit, maar het meest kritiek was de strijd om Jeruzalem. Met een paar duizend vrijwilligers blokkeerde Al Huseini de Joodse wijk in de stad. De geïsoleerde Joodse bewoners konden alleen nog met gepantserde vrachtwagens via de Jeruzalem-corridor (een smalle kloof in het destijds grotendeels door Arabieren bevolkte berggebied) bevoorraad worden.

Maar de konvooien werden stelselmatig onderschept door de Arabieren, en honderden Haganah-leden werden gedood. In maart 1948 waren bijna alle gepantserde voertuigen van de Haganah vernietigd en zag de toekomst van Joods Jeruzalem er somber uit. De Joodse autoriteiten vreesden dat de oprichting van de Joodse staat door de vijandigheden in gevaar kwam. Bovendien bereidden de naburige Arabische landen zich voor op een aanval.

Plan D

Horrorverhalen

Bloedbaden
In april 1948 stelde de Haganah daarom voortijdig Tochniet Dalet (Plan D) in werking, dat zij had ontwikkeld om de Joodse staat in wording tegen Arabische aanvallen en vijandelijkheden van lokale Palestijnse Arabieren te beschermen, nadat de Britten zich hadden teruggetrokken uit Palestina. Het gaf elke brigade de bevoegdheid om 'in de strijd om dorpen in uw zone te beslissen om hen te zuiveren of te vernietigen; dit in overleg met uw adviseurs van Arabische zaken en de Haganah-officieren', aldus de tekst van het plan. 'Het was een carte blanche om de Arabieren te verdrijven,' aldus Morris. 'Het gaf de commandanten rugdekking voor hun acties.'

Tijdens de militaire operaties in Arabische dorpen en stadsdelen die volgden werden in deze beginfase, nog voor de onafhankelijkheid, tussen de 280.000 en 400.000 Arabische Palestijnen verdreven. Een van de meest controversiële acties was de vernietiging van het dorp Deir Yassin op 8 april 1948. Het dorpje had een niet-aanvalsverdrag getekend met de Haganah. Maar de rechtse Joodse organisaties Irgoen en Lechi, die beide ondergronds tegen de Britten vochten, trokken zich daar niets van aan en vielen het plaatsje binnen. Toen de goed bewapende Palmach zich bij hen voegde, vluchtten de Arabische troepen.

'Daarna begon het drama,' vertelt Pappe. 'De Joodse troepen begonnen ongewapende burgers stelselmatig te vermoorden. De milities plunderden het dorp. Er werden die dag ongeveer 245 mannen, vrouwen en kinderen - onder wie 30 baby's - gedood. De rest werd door de straten van Jeruzalem geleid en het Arabische gedeelte van de stad in gedreven.'

De hele wereld, inclusief de Haganah en de Jewish Agency, keurde de actie af. In elk geval formeel; in de praktijk brachten de horrorverhalen die in de Arabische wereld werden verspreid een massale vlucht van Arabieren op gang, die de binnenkort op te richten Joodse staat goed van pas kwam.

Naarmate Plan D zich ontwikkelde, werden de acties agressiever. Joodse troepen richtten volgens Morris nog zo'n twintig soortgelijke bloedbaden aan. 'Zowel de Britten, die in Palestina de orde moesten handhaven, als de Verenigde Naties, die sancties hadden kunnen opleggen, keken de andere kant op en lieten al deze gruwelijkheden ongestraft plaatsvinden,' aldus Pappe.

Zo kwam het dat een deel van de Arabieren - het is onduidelijk hoeveel - inderdaad op advies van haar [?waar slaat dit haar op?] leiders vertrok, zoals wordt gesteld in de zionistische versie van Israëls ontstaansgeschiedenis. De Arabische dorpen en steden die zij achterlieten zouden tijdelijk worden bewoond door Arabische milities. Ook vluchtten vele burgers uit angst voor de Joodse troepen.

In deze periode werd de Arabische gemeenschap in Palestina gedecimeerd en in de chaos die ontstond desintegreerde die. Er was weliswaar geen Palestijns volk, maar wel degelijk een Arabische samenleving, die bestond uit verschillende gemeenschappen en werd bestuurd door een aantal aristocratische families - de Ayan. De Ayan waren vaak ook eigenaar van de grond, die ze weer verpachtten aan de kleine boeren - de felachien. Maar nu sloegen veel leiders en vooraanstaande Arabieren op de vlucht en werden de bewoners van hun gronden verdreven. Tegen de tijd dat de staat Israël in mei 1948 gesticht werd, waren de Palestijnse Arabieren geen politieke of militaire factor van betekenis meer.

Geheim akkoord

Daags na de oprichting van de staat Israël, op 15 mei 1948, vielen legers van Libanon, Syrië, Jordanië, Irak en Egypte Palestina binnen. Ze voerden een halfslachtige oorlog. De Arabische coalitie was verdeeld en slecht georganiseerd. Er woedde een concurrentiestrijd tussen koning Farouk van Egypte en de leiders van de Hashemite-dynastie [?Hasjemieten?] in Jordanië en Irak. Syrië en Libanon vreesden dat de Jordaanse koning Abdullah hun landen wilde bezetten. En iedereen had een hekel aan Al Huseini, die zijn eigen weg ging en nauwe samenwerking met zowel de Britten, Arabieren als Joden afwees.

De Arabische legers waren slecht voorbereid. Er waren ongeveer 35.000 Israëlische soldaten en 20.000 tot 25.000 Arabische. Shlaim: 'De leider van het eliteleger, de Jordaanse koning Abdullah, wilde helemaal niet vechten tegen de Joden, maar vooral de Westoever onder zijn controle krijgen. In november 1947 sloten Abdullah en Golda Meir een geheim akkoord om Palestina tussen Israël en Jordanië te verdelen. De Britten kenden deze plannen. De Palestijnse Arabieren hadden vanaf het begin dus geen schijn van kans op een eigen staat.'

Waarom dan toch een oorlog? 'De buurlanden zagen dat de Palestijnse Arabieren geen politieke of militaire betekenis meer hadden en vreesden het gebied aan de zionisten te verliezen,' aldus Pappe. 'Ze hoopten dat oorlogsdreiging voldoende was om de Joden ervan te weerhouden heel Palestina over te nemen. Ze gooiden kleine eenheden in de strijd, maar die kwamen te laat en waren te zwak om de Palestijnse Arabieren te helpen. Abdullah vocht uiteindelijk met de andere Arabieren mee, maar hij probeerde een frontale botsing met de Joden te vermijden.'

De uitkomst van de oorlog stond dus eigenlijk van tevoren al vast, meent Pappe. Binnen een maand werd het Egyptische leger tot staan gebracht. Israël kreeg grote illegale wapenleveranties uit Tsjecho-Slowakije, terwijl de Arabische landen door het wapenembargo militair werden drooggelegd. Toen de Arabische leiders weigerden om hun nederlaag te erkennen, viel het Israëlische leger de Arabische steden Lydda en Ramle aan, nabij Jeruzalem in het gebied dat Arabisch zou worden. Duizenden gevluchte Arabieren hadden daar een heenkomen gezocht.

De commandant die de dorpen moest innemen was Yitzhak Rabin, de latere premier van Israël. In zijn memoires schreef Rabin dat hij Ben Goerion had gevraagd wat hij met al die mensen moest doen. Ben Goerion maakte een vegend gebaar, dat zo goed als zei: 'Verdrijf ze allemaal.' Vijftigduizend burgers werden daarna verdreven.

Repatriëring
Op 10 maart 1949 werd de oorlog in Palestina beëindigd. Israël had 6373 mensen verloren, van wie zo'n 4000 soldaten. Men schat het aantal Arabische doden tussen de 10.000 en 15.000, hoewel het exacte aantal onbekend is. 700.000 tot 750.000 Palestijnse Arabieren werden verdreven, 400 dorpen vernield en 11 stadsdelen vernietigd.

De grenzen werden vastgelegd in wapenstilstandsverdragen tussen Israël en Egypte, Syrië, Jordanië en Libanon, en waren slechts voorlopig; de permanente begrenzing zou in vredesverdragen worden vastgesteld. 'Het Israëlische grondgebied werd beduidend groter dan in de VN-deling was voorzien,' aldus Pappe. Israël kreeg bijna 80 procent van het land. De overige 20 procent ging naar de Arabische landen. Egypte hield de Gazastrook en Jordanië kreeg de Westelijke Jordaanoever. De Palestijnse Arabieren waren überhaupt geen partij in de verdragen.

Parallel aan de wapenstilstandsverdragen organiseerde het United Nations Concilliation Committee for Palestine van 27 april tot 12 september 1949 de conferentie van Lausanne. Daar tekenden de partijen, waaronder nu wel de Palestijnse vluchtelingen, een gemeenschappelijk protocol met de toezegging om regelingen over begrenzing, vluchtelingen en de status van Jeruzalem nader uit te werken.

Volgens Pappe tekende Israël onder druk van de Verenigde Staten, en vooral om lid te mogen worden van de Verenigde Naties. Toen het daar werd toegelaten, zag Israël geen noodzaak meer om concessies te doen ten aanzien van vluchtelingen of grenzen. De publieke opinie en politieke standpunten in Israël waren zo verhard dat de plannen van Lausanne niet geratificeerd konden worden.

Toen veel Palestijnse vluchtelingen na de oorlog naar huis probeerden terug te keren, nam Israël wetten aan om repatriëring onmogelijk te maken. Pappe verwijt de Verenigde Naties en de westerse wereld dat ze in deze tijd niet hebben ingegrepen en daarmee in feite Israëls gedrag - de uitwijzing van vluchtelingen en het in beslag nemen van land - hebben gelegitimeerd.

Momenteel zijn er volgens cijfers van de Verenigde Naties zo'n 4 miljoen vluchtelingen, inclusief hun nazaten. Eenderde woont in de Westoever en Gaza, eenderde in Jordanië en eenderde in Libanon, Syrië en andere landen. Ook in de Arabische landen is hun positie slecht. Ze leven in vluchtelingenkampen, krijgen niet de nationaliteit van het gastland en financieel wordt er nauwelijks iets gedaan om hun positie te verbeteren. Volgens Morris houden de Arabische landen de Palestijnse vluchtelingen arm om hun positie in het conflict met Israël uit te spelen.

Masterplan
De hamvraag over de gebeurtenissen van 1948 blijft of de Palestijnse Arabieren het land uit zijn gezet of vrijwillig zijn vertrokken.Wie is verantwoordelijk voor het vluchtelingenprobleem, en wie moet het oplossen? Volgens de Nieuwe Historici was er al sprake van een 'transfergedachte' - de al dan niet vrijwillige evacuatie van de Palestijnse Arabieren - vanaf het begin van het zionistische project. Al in de jaren dertig en veertig waren er losse transfercommissies en -projecten. Ook maakten Ben Goerion en de Hoge Commissaris van Palestina in 1936 een plan om de Palestijnse Arabieren naar Transjordanië te verhuizen.

Maar over de vraag of er in 1948 een 'masterplan' was om de Palestijnse Arabieren te verdrijven, zijn de Nieuwe Historici verdeeld. Shlaim stelt dat de bewijsstukken - militaire rapporten, kabinetsvergaderingen - laten zien dat de belangrijkste reden voor de uittocht van Palestijnse Arabieren de militaire, politieke en psychologische druk van Israël was. En Pappe meent zelfs dat de uitdrijving gebaseerd is op een weldoordacht, systematisch transferplan. 'Het begon in de jaren dertig met een gedetailleerde inventarisatie van alle Arabische dorpen door de Joodse leiding, waarin gegevens over eigendom, politieke affiniteit, aantal inwoners enzovoort werden opgenomen. Met de implementatie van Plan D werden die lijsten eenvoudigweg gebruikt om dorpen en gezochte personen te selecteren en te elimineren. Het plan was eenvoudig: dood de leiders en politieke figuren, en de rest slaat op de vlucht.'

Volgens Benny Morris is dit echter onzin. Er is geen bewijs voor een zionistisch topplan, vindt hij. Het was oorlog, en de dingen gebeurden. Arabieren vluchtten, Joodse troepen zuiverden gebieden omdat ze geen enclaves van vijandige Arabieren achter hun frontlinies wilden, en sommige Arabische leiders riepen op tot een tijdelijke vlucht. Intussen bereidde de Joodse leiding zich in korte tijd voor op een nieuwe staat. Dit leidde tot verzet onder de Arabische bevolking, wat voor de Joodse gemeenschap in Israël weer de bevestiging was dat je niet met een vijandige Arabische meerderheid kon samenleven.

Morris gaat zelfs een stap verder. Als de transfer volledig was uitgevoerd, en de Joden ten westen van de Jordaanoever en de Palestijnse Arabieren aan de oostzijde waren geëindigd, dan hadden beide volken volgens hem een gelukkiger toekomst gehad. Zoals het nu is, met vermenging van de Joodse en Arabische bevolking in Israël en Israëlische nederzettingen in de Palestijnse gebieden, is het probleem veel minder oplosbaar en heeft het bijgedragen aan het leed van beide volken.

Toch vindt Shlaim: 'Wat de reden voor de Palestijnse vlucht ook moge zijn, Israël had de vluchtelingen kunnen laten terugkeren, maar nam een formeel besluit om dat niet te doen.' VN-resolutie 194 van december 1948, die Palestijnse vluchtelingen een repatriërings- of compensatierecht geeft, werd nooit uitgevoerd. De fysieke mogelijkheid om terug te keren werd steeds kleiner, omdat dorpen vernietigd of inmiddels overgenomen waren door Joodse immigranten. 'En zolang Israël zijn deel van de morele verantwoordelijkheid voor het vluchtelingenprobleem niet erkent,' vindt Pappe, 'zal het conflict voortduren.'

[kader 1]Palestina voor de oorlog
In de loop van de geschiedenis van het Midden-Oosten werd Palestina bijna constant bezet door grote mogendheden: het Perzische Rijk, Egypte, Rome, Byzantium, de Arabieren en, vier eeuwen lang, door het Ottomaanse Rijk. De Turken kozen tijdens de Eerste Wereldoorlog de kant van Duitsland en raakten zo in conflict met Engeland. In 1917 namen Britse troepen de controle in Palestina over. Het Britse mandaat over Palestina werd in 1922 geformaliseerd, met de duidelijke instructie om Joodse immigratie en vestiging in Palestina mogelijk te maken.

In de tijd daarvoor hadden de Britten echter twee verdragen gesloten: een toezegging aan de Arabieren dat op Palestijns land een Arabische staat zou worden gevestigd, op voorwaarde dat de zij [?klopt niet, moet zijn: zij?] een opstand tegen de Turken organiseerden. En de Balfour Declaratie van 1917, een officiële verklaring dat de Britse regering het zionistische plan tot stichting van een nationaal thuis voor het Joodse volk in Palestina ondersteunde, op voorwaarde dat de rechten van bestaande gemeenschappen niet werden geschaad.

Zowel de Arabieren als de Joden voelden zich door de Britten verraden en keerden zich tegen Engeland. In 1929 was de Jewish Agency opgericht, die de officiële vertegenwoordiging vormde van de Joden in de Volkenbond en verantwoordelijk was voor de interne aangelegenheden van de Joodse gemeenschap in Palestina - ook wel de Jesjoev genoemd. De Agency had zoveel mogelijk land in Palestina gekocht en propageerde de Joodse immigratie naar Palestina. Ze richtte ook de illegale, maar door de Britten getolereerde paramilitaire organisatie Haganah op.

De Joodse immigratie was een doorn in het oog van de Arabische bevolking. Toen de Peel Commissie in 1936 adviseerde om het westelijk deel van Palestina tussen Arabieren en Joden te verdelen, was voor de Arabieren de maat vol. In de periode die volgde kwamen ze in opstand tegen de Britten. In een poging om de Britten uit Palestina te weren sloot de Arabisch-Palestijnse leider Amin al Husseini zich tijdens de Tweede Wereldoorlog aan bij Nazi-Duitsland, wat de westerse wereld hem en de Arabische bevolking niet in dank afnam.

De Britten probeerden het conflict met de Arabieren te sussen door de Joodse immigratie tot een minimum te beperken, wat leidde tot een guerrillaoorlog van ondergrondse Joodse milities. Engeland had de Arabieren nodig als bondgenoten om de vrije doorgang naar India en het Verre Oosten te verzekeren en de Arabische olietoevoer gaande te houden.

Na de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust steunde de wereldopinie de Joodse immigratie. Intern kampten de Britten met toenemend geweld van zowel Arabieren als Joden in Palestina. De Britten vroegen de Verenigde Naties om advies.

[Kader 2] De Nieuwe Historici

De 'New Historians' zijn een losse groep Israëlische historici - onder wie Benny Morris, Avi Shlaim, Ilan Pappe en Tom Segev - die onafhankelijk en gelijktijdig hun historisch onderzoek begonnen naar de oprichting van Israël en de consequenties van de oorlog van 1948. Ze baseren zich daarbij op officiële staatsdocumenten en militaire rapporten. Hun conclusies veroorzaakten een publiek debat in Israël dat verdergaat dan de academische arena, en hun invloed is op verschillende terreinen merkbaar. De Israëlische televisie produceerde de documentaire miniserie Tekuma, over Israëls vijftigjarig bestaan, gebaseerd op de gegevens van de New Historians. In discussieprogramma's worden de verschillende visies ten opzichte van [?wordt bedoeld: visies op?] 1948 besproken. De historische afdeling van de Israeli Defense Forces publiceerde The Struggle for Israel's Security, een boek dat openlijk Israëls harde veiligheidspolitiek van de jaren vijftig en de mythe van Israël als vredelievend land bekritiseert. De manier waarop geschiedenis op middelbare scholen wordt gedoceerd veranderde. Geschiedenisboekjes werden herschreven en geven de verschillende interpretaties van Israëls geschiedenis vanuit een universeel in plaats van nationalistisch perspectief. En sinds 2007 wordt in de geschiedenisboeken voor Israëlisch-Arabische kinderen het Palestijnse perspectief van de Nakba (de Palestijnse ramp van 1948) weergegeven.

In recente vredesbesprekingen refereren Palestijnse onderhandelaars aan het werk van de New Historians, in het bijzonder Benny Morris, om Israëls verantwoordelijkheid voor het vluchtelingenprobleem vast te stellen. Sinds het uitbreken van de tweede Intifada [?met kap?] is de Israëlische publieke opinie ten opzichte van de Palestijnse Arabieren echter verhard en krijgt de oude zionistische visie weer meer aanhang.

[dit moet nog verwerkt]
Hebben zij niet ook geschreven over de latere geschiedenis van Israel?Ja, vooral Tom Segev over de eerste jaren van de nieuwe staat en Benny Morris over de 'borderwars' en de Zesdaagse Oorlog van 1967. Ik geef je morgen correcties.

En verder: Ilan Pappe, heeft het toch zelfs over een etnische zuivering; moeten wij die term niet ook noemen?

En: ik heb begrepen dat de New Historians zelfs echt ruzie hebben gekregen, en dat Pappe zelfs geëmigreerd is vanwege de kritiek op zijn boek. Moeten wij dat niet ook in het kader vertellen?Nee, dat laatste is overdreven . Ik heb Ilan nog voor zijn vertrek gesproken en hij heeft gewoon een betere baan met betere omstandigheden. Ruzie? Ja er is wel onenigheid in het kamp, vooral na Benny's zeer uitgesproken standpunten in de pers. Morgen geef ik je meer commentaar.

Meer informatie
Boeken
The Fifty Years War (1998) van Ahron Bregman en Jihal el Tahri geeft een goede en genuanceerde introductie op de gebeurtenissen in Palestina voor en tijdens 1948. Het boek is gebaseerd op de gelijknamige documentaire van de BBC.

Benny Morris' The Birth of the Palestinian Refugee Problem Revisited (2004) is het meest gedetailleerde en uitvoerige (640 pagina's) boek over het vluchtelingenprobleem. Het is zeer goed gedocumenteerd en ontdaan van elke emotie. The Ethnic Cleansing of Palestine (2006) van Ilan Pappe is het meest recente en - volgens mij - erg provocerende boek van Pappe, dat stelt dat de Arabische Palestijnen volgens een masterplan zijn verdreven. Tom Segevs 1949. The First Israelis is zeer leesbaar en geeft een aardige sfeertekening van het leven van de Israëliërs direct na de oprichting van Israël.

De afgelopen jaren hebben de Nieuwe Historici en hun voor- en tegenstanders vaak de publiciteit gezocht. Een algemene beschouwing van het debat vindt men in: Gulie Ne'eman, Arad (red.), 'Israeli Historiography Revisited', in: History & Memory 1995, uitgegeven door de Indiana University Press.

Websites
Ilan Pappe heeft een eigen website: www.ilanpappe.org. De website van Avi Shlaim is http://users.ox.ac.uk/~ssfc0005/.

Film
The Fifty Years War is een televisieserie van Brian Lapping, die is uitgezonden door de BBC in 1998. Otto Prenningers beroemde film Exodus, naar het boek van Leon Uris, vertelt het traditionele, gekleurde verhaal van het ontstaan van de staat Israël. Paul Newman werd in zijn vertolking van Haganah-commandant Ari Ben Canaan beschouwd als het prototype van de Israëlische man.

60 jaar onafhankelijkheid

Aan de viering van 60 jaar onafhankelijkheid in 2008 wordt curieus genoeg nog nauwelijks aandacht besteed in Israël. Wel is gemeld dat er 100 miljoen wordt uitgetrokken voor de ceremonies. Israëli's vinden dat over het algemeen te veel.

Politieke stroming die het stichten van een joodse staat in Palestina tot doel heeft.

Al in de Hebreeuwse bijbel speelt het verlangen om terug te keren naar Zioneen andere benaming voor de stad Jeruzalem, een belangrijke rol. Met de opkomst van het Europese nationale denken in tweede helft negentiende eeuw heeft ook het idee postgevat dat het joodse volk een nationale eenheid vormt en een eigen staat zou moeten hebben. Een joodse staat met Jeruzalem als hoofdstad zou naast de inlossing van een bijbelse belofte ook een plek creëren waar joden vrij zouden zijn van vervolging.

Tijdens het Eerste Zionistisch Congres in Bazel in 1897 is, onder leiding van Theodor Herzlhet zionisme tot politieke ideologie verheven. Het Zionistisch Congres wierp zich op als vertegenwoordiger (parlement) van het joodse volk en kon vanuit die positie op hoog politiek niveau lobby voeren. Kleine groepen joodse migranten vestigden zich ondertussen in het toenmalige Palestina.

Zie voor uitgebreide informatie het thema-artikel Zionisme en hachsjara

Politiek is geen volk meer maar de machthebbers van de aarde/land die samen tegen Jezus gaan vechten in Armegeddon.


Rev 16:14
For 1063 they are 1526 the spirits 4151 of devils1142, working 4160 miracles 4592, [which] go forth1607 3739 1607 unto 1909 the kings 935 
of the earth
1093 and 2532 of the whole 3650 world 3625, to gather 4863 them 846 to 1519 the battle 4171 of that 1565 great 3173 day 2250 
of God 
2316 Almighty3841.
Rev 16:15
Behold 2400 , I come 2064 as 5613 a thief 2812. Blessed 3107 [is] he that watcheth 1127 , and 2532keepeth 5083 his 846 garments 2440, lest 3363 
he walk 
4043 naked 1131, and 2532 they see 991 his 846shame 808.
Rev 16:16
And 2532 he gathered 4863 0 them 846 together4863 into 1519 a place 5117 called 2564 in the Hebrew tongue 1447 Armageddon 717.

Strong's G717 - Harmagedōn
Ἁρμαγεδών

Transliteratie

Harmagedōn

Uitspraak

Har-ma-ge-dō'n (Key)

Woordsoort

juiste locatieve zelfstandig naamwoord

Root Word (Etymologie)

Van Hebreeuwse oorsprong הַר(H2022)en מְגִדּוֹן (H4023)

TWNT Referentie

Overzicht van Bijbelse gebruik

Armageddon = "de heuvel of de stad van Megiddo"

1) In Openbaring 16:16 het toneel van een strijd van goed en kwaad wordt gesuggereerd door die strijd vlakte van Esdrelon, die beroemd was voor twee grote overwinningen, van Barak over de Kanaänieten, en van Gideon over de Midianieten, en voor twee grote rampen, de dood van Saul en Josia.Vandaar dat in de Openbaring een plaats van grote slachting, het toneel van een verschrikkelijke vergelding over de goddelozen. De RSV vertaalt de naam als Har-Magedon, dat wil zeggen de heuvel (zoals Ar is de stad) van Megiddo.

Authorized Version (KJV) Vertaling Count - Totaal: 1
AV - Armageddon 1

Openbaring 11

De twee getuigen
Vervolgens kreeg ik een rietstengel als meetstok, met de opdracht: ‘Neem de maten op van Gods tempel en van het altaar, en tel degenen die God daar aanbidden.
De twee getuigen Gods
En mij werd een rietstok gegeven, een meetroede gelijk; en de engel stond en zeide: Sta op, en meet den tempel Gods en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden.
De voorhof buiten de tempel moet je overslaan. Meet die niet op, want hij is bestemd voor de heidenen, die de heilige stad tweeënveertig maanden lang zullen vertrappen.
En laat het voorhof uit, dat van buiten den tempel is, en meet dat niet, want het is den heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden.
Ik zal mijn twee getuigen opdracht geven om te profeteren. Gedurende twaalfhonderdzestig dagen zullen ze dat doen, gehuld in een boetekleed.
En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.
Zij zijn de twee olijfbomen en de twee lampenstandaards die voor de Heer van de wereld staan.
Dezen zijn de twee olijfbomen, en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan.
Als iemand hun kwaad wil doen, komt er vuur uit hun mond, dat hun vijanden verteert; op die manier zal iedereen die hun kwaad wil doen moeten sterven.
En zo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet alzo gedood worden.
Zij hebben de macht om de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt zolang zij profeteren. Ook hebben ze de macht om water in bloed te veranderen. Verder kunnen ze de aarde treffen met alle mogelijke plagen, zo vaak ze maar willen.
Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hunner profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zo menigmaal als zij zullen willen.
Wanneer zij hun getuigenis hebben afgelegd, zal het beest dat uit de onderaardse diepte opstijgt de strijd met hen aanbinden, hen overwinnen en hen doden.
En als zij hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.
Dan liggen hun lijken op het plein van de grote stad die in figuurlijke zin Sodom of Egypte heet, de stad waar ook hun Heer gekruisigd is.
En hun dode lichamen zullen liggen op de straat der grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sódoma en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is.
Gedurende drie-en-een-halve dag komen er mensen uit alle landen en volken, van elke stam en taal, om hun lijken te zien, en zij dulden niet dat ze begraven worden.
En de mensen uit de volken, en geslachten, en talen, en natiën, zullen hun dode lichamen zien drie dagen en een halven, en zullen niet toelaten, dat hun dode lichamen in graven gelegd worden.
10 De mensen die op aarde leven juichen om de dood van de twee profeten, en opgetogen sturen ze elkaar geschenken, want die profeten waren een grote kwelling voor hen geweest.’
10 En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.
11 Maar toen de drie-en-een-halve dag voorbij waren, voer er een levensgeest uit God in hen en kwamen ze weer overeind. Iedereen die hen zag werd doodsbang.
11 En na die drie dagen en een halven, is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden.
12 Er klonk een luide stem uit de hemel, die tegen hen zei: ‘Kom hierboven.’ Toen stegen ze in de wolk op naar de hemel, voor het oog van hun vijanden.
12 En zij hoorden een grote stem uit den hemel, die tot hen zeide: Komt herwaarts op. En zij voeren op naar den hemel in de wolk; en hun vijanden aanschouwden hen.
13 Op dat moment kwam er een zware aardbeving, die een tiende deel van de stad verwoestte. Zevenduizend mensen werden door de aardbeving gedood, de rest werd door vrees bevangen en begon de God van de hemel eer te bewijzen.
13 En in diezelfde ure geschiedde een grote aardbeving, en het tiende deel der stad is gevallen, en er zijn in de aardbeving gedood zeven duizend namen van mensen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden, en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven.
14 Het tweede wee is voorbij, maar het derde volgt binnenkort!
14 Het tweede wee is weggegaan; ziet, het derde wee komt haast.
De zevende bazuin
15 Toen blies de zevende engel op zijn bazuin. In de hemel klonken luide stemmen, die zeiden: ‘Nu begint de heerschappij van onze Heer over de wereld, en die van zijn messias. Hij zal heersen tot in eeuwigheid.’
De zevende engel
15 En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.
16 De vierentwintig oudsten op hun tronen bij God wierpen zich neer en aanbaden God
16 En de vier en twintig ouderlingen, die voor God zitten op hun tronen, vielen neder op hun aangezichten, en aanbaden God,
17 met de woorden: ‘Wij danken u, Heer, onze God, Almachtige, die is en die was, want in uw grote macht neemt u nu het koningschap op u.
17 Zeggende: Wij danken U, Heere God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal! dat Gij Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst;
18 De volken raasden in woede, maar nu laat u uw woede razen. De tijd is gekomen om een oordeel te vellen over de doden; en om uw dienaren, de profeten, te belonen, evenals de heiligen en degenen die, jong en oud, ontzag hebben voor uw naam; en ook om hen die de aarde vernietigen nu zelf te vernietigen.’
18 En de volken waren toornig geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd der doden, om geoordeeld te worden, en om het loon te geven Uw dienstknechten, den profeten, en den heiligen, en dengenen, die Uw Naam vrezen, den kleinen en den groten; en om te verderven degenen, die de aarde verdierven.
19 Toen ging Gods tempel in de hemel open en verscheen daar de ark van het verbond. Er volgden bliksemschichten, groot geraas, donderslagen, een aardbeving en zware hagel.
19 En de tempel Gods in de hemel is geopend geworden, en de ark Zijns verbonds is gezien in Zijn tempel; en er werden bliksemen, en stemmen, en donderslagen, en aardbeving, en grote hagel.

Daniël 12


In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de kinderen van je volk terzijde staat. Het zal een tijd van verdrukking zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan. In die tijd zal je volk worden gered: allen die in het boek zijn opgetekend.
De verzegelde woorden
En te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.
Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd.
En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.
De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf, en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd.
De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.
Maar houd deze woorden geheim, Daniël, en verzegel het boek tot de eindtijd. Velen zullen op zoek gaan en de kennis zal toenemen.’
En gij, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.
Toen zag ik, Daniël, twee anderen staan, de ene aan deze oever van de rivier, de andere aan de overkant.
En ik, Daniël, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze zijde van den oever der rivier, en de ander aan gene zijde van den oever der rivier.
Een van hen zei tegen de in linnen geklede man die zich boven het water van de rivier bevond: ‘Hoe lang duurt het tot het einde van deze wonderbaarlijke gebeurtenissen?’
En hij zeide tot den Man, bekleed met linnen, Die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen?
Daarop hoorde ik de in linnen geklede man die zich boven het water van de rivier bevond spreken. Hij hief beide handen op naar de hemel en zwoer bij de eeuwig Levende: ‘Eén tijd, een dubbele en een halve tijd: wanneer de macht van het heilige volk niet langer verbrijzeld zal worden, dan zullen al deze dingen zich hebben voltrokken.’
En ik hoorde dien Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechter- en Zijn linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij Dien, Die eeuwiglijk leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleind hebben te verstrooien de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen worden.
Ik hoorde het, maar begreep het niet en zei: ‘Mijn heer, hoe zal dit alles aflopen?’
Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen?
Maar hij zei: ‘Ga heen, Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd.
En Hij zeide: Ga henen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde.
10 Velen zullen zich laten reinigen, zuiveren en louteren, maar de wettelozen zullen wetteloos handelen; en geen van de wettelozen zal het begrijpen, maar de verlichten zullen het wel begrijpen.
10 Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.
11 En vanaf het moment dat het dagelijks offer wordt afgeschaft en een verwoesting brengend afgodsbeeld is opgericht, zullen er twaalfhonderdnegentig dagen verstrijken.
11 En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.
12 Gelukkig is de mens die blijft wachten en dertienhonderdvijfendertig dagen bereikt.
12 Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.
13 Maar jij, ga het einde tegemoet. Je zult te ruste gaan en aan het einde van de dagen opstaan om je bestemming te bereiken.’
13 Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.

 

Handelingen 2
Uitstorting van den Heiligen Geest

En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.
En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.
En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen.
En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn.
En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galiléërs?
En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?
Parthers, en Méders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotámië, en Judéa, en Cappadócië, Pontus en Azië;
10 En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libyë, hetwelk bij Cyréne ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten;
11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.
12 En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn?
13 En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.
Toespraak van Petrus op den Pinksterdag
14 Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan.
15 Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van den dag.
16 Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joël:
17 En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
18 En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
19 En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.
20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.
21 En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
22 Gij Israëlietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazaréner, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet;
23 Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
24 Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.
25 Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde.
26 Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;
27 Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien.
28 Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.
29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.
30 Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.
32 Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
33 Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.
34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand.
35 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
36 Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.
De eerste bekeerden
37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?
38 En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.
39 Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.
40 En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
41 Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.
42 En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
43 En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.
44 En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen;
45 En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had.
46 En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten;
47 En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.
 
 
θυγάτηρ

Transliteration

thygatēr

Pronunciation

thü-gä'-tār (Key)

Part of Speech

feminine noun

Root Word (Etymology)

Apparently a root word [cf "daughter"]

TDNT Reference

n/a

Vines

Outline of Biblical Usage

1) a daughter

a) a daughter of God

1) acceptable to God, rejoicing in God's peculiar care and protection

b) with the name of a place, city, or region

1) denotes collectively all its inhabitants and citizens

c) a female descendant

Authorized Version (KJV) Translation Count — Total: 29
AV — daughter 29

Strong's G5207 - huios
υἱός

Transliteration

huios

Pronunciation

hwē-o's (Key)

Part of Speech

masculine noun

Root Word (Etymology)

Apparently a primary word

TDNT Reference

Vines

Outline of Biblical Usage

1) a son

a) rarely used for the young of animals

b) generally used of the offspring of men

c) in a restricted sense, the male offspring (one born by a father and of a mother)

d) in a wider sense, a descendant, one of the posterity of any one,

1) the children of Israel

2) sons of Abraham

e)) used to describe one who depends on another or is his follower

1) a pupil

2) son of man

a) term describing man, carrying the connotation of weakness and mortality

b) son of man, symbolically denotes the fifth kingdom in Daniel 7:13 and by this term its humanity is indicated in contrast with the barbarity and ferocity of the four preceding kingdoms (the Babylonian, the Median and the Persian, the Macedonian, and the Roman) typified by the four beasts. In the book of Enoch (2nd Century) it is used of Christ.

c) used by Christ himself, doubtless in order that he might intimate his Messiahship and also that he might designate himself as the head of the human family, the man, the one who both furnished the pattern of the perfect man and acted on behalf of all mankind. Christ seems to have preferred this to the other Messianic titles, because by its lowliness it was least suited to foster the expectation of an earthly Messiah in royal splendour.

3) son of God

a) used to describe Adam (Lk. 3:38)

b) used to describe those who are born again (Lk. 20:36) and of angels and of Jesus Christ

c) of those whom God esteems as sons, whom he loves, protects and benefits above others

1) in the OT used of the Jews

2) in the NT of Christians

3) those whose character God, as a loving father, shapes by chastisements (Heb. 12:5-8)

d) those who revere God as their father, the pious worshippers of God, those who in character and life resemble God, those who are governed by the Spirit of God, repose the same calm and joyful trust in God which children do in their parents (Rom. 8:14, Gal. 3:26 ), and hereafter in the blessedness and glory of the life eternal will openly wear this dignity of the sons of God. Term used preeminently of Jesus Christ, as enjoying the supreme love of God, united to him in affectionate intimacy, privy to his saving councils, obedient to the Father's will in all his acts

Click for Synonyms

Authorized Version (KJV) Translation Count — Total: 382
AV — son 85, Son of Man + 444 87, Son of God + 2316 49, child(ren) 49, Son 42, his Son + 848 21, Son of David + 1138 15, my beloved Son + 27 + 3350 7, thy Son + 4575 5, only begotten Son + 3339 3, his (David's) son + 846 3, firstborn son + 4316 2, misc 14  


Strong's G5207 - huios
υἱός

Transliteratie

huios

Uitspraak

HWE-o's (Key)

Woordsoort

mannelijk zelfstandig naamwoord

Root Word (Etymologie)

Blijkbaar een primaire woord

TWNT Referentie

Vines

Overzicht van Bijbelse gebruik

1) een zoon

a) zelden gebruikt voor de jonge dieren

b) algemeen gebruikt van nakomelingen van mannen

c) in een beperkte zin, de mannelijke nakomelingen (een geboren door een vader en een moeder)

d) in bredere zin, een afstammeling, een van de nakomelingen van iemand,

1) de kinderen van Israël

2) zonen van Abraham

e) ) gebruikt voor iemand die afhankelijk is van een ander te beschrijven of is zijn volgeling

1) een leerling

2) zoon van de mens

a) term die man, die de connotatie van zwakheid en sterfelijkheid

b) zoon van de mens, symbolisch staat voor de vijfde koninkrijk in Daniël 7:13 en met deze term de mensheid wordt in tegenstelling tot de barbaarsheid en wreedheid van de vier voorafgaande koninkrijken (de Babylonische, de mediaan en de Perzische, de Macedonische en de Romeinse) getypeerd door de vier dieren. In het boek van Henoch (2e eeuw) het wordt gebruikt van Christus.

c) die door Christus zelf, ongetwijfeld opdat hij zou ook zijn Messiasschap intieme en opdat hij zich aan te wijzen als het hoofd van de menselijke familie, de man, degene die zowel gemeubileerd het patroon van de perfecte man en trad op namens de gehele mensheid. Christus lijkt te hebben de voorkeur dit aan de andere Messiaanse titels, want door zijn nederigheid werd minste geschikt voor de verwachting van een aardse Messias in koninklijke pracht te bevorderen.

3) zoon van God

a) wordt gebruikt om Adam (Lukas 3:38 beschrijven)

b) gebruikt om degenen die wedergeboren zijn (Lukas 20:36) en van de engelen en van Jezus Christus te beschrijven

c) van degenen die God waardeert als zonen, die hij liefheeft, beschermt en voordelen boven andere

1) in het OT gebruikt van de Joden

2) in het NT van de christenen

3) degenen wier karakter God, als een liefhebbende vader, vormen door kastijdingen (Hebr. 12:5-8)

d) zij die vereren God als hun vader, de vrome aanbidders van God, degenen die in karakter en het leven lijken op God, degenen die worden beheerst door de Geest van God, rust op dezelfde kalme en vreugdevolle vertrouwen op God, die kinderen doen in hun ouders (Romeinen 8:14, Gal. 3:26), en hierna in de zaligheid en de heerlijkheid van het eeuwige leven zal openlijk dragen dit waardigheid van de zonen van God. Term bij uitstek van Jezus Christus gebruikt, zoals genieten van de hoogste liefde van God, met Hem verenigd in aanhankelijk intimiteit, ingewijd in zijn besparen raden, gehoorzaam aan de wil van de Vader in al zijn daden

Klik voor Synoniemen

Authorized Version (KJV) Vertaling Count - Total: 382
AV - zoon 85, Mensenzoon + 444 87 Zoon van God + 2316 49, kind (eren) 49,Son 42, zijn Zoon + 848 21 Zoon van David + 1138 15 Mijn geliefde Zoon + 27 + 3350 7, Uw Zoon + 4.575 5, eniggeboren Zoon + 3339 3, zijn (Davids) zoon + 846 3, eerstgeboren zoon + 4316 2, misc 14

 

Strong's G2364 - thygatēr
θυγάτηρ

Transliteratie

thygatēr

Uitspraak

do-gä'-TAR (Key)

Woordsoort

vrouwelijk zelfstandig naamwoord

Root Word (Etymologie)

Blijkbaar een stamwoord [cf "dochter"]

TWNT Referentie

Vines

Overzicht van Bijbelse gebruik

1) een dochter

a) een dochter van God

1) aanvaardbaar voor God, vreugde in bijzondere Gods zorg en bescherming

b) met de naam van een plaats, stad of regio

1) geeft samen al haar inwoners en burgers

c) een vrouwelijke nakomeling

Authorized Version (KJV) Vertaling Count - Total: 29
AV - dochter 29

 

Handelingen 2

Uitstorting van den Heiligen Geest
En als de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.
En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.
En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen.
En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.
En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn.
En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.
En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galiléërs?
En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?
Parthers, en Méders, en Elamieten, en die inwoners zijn van Mesopotámië, en Judéa, en Cappadócië, Pontus en Azië;
10 En Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de delen van Libyë, hetwelk bij Cyréne ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten;
11 Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.
12 En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn?
13 En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.
Toespraak van Petrus op den Pinksterdag
14 Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan.
15 Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van den dag.
16 Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joël:
17 En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
18 En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
19 En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.
20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.
21 En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.
22 Gij Israëlietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazaréner, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet;
23 Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;
24 Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.
25 Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen worde.
26 Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;
27 Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien.
28 Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.
29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.
30 Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;
31 Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.
32 Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.
33 Hij dan, door de rechterhand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.
34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand.
35 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
36 Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israëls, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.
De eerste bekeerden
37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?
38 En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.
39 Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.
40 En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
41 Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.
42 En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.
43 En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.
44 En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen;
45 En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had.
46 En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten;
47 En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.


Lukas 23

Jezus voor Pilatus
En de gehele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus.
En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.
En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het.
En Pilatus zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen Mens.
En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judéa, begonnen hebbende van Galiléa tot hier toe.
Als nu Pilatus van Galiléa hoorde, vraagde hij, of die Mens een Galileeër was;
En verstaande, dat Hij uit het gebied van Heródes was, zond hij Hem heen tot Heródes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.
Jezus voor Heródes
En als Heródes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.
En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.
10 En de overpriesters en de schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftiglijk.
11 En Heródes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.
12 En op denzelfde dag werden Pilatus en Heródes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap de een tegen den anderen.
Bar-abbas losgelaten
13 En als Pilatus de overpriesters, en de oversten, en het volk bijeengeroepen had, zeide hij tot hen:
14 Gij hebt dezen Mens tot mij gebracht, als een, die het volk afkerig maakt; en ziet, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen Mens geen schuld gevonden, van hetgeen daar gij Hem mede beschuldigt;
15 Ja, ook Heródes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden, en ziet, er is van Hem niets gedaan, dat des doods waardig is.
16 Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.
17 En hij moest hun op het feest een loslaten.
18 Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Dezen, en laat ons Bar-abbas los.
19 Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen.
20 Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten.
21 Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem!
22 En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.
23 Maar zij hielden aan met groot geroep, eisende, dat Hij zou gekruist worden; en hun en der overpriesteren geroep werd geweldiger.
24 En Pilatus oordeelde, dat hun eis geschieden zou.
25 En hij liet hun los dengene, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geëist hadden; maar Jezus gaf hij over tot hun wil.
Jezus op weg naar Golgotha
26 En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyréne, komende van den akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.
27 En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden.
28 En Jezus, Zich tot haar kerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uw kinderen.
29 Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben.
30 Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons.
31 Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?
32 En er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid, om met Hem gedood te worden.
De kruisiging
33 En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter-, en den ander ter linkerzijde.
34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.
35 En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.
36 En ook de krijgsknechten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten Hem edik;
37 En zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zo verlos Uzelven.
38 En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse, en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING DER JODEN.
39 En een der kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons.
40 Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?
41 En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
42 En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.
43 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.
Jezus' dood
44 En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
45 En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde middendoor.
46 En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest.
47 Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.
48 En al de scharen, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen, die geschied waren, keerden wederom, slaande op hun borsten.
De begrafenis
49 En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die Hem te zamen gevolgd waren van Galiléa, en zagen dit aan.
50 En zie, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en rechtvaardig man,
51 (Deze had niet mede bewilligd in hun raad en handel) van Arimathéa, een stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte;
52 Deze ging tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus.
53 En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was.
54 En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan.
55 En ook de vrouwen, die met Hem gekomen waren uit Galiléa, volgden na en aanschouwden het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd.
56 En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op den sabbat rustten zij naar het gebod.
 

Openbaring 20

De satan voor duizend jaren gebonden
En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een grote keten in zijn hand;
En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren;
En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.
De eerste opstanding
En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.
Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.
Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.

Daniël 4

15 Dit is de droom die ik, koning Nebukadnessar, heb gehad. En u, Beltesassar, moet hem voor mij duiden, want geen van de wijzen uit mijn koninkrijk heeft hem kunnen uitleggen. U kunt het, omdat de geest van de heilige goden in u woont.’
16 Daniël, die ook Beltesassar wordt genoemd, stond een ogenblik verbijsterd, in verwarring gebracht door zijn gedachten. De koning sprak hem toe: ‘Beltesassar, laten de droom en zijn betekenis u niet in verwarring brengen.’ Beltesassar antwoordde: ‘Mijn heer, moge de droom uw vijanden gelden en zijn betekenis uw tegenstanders
17 De boom die u hebt gezien, die groter en sterker werd, waarvan de kruin tot aan de hemel reikte en de kroon de hele aarde overspande,
18 waarvan de bladeren prachtig waren en de vruchten overvloedig, die voedsel bood aan allen, waaronder de dieren van het veld beschutting zochten en die takken had waarin de vogels van de hemel nestelden – 
19 dat bent u, majesteit! U bent machtig en sterk geworden, uw grootheid is zo toegenomen dat ze tot aan de hemel reikt, en uw heerschappij omspant de hele aarde. 
20 De wachter of heilige engel die de koning uit de hemel heeft zien neerdalen en die uitriep: “Vel de boom en vernietig hem, maar laat zijn stronk in de aarde staan, in het jonge groen van het veld, aan een ketting van ijzer en brons, laat hem vochtig worden van de dauw van de hemel en zijn lot delen met de dieren van het veld, totdat er zeven jaren voorbij zijn gegaan” –
 21-22 dat alles, majesteit, is het vonnis dat de hoogste God over mijn heer en koning heeft geveld. Het betekent dat u zult worden verstoten door de mensen en zult leven onder de dieren van het veld. U zult gras eten als de runderen en vochtig worden van de dauw van de hemel. Zeven jaren zullen zo voorbijgaan, totdat u erkent dat de hoogste God boven het koningschap van de mensen staat en dat hij bepaalt aan wie hij het verleent.
 22 [21–22] 23 Dat de stronk van de boom mocht blijven staan, betekent dat uw koningschap bestendig zal zijn vanaf het moment dat u de macht van de hemel erkent.
24 Daarom, majesteit, laat mijn raad u welgevallig zijn: doe uw zonden teniet door vrijgevig te zijn en maak uw onrechtvaardigheid goed door u te ontfermen over de armen – misschien dat uw welzijn dan mag voortduren.’
25 Dit alles overkwam koning Nebukadnessar. 
26 Twaalf maanden later, toen de koning op het dak van het koninklijk paleis van Babel liep te wandelen, 
27 zei hij: ‘Is Babel niet indrukwekkend, de koningsstad die ik door mijn grote macht heb gebouwd tot eer van mijn majesteit?’ 
28 De koning had deze woorden nog niet gesproken, of er klonk een stem uit de hemel: ‘Dit wordt u aangekondigd, koning Nebukadnessar: Het koningschap is u ontnomen.
 29 U wordt verstoten door de mensen; u zult leven onder de dieren van het veld en u zult gras eten als de runderen. Zo zullen zeven jaren voorbijgaan, totdat u erkent dat de hoogste God boven het koningschap van de mensen staat en dat hij bepaalt aan wie hij het verleent.’
 30 En op hetzelfde ogenblik werd het vonnis over Nebukadnessar voltrokken. Hij werd door de mensen verstoten, hij at gras als de runderen, zijn lichaam werd vochtig van de dauw van de hemel, en ten slotte was zijn haar even lang als de veren van een arend en waren zijn nagels uitgegroeid als de klauwen van een vogel.
31 Maar toen de zeven jaren verstreken waren, sloeg ik, Nebukadnessar, mijn ogen naar de hemel op en keerde mijn verstand in mij terug. Ik prees de hoogste God, ik roemde en verheerlijkte de eeuwig Levende: zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij en zijn koningschap duurt van generatie tot generatie voort. 
32 De mensen op aarde zijn slechts nietige wezens; hij doet met de hemelse machten en met de mensen op aarde wat hij wil. Er is niemand die hem kan tegenhouden of tegen hem kan zeggen: ‘Wat hebt u gedaan?’ 
33 Op hetzelfde moment dat ik mijn verstand terugkreeg herwon ik, tot eer van mijn koningschap, ook mijn majesteit en luister. Mijn raadsheren en machthebbers zochten mij weer op, mijn koningschap werd in ere hersteld en mijn macht nam zelfs nog toe. 
34 Ik, Nebukadnessar, roem, verhef en verheerlijk nu de koning van de hemel. Al zijn daden zijn juist en zijn paden recht. Wie hoogmoedig zijn, kan hij vernederen.

Openbaring 22

Hij liet me een rivier zien met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het lam.
De stroom van levend water
En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams.
In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom, die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht. De bladeren van de boom brachten de volken genezing.
In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.
Er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust. De troon van God en van het lam zal daar in de stad staan. Zijn dienaren zullen hem vereren
En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen;
en hem met eigen ogen zien, en zijn naam staat op hun voorhoofd.
En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.
Het zal er geen nacht meer zijn en het licht van een lamp of het licht van de zon hebben ze niet nodig, want God, de Heer, zal hun licht zijn. En zij zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid.
En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.
 
Toen zei hij tegen mij: ‘Wat gezegd is, is betrouwbaar en waar. De Heer, de God die profeten bezielt, heeft zijn engel gestuurd om aan zijn dienaren te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet.’
Waarschuwingen en beloften
En hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere, de God der heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden, om Zijn dienstknechten te tonen, hetgeen haast moet geschieden.
Ik kom spoedig!’ Gelukkig is wie zich houdt aan de profetie van dit boek.
Ziet, Ik kom haastelijk; zalig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart.
Ik, Johannes, was het die deze dingen hoorde en zag. En toen ik alles gehoord en gezien had, wierp ik me neer aan de voeten van de engel die me deze dingen liet zien, om hem te aanbidden.
En ik, Johannes, ben degene, die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ikneder om aan te bidden voor de voeten des engels, die mij deze dingen toonde.
Maar hij zei: ‘Doe dat niet! Ik ben een dienaar zoals jij en je medeprofeten, en zoals degenen die zich houden aan wat er in dit boek staat. Je moet God aanbidden.’
En hij zeide tot mij: Zie, dat gij het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, der profeten, en dergenen, die de woorden dezes boeks bewaren; aanbid God.
10 Verder zei hij tegen me: ‘Houd de profetie van dit boek niet geheim, want de tijd is nabij.
10 En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij.
11 Wie onheil aanricht zal nog meer onheil aanrichten, en wie onrein is zal nog onreiner worden. Wie goeddoet zal nog meer goeddoen, en wie heilig is zal nog heiliger worden.’
11 Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde.
12 ‘Ik kom spoedig, en heb het loon bij me om iedereen te belonen naar zijn daden.
12 En zie, Ik kom haastiglijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.
13 Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde.’
13 Ik ben de Alfa, en de Oméga, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste.
14 Gelukkig zijn zij die hun kleren wassen: zij kunnen over de levensboom beschikken en zullen de stad door de poorten binnengaan.
14 Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.
15 Buiten is de plaats voor de honden die zich bezighouden met toverij en ontucht, met moord en afgodendienst, voor iedereen die de leugen koestert en ernaar handelt.
15 Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een iegelijk, die de leugen liefheeft, en doet.
16 ‘Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten. Ik ben de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster.’
16 Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.
17 De Geest en de bruid zeggen: ‘Kom!’ Laat wie luistert zeggen: ‘Kom!’ Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven geeft.
17 En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.
 18 Ik verklaar tegenover eenieder die de profetie van dit boek hoort: als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn;
18 Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn.
19 en als iemand iets afneemt van wat in het boek van deze profetie staat, zal God hem zijn deel afnemen van de levensboom en van de heilige stad, zoals die in dit boek beschreven zijn.
19 En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.
20 Hij die van deze dingen getuigt, zegt: ‘Ja, ik kom spoedig!’
Amen. Kom, Heer Jezus!
20 Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus!
21 De genade van onze Heer Jezus zij met u allen.
21 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.


In a meeting in 1990 with Rabbi Menachem Mendel Schneerson, the Rebbe of Lubavitch, many words of blessing were spoken to (Rabbi)Kaduri. Among the words spoken by the Lubavitcher Rebbe was the blessing that Kaduri would not pass from this world until he met the Messiah. This came to pass in a mystical vision on 9 Cheshvan 5764 (4 November 2003) when Kaduri spoke with the Messiah; during this encounter, the Messiah revealed His name to Kaduri. Kaduri later noted to his disciples that the revealed name of the Messiah was hidden among his writings.

Kaduri's disciples came across a note written by Kaduri in which was encrypted the name of the Messiah. This note contained instructions saying that it was not to be opened until a year after Kaduri's passing. After a year passed, Kaduri's disciples opened the note and discovered the name the Messiah revealed to Kaduri: 
Yehoshua (the Hebrew form of the Aramaic Yeshua). Here is an English translation of the note done by an Orthodox Rabbi:

Regarding the acronym of Moshiach. The masses will themselves arise and verify that his words and his teachings can stand. With my signature in the Month of Mercy (Elul - Edit.) 5765, Yitzchak Kaduri.

The initial Hebrew letters of the phrase "The masses will themselves arise and verify that his words and his teachings can stand" spell out 
Yehoshua, Yeshua, or Jesus in English.

 

Markus 9

En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk Gods met kracht gekomen is.
De verheerlijking
En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hogen berg bezijden alleen; en Hij werd voor hen van gedaante veranderd.
En Zijn klederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw, hoedanige geen voller op aarde zo wit maken kan.
En van hen werd gezien Elías met Mozes, en zij spraken met Jezus.
En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elías een.
Want hij wist niet, wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd.
En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem!
En haastelijk rondom ziende, zagen zij niemand meer, dan Jezus alleen bij zich.
En als zij van den berg afkwamen, gebood Hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, hetgeen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des mensen uit de doden zou opgestaan zijn.
10 En zij behielden dit woord bij zichzelven, vragende onder elkander, wat het was, uit de doden opstaan.
11 En zij vraagden Hem, zeggende: Waarom zeggen de schriftgeleerden, dat Elías eerst komen moet?
12 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Elías zal wel eerst komen, en alles wederoprichten; en het zal geschieden, gelijk geschreven is van den Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden.
13 Maar Ik zeg u, dat ook Elías gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, gelijk van hem geschreven is.


Openbaring 20

De satan voor duizend jaren gebonden
En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een grote keten in zijn hand;
En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren;
En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.
De eerste opstanding
En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.
Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.
Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.

1 Korinthe 15

De opstanding der doden
Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat;
Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.
Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;
En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;
En dat Hij is van Céfas gezien, daarna van de twaalven.
Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welken het merendeel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen.
Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen.
En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.
Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb.
10 Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.
11 Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzo prediken wij, en alzo hebt gij geloofd.
12 Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is?
13 En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt.
14 En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.
15 En zo worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden.
16 Want indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt.
17 En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden.
18 Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.
19 Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.
20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.
21 Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens.
22 Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.
23 Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.
24 Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.
25 Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.
26 De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.
27 Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft.
28 En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.
29 Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden ganselijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt?
30 Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar?
31 Ik sterf alle dagen, hetwelk ik betuig bij onzen roem, dien ik heb in Christus Jezus, onzen Heere.
32 Zo ik, naar den mens, tegen de beesten gevochten heb te Éfeze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.
33 Dwaalt niet. Kwade samensprekingen verderven goede zeden.
34 Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.
35 Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?
36 Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is;
37 En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig der andere granen.
38 Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam.
39 Alle vlees is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees der mensen, en een ander is het vlees der beesten, en een ander der vissen, en een ander der vogelen.
40 En er zijn hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse.
41 Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.
42 Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;
43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.
44 Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.
45 Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.
46 Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.
47 De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den Hemel.
48 Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de Hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen.
49 En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des Hemelsen dragen.
50 Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.
51 Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;
52 In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.
53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.
54 En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.
55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?
56 De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet.
57 Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.
58 Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.

 


Zalig


Jes 25:9 
En men zal te dien dage zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.
Mat 1:21 
En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS (Yeshua); want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
Mat 5:3 
Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Mat 5,4 
Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.
Mat 5,5 
Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.
Mat 5,6 
Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.
Mat 5:7 
Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.
Mat 5:8 
Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.
Mat 5:9 
Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
Mat 5:10 
Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.
Mat 5:11 
Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.
Mat 10:22 
En gij zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.
Mat 11:6 
En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Mat 13:16 
Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.
Mat 16:17 
En Jezus (Yeshua), antwoordende, zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.
Mat 18:11 
Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.
Mat 19:25 
Zijn discipelen nu, dit horende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden?
Mat 24:13 
Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Mat 24:46 
Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.
Mar 1:26 
En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?
Mar 13:13 
En gij zult gehaat worden van allen, om Mijns Naams wil; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Mar 16:16 
Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.
Luk 1:45 
En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.
Luk 1:48 
Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.
Luk 6:20 
En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.
Luk 6:21 
Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.
Luk 6:22 
Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil.
Luk 7,23 
En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden.
Luk 8,12 
En die bij den weg bezaaid worden, zijn dezen, die horen; daarna komt de duivel, en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven, en zalig worden.
Luk 10:23 
En Zich kerende naar de discipelen, zeide Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen, die zien, hetgeen gij ziet.
Luk 11:27 
En het geschiedde, als Hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw, de stem verheffende uit de schare, tot Hem zeide: Zalig is de buik, die U gedragen heeft, en de borsten, die Gij hebt gezogen.
Luk 11,28 
Maar Hij zeide: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen, en hetzelve bewaren.
Luk 12:37 
Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer, als hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende, zal hij hen dienen.
Luk 12:38 
En zo hij komt in de tweede nachtwake, en komt in de derde wake, en vindt hen alzo, zalig zijn dezelve dienstknechten.
Luk 12:43 
Zalig is de dienstknecht, welken zijn heer, als hij komt, zal vinden, alzo doende.
Luk 13:23 
En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zeide tot hen:
Luk 14:14 
En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.
Luk 14:15 
En als een van degenen, die mede aanzaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods.
Luk 18:26 
En die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden?
Luk 19:10 
Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.
Luk 23:29 
Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben.
Joh 12:47 
En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make.
Joh 13:17 
Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij dezelve doet.
Joh 20:29 
Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.
Hand 2:21 
En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren (YHWH) zal aanroepen, zalig zal worden.
Hand 2:47 
En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.
Hand 4:12 
En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.
Hand 11:14 
Die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult zalig worden, en al uw huis.
Hand 15:1 
En sommigen, die afgekomen waren van Judéa, leerden de broederen, zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.
Hand 15:11 
Maar wij geloven, door de genade van den Heere Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.
Hand 16:30 
En hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?
Hand 16:31 
En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus (Yeshua Hamasiach), en gij zult zalig worden, gij en uw huis.
Rom 4:6 
Gelijk ook David den mens zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken;
Rom 4:7 
Zeggende: Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn;
Rom 4:8 
Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent.
Rom 8:24 
Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?
Rom 10:9 
Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.
Rom 10:13 
Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.
Rom 11:26 
En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.
Rom 14:22 
Hebt gij geloof? hebt dat bij uzelven voor God. Zalig is hij, die zichzelven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt.
1 Kor 1:21 
Want nademaal, in de wijsheid Gods, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig te maken, die geloven;
1 Kor 7:16 
Want wat weet gij, vrouw, of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij, man, of gij de vrouw zult zalig maken?
1 Kor 15:2 
Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.
2 Kor 2:15 
Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan;
Ef 2:5 
Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden)
Ef 2:8 
Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;
1 Thess 2:16 
En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij te allen tijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.
2 Thess 2:10 
En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden.
1 Tim 1:15 
Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.
1 Tim 2:4 
Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen.
1 Tim 2:15 
Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid.
2 Tim 1:9 
Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, vóór de tijden der eeuwen;
Tit 3:5 
Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes;
Heb 7:25 
Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.
Jak 1:12 
Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben.


Deut 4,30 
Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot den HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.
Deut 31,29 
Want ik weet, dat gij het na mijn dood zekerlijk zult verderven, en afwijken van den weg, dien ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in het laatste der dagen ontmoeten, wanneer gij zult gedaan hebben, dat kwaad is in de ogen des HEEREN, om Hem door het werk uwer handen tot toorn te verwekken.
Jes 2,2 
En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien.
Jer 23,20 
Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten.
Jer 30,24 
De hittigheid van des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan, en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij daarop letten.
Jer 48,47 
Maar in het laatste der dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt de HEERE. Tot hiertoe is Moabs oordeel.
Jer 49,39 
Maar het zal geschieden in het laatste der dagen, dat Ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt de HEERE.
Ez 38,8 
Na vele dagen zult gij bezocht worden;  in het laatste der jaren zult gij komen in het land, dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als hetzelve land uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij altemaal zeker zullen wonen.
Ez 38,16 
En gij zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken;  in het laatste der dagen zal het geschieden; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden.
Dan 2,28 
Maar er is een God in den hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft den koning Nebukadnézar bekend gemaakt, wat er geschieden zal  in het laatste der dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze:
Hos 3,5 
Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.
Mi 4,1 
Maar in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.
2 Petr 3,3 
Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen,

   1 Thessalonicenzen 5

Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.
Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;

2 Petrus 3

10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.
11 Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid!
12 Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten.
13 Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.

Jesaja 2

Toekomstige heerlijkheid van Jeruzalem
Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien.
En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.
En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.
Komt, gij huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht des HEEREN.
Het gericht over het afgodische Israël
Maar Gij hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen der vreemden tonen zij hun behagen.
En hun land is vervuld met zilver en goud, en hunner schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en hunner wagenen is geen einde.
Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgeen hun vingeren gemaakt hebben.
Daar bukt zich de gemene man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult Gij het hun niet vergeven.
10 Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid Zijner majesteit.
11 De hoge ogen der mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn.
12 Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;
13 En tegen alle hoge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan;
14 En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen;
15 En tegen allen hogen toren, en tegen allen vasten muur;
16 En tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle gewenste schilderijen.
17 En de hoogheid der mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn.
18 En elkeen der afgoden zal ganselijk vergaan.
19 Dan zullen zij in de spelonken der rotsstenen gaan, en in de holen der aarde, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken.
20 In dien dag zal de mens zijn zilveren afgoden, en zijn gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden, om zichdaarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vledermuizen;
21 Gaande in de reten der rotsen, en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.
22 Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?

Jesaja 13

De ondergang van Babel
De last van Babel, dien Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
Heft op een banier, op een hogen berg; verheft een stem tot hen; beweegt de hand omhoog, dat zij intrekken door de deuren der prinsen.
Ik heb aan Mijn geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot Mijn toorn geroepen Mijn helden, de vrolijken Mijner hoogheid.
Er is een ruisende stem op de bergen, gelijk eens groten volks; een stem van gedruis der koninkrijken, der verzamelde heidenen; de HEERE der heirscharen monstert het krijgsheir.
Zij komen uit verren lande, van het einde des hemels; de HEERE en de instrumenten Zijner gramschap, om dat ganse land te verderven.
Huilt gijlieden, want de dag des HEEREN is nabij; hij komt als een verwoesting van den Almachtige.
Daarom zullen alle handen slap worden, en aller mensen hart zal versmelten;
En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw; een iegelijk zal over zijn naaste verbaasd zijn; hun aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn.
Ziet, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en deszelfs zondaars daaruit te verdelgen;
10 Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen.
11 Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken, en over de goddelozen hun ongerechtigheid; en Ik zal den hoogmoed der stouten doen ophouden, en de hovaardij der tirannen zal Ik vernederen.
12 Ik zal maken, dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mens dan fijn goud van Ofir.
13 Daarom zal Ik den hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, en vanwege den dag Zijns hittigen toorns.
14 En een iegelijk zal zijn als een verjaagde ree, en als een schaap, dat niemand vergadert; een iegelijk zal naar zijn volk omzien, en een iegelijk zal naar zijn land vluchten.
15 Al wie gevonden wordt, zal doorstoken worden, en al wie daarbij gevoegd is, zal door het zwaard vallen.
16 Ook zullen hun kinderkens voor hun ogen verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen geschonden worden.
17 Ziet, Ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver niet zullen achten, en aan het goud zullen zij geen lust hebben.
18 Maar hun bogen zullen de jongelingen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht des buiks; hun oog zal de kinderen niet verschonen.
19 Alzo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid der Chaldeeën, zijn gelijk als God Sódom en Gomórra omgekeerd heeft.
20 Daar zal geen woonplaats zijn in der eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en de Arabier zal daar geen tent spannen, en de herders zullen er niet legeren.
21 Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen.
22 En wilde dieren der eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkander toeroepen, mitsgaders de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden.

Ezechiël 30

Nog twee profetieën tegen Egypte en Faraö
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Mensenkind! profeteer, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Huilt: Ach die dag!
Want de dag is nabij, ja, de dag des HEEREN is nabij, een wolkige dag, het zal der heidenen tijd zijn.
En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen derzelver menigte wegnemen, en haar fondamenten zullen verbroken worden.
Morenland, en Put, en Lud, en al de gemengde hoop, en Cub, en de kinderen van het land des verbonds zullen met hen vallen door het zwaard.
Zo zegt de HEERE: Ja, zij zullen vallen, die Egypte ondersteunen, en de hovaardij harer sterkte zal nederdalen; van den toren van Syene af zullen zij daarin door het zwaard vallen, spreekt de Heere HEERE.
En zij zullen verwoest worden in het midden der verwoeste landen; en haar steden zullen zijn in het midden der verwoeste steden.
En zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik een vuur in Egypte zal hebben gelegd, en al haar helpers zullen verbroken worden.
Te dien dage zullen er boden van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren, om het zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart bij hen zijn, als in den dag van Egypte; want ziet, het komt aan!
10 Zo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden, door de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel.
11 Hij, en zijn volk met hem, de tirannigste der heidenen zullen aangevoerd worden, om het land te verderven; en zij zullen hun zwaarden tegen Egypte uittrekken, en het land met verslagenen vervullen.
12 En Ik zal de rivieren tot droogte maken, en het land verkopen in de hand der bozen; en Ik zal het land met zijn volheid verwoesten door de hand der vreemden: Ik, de HEERE, heb het gesproken.
13 Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook de drekgoden verdoen, en de nietige afgoden doen ophouden uit Nof; en er zal geen vorst meer zijn uit Egypteland; en Ik zal een vreze in Egypteland stellen.
14 En Ik zal Pathros verwoesten, en een vuur leggen in Zoan; en Ik zal gerichten oefenen in No.
15 En Ik zal Mijn grimmigheid uitgieten over Sin, de sterkte van Egypte; en Ik zal de menigte van No uitroeien.
16 En Ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal zeer grote pijn hebben, en No zal gespleten worden, en Nof zal dagelijks zeer bang zijn.
17 De jongelingen van Aven en Pibeseth zullen door het zwaard vallen, en de dochters zullen gaan in de gevangenis.
18 En te Tachpánhes zal de dag verduisterd worden, als Ik het juk van Egypte aldaar zal verbreken, en de hovaardij harer sterkte in haar zal ophouden; haar zal een wolk bedekken, en haar dochters zullen gaan in de gevangenis.
19 Alzo zal Ik gerichten oefenen in Egypte; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
20 Ook gebeurde het in het elfde jaar, in de eerste maand, op den zevenden der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
21 Mensenkind! Ik heb den arm van Faraö, den koning van Egypte, verbroken; en ziet, hij zal niet verbonden worden, met pleisters op te leggen, met een windeldoek aan te doen, om dien te verbinden, om dien te sterken, dat hij het zwaard houde.
22 Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Ik wil aan Faraö, den koning van Egypte, en zal zijn armen verbreken, beide den sterken en den verbrokenen; en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen.
23 En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen.
24 En Ik zal de armen des konings van Babel sterken, en Mijn zwaard in zijn hand geven; maar Faraö’s armen zal Ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen, gelijk een dodelijk verwonde kermt.
25 Ja, Ik zal de armen des konings van Babel sterken, maar Faraö’s armen zullen daarhenen vallen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn zwaard in de hand des konings van Babel zal hebben gegeven, en hij datzelve over Egypteland zal hebben uitgestrekt.
26 En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen; alzo zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben.

Joël 1

DE PROFEET JOËL
De sprinkhanenplaag en de droogte
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Joël, den zoon van Pethuël:
Hoort dit, gij oudsten! en neemt ter oren, alle inwoners des lands! Is dit geschied in uw dagen, of ook in de dagen uwer vaderen?
Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht.
Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.
Waakt op, gij dronkenen! en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om den nieuwen wijn, dewijl hij van uw mond is afgesneden.
Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws.
Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden.
Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd.
Spijsoffer en drankoffer is van het huis des HEEREN afgesneden; de priesters, des HEEREN dienaars, treuren.
10 Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw.
11 De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst des velds is vergaan.
12 De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en de appelboom; alle bomen des velds zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen.
13 Omgordt u, en rouwklaagt, gij priesters! huilt, gij dienaars des altaars! gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods.
14 Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners dezes lands, ten huize des HEEREN, uws Gods, en roept tot den HEERE.
15 Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en zal als een verwoesting komen van den Almachtige.
16 Is niet de spijze voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het huis onzes Gods?
17 De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.
18 O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.
19 Tot U, o HEERE! roep ik; want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen des velds aangestoken.
20 Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.

Joël 2

De dag des HEEREN komt
Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op den berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners des lands beroerd zijn, want de dag des HEEREN komt, want hij is nabij.
Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, desgelijks van ouds niet geweest is, en na hetzelve niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.
Voor hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt een vlam; het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve.
De gedaante deszelven is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen.
Zij zullen daarhenen springen als een gedruis van wagenen, op de hoogten der bergen; als het gedruis ener vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, dat in slagorde gesteld is.
Van deszelfs aangezicht zullen de volken in pijn zijn; alle aangezichten zullen betrekken als een pot.
Als helden zullen zij lopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarhenen trekken, een iegelijk in zijn wegen, en zullen hun paden niet verdraaien.
Ook zullen zij de een den ander niet dringen; zij zullen daarhenen trekken elk in zijn baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden.
Zij zullen in de stad omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensteren inkomen als een dief.
10 De aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in.
11 En de HEERE verheft Zijn stem voor Zijn heir henen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want de dag des HEEREN is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen?
12 Nu dan ook, spreekt de HEERE, bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.
13 En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE, uw God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.
14 Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor den HEERE, uw God.
15 Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit.
16 Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens, en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer.
17 Laat de priesters, des HEEREN dienaars, wenen tussen het voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o HEERE! en geef Uw erfenis niet over tot een smaadheid, dat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hunlieder God?
Belofte van overvloed
18 Zo zal de HEERE ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk verschonen.
19 En de HEERE zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Ziet, Ik zend ulieden het koren, en den most, en de olie, dat gij daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot een smaadheid onder de heidenen.
20 En Ik zal dien van het noorden verre van ulieden doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan.
21 Vrees niet, o land! verheug u, en wees blijde; want de HEERE heeft grote dingen gedaan.
22 Vreest niet, gij beesten des velds! want de weiden der woestijn zullen weder jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven.
23 En gij, kinderen van Sion! verheugt u en zijt blijde in den HEERE, uw God; want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in de eerste maand.
24 En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen.
25 Alzo zal Ik ulieden de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn groot heir, dat Ik onder u gezonden heb.
26 En gij zult overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den Naam des HEEREN, uw Gods, Die wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid.
27 En gij zult weten, dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik de HEERE, uw God, ben, en niemand meer; en Mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid.
Belofte van den Geest
28 En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien;
29 Ja, ook over de dienstknechten, en over de dienstmaagden, zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten.
30 En Ik zal wondertekenen geven in den hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren.
31 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt.
32 En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen.

Joël 3

Profetie van Gods strafgericht over de vijanden Zijner Kerk
Want ziet, in die dagen en te dier tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden;
Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Jósafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;
En hebben het lot over Mijn volk geworpen en een knechtje gegeven om een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.
En ook, wat hebt gij met Mij te doen, gij Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zoudt gij Mij een vergelding wedergeven? Maar zo gij Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastelijk, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen.
Omdat gij Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, en hebt Mijn beste kleinodiën in uw tempels gebracht.
En gij hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen der Grieken, opdat gij hen verre van hun landpale mocht brengen.
Ziet, Ik zal ze opwekken uit de plaats, waarhenen gij ze hebt verkocht; en Ik zal uw vergelding wederbrengen op uw hoofd.
En Ik zal uw zonen en uw dochteren verkopen in de hand der kinderen van Juda, die ze verkopen zullen aan die van Scheba, aan een vergelegen volk; want de HEERE heeft het gesproken.
Roept dit uit onder de heidenen, heiligt een krijg; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden.
10 Slaat uw spaden tot zwaarden, en uw sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held.
11 Rot te hoop, en komt aan, alle gij volken van rondom, en vergadert u! (O HEERE, doe Uw helden derwaarts nederdalen!)
12 De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Jósafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.
13 Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt henen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot.
14 Menigten, menigten in het dal des dorswagens; want de dag des HEEREN is nabij, in het dal des dorswagens.
15 De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.
16 En de HEERE zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar de HEERE zal de Toevlucht Zijns volks, en de Sterkte der kinderen Israëls zijn.
17 En gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE, uw God ben, wonende op Sion, den berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan.
Beloofde zegen voor het volk Gods
18 En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des HEEREN uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren.
19 Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in welker land zij onschuldig bloed vergoten hebben.
20 Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht.
21 En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de HEERE zal wonen op Sion.

Amos 5

18 
Wee dien, die des HEEREN dag begeren! Waartoe toch zal ulieden de dag des HEEREN zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht.

Zacharía 9

Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.

1 Thessalonicenzen 4

Over de wederkomst van Christus
13 Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.
14 Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem.
15 Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn.
16 Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;
17 Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.
18 Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.
 

1 Thessalonicenzen 5

Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.
Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in den nacht.
Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;
Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.
Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.
Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.
Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;
Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.
Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus;
10 Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden.
11 Daarom vermaant elkander, en sticht de een den anderen, gelijk gij ook doet.

 Matthéüs 24

Verwoesting van Jeruzalem voorzegd; begin der smarten
En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen.
En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.
En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?
En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.
Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.
En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.
Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentiën, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.
Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten.
Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.
10 En dan zullen er velen geërgerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.
11 En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden.
12 En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.
13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
14 En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.
De grote verdrukking
15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)
16 Dat alsdan, die in Judéa zijn, vlieden op de bergen;
17 Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen;
18 En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen.
19 Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen!
20 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat.
21 Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.
22 En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.
23 Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet.
24 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.
25 Ziet, Ik heb het u voorzegd!
26 Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet.
27 Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.
28 Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.
De komst van Christus
29 En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
30 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.
31 En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.
32 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.
33 Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.
34 Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
Vermaning tot waakzaamheid
36 Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.
37 En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.
38 Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;
39 En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.
40 Alsdan, zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.
41 Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.
42 Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.
43 Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.
44 Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
Gelijkenis van de twee dienstknechten
45 Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd?
46 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.
47 Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.
48 Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen;
49 En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards;
50 Zo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet;
51 En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.

 Vrederijk van Yeshua de Messias

Jesaja 11

De Messias en Zijn vrederijk
Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.
En op Hem zal de Geest des HEEREN (YHVH) rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN (YHVH).
En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN (YHVH); en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen.
Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met den adem Zijner lippen zal Hij den goddeloze doden.
Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn.
En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven.
De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os.
En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in den kuil van den basilisk.
Men zal nergens leed doen noch verderven op den gansen berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
Herstel van Gods volk
10 Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.
11 Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sínear, en van Hamath, en van de eilanden der zee.
12 En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks.
13 En de nijd van Efraïm zal wegwijken, en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen.
14 Maar zij zullen den Filistijnen op den schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen te zamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn.
15 Ook zal de HEERE den inham der zee van Egypte verbannen, en Hij zal Zijn hand bewegen tegen de rivier, door de sterkte Zijns winds; en Hij zal dezelve slaan in de zeven stromen, en Hij zal maken, dat men met schoenen daardoor zal gaan. (Net als bij Mozes door de rode zee; exodus:14)
16 En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assurgelijk als Israël geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optoog.

Psalmen 122

De heerlijkheid van Jeruzalem
Een lied Hammaälôth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN (YHVH) gaan.
Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!
Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;
Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN (YHVH)tot de getuigenis Israëls, om den Naam desHEEREN (YHVH) te danken.
Want dáár zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.
Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.
Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.
Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!
Om des huizes des HEEREN (YHVH), onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.


Galaten 5

Een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg.

Daniël 4

Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht.


Daniël 7

14 En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.
18 Maar de heiligen der hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.
27 Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder den gansen hemel, zal gegeven worden den volke der heiligen der hoge plaatsen, welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen.

Psalmen 149

Vermaning tot dankzegging
Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de Gemeente Zijner gunstgenoten.
Dat Israël zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.
Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp.
Want de HEERE heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil.
Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om die eer; dat zij juichen op hun legers.
De verheffingen Gods zullen in hun keel zijn; en een tweesnijdend zwaard in hun hand;
Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken;
Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;
Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah!


Openbaring 20

De satan voor duizend jaren gebonden
En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een grote keten in zijn hand;
En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren;
En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.
De eerste opstanding
En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun handen zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.
Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.
Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.
De satan geheel overwonnen
En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satanas uit zijn gevangenis ontbonden worden.
En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee.
En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden.
10 En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.
Het laatste oordeel
11 En ik zag een groten witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden.
12 En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is: en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.
13 En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken.
14 En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood.
15 En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.

Zacharía 14

Wonderbare redding en verhoging van Jeruzalem
Ziet, de dag komt den HEERE (YHVH), dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem!
Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden.
En de HEERE (YHVH) zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds.
En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.
Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzía, den koning van Juda; dan zal de HEERE (YHVH), mijn God, komen,en al de heiligen met U, HEERE (YHVH)!
En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht, en de dikke duisternis.
Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE (YHVH) bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen.
Ook zal het te dien dage geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn.
En de HEERE (YHVH) zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE één zijn, en Zijn Naam één.
10 Dit ganse land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van den toren van Hanáneël, tot aan des konings wijnbakken toe.
11 En zij zullen daarin wonen, en er zal geen verbanning meer zijn; want Jeruzalem zal zeker wonen.
12 En dit zal de plage zijn, waarmede de HEERE (YHVH) al de volken plagen zal, die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben: Hij zal een iegelijks vlees, daar hij op zijn voeten staat, doen uitteren; en een iegelijks ogen zullen uitteren in hun holen; en eens iegelijks tong zal in hun mond uitteren.
13 Ook zal het te dien dage geschieden, dat er een groot gedruis van den HEERE (YHVH) onder hen zal wezen, zodat zij een ieder zijns naasten hand zullen aangrijpen, en eens ieders hand zal tegen de hand zijns naasten opgaan.
14 En ook zal Juda te Jeruzalem strijden; en het vermogen aller heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver, en klederen in grote menigte.
15 Alzo zal ook de plage der paarden, der muildieren, der kemelen, en der ezelen, en aller beesten zijn, die in diezelve heirlegers geweest zullen zijn, gelijk gener plage geweest is.
16 En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden den Koning, den HEERE (YHVH) der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten.
17 En het zal geschieden, zo wie van de geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om den Koning, den HEERE (YHVH) der heirscharen, te aanbidden, zo zal er over henlieden geen regen wezen.
18 En indien het geslacht der Egyptenaren, over dewelke de regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zo zal die plageover hen zijn, met dewelke de HEERE (YHVH) die heidenen plagen zal, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten.
19 Dit zal de zonde der Egyptenaren zijn, mitsgaders de zonde aller heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten.
20 Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEEREN (YHVH). En de potten in het huis des HEEREN (YHVH) zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;
21 Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen den HEERE (YHVH) der heirscharen heilig zijn, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en van dezelve nemen, en in dezelve koken; en er zal geen Kanaäniet meer zijn, in het huis des HEEREN (YHVH) der heirscharen, te dien dage.

Exodus 23

Gods geleide
20 Ziet, Ik zende een Engel (Yeshua) voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb.
21 Hoedt u voor Zijn aangezicht, en weest Zijner stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal ulieder overtredingen niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem.
22 Maar zo gij Zijner stem naarstiglijk gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik uwer vijanden vijand, en uwer wederpartijders wederpartij zijn.
23 Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaänieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen.
24 Gij zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult gij naar hun werken niet doen; maar gij zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden ganselijk vermorzelen.
25 En gij zult den HEERE uw God dienen, zo zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de krankheden uit het midden van u weren.
26 Er zal geen misdrachtige, noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het getal uwer dagen vervullen.
27 Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot hetwelk gij komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u den nek toekeren.
28 Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten.
29 Ik zal hen in een jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest worde, en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde.
30 Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.
31 En Ik zal uw landpalen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat gij hen voor uw aangezicht uitstoot.
32 Gij zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken.
33 Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; indien gij hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn.


Exodus 3

En de Engel des HEEREN (YHVH) verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd.

'The Messenger of Our Creator appeared to him in a flame of fire from the middle of a thorn bush. And he looked, and behold, the thorn bush was burning with fire, and the thorn bush was not burned up?'

Zefánja 1

De dag des HEEREN
14 De grote dag des HEEREN is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van den dag des HEEREN; de held zal aldaar bitterlijk schreeuwen.
15 Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid;
16 Een dag der bazuin en des geklanks tegen de vaste steden en tegen de hoge hoeken.
17 En Ik zal de mensen bang maken, dat zij zullen gaan als de blinden; want zij hebben tegen den HEERE gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden als stof, en hun vlees zal worden als drek.
18 Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden ten dage der verbolgenheid des HEEREN; maar door het vuur Zijns ijvers zal dit ganse land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, gewisselijk, een haastige, met al de inwoners dezes lands.

 
Matteüs 24
De komst van de Mensenzoon

1 Nadat Jezus de tempel had verlaten, wendden zijn leerlingen zich onderweg tot hem en vestigden zijn aandacht op de tempelgebouwen.
2 Hij zei tegen hen: ‘Hebben jullie dat alles goed gezien? Ik verzeker jullie: geen enkele steen zal op de andere blijven, alles zal worden afgebroken!’

3 Op de Olijfberg ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen, en nu ze onder elkaar waren vroegen ze: ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we uw komst en de voltooiing van deze wereld herkennen?’
4 Jezus antwoordde hun: ‘Pas op dat niemand jullie misleidt.
5 Want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen: “Ik ben de messias,” en ze zullen veel mensen misleiden.
6 Jullie zullen berichten horen over oorlogen en oorlogsdreiging. Laat dat je dan niet verontrusten, die dingen moeten namelijk gebeuren, al is daarmee het einde nog niet gekomen.
7 Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken en het ene koninkrijk tegen het andere, en overal zullen er hongersnoden uitbreken en zal de aarde beven:
8 dat alles is het begin van de weeën.
9 Dan zal men jullie onderdrukken en doden, en jullie zullen door alle volken worden gehaat omwille van mijn naam.
10 Velen zullen dan ten val komen, ze zullen elkaar verraden en elkaar haten.
11 Er zullen talrijke valse profeten komen die velen zullen misleiden.
12 En doordat de wetteloosheid toeneemt, zal bij velen de liefde bekoelen.
13 Maar wie standhoudt tot het einde, zal worden gered.
14 Pas als het goede nieuws over het koninkrijk in de hele wereld wordt verkondigd als getuigenis voor alle volken, zal het einde komen.

15 Wanneer jullie dus de “verwoestende gruwel” waarover gesproken is door de profeet Daniël, zien staan op de heilige plaats (lezer, begrijp dit goed),
16 dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten;
17 wie op het dak van zijn huis is moet niet naar beneden gaan om nog spullen te halen,
18 en wie op het land is moet niet terugkeren om zijn mantel te halen.
19 Wat zal het rampzalig zijn voor de vrouwen die in die tijd zwanger zijn of een kind aan de borst hebben!
20 Bid dat jullie niet in de winter zullen moeten vluchten en ook niet op sabbat.
21 Want het zal een tijd zijn van enorme verschrikkingen, zoals er sinds het ontstaan van de wereld tot nu nooit geweest zijn en er ook niet meer zullen komen.
22 En als die tijd niet verkort zou worden, dan zou geen enkel mens worden gered; maar omwille van de uitverkorenen zal die tijd worden verkort.
23 Als iemand dan tegen jullie zegt: “Kijk, dit is de messias,” of: “Daar is hij,” geloof dat dan niet.
24 Want er zullen valse messiassen en valse profeten komen, die indrukwekkende tekenen en wonderen zullen verrichten (Criss Angel) (om ook Gods uitverkorenen zo mogelijk te misleiden.
25 Let op, ik heb jullie dit van tevoren gezegd.
26 Wanneer ze dus tegen jullie zeggen: “Kom mee, hij is in de woestijn (Mekka),” ga er dan niet heen, of als ze zeggen: “Kijk, hij is daarbinnen,” geloof dat dan niet.
27 Want zoals een bliksemschicht vanuit het oosten weerlicht tot in het westen, zo zal ook de Mensenzoon komen.
28 Waar een lijk is, daar zullen de gieren zich verzamelen.

29 Meteen na de verschrikkingen van die dagen zal de zon verduisterd worden en de maan geen licht meer geven, de sterren zullen uit de hemel vallen en de hemelse machten zullen wankelen.
30 Dan zal aan de hemel het teken zichtbaar worden dat de komst van de Mensenzoon aankondigt, en alle stammen op aarde zullen zich van ontzetting op de borst slaan als ze de Mensenzoon zien komen op de wolken van de hemel, bekleed met macht en grote luister.
31 Dan zal hij zijn engelen uitzenden, en onder luid bazuingeschal zullen zij zijn uitverkorenen uit de vier windstreken bijeenbrengen, van het ene uiteinde van de hemelkoepel tot het andere.
32 Leer van de vijgenboom deze les: zo gauw zijn takken uitlopen en in blad schieten, weet je dat de zomer in aantocht is.
33 Zo moeten jullie ook weten, wanneer je dat alles ziet, dat het einde nabij is.
34 Ik verzeker jullie: deze generatie zal zeker nog niet verdwenen zijn wanneer al die dingen gebeuren.
35 Hemel en aarde zullen verdwijnen, maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen.

36 Niemand weet wanneer die dag en dat moment zullen aanbreken, ook de hemelse engelen en de Zoon niet, alleen de Vader weet het.
37 Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn wanneer de Mensenzoon komt.
38 Want zoals men in de dagen voor de vloed alleen maar bezig was met eten en drinken, met trouwen en uithuwelijken, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging,
39 en zoals men niet wist dat de vloed zou komen, totdat die kwam en iedereen wegnam, zo zal het ook zijn wanneer de Mensenzoon komt.
40 Dan zullen er twee op het land aan het werk zijn, van wie de een zal worden meegenomen en de ander achtergelaten.
41 Van twee vrouwen die samen aan de molen draaien, zal de ene worden meegenomen en de andere achtergelaten.
42 Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag jullie Heer komt.
43 Besef wel: als de heer des huizes had geweten in welk deel van de nacht de dief zou komen, dan zou hij wakker gebleven zijn en niet in zijn huis hebben laten inbreken.
44 Daarom moeten ook jullie klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht.

45 Wie is die betrouwbare en verstandige dienaar die de heer heeft aangesteld over zijn huispersoneel om hun op tijd te eten te geven?
46 Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt.
47 Ik verzeker jullie: hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit.
48 Slecht is echter de dienaar die bij zichzelf zegt: Mijn heer blijft voorlopig nog weg,
49 en die zijn mededienaren begint te slaan en het met dronkaards op een slempen zet.
50 Dan zal de heer van die dienaar komen op een dag waarop hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent,
51 en hij zal hem straffen met zijn zwaard en hem het lot van de huichelaars laten ondergaan; daar zal hij met hen jammeren en knarsetanden.

Openbaring 6
De eerste zes zegels
1 Toen zag ik dit: het lam verbrak een van de zeven zegels en ik hoorde een van de vier wezens roepen met een geluid als een donderslag: ‘Kom!’
2 Ik zag dit: een wit paard met een ruiter, die een boog droeg. Hij kreeg een zegekrans en trok op als een overwinnaar, de overwinning tegemoet.
3 Toen het lam het tweede zegel verbrak, hoorde ik het tweede wezen zeggen: ‘Kom!’
4 Er verscheen een ander, vuurrood paard. De ruiter kreeg de opdracht om de vrede uit de wereld te verdrijven, zodat men elkaar zou afslachten. Hij kreeg een groot zwaard.
5 Toen het derde zegel werd verbroken, hoorde ik het derde wezen zeggen: ‘Kom!’ Ik zag dit: een zwart paard met een ruiter, die een weegschaal in zijn hand hield.
6 Te midden van de vier wezens hoorde ik iets als een stem zeggen: ‘Een dagloon voor een portie tarwe en hetzelfde bedrag voor drie porties gerst. Maar laat wijn en olijfolie ongemoeid.’
7 Toen het vierde zegel werd verbroken, hoorde ik het vierde wezen zeggen: ‘Kom!’
8 Toen zag ik een vaalgeel paard. De ruiter heette Dood, en Dodenrijk vergezelde hem. Zij kregen toestemming om op een vierde deel van de aarde dood en verderf te zaaien, door middel van het zwaard, hongersnood, dodelijke ziekten en wilde dieren.

9 Toen het lam het vijfde zegel verbrak, zag ik aan de voet van het altaar de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis.
10 Ze riepen luid: ‘O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult u de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?’
11 Ieder van hen kreeg witte kleren. Verder werd hun gezegd nog een korte tijd geduld te hebben, totdat ook de andere dienaren, hun broeders en zusters die net als zij zouden worden gedood, zich bij hen gevoegd zouden hebben.

12 Ik zag, toen het zesde zegel verbroken werd, hoe er een zware aardbeving kwam. De zon werd zwart als een rouwkleed en de maan werd bloedrood.
13 De sterren vielen op de aarde, zoals late vijgen die door een stormwind van de boom worden gerukt.
14 De hemel scheurde los en rolde zich als een boekrol op. Geen berg of eiland bleef op zijn plaats.
15 Koningen, machthebbers, legeraanvoerders, rijken, aanzienlijken, slaven en vrije mensen, iedereen trachtte zich te verbergen in grotten en tussen de rotsen in de bergen.
16 Ze riepen de bergen en de rotsen toe: ‘Val op ons neer! Verberg ons voor het oog van hem die op de troon zit en voor de toorn van het lam!
17 Want nu is de grote dag van hun toorn aangebroken, en wie kan die doorstaan?’

Opening of the seventh seal in chapter 6 of revelation is the rapture.
Mat 24:29
 

KING MESSIAH - His Name Revealed

 

Jesaja 11

Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.

Isa 11:1
And there shall come forth a rod out of the stem of Jesse, and a Branch shall grow out of his roots:

Jeremía 23

Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige SPRUIT zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
 

Jerm 23:5

Behold, the days come, saith the LORD (YHWH), that I will raise unto David a righteous Branch, and a King shall reign and prosper, and shall execute judgment and justice in the earth.

Zacharía 3

Hoor nu toe, Jósua, gij hogepriester! gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knechtde SPRUITE, doen komen.

Zec 3:8
Hear now, O Joshua the high priest, thou, and thy fellows that sit before thee: for they are men wondered at: for, behold, I will bring forth my servant the BRANCH. (King Messiah)

Zacharía 6

11 Te weten, neem zilver en goud, en maak kronen; en zet ze op het hoofd van Jósua, den zoon van Józadak, den hogepriester. Joshua or Jehoshua = "Jehovah is salvationיְהוֹשׁוּעַ
12 En spreek tot hem, zeggende: Alzo spreekt de HEERE der heirscharen, zeggende: Ziet, een Man, Wiens Naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal des HEEREN tempel bouwen.
13 Ja, Hij zal den tempel des HEEREN bouwen, en Hij zal het sieraad dragen, en Hij zal zitten, en heersen op Zijn troon; en Hij zal Priester zijn op Zijn troon; en de raad des vredes zal tussen die Beiden wezen.

Zec 6:11
Then take silver and gold, and make crowns, and set them upon the head of Joshua the son of Josedech, the high priest;
Zec 6:12
And speak unto him, saying, Thus speaketh the LORD of hosts, saying, Behold the man whose name is The BRANCH; and he shall grow up out of his place, and he shall build the temple of the LORD:
Zec 6:13
Even he shall build the temple of the LORD; and he shall bear the glory, and shall sit and rule upon his throne; and he shall be a priest upon his throne: and the counsel of peace shall be between them both.


Zacharía 3

9 Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Jósua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal Zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.

Zec 3:9
For behold the stone that I have laid before Joshua; upon one stone shall be seven eyes: behold, I will engrave the graving thereof, saith the LORD of hosts, and I will remove the iniquity of that land in one day.

Psalmen 118

21 Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil (salvation) geweest zijt.
    22 De steendien de bouwlieden (tempel van mensen) verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden.

Psa 118:21
I will praise thee: for thou hast heard me, and art become my salvation.

Psa 118:22 
The stone which the builders refused is become the headstone of the corner.

Jesaja 28
16 Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een Grondsteen in Sion, een beproefden Steen, een kostelijken Hoeksteen, Die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.

Isa 28:16
Therefore thus saith the Lord GOD, Behold, I lay in Zion for a foundation a stone, a tried stone, a precious corner stone, a sure foundation: he that believeth shall not make haste.

Jesaja 53

Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN (YHWH) geopenbaard?
Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.
Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.
11 Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige,velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.

Isa 53:1 
Who hath believed our report? and to whom is the arm of the LORD (YHWH) revealed?
Isa 53:2 
For he shall grow up before him as a tender plant, and as a root out of a dry ground: he hath no form nor comeliness; and when we shall see him, there is no beauty that we should desire him.
Isa 53:3 
He is despised and rejected of men; a man of sorrows, and acquainted with grief: and we hid as it were our faces from him; he was despised, and we esteemed him not.
Isa 53:11
He shall see of the travail of his soul, and shall be satisfied: by his knowledge shall my righteous servant justify many; for he shall bear their iniquities.

Psalmen 98

Een psalm. Zingt den HEERE een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven.
De HEERE (YHWH) heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.

Psa 98:1             

[[A Psalm.]] O sing unto the LORD a new song; for he hath done marvellous things: his right hand, and his holy arm, hath gotten him the victory.
Psa 98:2

The LORD (YHWH) hath made known his salvation: his righteousness hath he openly shewed in the sight of the heathen.

Jesaja 53

Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hijgeplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
Maar Hij is om onze overtredingen verwondom onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE (YHWH) heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.

Isa 53:4
Surely he hath borne our griefs, and carried our sorrows: yet we did esteem him stricken,smitten of God, and afflicted.
Isa 53:5
But he was wounded for our transgressions, he was bruised for our iniquities: the chastisement of our peace was upon him; and with his stripes we are healed.
Isa 53:6
All we like sheep have gone astray; we have turned every one to his own way; and the LORD (YHWH) hath laid on him the iniquity of us all.

The Branch/houten kruis:
Jesaja 11:1
Jeremia 23:5
Jeremia 33:15
Zacharia 3:8
Zacheria 6:12
The Render plant/Rijstje:
Jesaja 53:2
Precious stone / kostbare steen:
Psalm 91:5
Psalm 118:22
Jesaja 28:16
Daniel 2:34-35
Zacharia 3:9

Handelingen 4:11
11 Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is.

Acts 4:11
This is the stone which was set at nought of you builders, which is become the head of the corner.

Psa 95:1
O come, let us sing unto the LORD (YHWH): let us make a joyful noise to the rock of our salvation.

Matthéüs 21

En de meeste schare spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op den weg.
En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren (YHWH)! Hosanna in de hoogste hemelen!

Zacharía 9

Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.

Zec 9:9
Rejoice greatly, O daughter of Zion; shout, O daughter of Jerusalem: behold, thy King cometh unto thee: he is just, andhaving salvation; lowly, and riding upon an ass/
Lowly and riding on a donkey, and upon a colt the foal of an ass.
 

Psalmen 118

22 De steendien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden.
    23 Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
26 Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.

Psa 118:22
The stone which the builders rejected
Has become the chief cornerstone.

Psa 118:23
This was the LORD’s doing;
It is marvelous in our eyes.

Psa 118:26
Blessed is he who comes in the name of the LORD (YHWH)!
We have blessed you from the house of the LORD.

Jesaja 8
14 Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

Matthéüs 23
39 Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!

Zacharía 12
10 Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.

Zacharía 13
En zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmede ik geslagen ben, in het huis mijner liefhebbers.
Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen;sla/doden dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.

Zec 13:6
And one shall say H559 unto him, What are these wounds H4347 in thine hands? H3027 Then he shall answer, H559 Those with which I was wounded H5221 in the house H1004 of my friends. H157

Zec 13:7
Awake, H5782 O sword, H2719 against my shepherd, H7462 and against the man H1397 that is my fellow, H5997 saith H5002 the LORD H3068 of hosts: H6635 smite H5221 the shepherd, H7462 and the sheep H6629 shall be scattered: H6327 and I will turn H7725 mine hand H3027 upon the little ones. H6819

Romeinen 11
25 Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.
26 En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.

Jesaja 59
20 En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de overtreding in Jakob, spreekt de HEERE.

Daniël 2
34 Dit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze. (Yeshua tweede komst).

Jesaja 63
Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen.
Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt?
Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn klederen, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.

Openbaring 19

13 En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods.
14 En de heirlegers in den hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad.

Daniël 2
35 Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde.

Micha 5
1 En gij, Bethlehem (brood) Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël (Koning), en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.

Mic 5:2
But thou, Bethlehem (bread) Ephratah, though thou be little among the thousands of Judah, yet out of thee shall he come forth unto me that is to be ruler in Israel (King); whose goings forth have been from of old, from everlasting.
 Yeshua King Messiah = Eternal.

Jesaja 9
Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst;
6 Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver des HEEREN der heirscharen zal zulks doen.

Isa 9:6
For unto us a child is born, unto us a son is given: and the government shall be upon his shoulder: and his name shall be called Wonderful, Counsellor, The mighty God, The everlasting Father, The Prince of Peace.

Isa 9:7
Of the increase of his government and peace there shall be no end, upon the throne of David, and upon his kingdom, to order it, and to establish it with judgment and with justice from henceforth even for ever. The zeal of the LORD of hosts will perform this.

Psalmen 2
Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.
Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.
10 Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!
11 Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.
12 Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.
 
Psa 2:7
I will declare the decree: the LORD (YHWH) hath said unto me, Thou art my Son; this day have I begotten thee.
Psa 2:8
Ask of me, and I shall give thee the heathen for thine inheritance, and the uttermost parts of the earth for thy possession.
Psa 2:9
Thou shalt break them with a rod of iron; thou shalt dash them in pieces like a potter's vessel.
Psa 2:10 
Be wise now therefore, O ye kings: be instructed, ye judges of the earth.
Psa 2:11
Serve the LORD (YHWH) with fear, and rejoice with trembling.
Psa 2:12 
Kiss the Son, lest he be angry, and ye perish from the way, when his wrath is kindled but a little. Blessed are all they that put their trust in him.

Jesaja 42
Ik ben de HEERE (YHWH)dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.

Isa 42:8
I am the LORD (YHWH): that is my name: and glory will I not give to another, neither my praise to graven images.

Yeshua = YHWH saves

Jesaja 43
11 Ik, Ik ben de HEERE (YHWH), en er is geen Heiland behalve Mij.
 


Isa 43:11
I, even I, am the LORD (YHWH); and beside me there is no saviour.

Johannes 4
22 Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden.

Jhn 4:22
Ye worship ye know not what: we know what we worship: for salvation is of the Jews.

Jewish apostels:
Physical Bondage / Spiritual Bondage

Joodse Messias

Genesis 22
En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen.

Het hout is voor het offer, ram, kruis.

Gen 22:6
And Abraham took the wood (for Sacrifice) of the burnt offering, and laid it upon Isaac his son; and he took the fire in his hand, and a knife; and they went both of them together.

The wood for Sacriface, ram, cross.

Genesis 22
En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde aldaar een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak, en legde hem op het altaar boven op het hout.
14 En Abraham noemde den naam van die plaats: De HEERE (YHWH) zal het voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des HEEREN zal het voorzien worden!
 
In YHWH's mountain it will be provided.
Provided from Zion the mountain of God.
Provided from Heavenly Zion the mountain of God.
The subsitute God's son -the Lamb.
Eternal death -Behold the Lamb of God. 

Gen 22:9
And they came to the place which God had told him of; and Abraham built an altar there, and laid the wood in order, and bound Isaac his son, and laid him on the altar upon the wood.

Gen 22:14
And Abraham called the name of that place Jehovah jireh: as it is said to this day, In the mount of the LORD (YHWH) it shall be seen.
Strong's H3070: Jehovah-jireh = "Jehovah sees"

Genesis 22 
16 En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;
18 En in uw zaad (Yeshua) zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.

Gen 22:16
And said, By myself have I sworn, saith the LORD (YHWH), for because thou hast done this thing, and hast not withheld thy son, thine only son:

Gen 22:18
And in thy seed (Yeshua) shall all the nations of the earth be blessed; because thou hast obeyed my voice.

Johannes 3
16 
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
17 Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.

Romeinen 10

     9 Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.
10 Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid.
13 Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.

Ezr 5:2
Then rose up Zerubbabel the son of Shealtiel, and Jeshua (H3442, H3443) the son of Jozadak, and began to build the house of God which is at Jerusalem: and with them were the prophets of God helping them.

Psalmen 22

19 
Zij  delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

Johannes 19

23 De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn klederen, (en maakten vier delen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.
24 Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.

Matthéüs 27

34 Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.
35 Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.

 




Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen