Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Inleiding/Contact - Aarde/Earth
*marita@thevulture.nl

Mijn voorouder gaan terug tot ± 1300 en komen allemaal uit Gelderland.
Voornamelijk uit
Maasdriel, Zaltbommel, Rossum.
We hebben een heel rijke familie geschiedenis. (Dit moet je niet missen)

Ik ben erachter gekomen dat mijn voorouders plattelands notabelen (stadsburgers, boeren) waren en dat Peter de gier (ridder), overleden in 1420, de vrije ridderschap had en dat zijn zoon Hillen
 (ridderoverleden na 1460 daar ook toe behoorde. En zijn zoon Peter de Gier Hillebrants, overleden 1505, begraven in de St. Maartenskerk te Zaltbommel een zeer interessant figuur qua tijdlijn en connecties was, Karel van Egmond (Hertog van Gelre) was o.a. zijn baas. Bewijzen daarvan zijn o.a. in het Wetzlar archief en in het gelders archief. Gerrit de Ghier in 1390 ook familie is want hun alleen droegen de naam "de Ghier" en de anderen"de Gier" in het leenregister van Amerzoden.
In het boek ´Ministerialiteit en Ridderschap in Gelre en Zutphen´ beschrijft
Prof. jkvr. dr. Johanna Maria van Winter hierin o.a. onze familie.
Zij richt zich met name op de geschiedenis van de adel in Gelderland...

Prof. jkvr. dr. Johanna Maria van Winter is van adellijke afkomst en draagt het predikaat jonkvrouwe.
Johanna Maria van Winter studeerde geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit Gent,
en promoveerde in 1962 op het proefschrift Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen,
dat nog altijd als een standaardwerk beschouwd wordt.
Foto

Tijdens mijn zoektocht naar haar proefschrift heb ik haar in januari 2011 gemaild en ze is nog een heel actieve vrouw die nog midden in het leven staat en dat terwijl zij al 83 jaar oud is.

Ik vroeg aan haar wat de vrije ridderschap inhoud: "Citaat"
'De vrije ridderschap was een groep mensen die niet tot de juridische stand van de adel behoorde en ook niet tot de juridische stand van de ministerialen, maar wel het sociale niveau had van ridders en knapen. Het was juridisch een tussencategorie tussen adel en ministerialiteit, en er behoorden ook stadsburgers toe, en vooral in het Kwartier van Nijmegen veel plattelands notabelen. Dat wordt in mijn boek ook behandeld.'
(Marietje)

Her Peter de Gier was een Ridder.
Reinald IV , 1402 -1423
- Peter  her Peterszoon, Beleend te Driel, 1402,1414, Leenreg. Nijm. p 687 (Gyer,die)

Reinoud IV 1402-1423, St. Jans goudgulden z.j., staande heilige Johannes de Doper-S.IOHANNES-BABTISTA leeuwtje,
kz. vijf wapentjes als kruis in vierpas DUX.REINALS-IVL-Z-GEL-Z-COMIS-Z, Delm.599, fraai
(Bron)

Arnold van Egmond  - Gelre, 1423 -1465 en 1471-1473
- Gillyn, 1436 (1442), Arch.Nijm.p39, (Peterszn.), (Gyer,die)

Behoorde tot de vrije ridderschap in het rijk van Nijmegen.
Beleend te (maas)Driel, Leenreg. Nijm. p 684
(Nb: Proefschrift: Jonkvrouwe Dr. J.M. van Winter, Ministerialiteit en Ridderschap in Gelre en Zutphen, met tabellen, Arnhem 1962.)
(nr. 18 Gyer, die, Tabel B 1 a p. 314 en 364) (Zie Jkvr. Johanna Maria van Winter)

          

                                                                                                                                   Arnold van Egmond


Adolf van Egmond- Gelre, 1465 -1471
- Peter, 1465-1471, (Hillenszn.) (Gyer,die)
Behoorde tot de vrije ridderschap in het rijk van Nijmegen.
(Nb: Proefschrift: Jonkvrouwe Dr. J.M. van Winter, Ministerialiteit en Ridderschap in Gelre en Zutphen, met tabellen, Arnhem 1962.)
(nr. 18 Gyer, die, Tabel B 1 a p. 314 en 364) (Zie Jkvr. Johanna Maria van Winter)

                
                                                                                                                     Adolf van Egmond


Hertog
Karel van Egmond- Gelre, 1492-1538

- Peter, 1493-1505, (Hillenszn.), (Gyer,die)
- Hillebrant, 1501-1520, (Peterszn.), (Ghier, de)
(Beiden waren Hertogelijk Geldersch Rentmeester meester van Karel van Gelre)

              

                                                                     Karel van Gelre                                                               Karel de Stoute


Hertog Adolf regeerde van 1465-1471 nadat hij zijn vader hertog Arnulf had afgezet. Vervolgens werd Adolf in 1471 op zijn beurt door Karel de Stoute van Bourgondië afgezet en weer door hertog Arnulf vervangen. Deze stierf in 1473. Adolf stierf in 1477.


Griffioen op Kasteel de Haar.

Een Griffioen werd gezien als een schatbewaarder.
Peter de Gier overleden in 1505 was schatmeester en rentmeester van 
de laatste zelfstandige feodale heerser in de Nederlanden Karel van Gelre.

 

 

 

 


Wanneer weet je nu welke betekenis de juiste is.....

Een heer in feodale betekenis is niet de heerser van een heerlijkheid maar de leenheer van een vazal. Die vazal kan een heerlijkheid in leen hebben en is daarvan dan de meester. De leenheer heeft daarover weinig meer te zeggen.

Een landheer is inderdaad de bezitter van een landgoed, een stuk grond. Je kunt beter van een grondheer spreken. Daarover kan hij hoge of lage gerechtsheerlijkheid hebben of alleen maar het beheer. Verwar een landheer niet met een landsheer (let op de s in het midden), want dat is een graaf of een hertog.

De titel van heer wordt gegeven aan priesters en ridders. Uit de context (het bijbehorende verhaal) moet je afleiden wat juist is. Een ridder hoeft niet van adel te zijn, zoals je weet. Ridderschap en adel vielen in Gelre niet samen: er waren edele en niet-edele ridders en knapen. 

In Westelijk Nederland en Vlaanderen vielen ridderschap en adel in de late Middeleeuwen wel samen, doordat de hele ridderschap als adel werd beschouwd. Zo kan je de opmerking tegenkomen dat Heer de titel van een edelman was. Maar voor oostelijk Nederland klopt dat dus niet.

Jouw voorouders behoorden in de Middeleeuwen en de 16e en 17e eeuw tot de ridderschap, maar zijn blijkbaar in de 18e eeuw afgezakt tot dagloner, schoenmaker en schipper. Hoe kon dat gebeuren? Ik denk dat ze door inteelt verzwakt waren. (Marietje)*


 

 

(Nb: Maris van Sandelingen, Nederlandse leeuw, 1943)
Later, sedert het midden van de zeventiende eeuw, trad een geleidelijke vervlakking in tot gezeten plattelandsnotabelen. En hierdoor werd het geslacht "de Gier" verankerd in een brede laag van de huidige bevolking.


The Word/Bible states - het Woord/de Bijbel zegt:

Test all things; hold fast what is good. (1 Thessalonians 5:21) - 1 Thessalonicensen 5:21 Beproeft alle dingen; behoudt het goede.



Kolossensen 2:

8 Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;.

Wijsheid:

1 Timotheüs 6
20 O Timotheüs, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen der valselijk genaamde wetenschap;
21 Dewelke sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken. De genade zij met u. Amen.

1 Korinthiërs 3
18 Niemand bedriege zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.
19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid;
20 En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.
21 Niemand dan roeme op mensen; want alles is uwe.

Lukas 8:
17 Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen.

Marcus 4:

22 Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen.

Lengte en Hoogte / Length and Width:

Daniël 4:

10
 De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot.
11 De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan den hemel, en hij werd gezien tot aan het einde der ganse aarde;

Job 26:

10 Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekendtot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.


Zon: (Er zijn zeer veel teksten over de zon)

Jozua 10:
12 Toen sprak Jozua tot den HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht de kinderen Israëls overgaf, en zeide voor de ogen der Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon!
13 En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten (Jasher 88:64)
De zon nu stond stil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.


3 Ezra 4
34 O mannen, zijn niet de vrouwen sterk! Groot is de aarde, en hoog is de hemel,
en snel in haar loop is de zon, want zij, draait in de cirkel des hemels, en zij keert weder in haar plaats op één dag.

 

The earth is Circular flat/de aarde is een platte Cirkel.
 
1892 Flat Earth Map Found In Boston Library (Bron:)

Day and Night take 2
Under The Dome - Full Documentary
75 bible verses prove a flat earth
Understanding the 4 Seasons on the Flat Earth Model
Proof the Earth is Flat, NASA lies! Part 1!
Proof the
Earth is Flat, NASA lies! Part 2
Proof the Earth is Flat, NASA lies! Part 3
Proof the Earth is Flat, NASA lies! Part 4
Proof the Earth is Flat, NASA lies! Part 5 (UN Flag)
The Earth is Not Moving
Eagles lead to flat earth firmament
The Final one is that One - fake earth clouds earth hoax
1892 Flat Earth Map Found In Boston Library - The Falkland Island War & Deception Island
The Earth is FLAT ~The planes help to prove the plane


Water above the firmament (ROOF):

Genesis 1
6 And God said, Let there be A FIRMAMENT (ROOF) IN THE MIDST OF THE WATERS, and let it divide the waters from the waters.

Sun, stars and moon IN the FIRMAMENT (ROOF) of the heaven:

14 And God said, Let there be LIGHTS IN THE FIRMAMENT of the heaven to divide the day from the night; and let them be for signs, and for seasons, and for days, and years:

15 And let them be FOR LIGHT IN THE FIRMAMENT of the heaven to give light upon the earth: and it was so.

16 And God made two great lights; the GREATER LIGHT to rule the day, and the LESSER LIGHT to rule the night: he made THE STARS also.

17 And God set them in the firmament of the heaven to give light upon the earth,

Where are the planets.....ooops there aren't any.

BAAL worship:

2 Kings 23:
5 And he put down the idolatrous priests, whom the kings of Judah had ordained to burn incense in the high places in the cities of Judah, and in the places round about Jerusalem; them also that burned incense UNTO BAAL, to the sun, and to the moon, and to the PLANETS, and to all the host of heaven.

This is THE ONLY TIME in the scriptures that PLANET(S) are mentioned.

  

Spreuken 8
22 De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan.
23 Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan.
24 Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;
25 Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
26 Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld.
27 Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel (Compass) over het vlakke des afgronds beschreef;
28 Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;
29 Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;
30 Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;
31 Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.

Proverbs 8:27 (KJV)
When he prepared the heavens, I was there: when he set a 
compass H2329 upon the face of the depth:


Genesis  1

1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.

2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.

3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.

4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.

5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.

6 En God zeide: Daar zij een uitspansel (Hemel) in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!

7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel (Hemel) zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel (Hemel) zijnEn het was alzo.

8 En God noemde het uitspansel hemelToen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.

9 En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo.
10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeën; en God zag, dat het goed was.

11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo.

12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.

13 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.

UITSPANSEL

1) Boog 2) Firmament 3) Gewelf  4) Gesternte 5) Gespan 6) Geluchte 7) Heelal 8) de Hemel 9) Hemeldak 10) Hemelgewelf 11) Hemelkoepel 12) Stergewelf 13) Sterrendak 14) Sterrenhemel 


14
 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!

15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo.

16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.

17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.

18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.

19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.
20 En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!

21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het god was.

22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde! 

Revelation 14
7 Saying with a loud voice, Fear God, and give glory to him; for the hour of his judgment is come: and worship him that made heaven, and earth, and the sea, and the fountains of waters.



Openbaring 14
7 Zeggende met een grote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure Zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem, Die den hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen der wateren gemaakt heeft.

Psalmen 89
37
Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon.
38
Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in den hemel is getrouw. Sela.

Jesaja 40
12 Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten,
en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?
22 Hij is het, Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen;

Jesaja 22
18 Hij zal u gewisselijk voortrollen, gelijk men een bal rolt, in een land, wijd van begrip; aldaar zult gij sterven, en aldaar zullen uw heerlijke wagenen zijn, o gij schandvlek van het huis uws heren!

Isa 22 (KJV)
18 He will surely violently turn and toss thee like a ball into a large country: there shalt thou die, and there the chariots of thy glory shall be the shame of thy lord's house.

Isa 40 (KJV)
22 It is he that sitteth upon the circle of the earth, and the inhabitants thereof are as grasshoppers; that stretcheth out the heavens as a curtain, and spreadeth them out as a tent to dwell in:

Job 22:14 (KJV)
Thick clouds are a covering to him, that he seeth not; and he walketh in the
circuit H2329 of heaven.

circuit: parcours kring, netwerk rotonde, Communicatiepad tussen twee of meerdere punten, gesloten baan, in 't bijzonder voor wegwedstrijden van auto's, motoren of fietsen, Afgebakende weg, Bepaalde begrensde ruimte, Baan, Baan voor een wedstrijd, Gesloten baan, Gesloten stoomkring, Kring, Omloop, Plein, Piste, Parcours, Ringvormige baan, Racebaan, Raceterrein, Renbaan, Ronde , Rondweg, Rotonde, Rondloop, Ronde (bij race), Ringbaan, Raceterrein, stroomkring.

Kompas: Het kompas is een instrument voor het bepalen van de windstreek. Het is het belangrijkste apparaat voor de navigatie.
Den naam kompas heeft het vermoedelijk gekregen van de cirkelvormige schijf, de roos, waarop de windstreken aangegeven staan.

Hierin draait een magnetische kompasnaald, die vier windstreken kan aanwijzen.


Lexicon :: Strong's H2329 - chuwg

חוּג

Transliteration
chuwg
Pronunciation
khüg (Key) 
Part of Speech
masculine noun
Root Word (Etymology)
Dictionary Aids

TWOT Reference: 615a

KJV Translation Count — Total: 3x
The KJV translates Strongs H2329 in the following manner: circle (1x), circuit (1x), compass (1x).
Outline of Biblical Usage
  1. circle, circuit, compass

  2. (BDB) vault (of the heavens)

Strong’s Definitions [?](Strong’s Definitions Legend)
חוּג chûwg, khoog; from H2328; a circle:—circle, circuit, compass.
Gesenius' Hebrew-Chaldee Lexicon

H2329



Pro 8:27
When he prepared the heavens, I was there: when he set a compass upon the face
of the depth: (The deep hollows of the earth).

8:27  בַּהֲכִינֹו שָׁמַיִם שָׁם אָנִי בְּחוּקֹו חוּג עַל־פְּנֵי תְהֹֽום׃

 8:27  בַּהֲכִינֹו שָׁמַיִם שָׁם אָנִי בְּחוּקֹו חוּג עַל־פְּנֵי תְהֹֽום׃

Reverse Interlinear
English (KJV)   [?] Strong's Root Form (Hebrew) Parsing
 

When he prepared

h3559   

כּוּן kuwn

the heavens,

h8064   

שָׁמַיִםshamayim

 

I was there: when heset

h2710   

חָקַק chaqaq

a compass

h2329   

חוּג chuwg

 

upon the face

h6440   

פָּנִים paniym

 

of the depth:

h8415   

תְּהוֹם tĕhowm

 

8:27  ἡνίκα ἡτοίμαζεν τὸν οὐρανόν συμπαρήμην αὐτῷ καὶ ὅτε ἀφώ




Lexicon :: Strong's H8415 - tĕhowm

תְּהוֹם

Transliteration
tĕhowm
Pronunciation
teh·hōm' (Key) 
Part of Speech
masculine/feminine noun
Root Word (Etymology)
Dictionary Aids

TWOT Reference: 2495a

KJV Translation Count — Total: 36x
The KJV translates Strongs H8415 in the following manner: deep (20x), depth (15x), deep places (1x).
Outline of Biblical Usage
  1. deep, depths, deep places, abyss, the deep, sea

    1. deep (of subterranean waters)

    2. deep, sea, abysses (of sea)

    3. primeval ocean, deep

    4. deep, depth (of river)

    5. abyss, the grave

Gesenius' Hebrew-Chaldee Lexicon

 

 

 

Psalmen 148

1 Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!

2 Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen!

3 Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren!

4 Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt!

5 Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen.

6 En Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.

7 Looft den HEERE, van de aarde; gij walvissen en alle afgronden!

8 Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!

9 Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!

10 Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!

11 Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!

12 Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen!

13 Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.

14 En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd, den roem al Zijner gunstgenoten, der kinderen Israëls, des volks, dat nabij Hem is. Hallelujah!

 
Nahum 1
2 Een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE, en zeer grimmig; een wreker is de HEERE aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt den toorn Zijn vijanden.
3 De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig. Des HEEREN weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten.
4 Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon.
5 De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen.

2 Samuel 22
7 Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren.
8 Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.
9 Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.
10 En Hij boog den hemel, en daalde neder; en donkerheid was onder Zijn voeten.
11 En Hij voer op een cherub, en vloog, en werd gezien op de vleugelen des winds.
12 En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.
13 Van den glans voor Hem henen werden kolen des vuurs aangestoken.
14 De HEERE (YHWH) donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.
15 En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze.
16 En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN (YHWH), van het geblaas des winds van Zijn neus.
17 Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.
18 Hij verloste mij van mijn sterken vijand, van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.
19 Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij een Steunsel.
20 En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.
21 De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.
22 Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.
23 Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen, daarvan week ik niet af.
24 Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
25 Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.

Exodus 9
22 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit naar den hemel, en er zal hagel zijn in het ganse Egypteland; over de mensen, en over het vee, en over al het kruid des velds in Egypteland.
23 Toen strekte Mozes zijn staf naar den hemel; en de HEERE gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de HEERE liet hagel regenen over Egypteland.
24 En er was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen; hij was zeer zwaar; desgelijks is in het ganse Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is.
25 En de hagel sloeg, in het ganse Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid des velds, en verbrak al het geboomte des velds.
26 Alleen in het land Gosen, waar de kinderen Israëls waren, daar was geen hagel.
27 Toen schikte Farao heen, en hij riep Mozes en Aäron, en zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; de HEERE is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen!
28 Bidt vuriglijk tot den HEERE (want het is genoeg), dat geen donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik ulieden trekken laten, en gij zult niet langer blijven.
29 Toen zeide Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor den HEERE; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat gij weet, dat de aarde des HEEREN is!
30 Nochtans u en uw knechten aangaande, weet ik, dat gijlieden voor het aangezicht van den HEERE God nog niet vrezen zult.
31 Het vlas nu, en de gerst werd geslagen; want de gerst was in de aar, en het vlas was in den halm.
32 Maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen; want zij waren bedekt.
33 Zo ging Mozes van Farao ter stad uit, en breidde zijn handen tot den HEERE; de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet meer uitgegoten op de aarde.
34 Toen Farao zag, dat de regen en hagel, en de donder ophielden, zo verzondigde hij zich verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijn knechten.
35 Alzo werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen Israëls niet trekken liet, gelijk als de HEERE gesproken had door Mozes.

Jesaja 29
6
 Gij zult van den HEERE (YHWH) der heirscharen bezocht worden met donder, en met aardbeving, en groot geluid, met wervelwind, en onweder, en de vlam eens verterenden vuurs.


Jeremia 10
12
 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.

 

13 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemelen Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aardeHij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

Daniel 3
1 En te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.
2 En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.
3 De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.
4 En gij, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.


 



Hoeken:

Openbaring 20

8 En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee.

9 En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden.

Openbaring 7

1 En na dezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enigen boom.


Jeremia 49

36 En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken des hemels over Elam aanbrengen, en zal hen in al diezelve winden verstrooien; en er zal geen volk zijn, waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen.

Jesaja 11
12 En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks.

Jeremia 51

15 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand;

16 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

Still Earth / niet bewegende aarde:

1 Kronieken 16

30 Schrikt voor Zijn aangezicht, gij, gehele aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen worde.

Psalmen 96

 

10 Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.


Psalmen 93

1 De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.


Pilaren:

1 Samuël 2
Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, 
dat Hij hen den stoel der ere doe beërven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.
8 He raiseth up the poor out of the dust, and lifteth up the beggar from the dunghill, to set them among princes, and to make them inherit the throne of glory:
for the pillars of the earth are the LORD'S, and he hath set the world upon them. (KJV)


Psalmen 75
Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.

Job 9

6 Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;

Jeremia 31

8 Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.

Jeremia 27

19 Want zo zegt de HEERE der heirscharen, van de pilaren, en van de zee, en van de stellingen, en van het overige der vaten, die in deze stad zijn overgebleven.


Job 26

7 He stretcheth out the north over the empty place, and hangeth the earth upon nothing.

7 Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.

11 De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.

 

11 The pillars of heaven tremble and are astonished at his reproof.


Firmament/Uitspansel:


Genesis 1:

6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!

7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo.

8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.


Ezechiël 10

1 Daarna zag ik, en ziet, boven het uitspansel, hetwelk was over het hoofd der cherubs, was als een saffiersteen, als de gedaante van de gelijkenis eens troons; en Hij verscheen op dezelve.

Ezechiël 1

 

25 En er geschiedde een stem van boven het uitspansel, hetwelk boven hun hoofden was, als zij stonden, en hun vleugelen nedergelaten hadden.

26 En boven het uitspansel, hetwelk was boven hun hoofden, was de gelijkenis eens troons, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis des troons was de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde.

Voetbank:

Jesaja 6:

1 Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?


1 Kronieken 28:

2 En de koning David stond op zijn voeten, en hij zeide: Hoort mij, mijn broeders, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis der rust voor de ark des verbonds des HEEREN te bouwen, en voor de voetbank der voeten onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen.


Psalmen 99:

5 Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u neder voor de voetbank Zijner voeten; Hij is heilig!


Psalmen 110:

1 Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn 


Psalmen 132:

7 Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.


Jesaja 66:

1 Alzo zegt de HEERE: De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voetbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen, en waar is de plaats Mijner rust?


Klaagliederen 2:

1 Aleph. Hoe heeft de Heere de dochter Sions in Zijn toorn bewolkt? Hij heeft de heerlijkheid van Israël van den hemel op de aarde nedergeworpen; en Hij heeft aan de voetbank Zijner voeten niet gedacht in den dag Zijns toorns.


Mattheüs 5:

34 Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;

35 Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings;


Mattheüs 22:

43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem dan David, in den Geest, zijn Heere? zeggende:

44 De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.


Marcus 12:

35 En Jezus antwoordde en zeide, lerende in den tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is?

36 Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.


Lukas 20:

41 En Hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is?

42 En David zelf zegt in het boek der psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand,

43 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.


Handelingen 2:

32 Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.

33 Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.

34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand.

35 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.


Handelingen 7:

47 En Salomo bouwde Hem een huis.

48 Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:

49 De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats Mijner ruste?


Hebreeën 1:

10 En: Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen;

11 Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;

12 En als een dekkleed zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden.

13 En tot welken der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten?


Jakobus 2:

1 Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons.

2 Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding;

 

3 En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank;


Jesaja 13:

13 Daarom zal Ik den hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, en vanwege den dag Zijns hittigen toorns.


Desktop Globe/ bureau wereldbol:

Exodus 20:

4 Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.

 

Jesaja 42:

8 Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.

Sterren:

Matteus 24:

29 En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.


Marcus 13:
25 En de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden.

Openbaring 6:

13 En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een groten wind geschud wordt.




Jesaja 44:

24 Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, en Die u geformeerd heeft van den buik af: Ik ben de HEERE, Die alles doet, Die den hemel uitbreidt, Ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelven;


Jesaja 24:

18 En het zal geschieden, zo wie voor de stem der vreze vlieden zal, die zal in den kuil vallen; en die uit den kuil opklimt, die zal in den strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fondamenten der aarde zullen beven.

19 De aarde zal ganselijk verbroken worden, de aarde zal ganselijk vaneen gescheurd worden, de aarde zal ganselijk bewogen worden.

20 De aarde zal ganselijk waggelen, gelijk een dronkaard, en zij zal heen en weder bewogen worden, gelijk een nachthut; en haar overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en niet weder opstaan.

Jesaja 24:
21 En het zal geschieden te dien dage, dat de HEERE bezoeking doen zal over de heirscharen des hogen in de hoogte, en over de koningen des aardbodems op den aardbodem.

22 En zij zullen samenvergaderd worden, gelijk de gevangenen in een put, en zij zullen besloten worden in een gevangenis, maar na vele dagen weder bezocht worden.


Psalmen 18 en 2 Samuël 22:

10 En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.

Ezechiël 1:

 

28 Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens (Noach, vloed), alzo was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.

 

Amos 5
8 Die het Zevengesternte
(Kiymah) en den Orion maakt, en de doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag als den nacht verduistert; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, HEERE is Zijn Naam. (Sterren zijn geen planeten)

Job 38
31 Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte (Plejaden genoemd sinds 2005) binden, of de strengen des Orions losmaken?

Job 9
9 Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;

Zevengesternte:
Is een open sterrenhoop in het sterrenbeeld Stier (Taurus).

De Plejaden worden als Zevengesternte (Kiymah) in de Bijbel genoemd: "De Grote Beer heeft hij gemaakt, en Orion, de Plejaden en de sterren van het zuiden." (Job 9:9), "Kun jij de Plejaden aan banden leggen of de ketenen van Orion losmaken?" (Job 38:31), "De maker van de Plejaden en van Orion, zijn naam is JHWH" (Amos 5:8). In de Indiase beschaving worden zij verzinnebeeld als de saptamatrika, een beeldenreeks met de zeven moedergodinnen (vandaar ook de benaming "De Zeven Zusters"). In het oude Egypte werden zij in de Isiscultus vereerd en als referentie gebruikt bij het bepalen van het begin van de lente.

Strong's H3598 - Kiymah: Pleiades, a constellation (sterrenbeeld) of seven stars

Afgoderij:
In de Indiase beschaving worden zij verzinnebeeld als de saptamatrika, een beeldenreeks met de zeven moedergodinnen (vandaar ook de benaming "De Zeven Zusters"). In het oude Egypte werden zij in de Isiscultus vereerd en als referentie gebruikt bij het bepalen van het begin van de lente.


Job 9:9 (KJV)
Which maketh Arcturus, Orion, and Pleiades, and the chambers of the south.

Job 38:31
(KJV)
Canst thou bind the sweet influences of Pleiades, or loose the bands of Orion?

Amos 5:8
(KJV)
Seek him that maketh the seven stars and Orion, and turneth the shadow of death into the morning, and maketh the day dark with night: that calleth for the waters of the sea, and poureth them out upon the face of the earth: The LORD is his name:

Aarde gegrondvest / Earth Foudations:


Jesaja 48:

13 Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond, en Mijn rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten; wanneer Ik ze roep, staan zij daar te zamen.


Job 11
8 Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?
Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.

Job 38

1 Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:

2 Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?

3 Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.

4 Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.

5 Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?

6 Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?

7 Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.

8 Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?

9 Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;

10 Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;

11 En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.

12 Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats gewezen;

13 Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?

14 Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?

15 En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?

16 Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?

17 Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?

18 Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.

19 Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?

20 Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?

21 Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.

22 Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?

23 Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs!

24 Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?

25 Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?

26 Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;

27 Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.

28 Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?

29 Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?

30 Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.

31 Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?

32 Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden?

33 Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?

34 Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

35 Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?

36 Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?

37 Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?

38 Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?


Egypte

De Eerste Tijd van Egypte: de tijd van de sterrencultus en van de oudste astrologie

In Egypte ligt een van de Zeven Wereldwonderen: het Piramideveld met de drie reusachtige piramiden en de grote sfinx.
Het totale Piramideveld bestaat uit 11 piramiden, die samen een afbeelding vormen van het sterrenbeeld Orion op Aarde.
Zo boven, zo beneden.

De drie grote piramiden Cheops, Chefren en Mykerinos corresponderen met de drie sterren van de gordel van Orion. De Sfinx kijkt naar het punt aan de horizon waar de zon ooit tijdens de lente-equinox opkwam in het sterrenbeeld Leeuw, terwijl Orion op zijn laagste punt aan de hemel stond. Dit was het geval in ? v.Chr. en staat bekend als Zep Tepi, de Eerste Tijd van Osiris. De Laatste Tijd zal plaatsvinden wanneer Orion zijn hoogste positie aan de hemel heeft bereikt in 2012.

(Psalmen 104:19 Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.)


Osiris, Isis en Horus


De mythe van Osiris, Isis en Horus is het verhaal van de ziel, van dood en wedergeboorte. De Egyptenaren geloofden dat de zielen tussen incarnaties in, in de Melkweg leefden, en dat er twee ‘poorten’ naar de Melkweg waren. Dit zijn de Poort in het sterrenbeeld Tweelingen, met de ster Orion, waardoor zielen naar de aarde afdalen, en de Poort in het sterrenbeeld Schorpioen, waardoor de zielen weer naar de hemel opstijgen.


Orion

Samen met Osiris, de god van het dodenrijk, krijgt Isis een zoon: Horus, de god van het koningschap en de hemel. Door deze geboorte wordt Isis als het ware de symbolische moeder van de farao op aarde. Zij symboliseert de vrouwelijke kracht op aarde.
In het oude Egypte werd de regerende farao beschouwd als een god, en daarom gelijkgesteld aan Horus. Zodra de farao overleed werd hij een Osiris. De god Osiris wordt vanouds geassocieerd met het sterrenbeeld Schorpioen. Na zijn denkbeeldige dood neemt zijn zoon Horus als Orion zijn taak over. De levende farao vertegenwoordigde als Horus het sterrenbeeld Orion om na zijn dood als Osiris te verblijven in het sterrenbeeld Schorpioen. Wanneer de ster Orion opkomt (geboorte) aan de oostelijke horizon, verdwijnt (sterft) het sterrenbeeld Schorpioen onder de westelijke horizon. Dit is de reis van de ziel door de onderwereld.


  
                                             Flat Earth                                                                UN flag/Verenigde Naties vlag

Al Biruni (973-1048)

Mattheus 25
29 En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen,
en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.

Marcus 13
24 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven.
25 En de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden.

Kolossensen 3 
1 Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.
2 Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
3 Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.
4 Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

Deuteronomium 13
7 Van de goden der volken, die rondom u zijn, nabij u, of verre van u, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde;

Deuteronomium 28
49 De HEERE zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt; een volk, welks spraak gij niet zult verstaan;
64 En de HEERE zal u verstrooien onder alle volken, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde;
en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt, noch uw vaders, hout en steen.

Deuteronomium 30
4 Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, van daar zal u de HEERE, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen.
(KJV) 
If any of thine be driven out unto the outmost parts of heaven, from thence will the LORD thy God gather thee, and from thence will he fetch thee:

Job 38

13 Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?


Lexicon :: Strong's H8064 - shamayim

שָׁמַיִם

Transliteration
shamayim
Pronunciation
shä·mah'·yim (Key)
Part of Speech
masculine noun
Root Word (Etymology)
From an unused root meaning to be lofty
Dictionary Aids

TWOT Reference: 2407a

KJV Translation Count — Total: 420x
The KJV translates Strongs H8064 in the following manner: heaven (398x), air (21x), astrologers (with H1895) (1x).
Outline of Biblical Usage [?]
  1. heaven, heavens, sky

    1. visible heavens, sky

      1. as abode of the stars (als verblijfplaats van de sterren)

      2. as the visible universe, the sky, atmosphere, etc

    2. Heaven (as the abode of God)

Strong’s Definitions [?](Strong’s Definitions Legend)
שָׁמַיִם shâmayim, shaw-mah'-yim; dual of an unused singular שָׁמֶה shâmeh; from an unused root meaning to be lofty; the sky (as aloft; the dual perhaps alluding to the visible arch in which the clouds move, as well as to the higher ether where the celestial bodies revolve):—air, × astrologer, heaven(-s).



Psalmen 19
2 De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.
3 De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
4 Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.
5 Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.
6 En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.
7 Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.

Psalmen 72
5 Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.
6 Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.
7 In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij.
8 En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.

Genesis 2

4 Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en den hemel maakte.
5 En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde,
en er was geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen.
6 Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den gansen aardbodem.

1 Kronieken 16
30 Schrikt voor Zijn aangezicht, gij, gehele aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen worde.
Fear before him, all the earth: the world also shall be stable, that it be not moved. (KJV)


Psalmen 104
1 Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.

2 Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.

3 Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.

4 Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.

5 Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.

6 Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

7 Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.

8 De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

9 Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.

10 Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.

11 Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.

12 Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.

13 Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.

14 Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.

15 En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.

16 De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;

17 Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.

18 De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

19 Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.

20 Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:

21 De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.

22 De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.

23 De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.

24 Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.

25 Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.

26 Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.

27 Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.

28 Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.

29 Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.

30 Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.

31 De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.

32 Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.

33 Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.

34 Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.

35 De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!


Jesaja 40

21 Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet?

22 Hij is het, Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek,
en breidt ze uit als een tent, om te bewonen;


22 It is he that sitteth upon the circle of the earth, and the inhabitants thereof are as grasshoppers; that stretcheth out the heavens as a curtain,
and spreadeth them out as a tent to dwell in: (KJV)


Genesis 7
10 En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren.

11 In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.
 

Genesis 8
2 Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.

3 Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.

Maleachi 3
10 Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen,
of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.


2 Koningen 7
2 Maar een hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde den man Gods, en zeide: Zie,
zo de HEERE (YHWH) vensteren in den hemel maakte,
zou die zaak kunnen geschieden? En hij zeide: Zie, gij zult het met uw ogen zien, doch daarvan niet eten.
19 En die hoofdman had den man Gods geantwoord en gezegd: Zie, zo de HEERE vensteren in den hemel maakte, zou het ook naar dit woord geschieden kunnen? En hij had gezegd: Zie, gij zult het met uw ogen zien, doch daarvan niet eten.

Psalmen 19

2 De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.

3 De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.
4 Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.

5 Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.

6 En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.

7 Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop (baan die de zon maakt over de aarde, kringloop circulatie, roulatie, koers) tot aan de einden deszelven;
en niets is verborgen voor haar hitte.

JUBILEES 6
4 And YAHWEH smelt the goodly savior, and He made a covenant with him that there should not be any more a flood to destroy the earth; that all the days of the earth seed-time and harvest should never cease;cold and heat, and summer and winter, and day and night should not change their order, nor cease forever.

firmament is not a dome
stars and sun and moon (no planets) are mentioned in the Bible

 

2 Petrus 3
2 Opdat gij gedachtig zijt aan de woorden, die van de heilige profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die des Heeren en Zaligmakers apostelen zijn;
3 Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen,
4 En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping.
5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande;
6 Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is.
7 Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.

Psalmen 33

1 Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.
2 Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.
3 Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.
4 Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.
5 Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.
6 Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.
7 Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.
8 Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.
9 Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.
10 De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.
11 Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.
12 Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE (YHWH) is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft. (zie exodus 12:38+49-49)
13 De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.
14 Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.
15 Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.
16 Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;
17 Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.
18 Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.
19 Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.
20 Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.
21 Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.
22 Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.

Exodus 12
3 Spreekt tot de ganse vergadering van Israël, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis.
6 En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israël zal het slachten tussen twee avonden.
15 Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israël.
19 Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israël uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands.
20 Gij zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde broden eten.
38 En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee.
43 Voorts zeide de HEERE tot Mozes en Aäron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten.
44 Doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten. (Nu is dat geestelijke besnijdenis)
45 Geen uitlander noch huurling zal er van eten.
46 In een huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen, en gij zult geen been daaraan breken.
47 De ganse vergadering van Israël zal het doen.
48 Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en den HEERE het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene des lands; maar geen onbesnedene zal daarvan eten.
49 Enerlei wet zij voor den ingeborene, en den vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert.
50 En alle kinderen Israëls deden het; gelijk als de HEERE Mozes en Aäron geboden had, alzo deden zij.
51 En het geschiedde even ten zelfden dage, dat de HEERE de kinderen Israëls uit Egypteland leidde, naar hun heiren.

Dus in Egypte in de woestijn waren het niet meer alleen de 12 stammen van Israel maar ook veel vermengd volk die met hen optrok en tot Israel werden gerekend ze hadden allemaal enerlei wet.

Mattheus 2
6 En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël (Er staat niets van Joden of stam Juda vermeld zie exodus 12) weiden zal.

Exodus 19
13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE ben, Die u heilige.


Exodus 31
13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE ben, Die u heilige.

Jeremia 31

31 Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE (YHVH), dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
32 Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebbenhoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE (YHVH);
33 Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE (YHVH): Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.

Openbaring 14

12 Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden (TORAH) Gods bewaren en het geloof van Jezus (Yahushua).

Genesis 26

Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten (Torah).

Ezechiël 44

23 En zij (Levieten) zullen Mijn volk onderscheid leren tussen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tussen het onreine en reine.
24 En over een twistzaak zullen zij staan om te richten; naar Mijn rechten zullen zij hen richten; en zij zullen Mijn wetten en Mijn inzettingen op al Mijn gezette hoogtijden houden, en Mijn sabbatten heiligen.

Ezechiël 20
12 Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de HEERE (YHWH) ben, Die hen heilige.

Ezechiël 44

Dewijl (terwijl) gijlieden vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart (Juda: genaamd Joden) en onbesnedenen van vlees (Israel, Christenen), om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligente weten Mijn huis; als gij Mijn brood, het vette en het bloed offerdet, en zij Mijn verbond verbraken, nevens (naast) al uw gruwelen.
9 Alzo zegt de Heere (Adonai) HEERE (YHWH): Geen vreemde, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, zal in Mijn heiligdom ingaan, van enigen vreemde, die in het midden der kinderen Israëls is.

Ezekiel 44 (KJV)
7 In that ye have brought into my sanctuary strangers, uncircumcised in heart, and uncircumcised in flesh, to be in my sanctuary, to pollute it, even my house, when ye offer my bread, the fat and the blood, and they have broken my covenant because of all your abominations.
9 Thus saith the Lord GOD; No stranger, uncircumcised in 
heart, nor uncircumcised in flesh, shall enter into my sanctuary, of any stranger that is among the children of Israel.

Exodus 5

1 En daarna gingen Mozes en Aäron heen, en zeiden tot Farao: Alzo zegt de HEERE, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn!
2 Maar Farao zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken.
3 Zij dan zeiden: De God der Hebreën is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, den weg van drie dagen in de woestijn, en den HEERE, onzen God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie, of met het zwaard.

 

 

Job 9
1 Maar Job antwoordde en zeide:
2 Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
3 Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.
4 Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
5 Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;
6 Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;
7 Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;
8 Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;
9 Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
10 Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
11 Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
12 Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
13 God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.
14 Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
15 Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
16 Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.
17
Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.
18 Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
19 Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
20 Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.
21 Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.
22 Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.
23 Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.
24 De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?
25 En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.
26 Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.
27 Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;
28 Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.
29 Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?
30 Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;
31 Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.
32 Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
33 Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht.
34 Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
35 Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.


firmament
Also found in: Wikipedia.
fir·ma·ment (fûr′mə-mənt)
n.
The vault or expanse of the heavens; the sky.
[Middle English, from Old French, from Late Latin firmāmentum, from Latin, support, from firmāre, to strengthen; see firm2.]
fir′ma·ment′al (-mĕn′tl) adj.

American Heritage® Dictionary of the English Language, Fifth Edition. Copyright © 2011 by Houghton Mifflin Harcourt Publishing Company. Published by Houghton Mifflin Harcourt Publishing Company. All rights reserved.

firmament (ˈfɜːməmənt)
n
1. the expanse of the sky; heavens
[C13: from Late Latin firmāmentum sky (considered as fixed above the earth), from Latin: prop, support, from firmāre to make firm1]
firmamental adj

Collins English Dictionary – Complete and Unabridged © HarperCollins Publishers 1991, 1994, 1998, 2000, 2003
fir•ma•ment (ˈfɜr mə mənt)

n.
the arch or vault of heaven; sky.
[1250–1300; Middle English < Late Latin firmāmentum sky, Latin: support, prop]
fir•ma•men•tal (ˌfɜr məˈmɛn tl) adj.
Random House Kernerman Webster's College Dictionary, © 2010 K Dictionaries Ltd. Copyright 2005, 1997, 1991 by Random House, Inc. All rights reserved.
firmament - Means "vault of the sky," as a fixed structure.

See also related terms for vault.
Farlex Trivia Dictionary. © 2012 Farlex, Inc. All rights reserved.

Noun 1. firmament - the apparent surface of the imaginary sphere on which celestial bodies appear to be projected
celestial sphere, empyrean, heavens, vault of heaven, welkin, sphere
apex of the sun's way, solar apex, apex - the point on the celestial sphere toward which the sun and solar systemappear to be moving relative to the fixed stars
celestial point - a point in the heavens (on the celestial sphere)
nadir - the point below the observer that is directly opposite the zenith on the imaginary sphere against which celestialbodies appear to be projected
surface - the extended two-dimensional outer boundary of a three-dimensional object; "they skimmed over the surface of the water"; "abrush small enough to clean every dental surface"; "the sun has no distinct surface"
zenith - the point above the observer that is directly opposite the nadir on the imaginary sphere against which celestial bodies appear to beprojected
zodiac - a belt-shaped region in the heavens on either side to the ecliptic; divided into 12 constellations or signs for astrological purposes

Based on WordNet 3.0, Farlex clipart collection. © 2003-2012 Princeton University, Farlex Inc.

firmament
noun (Literary)
1. sky, skies, heaven, heavens, the blue, the skies, vault, welkin (archaic), empyrean (poetic), vault of heaven There are no stars in thefirmament.
2. arena, province, sphere, realm, domain He was a rising star in the political firmament.
Collins Thesaurus of the English Language – Complete and Unabridged 2nd Edition. 2002 © HarperCollins Publishers 1995, 2002
firmament noun
The celestial regions as seen from the earth:
air, heaven (often used in plural), sky.
Archaic: welkin.
The American Heritage® Roget's Thesaurus. Copyright © 2013, 2014 by Houghton Mifflin Harcourt Publishing Company. Published by Houghton Mifflin Harcourt Publishing Company. All rights reserved.
Translations Spanish / Español
Select a language:
firmament [ˈfɜːməmənt] N → firmamento m


Collins Spanish Dictionary - Complete and Unabridged 8th Edition 2005 © William Collins Sons & Co. Ltd. 1971, 1988 © HarperCollins Publishers 1992, 1993, 1996, 1997, 2000, 2003, 2005
firmament (ˈfəːməmənt) noun
the sky; the heavens. The stars shine in the endless firmament.firmamento
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.

 
dome (dōm)
n.

  • a. A roof or vault having a circular, polygonal, or elliptical base and a generally hemispherical orsemispherical shape.
    b. A geodesic dome.
  • A domelike structure or object.3. Geology Any of various natural structures having a rounded shape, especially:
a. A system of strata that is uplifted in the center, forming a concentric anticline.
b. A mass of granite that has been weathered into a rounded shape by exfoliation.
c. A mound formed by the extrusion of viscous lava from a volcano.
  • Chemistry A form of crystal with two similarly inclined faces that meet at an edge parallel to thehorizontal axis.
  • Slang The human head.
  • Archaic A large, stately building.
v. domed, dom·ing, domes
v.tr.
  • To cover with or as if with a dome.
  • To shape like a dome.
v.intr.
To rise or swell into the shape of a dome.
[From French dôme, dome, cathedral (from Italian duomo, cathedral, from Latin domus, house; see dem- in Indo-European roots) and from French dôme,roof (from Provençal doma, from Greek dōma, house; see dem- in Indo-European roots).]
dom′al (dō′məl) adj.
American Heritage® Dictionary of the English Language, Fifth Edition. Copyright © 2011 by Houghton Mifflin Harcourt Publishing Company. Published by Houghton Mifflin Harcourt Publishing Company. All rights reserved.

dome (dəʊm)
n
  • (Architecture) a hemispherical roof or vault or a structure of similar form
  • something shaped like this
  • (Chemistry) crystallog a crystal form in which two planes intersect along an edge parallel to a lateral axis
  • a slang word for the head
  • (Geological Science) geology
a. a structure in which rock layers slope away in all directions from a central point
b. another name for pericline2
vb (tr)
  • (Architecture) to cover with or as if with a dome
  • to shape like a dome
[C16: from French, from Italian duomo cathedral, from Latin domus house]
ˈdomeˌlike adj domical adj
Collins English Dictionary – Complete and Unabridged © HarperCollins Publishers 1991, 1994, 1998, 2000, 2003
dome (doʊm)

n., v. domed, dom•ing. n.
  •  
a. a vault, having a circular plan and usu. in the form of a portion of a sphere, so constructed as to exert an equal thrust in all directions.
b. a domical roof or ceiling.
c. a polygonal vault, ceiling, or roof.
  • Crystall. a form having planes that intersect the vertical axis and are parallel to one of the lateral axes.
  • Geol. a large-scale circular structural feature with flanks that slope gradually away from the center.
  • a raised, glass-enclosed section of the roof of a railway passenger car, placed over an elevated section of seats to afford a full view of scenery.
  • a mountain peak having a rounded summit.
  • Slang. a person's head.
v.t.
  • to cover with or as if with a dome.
  • to shape like a dome.
v.i.
  • to rise or swell as a dome.
[1505–15; < Middle French dome < Italian duomo < Medieval Latin domus (Deī) house (of God), church]
dom′al, adj.


2 Koningen 23
1 Toen zond de koning henen, en tot hem verzamelden al die oudsten van Juda en Jeruzalem.
2 En de koning ging op in het huis des HEEREN, en met hem alle man van Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, en de priesters en de profeten, en al het volk, van den minste tot den meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.
3 De koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser harte en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het ganse volk stond in dit verbond.
4 En de koning gebood den hogepriester Hilkia, en den priesteren der tweede ordening, en den dorpelbewaarders, dat zij uit den tempel des HEEREN alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al het heir des hemels gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen.
5 Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, mitsgaders, die voor Baäl, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al het heir des hemels rookten.
6 Hij bracht ook het beeld van het bos uit het huis des HEEREN weg, buiten Jeruzalem, tot de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof; en hij wierp het stof daarvan op de graven der kinderen des volks.
7 Daartoe brak hij de huizen der schandjongens af, die aan het huis des HEEREN waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het beeld van het bos weefden.
8 En hij bracht al de priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Geba af tot Ber-seba toe; en hij brak de hoogten der poorten af, ook die aan de deur der poort van Jozua, den overste der stad, was, welke aan iemands linkerhand was, in de stadspoort gaande.
9 Doch de priesters der hoogten offerden niet op het altaar des HEEREN te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broederen.
10 Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal der kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor den Molech door het vuur deed gaan.
11 En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van den ingang van het huis des HEEREN, tot de kamer van Nathan-melech, den hoveling, die in Parvarim was; en de wagenen der zon verbrandde hij met vuur.
12 Verder de altaren die op het dak der opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis des HEEREN gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron.
13 De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van den berg Mashith, die Salomo, de koning van Israël, voor Astoreth, het verfoeisel der Sidoniërs, en voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, en voor Milchom, den gruwel der kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.
14 Insgelijks brak hij de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij vervulde hun plaats met mensenbeenderen.
15 Daartoe ook het altaar, dat te Beth-el was, en de hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, dewelke Israël zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos.
16 En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op den berg waren, en zond henen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord des HEEREN, dat de man Gods uitgeroepen had, die deze woorden uitriep.
17 Verder zeide hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik zie? En de lieden der stad zeiden tot hem: Het is het graf van den man Gods, die uit Juda kwam, en deze dingen, die gij tegen dit altaar van Beth-el gedaan hebt, uitgeroepen heeft.
18 En hij zeide: Laat hem liggen, dat niemand zijn beenderen verroere. Zo bevrijdden zij zijn beenderen, met de beenderen van den profeet, die uit Samaria gekomen was.
19 Daartoe nam Josia ook weg al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden, om den HEERE tot toorn te verwekken; en hij deed dezelve naar al de daden, die hij te Beth-el gedaan had.
20 En hij slachtte al de priesteren der hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op dezelve. Daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.
21 En de koning gebood het ganse volk, zeggende: Houdt den HEERE, uw God, pascha, gelijk in dit boek des verbonds geschreven is.
22 Want gelijk dit pascha was er geen gehouden, van de dagen der richteren af, die Israël gericht hadden, noch in al de dagen der koningen van Israël, noch der koningen van Juda.
23 Maar in het achttiende jaar van den koning Josia, werd dit pascha den HEERE te Jeruzalem gehouden.
24 En ook deed Josia weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis des HEEREN gevonden had.
25 En voor hem was geen koning zijns gelijke, die zich tot den HEERE, met zijn ganse hart, en met zijn ganse ziel, en met zijn ganse kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op.
26 Nochtans keerde zich de HEERE van den brand Zijns groten toorns niet af, waarmede Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmede Manasse Hem getergd had.
27 En de HEERE zeide: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israël weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik verkoren heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen.
28 Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
29 In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen den koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josia toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had.
30 En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Joahaz, den zoon Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijns vaders plaats.
31 Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna.
32 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaderen gedaan hadden.
33 Doch Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij leide het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.
34 Ook maakte Farao Necho Eljakim, den zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar.
35 En Jojakim gaf dat zilver en dat goud aan Farao; doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Farao te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan Farao Necho te geven.
36 Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zebudda, een dochter van Pedaja, van Ruma.
37 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaders gedaan hadden.

Lexicon :: Strong's H4208 - mazzalah

מַזָּלוֹת

Transliteration
mazzalah
Pronunciation
maz·zä·lä' (Key) 
Part of Speech
feminine noun
Root Word (Etymology)
Apparently from נָזַל (H5140) in the sense of raining
Dictionary Aids

TWOT Reference: 1173

Variant Spellings

Variant spellings for this word: מזלות (Gesenius) מזלה (Strongs)

KJV Translation Count — Total: 1x
The KJV translates Strongs H4208 in the following manner: planet (1x).
Outline of Biblical Usage
  1. constellations

    1. signs of zodiac (maybe)

Strong’s Definitions [?](Strong’s Definitions Legend)
מַזָּלָה mazzâlâh, maz-zaw-law'; apparently from H5140 in the sense of raining; a constellation, i.e. Zodiacal sign (perhaps as affecting the weather):—planet. Compare H4216.

Lexicon :: Strong's H5140 - nazal

נָזַל

Transliteration
nazal
Pronunciation
nä·zal' (Key) 
Part of Speech
verb
Root Word (Etymology)
A primitive root
Dictionary Aids

TWOT Reference: 1337

KJV Translation Count — Total: 16x
The KJV translates Strongs H5140 in the following manner: flood (3x), flow (3x), stream (2x), pour out (1x), distil (1x), melted (1x), drop (1x), running waters (1x), flow out (1x), pour down (1x), gush out (1x).
Outline of Biblical Usage
  1. to flow, distil, flow forth or down, trickle, drop

    1. (Qal)

      1. to flow

        1. streams, floods (participle)

      2. to distil

    2. (Hiphil) to cause to flow

Strong’s Definitions [?](Strong’s Definitions Legend)
נָזַל nâzal, naw-zal'; a primitive root; to drip, or shed by trickling:—distil, drop, flood, (cause to) flow(-ing), gush out, melt, pour (down), running water, stream.
Gesenius' Hebrew-Chaldee Lexicon




The Book of Henoch

Hoofdstuk 18

1 Ik zag de kostbaarheden van alle winden: Ik zag hoe Hij daarmee de gehele schepping bekleed had
2 en de stevige fundamenten va n de aarde. En ik zag de hoeksteen van de aarde: Ik zag de vier
2
winden (de aarde en) het firmament van de hemel dragen. En ik zag hoe de winden de hemelgewelfen uitstrekken, en hun standplaats hebben tussen hemel en aarde: deze zijn de dragers
4 van de hemel. Ik zag de winden van de hemel die de kringomloop van de zon
5 en al de sterren naar hun posities brengt. Ik zag de winden op aarde de wolken dragen: Ik zag de
6 paden der engelen. Ik zag aan het eind der aarde het firmament van de hemel daarboven. En ik ging verder en zag een plaats die dag en nacht brandt, waar zeven bergen van schitterend gesteente zijn,
7 drie daarvan naar het oosten, en drie naar het zuiden. En wat betreft de drie naar het oosten, (een) was er van gekleurde steen, en een van parel, en een van hyacint, en die naar het zuiden waren van rode steen.
8 Maar de middelste reikte naar de hemel als de troon van God, van albast, en de top
9 van de troon was van safier. En ik zag een vlammend vuur. En voorbij deze bergen
10 is een gebied: de einden van de grote aarde: daar waren de hemelen voltooid. En ik zag een diepe afgrond,
11 met kolommen van hemels vuur, en temidden van hen zag ik kolommen van vallend vuur, die in afmeting hun gelijke niet hadden zowel wat betreft
12 de hoogte, als wat betreft de diepte. En voorbij die afgrond zag ik een plaats die geen firmament van een hemel erboven had, en geen stevig bevestigde aarde eronder: er was geen water op, en er waren geen
13 vliegende schepselen, maar het was een woeste en afschuwelijke plaats. Ik zag daar zeven sterren als grote brandende bergen,
14 en toen ik naar hen informeerde, zei de engel tegen mij: 'Deze plaats is het einde van hemel en aarde: dit is
15 de gevangenis geworden voor de sterren en de heerscharen. En de sterren die over het vuur heen rollen zijn degene die de verordening van de Heer (YHWH) overtreden hebben aan het begin
16 van hun opkomst, omdat deze niet op de voor hen bestemde tijden tevoorschijn kwamen. En Hij was verbolgen over hen, en bond hen tot aan de tijd dat hun schuld voleindigd zou worden, (zelfs) voor tienduizend jaar'.

Hoofdstuk 54
1 En ik keek en wendde mij tot een ander deel van de aarde, en zag daar een diepe vallei met brandend vuur.
2 En zij brachten de koningen en de machtigen en begonnen hen in deze diepe vallei te werpen.
3 En daar zagen mijn ogen hoe zij hier hun instrumenten maakten: ijzeren ketenen van een onmetelijk gewicht.
4 En ik vroeg aan de engel van vrede die mij begeleidde, zeggende: "Voor wie worden deze ketenen bereid?"
5 En hij zei tegen mij: "Deze worden gereed gemaakt voor de heerscharen van Azazel, zodat zij hen gevangen kunnen nemen en in de afgrond van volledige vervloeking kunnen werpen, en zij zullen hun klauwen met ruwe stenen bedekken, zoals de Heer der Geesten het bevolen heeft.
6 En Michaël en Gabriël en Rafaël en Fanuël zullen hen gevangen nemen op de grote dag, en hen op die dag in
de brandende oven werpen, zodat de Heer der Geesten wraak over hen kan uitoefenen voor hun onrechtvaardigheid, omdat zij zich aan Satan hebben onderworpen en degenen die op aarde verblijven hebben doen afdwalen.
7 En in die dagen zal de bestraffing door de Heer der Geesten komen, en Hij zal alle kamers met water openen, die boven het uitspansel zijn, en die beneden het aardoppervlak zijn.
8 En alle wateren zullen met de wateren verenigd worden: dat wat boven het uitspansel staat vormt het mannelijke,
9 en het water dat onder het oppervlak is vormt het vrouwelijke. En zij zullen allen vernietigen die
10 op aarde verblijven en die onder de uiteinden van het firmament verblijven. En wanneer zij de onrechtvaardigheid die zij op aarde bedreven hebben onder ogen hebben gezien, dan zullen zij daarmee vergaan.

Hoofdstuk 55
1 En daarna kreeg de Hoofd van Dagen spijt en zei: "Tevergeefs heb ik allen die op aarde verblijven vernietigd".
2 En hij zwoer bij Zijn grote naam: "Van nu af aan zal ik allen die op aarde verblijven iets dergelijks niet meer aandoen, en ik zal een teken aan de hemel zetten; en dit zal voor alle tijden tot een verzoek om goede wil tussen Mij en hen dienen, zolang als het firmament boven de aarde staat. En dit is overeenkomstig Mijn bevel.
3 Wanneer ik besloten heb om hen gevangen te nemen, door de hand van de engelen op de dag der verdrukking en de smart die er het gevolg van is, zal ik Mijn tuchtiging en Mijn wraak op hen doen neerkomen, zegt God, de
Heer der Geesten.
4 Gij machtige koningen die op aarde verblijft, gij zult Mijn Uitverkorene moeten aanschouwen; hoe hij, in de naam van de Heer der Geesten, op de troon van glorie zal zitten, en Azazel zal oordelen, en al zijn metgezellen, en al
zijn heerscharen".



4 Ezra 4

7 Toen zeide hij tot mij: Indien ik u vroeg en zeide: Hoeveel woningen zijn er in het hart der zee? of hoeveel aderen zijn er in het begin des afgronds? of hoeveel aderen zijn er boven het firmament? of welke zijn de uitgangen van het Paradijs?

8 Zo zoudt gij mij mogelijk zeggen: Ik ben in de afgrond niet nedergedaald, noch tot nog toe in de hel; en ik ben in de hemel nooit opgeklommen.


4 Ezra 6

41 En op de tweede dag schiept gij de lucht van het firmament, en hebt die bevolen, dat zij onderscheid zou maken tussen de wateren, zodat een deel opwaarts zou trekken, en een deel beneden zou blijven.




 

 




Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen