Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Zondvloed en Doop
De ark van Noach anno 2014. We zijn bijna aan het einde van de kerk zijn tijd. De eerste opstanding.
Kom figuurlijk gezien nu binnen als volgeling van Yeshua Messiach (Jezus Christus) en wordt een werker van God (YHWH). Degene die nu nog steeds niet gekozen hebben om 100% er voor te gaan krijgen met de zuiveringsperiode te maken. Iedereen gaat deze periode meemaken ook degene die al voor de Heere hebben gekozen. In de tijd van vervolging en guilotine (onthoofding) dood, enz..... Degene die nu ervoor kiezen om Yeshua (Jezus) werker te worden gaan mee met de eerste opstanding. 
Er zijn nu op dit moment er maar een paar die er echt zelf voor kiezen om Hem te dienen. Wil je ja zeggen en de vruchten dragen van de Geest. Neem dagelijks je kruis op en werk voor de Heer. Kruisig dagelijks je vlees en dien Hem. 
Jezus vraagt niet om perfectie en daarover vraag je dagelijks om vergeving van je zonden. Alle werkende Christenen voor Jezus die Hem echt toebehoren werken nu al voor Hem dagelijks door alle verdrukkingen (problemen) heen gaan ze gewoon door met het zenden van Gods Woord en zijn Koningkrijk. Het maakt niet uit wat je mee maakt in je leven Gods Woord moet je altijd blijven verkondigen ook al kost het je leven. Houdt je aan Zijn geboden.... en leef in het hiernamaals na de voleinding.
Degene die nu voor Jezus werken en Hem nu al dienen dat zijn degene die als Koningen over deze aarde in het 1000 jarig vrederijk regeren samen met Yeshua Messiach (Jezus Christus) Koning der Koningen. Haleluja.

Want velen worden geroepen maar weinig worden uit gekozen. Zeg je ja en je doet Het werk dan ga je mee met de eerste opstanding. Volg en dien Jezus nu op dit moment. De eerste opstanding is na de verdrukking wanneer Yeshua in de wolken komt om ons allen te halen. Eerst staan de doden uit hun graven op en daarna worden wij levenden die YHWH dienen meegenomen in de wolken.

Matthéüs 24

De komst van Christus
29 En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.
30 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.
31 En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.

Markus 13

Over de wederkomst
24 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven.
25 En de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden.
26 En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.
27 En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde, tot het uiterste des hemels.
28 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.
29 Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het nabij, voor de deur is.
30 Voorwaar, Ik zeg u, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
32 Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.

Creation / Evolution Debate 01 - Dr. Kent Hovind at University of West Florida
Revealing God's Treasure - The Red Sea Crossing (Evidence through findings)
Many missing links in the fossile record for Darwins Theory of Evolution
Proof of Creation | Bruce Malone | It's Supernatural with Sid Roth
Floods The watchers

Genesis 7

De zondvloed
Daarna zeide de HEERE (YHWH) tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.
Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.
Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de ganse aarde.
Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb.
En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.
Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was.
Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.
Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op den aardbodem kruipt,
Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had.
10 En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren.
11 In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand,
op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.
12 En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.
13 Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark;
14 Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.
15 En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.
16 En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de HEERE sloot achter hem toe.
17 En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde.
18 En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren.
19 En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder den gansen hemel zijn, bedekt werden.
20 Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt.
21 En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.
22 Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.
23 Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.
24 En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.


39 26'26.32"N / 44 14'04.54"E


In the Beginning: Evidence for Creation and the Flood.
The Great Dinosaur Deception Exposed - Dr. Thomas Kindell
LATEST DNA SCIENCE supports NOAH'S FLOOD! Carl Gallups Explains
Fountains of the Deep? Scientists Finally Discover Biblical Truth!

Matteüs 20
20
De gelijkenis der arbeiders in den wijngaard
Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard.
20
De gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard
Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een heer des huizes, die des morgens vroeg arbeiders voor zijn wijngaard ging huren.
En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een penning des daags, zond hij hen heen in zijn wijngaard.
Toen hij het met de arbeiders eens geworden was voor een schelling ’s daags, zond hij hen in zijn wijngaard.
En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen, ledig staande op de markt.
En omstreeks het derde uur ging hij naar buiten en zag nog anderen werkloos op de markt staan,
En hij zeide tot dezelve: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven. En zij gingen.
en hij zeide tot hen: Gaat ook gij in de wijngaard en wat billijk is zal ik u geven. En zij gingen.
Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks.
Omstreeks het zesde en het negende uur ging hij wéér naar buiten en handelde evenzo.
En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den gehelen dag ledig?
Toen hij omstreeks het elfde uur naar buiten ging, vond hij nog anderen staan en zeide tot hen: Waarom staat gij hier de gehele dag werkloos?
Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zult gij ontvangen.
Zij zeiden tot hem: Omdat niemand ons gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij in de wijngaard.
8 Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards, tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten.
Toen de avond viel, zeide de heer van de wijngaard tot zijn opzichter: Roep de arbeiders en betaal het loon uit, te beginnen bij de laatsten, tot de eersten.
En als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.
Toen zij, die omstreeks het elfde uur gehuurd waren, kwamen, ontvingen zij ieder een schelling.
10 En de eersten komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelven ontvingen ook elk een penning.
10 En toen de eersten kwamen, meenden dezen, dat zij meer zouden ontvangen. En zij ontvingen eveneens ieder een schelling.
11 En dien ontvangen hebbende, murmureerden zij tegen den heer des huizes,
11 Toen zij die ontvingen, morden zij tegen de heer des huizes,
12 Zeggende: Deze laatsten hebben maar één uur gearbeid, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.
12 en zij zeiden: Deze laatsten hebben één uur gewerkt en gij hebt hen met ons gelijkgesteld, die een zware dag en de hitte hebben doorstaan.
13 Doch hij, antwoordende, zeide tot een van hen: Vriend! ik doe u geen onrecht; zijt gij niet met mij eens geworden voor een penning?
13 Maar hij antwoordde een van hen en zeide: Vriend, ik doe u geen onrecht. Zijt gij het niet met mij eens geworden voor een schelling?
14 Neem het uwe en ga heen. Ik wil dezen laatste ook geven, gelijk als u.
14 Neem het uwe en ga heen; ik wil deze laatsten hetzelfde geven als u.
15 Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?
15 Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?
16 Alzo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
Derde aankondiging van het lijden
16 Alzo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn.
De derde aankondiging van het lijden
17 En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op den weg, en zeide tot hen:
17 Toen Jezus zou opgaan naar Jeruzalem, nam Hij de twaalven terzijde, en onderweg sprak Hij tot hen:
18 Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren en schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen;
18 Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en schriftgeleerden en zij zullen Hem ter dood veroordelen.
19 En zij zullen Hem den heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.
De twee zonen van Zebedéüs
19 En zij zullen Hem overleveren aan de heidenen om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen, en ten derden dage zal Hij opgewekt worden.
Niet heersen, maar dienen
20 Toen kwam de moeder der zonen van Zebedéüs tot Hem met haar zonen, Hem aanbiddende, en begerende wat van Hem.
20 Toen kwam de moeder der zonen van Zebedeüs tot Hem, met haar zonen, en zij boog zich voor Hem neder, om iets van Hem te vragen.
21 En Hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de een tot Uw rechter- en de ander tot Uw linkerhand in Uw Koninkrijk.
21 Hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen mogen zitten, één aan uw rechterzijde en één aan uw linkerzijde in uw Koninkrijk.
22 Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen.
22 En Jezus antwoordde en zeide: Gij weet niet wat gij vraagt. Kunt gij de beker drinken, die Ik zal drinken? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen het.
23 En Hij zeide tot hen: Mijn drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop, waarmede Ik gedoopt worde, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter-, en tot Mijn linkerhand staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden dien het bereid is van Mijn Vader.
23 Hij zeide tot hen: Mijn beker zult gij wel drinken, maar het zitten aan mijn rechterzijde en linkerzijde staat niet aan Mij te geven, maar het is voor hen, voor wie het bereid is door mijn Vader.
24 En als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders.
24 En toen de tien dit hoorden, namen zij het de beide broeders kwalijk.
25 En als Jezus hen tot Zich geroepen had, zeide Hij: Gijweet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen, en de groten gebruiken macht over hen.
25 Doch Jezus riep hen tot Zich en zeide: Gij weet, dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en de rijksgroten oefenen macht over hen.
26 Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar;
26 Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienaar zijn,
27 En zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht.
27 en wie onder u de eerste wil zijn, zal uw slaaf zijn;
28 Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.
De twee blinden van Jericho
28 gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.
De genezing van twee blinden
29 En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd.
29 En toen zij uit Jericho gingen, volgde Hem een grote schare.
30 En ziet, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, Gij Zone Davids! ontferm U onzer.
30 En zie, twee blinden, die aan de weg zaten, riepen, toen zij hoorden, dat Jezus voorbijging, zeggende: Here, heb medelijden met ons, Zoon van David!
31 En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U onzer, Heere, Gij Zone Davids!
31 En de schare bestrafte hen, dat zij zwijgen zouden. Maar zij riepen te meer, zeggende: Here, heb medelijden met ons, Zoon van David!
32 En Jezus, stil staande, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doe?
32 En Jezus stond stil, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?
33 Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden.
33 Zij zeiden tot Hem: Here, dat onze ogen geopend worden.
34 En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.
34 Jezus werd met ontferming bewogen en raakte hun ogen aan, en terstond werden zij ziende en zij volgden Hem.

JUBILEES 5
17 And of the children of Yisrael it has been written and ordained: If they turn to HIM in righteousness He will forgive all their transgressions and pardon all their sins. It is written and ordained that He will show mercy to all who turn from all their guilt once each year.
20 And YAHWEH said that he would destroy everything which was upon the earth, both men and cattle, and beasts, and fowls of the air, and that which moves on the earth.
21 And He commanded Noah to make him an ark, that he might save himself from the waters of the flood.
22 And Noah made the ark in all respects as He commanded him, in the twenty-seventh jubilee of years, in the fifth week in the fifth year (on the new month of the first month). [1307 A.M.]
23 And he entered in the sixth (year) thereof, [1308 A.M.] in the second month, on the new month of the second month, till the sixteenth; and he entered, and all that we brought to him, into the ark, and YAHWEH closed it from without on the seventeenth evening.
24 And YAHWEH opened seven flood-gates of heaven, And the mouths of the fountains of the great deep, seven mouths in number.
25 And the flood-gates began to pour down water from the heaven forty days and forty nights, And the fountains of the deep also sent up waters, until the whole world was full of water.
26 And the waters increased upon the earth: Fifteen cubits did the waters rise above all the high mountains, And the ark was lift up above the earth, And it moved upon the face of the waters.
27 And the water prevailed on the face of the earth five months -one hundred and fifty days.
28 And the ark went and rested on the top of Lubar, one of the mountains of Ararat.

JUBILEES 6
4 And YAHWEH smelt the goodly savior, and He made a covenant with him that there should not be any more a flood to destroy the earth; that all the days of the earth seed-time and harvest should never cease; cold and heat, and summer and winter, and day and night should not change their order, nor cease forever.
5 'And you, increase you and multiply upon the earth, and become many upon it, and be a blessing upon it. The fear of you and the dread of you I will inspire in everything that is on earth and in the sea.
6 And behold I have given unto you all beasts, and all winged things, and everything that moves on the earth, and the fish in the waters, and all things for food; as the green herbs, I have given you all things to eat.
7 But flesh, with the life thereof, with the blood, you shall not eat; for the life of all flesh is in the blood, lest your blood of your lives be required. At the hand of every man, at the hand of every (beast) will I require the blood of man.
8 Whoso sheds man's blood by man shall his blood be shed, for in the image of YAHWEH made He man.
9 And you, increase you, and multiply on the earth.’
10 And Noah and his sons swore that they would not eat any blood that was in any flesh, and he made a covenant before YAHWEH forever throughout all the generations of the earth in this month.
11 On this account He spoke to you that you should make a covenant with the children of Yisrael in this month upon the mountain with an oath, and that you should sprinkle blood upon them because of all the words of the covenant, which YAHWEH made with them forever.
12 And this testimony is written concerning you that you should observe it continually, so that you should not eat on any day any blood of beasts or birds or cattle during all the days of the earth, and the man who eats the blood of beast or of cattle or of birds during all the days of the earth, he and his seed shall be rooted out of the land.
13 And do you command the children of Yisrael to eat no blood, so that their names and their seed may be before YAHWEH our Sovereign Ruler continually.
14 And for this Torah there is no limit of days, for it is forever. They shall observe it throughout their generations, so that they may continue supplicating on your behalf with blood before the altar; every day and at the time of morning and evening they shall seek forgiveness on your behalf perpetually before YAHWEH that they may keep it and not be rooted out.
15 And He gave to Noah and his sons a sign that there should not again be a flood on the earth.
16 He set His bow in the cloud for a sign of the eternal covenant that there should not again be a flood on the earth to destroy it all the days of the earth.
17 For this reason it is ordained and written on the heavenly tablets, that they should celebrate the "Feast of Weeks" in this month once a year, to renew the covenant every year.
18 And this whole festival was celebrated in heaven from the day of creation till the days of Noah -twenty six jubilees and five weeks of years [1309-1659 A.M.]: and Noah and his sons observed it for seven jubilees and one week of years (350 years), till the day of Noah's death, and from the day of Noah's death his sons did away with it until the days of Abraham, and they eat blood.
19 But Abraham observed it, and Yitschaq and Yacob and his children observed it up to your days, and in your days the children of Yisrael forgot it until you celebrated it anew on this mountain.
20 And do you command the children of Yisrael to observe this festival in all their generations for a commandment unto them: one day in the year in this month they shall celebrate the festival.
21 For it is the "Feast of Weeks" and the “Feast of First Fruits:” this feast is twofold and of a double nature: according to what is written and engraved concerning it, celebrate it.
22 For I have written in the book of the first Torah, in that which I have written for you, that you should celebrate it in its season, one day in the year, and I explained to you its sacrifices that the children of Yisrael should remember and should celebrate it throughout their generations in this month, one day in every year.
23 And on the new month of the first month, and on the new month of the fourth month, and on the new month of the seventh month, and on the new month of the tenth month are the days of remembrance, and the days of the seasons in the four divisions of the year. These are written and ordained as a testimony forever.
24 And Noah ordained them for himself as feasts for the generations forever, so that they have become thereby a memorial unto him.

Day and Night take 2



Ataque Anguila GIGANTE

De zondvloed: een wereldgroot probleem voor revisionisten

De grootste catastrofe (op de zondeval na) die onze planeet ooit getroffen heeft, is ongetwijfeld de zondvloed, die in Genesis 6 – 9 uitvoerig wordt besproken. Deze wereldwijde overstroming, die ruim een jaar duurde, vernietigde alle mensen en door hun neus ademende landdieren (Genesis 7:22) die niet in de ark waren. Zo’n waterramp moet gepaard zijn gegaan met buitengewoon veel watererosie van het landoppervlak, en het afgeschaafde materiaal (sediment) moet elders weer afgezet zijn in dikke lagen (aardlagen). In deze aardlagen verwachten we de fossiele overblijfselen te vinden van vele planten en dieren die tijdens de vloed door het sediment bedolven zijn.

En dat is natuurlijk exact wat we waarnemen: op grote delen van alle continenten treffen we inderdaad aardlagen met fossielen aan. Sterker nog, in deze aardlagen vinden we vele aanwijzingen dat deze snel en op catastrofale wijze gevormd moeten zijn, bijvoorbeeld:

  1. Fossielen duiden op snelle sedimentatie: als dode organismen niet snel van de buitenlucht afgesloten worden, vergaan ze. Vele fossielen zijn zelfs uitstekend bewaard gebleven.
  2. Er zijn vele fossielen die extra nadrukkelijk getuigen van razendsnelle sedimentatie, zoals van vissen die net bezig waren een andere vis op te eten, toen ze door sediment bedolven werden.
  3. Als (bijna) complete skeletten van dinosauriërs en vogels worden gevonden, laten die vaak het verschijnsel opisthotonus zien: de nek is ver naar achteren (of omhoog) getrokken. Opisthotonus kan bij warmbloedigen optreden wanneer ze sterven door verstikking. Dat is precies wat we zouden verwachten in het kader van een overstroming.
  4. Fossiele schelpdieren worden vaak in gesloten positie gevonden. Veel soorten schelpdieren openen zich automatisch wanneer ze sterven. Gesloten fossiele schelpen wijzen op een snel en catastrofaal proces, waarbij de schelpdieren levend begraven zijn.
  5. Veel aardlagen strekken zich uit over enorme oppervlakten, soms wel honderden of duizenden vierkante kilometers. Dat toont aan dat de gebeurtenis waarbij deze lagen gevormd zijn, zeer grootschalig is geweest.
  6. Gebrek aan sporen van erosie en bodemvorming tussen de verschillende aardlagen, geeft aan dat de lagen snel na elkaar afgezet zijn.
  7. Soms zijn hele pakketten aardlagen sterk geplooid / verbogen, zonder dat ze gebroken of gebarsten zijn. Het is waarschijnlijk dat de lagen nog zacht en dus vervormbaar waren toen dat gebeurde. Dat duidt op een snelle afzetting van de aardlagen en korte tijd later tektonische verschuivingen die zorgden voor horizontale samenpersing.

Dit zijn nog maar een paar van de vele geologische argumenten voor de zondvloed. Je zou zeggen: christenen hebben alle reden om uit te gaan van de historische betrouwbaarheid van het zondvloedverhaal.

Maar sinds zo’n twee eeuwen gaat de meerderheid van de geologen er vanuit dat de aardlagen gevormd zijn over lange perioden van miljoenen jaren. De meeste van deze aardlagen en fossielen zouden dan veel ouder zijn dan de aarde volgens de Bijbel is (zo’n 6000 jaar). Dit is zo’n dominante stroming geworden, dat verhalen over ‘miljoenen jaren’ ons bijna wekelijks bereiken via de media, het onderwijs en musea.

Revisionistische interpretaties van Genesis

Gezien de monopoliepositie van evolutionisten in de media en het onderwijs, en aangezien bijna niemand goed op de hoogte is van de argumenten voor een wereldwijde zondvloed en een jonge aarde, is het niet verwonderlijk dat velen denken dat de wetenschap heeft aangetoond dat de aarde miljoenen jaren oud is. En het is dan ook niet onbegrijpelijk dat veel christenen het historische verslag in Genesis proberen te herinterpreteren om deze in overeenstemming te brengen met de heersende opinie onder wetenschappers.

Er zijn verschillende van deze herinterpretaties van Genesis in omloop (omdat het revisies van de oorspronkelijke interpretatie zijn, zal ik deze herinterpretaties hier revisionistische modellen noemen, en de aanhangers ervan revisionisten). Sommigen zeggen dat er tussen de eerste twee verzen van Genesis 1 een groot tijdsgat zit, waarin van alles gebeurd is. Anderen denken dat de scheppingsdagen in feite lange perioden waren, in plaats van dagen van 24 uur. Weer anderen stellen dat Genesis 1 helemaal niet als historisch verslag moet worden gelezen, en dat er uit de Bijbel dus helemaal niet afgeleid kan worden hoe en wanneer de wereld en de mensheid zijn ontstaan. Binnen deze laatste categorie vallen theïstisch evolutionisten, zoals Cees Dekker, René Fransen en Francis Collins.

Maar wat bijna alle revisionistische modellen gemeen hebben, is dat ze stellen dat de aardlagen (met fossielen van bijvoorbeeld trilobieten en dinosauriërs erin) inderdaad miljoenen jaren oud zijn. Eén van de vele problemen die deze revisionistische interpretaties creëren, is dat er geen ruimte meer is voor Noachs zondvloed. Revisionisten accepteren het algemene verhaal over de geschiedenis van de aarde dat geologen ons vertellen, en binnen dat verhaal is er geen plaats voor een zondvloed. Geen enkel aardlaagje wordt toegeschreven aan een wereldwijde zondvloed.

Dus hoe gaan revisionisten met deze situatie om? Er zijn grofweg drie stromingen…

Revisionistisch model 1: de wereldwijde zondvloed heeft amper sporen achtergelaten

Volgens dit model was de zondvloed zó kalm, dat het amper heeft geleid heeft tot enige erosie en sedimentatie. Om een aantal redenen is dit model totaal onhoudbaar:

  • Het is simpelweg onmogelijk dat een wereldwijde overstroming weinig tot geen geologisch werk verricht. Zelfs de tsunami die in december 2004 de kustgebieden van de Indische oceaan teisterde heeft enkele aardlagen neergelegd, die door geologen onderzocht worden. En dat vloedgolfje was niks vergeleken met een wereldwijde overstroming. Dit kan niet genoeg benadrukt worden: een wereldwijde vloed (die ook nog eens een jaar duurde) moet gigantische hoeveelheden geologisch werk verricht hebben.
  • De Bijbelse omschrijving past niet bij een ‘kalme’ vloed. Er staat dat ‘alle fonteinen des groten afgronds’ openbraken.
  • Aldus revisionisten zijn bergketens uiterst langzaam omhoog gedrukt, doordat tektonische platen tegen elkaar aanduwen. De Himalaya zou dus al hebben bestaan voordat de zondvloed plaatsvond. Waar kwam al het water vandaan om de Himalaya blank te zetten? Bijbelgetrouwe creationisten hebben dit probleem niet, omdat ze niet geloven dat bergketens reeds miljoenen jaren oud zijn. Bergketens zijn ontstaan doordat aardschollen tijdens de zondvloed op catastrofale wijze tegen elkaar aan botsten.
  • Volgens de gangbare theorieën leven kangoeroes al miljoenen jaren in Australië, lemuren al miljoenen jaren in Madagaskar, reuzenmiereneters al miljoenen jaren in Zuid Amerika, et cetera, zonder dat ze enkele duizenden jaren geleden zijn uitgestorven door een wereldwijde zondvloed. De ‘kalme zondvloed’-hypothese is dus niet in overeenstemming met de gangbare theorieën die haar aanhangers zo graag willen accepteren.

Goed, de meeste revisionisten zien ook wel in dat de ‘kalme zondvloed’-hypothese onwerkbaar is, dus laten we naar het volgende model gaan.

Revisionistisch model 2: de vloed was slechts plaatselijk, en niet alle mensen kwamen om

Volgens sommigen was de zondvloed slechts een regionale gebeurtenis, waarbij dan ook niet alle mensen omkwamen. De problemen met dit model zijn legio:

  • Dit gaat gewoon rechtstreeks tegen het Bijbelse verslag in. Ik ga niet eens specifieke teksten aanhalen om dit te onderbouwen; iedereen kan het zelf nalezen in Genesis 6 tot 9, en ik raad de lezer dan ook graag aan dit te doen.
  • In Genesis 9:11 belooft God nooit meer een zondvloed te sturen. Maar als de zondvloed slechts lokaal was, heeft God zijn belofte heel vaak verbroken! Er zijn immers regelmatig plaatselijke overstromingen, waarbij mensen en dieren omkomen. Dit model maakt van God een leugenaar.
  • In Genesis 10 worden de afstammelingen van Noachs zonen Jafet, Cham en Sem opgesomd, en deze opsomming wordt besloten met (vers 32): ‘En van dezen verdeelden zich de volken op de aarde na de vloed.’ De NBV 2004 zegt het voor de moderne lezer nog iets duidelijker: ‘Van hen stammen de verschillende volken af die zich na de zondvloed over de aarde hebben verspreid.’ Met andere woorden, alle volken stammen af van Noach, en niet van mensen die de zondvloed elders overleefd hebben.
  • Dat alleen Noach en zijn familie overleefden wordt ondersteund door 2 Petrus 2:5 en 1 Petrus 3:20.
  • Dat alle volken afstammen van Noach en zijn familie wordt ondersteund door de wereldwijde verspreiding van zondvloedlegenden.

Er valt nog veel meer tegen dit model in te brengen. Sommige van de argumenten die tegen het volgende revisionistische model ingebracht zullen worden, zijn ook op dit model van toepassing.

Revisionistisch model 3: de vloed was slechts plaatselijk, maar alle mensen kwamen om

Van de verschillende ideeën die revisionisten hebben over de zondvloed, is dit het meest verfijnde. Maar zoals we zullen zien kleven er ook aan dit model onoverkomelijke bezwaren.

Dit model behelst dat de mensheid zich ten tijde van de zondvloed nog maar over een beperkt deel van de wereld verspreid had, wellicht ergens in het Midden Oosten. Dus kon de hele mensheid uitgeroeid worden met slechts een plaatselijke overstroming. We zullen nu eerst kijken op welke manier revisionisten het zondvloedverhaal proberen te herinterpreteren om er een lokale overstroming uit af te leiden. Daarna zullen we een aantal problemen met deze interpretatie behandelen.

Wie het zondvloedverslag leest, valt het op dat er herhaaldelijk in universele termen gesproken wordt:

Genesis 6
7  En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.
11 De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij.
12  En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven.
13 Toen zeide God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen.
17  Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is, zal omkomen.
20  Van het gevogelte naar zijn aard en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte van de aardbodem naar zijn aard, van alles zal een paar tot u komen om het in het leven te behouden.

Genesis 7
4  Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten doen regenen, en Ik zal alles wat bestaat, hetgeen Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen.
11 In Noachs zeshonderdste levensjaar, in de tweede maand, op de zeventiende dag der maand, op die dag braken alle kolken der grote waterdiepten open en werden de sluizen des hemels geopend.
15  zij kwamen dan tot Noach in de ark twee aan twee, van al wat leeft, waarin een levensgeest is.
18  Toen de wateren zeer toenamen en sterk wiesen boven de aarde, dreef de ark op de wateren.
19  En de wateren namen geweldig sterk toe over de aarde, en alle hoge bergen onder de ganse hemel werden overdekt.
20  Vijftien el daarboven stegen de wateren, en de bergen werden overdekt.
21 En al wat leeft, dat zich op de aarde roert, het gevogelte, het vee en het wild gedierte en alle wemelend gedierte, dat op de aarde wemelt, benevens alle mensen, kwamen om.
22  Alles, in welks neus de adem van de levensgeest was, alles wat op het droge was, stierf.
23  Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, mensen zowel als vee en kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, zodat zij verdelgd werden van de aarde; Noach alleen bleef over en wat met hem in de ark was.

Twee Hebreeuwse woorden die ons in deze passages het gevoel van universaliteit overbrengen zijn erets (vertaald met ‘aarde’) en kol (meestal vertaald met ‘al’ of ‘alles’). Revisionisten stellen dat de woorden erets en kol ook een beperktere betekenis kunnen hebben. En daarin hebben ze natuurlijk gelijk. Om een voorbeeld te noemen, in Genesis 3:20 wordt Eva ‘de moeder van alle [kol] levenden’ genoemd. Iedereen begrijpt dat ‘alle levenden’ hier alleen betrekking heeft op mensen, niet op andere organismen. Het woordje kol heeft hier dus een ingeperkte betekenis. En wat te denken van de volgende tekst?

Genesis 41:57
En de gehele [kol] wereld [erets] kwam naar Egypte om bij Jozef koren te kopen, want de honger was sterk op de gehele aarde.

Het moge duidelijk zijn dat de Amerikaanse Indianen en Australische Aboriginals niet naar Egypte gingen om graan te kopen. Kol erets heeft hier dus een beperktere betekenis. En zo zijn er nog wel meer voorbeelden aan te dragen.

Erets kan zowel ‘aarde’ betekenen als ‘land’ (bijvoorbeeld het land waar een volk leeft). Dat een woord meerdere betekenissen kan dragen, wil natuurlijk niet zeggen dat we naar eigen voorkeur een betekenis kunnen kiezen. De betekenis moet uit de context worden afgeleid.

Revisionisten redeneren dat de mensheid hier een centrale rol speelt, en dat de geografische verspreiding van de mensheid dus de limiterende specificatie is voor de term erets. Met andere woorden, als de mensheid zich nog maar over een beperkt deel van de wereld verspreid had, bijvoorbeeld alleen over Mesopotamië, dan kan het zo zijn dat erets alleen dát gebied aanduidt, niet de hele wereld. En dan zal iedere verwijzing naar ‘al wat leeft’ in de bovenstaande passages slechts al het leven in dit beperkte deel van de wereld op het oog hebben.

Nogmaals: revisionisten stellen dat de reikwijdte van erets wordt bepaald door de geografische verspreiding van de mensheid, en dat erets op zijn beurt de reikwijdte van kol aangeeft. Met ‘al [kol] wat leeft’ wordt dus alleen al het leven binnen de regio [erets] bedoeld.

Revisionisten stellen dus dat de vertalers van alle Bijbelvertalingen het woordje erets onjuist vertaald hebben in ‘aarde’, en dat het eigenlijk ‘land’ of ‘regio’ moet zijn. Ik zal nu eerst betogen dat de Bijbelvertalers zich niet vergist hebben. Daarna zal ik ingaan op andere problemen met dit revisionistische model.

1. De context geeft aan dat erets de hele aarde aanduidt

Als we de context van het zondvloedverhaal in ogenschouw nemen, wordt duidelijk dat erets in dit geval gewoon ‘aarde’ betekent. Het zondvloedverhaal bevindt zich namelijk in de bredere context van de schepping van de wereld vóór de vloed, en de rekolonisatie van diezelfde wereld ná de vloed.

Aan het begin van het zondvloedverslag wordt ons de reden voor de catastrofe medegedeeld:

Genesis 6
5  Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6  berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7  En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.

In deze passage wordt drie keer duidelijk een link gelegd met de schepping. ‘Dat Hij de mens op de aarde [erets] gemaakt had’ is overduidelijk een verwijzing naar Genesis 1, en we kunnen er redelijkerwijs niet aan twijfelen dat erets hier gewoon aarde betekent. In Genesis 1 komt het woord erets 16 maal voor, en daar duidt het de hele aarde aan (vanaf 1:10 al het droge land), niet slechts een gedeelte ervan. Het is dus zeer waarschijnlijk dat erets in Genesis 6 dezelfde betekenis draagt.

De bedoeling van de zondvloed was om de levende wezens die God gemaakt had uit te roeien. In dit verband worden ook de landdieren en vogels genoemd, waarvan niemand betwijfelt dat die een wereldwijde verspreiding hadden.

Verderop in het verhaal komen we opnieuw een verwijzing naar de schepping tegen:

Genesis 7:4 (NBG ’51)
Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten doen regenen, en Ik zal alles wat bestaat, hetgeen Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen.

Genesis 7:4 (NBV 2004)
Want over zeven dagen zal ik het veertig dagen en veertig nachten op de aarde laten regenen; dan zal ik alles wat er bestaat van de aardbodem wegvagen, alles wat ik heb gemaakt.

In dit vers komt heel duidelijk naar voren dat erets niet de limiterende specificatie is die ‘alles wat bestaat’ inperkt. De frase ‘wat Ik heb gemaakt’ specificeert waar het woordje ‘alles’ over gaat. Dus op de vraag ‘wat heeft God weggevaagd?’ luidt het antwoord ‘alles wat God heeft gemaakt’.

Ook na de vloed zijn er sterke parallellen met het scheppingsverhaal. In deze tabel worden een aantal verzen uit Genesis 1 en Genesis 9 naast elkaar gezet.

 

Na de schepping  Na de zondvloed
Gen 1:28 - En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde [erets] en onderwerpt haar … Gen 9:1 - En God zegende Noach en zijn zonen en zeide tot hen: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de aarde [erets].
Gen 1:28 - … heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. Gen 9:2 - En de vrees en de schrik voor u zij over al het gedierte der aarde en over al het gevogelte des hemels, al wat zich op de aardbodem roert en alle vissen der zee; in uw hand zijn zij gegeven.
Gen 1:29 - En God zeide: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen. Gen 9:3 - Alles wat zich roert, wat leeft, zal u tot spijze zijn; Ik heb het u alles gegeven evenals het groene kruid.

Deze duidelijke parallellen tussen de schepping en de rekolonisatie na de zondvloed onderstrepen eens te meer de bredere context waarin het zondvloedverhaal gelezen moet worden. Na de schepping kreeg de mensheid de opdracht de erets te vullen (Gen 1:28), en na de zondvloed kreeg de mensheid wederom de opdracht de erets te vullen (Gen 9:1). Het is duidelijk dat de betekenis van erets in beide gevallen dezelfde moet zijn: aarde.

Nog een stukje context dat aangeeft dat de zondvloed wereldwijd was, en erets de hele aarde aanduidt, is het verbond dat God met alle opvarenden van de Ark sluit:

Genesis 9
8 En God zeide tot Noach en tot zijn zonen met hem: 9 Zie, Ik richt mijn verbond op met u en met uw nageslacht, 10 en met alle levende wezens die bij u zijn: het gevogelte, het vee en het wild gedierte der aarde bij u, allen, die uit de ark gegaan zijn, alle gedierte der aarde. 11 Ik dan richt mijn verbond met u op, dat voortaan niets dat leeft, meer door de wateren van de zondvloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen zondvloed meer wezen zal, om de aarde te verderven. 12 En God zeide: Dit is het teken van het verbond, dat Ik geef tussen Mij en u en alle levende wezens, die bij u zijn, voor alle volgende geslachten: 13 mijn boog stel Ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen Mij en de aarde. 14 Wanneer Ik dan wolken over de aarde breng en de boog in de wolken verschijnt, 15 zal Ik mijn verbond gedenken, dat tussen Mij en u en alle levende wezens van alle vlees bestaat, zodat de wateren niet weer tot een vloed zullen worden om al wat leeft te verderven. 16 Als de boog in de wolken is, dan zal Ik hem zien, zodat Ik mijn eeuwig verbond gedenk tussen God en alle levende wezens van alle vlees, dat op aarde is. 17 En God zeide tot Noach: Dit is het teken van het verbond, dat Ik heb opgericht tussen Mij en al wat op de aarde leeft.

God sluit dit verbond met alle mensen en dieren die uit de Ark kwamen (vers 10), en dat is ‘al wat op aarde leeft’ (verzen 10 en 17). Moeten we geloven dat God dit verbond alleen maar sloot met de paar dieren die uit de Ark kwamen, maar niet met de miljarden andere dieren in andere delen van de wereld, die nooit iets van het plaatselijke overstrominkje gemerkt hebben? Natuurlijk niet. God sloot dit verbond inderdaad met alle levende wezens die op dat moment bestonden, en die kwamen allemaal uit de Ark, want de vloed was wereldwijd.

We kunnen dus concluderen dat de contextuele gegevens erop wijzen dat erets in de Bijbelvertalingen terecht vertaald is met ‘aarde’. Genesis vertelt ons dus inderdaad dat de zondvloed wereldwijd was. Daarnaast zijn er nog andere problemen met het idee dat de zondvloed slechts plaatselijk was, maar wel alle mensen omkwamen. Deze problemen zullen we nu bespreken.

2. ‘Alle hoge bergen onder de ganse hemel…’

Laten we eens even stilstaan bij één specifieke passage:

Genesis 7
19 En de wateren namen geweldig sterk toe over de aarde, en alle [kol] hoge bergen onder de ganse [kol] hemel werden overdekt. 20  Vijftien el daarboven stegen de wateren, en de bergen werden overdekt.

Dit vers alleen is al genoeg om een einde te maken aan alle pretenties van revisionisten om de zondvloed terug te schalen tot een lokaal overstrominkje. Hoewel het woordje kol een beperktere betekenis kán hebben, gaat die vlieger in dit geval niet op. Ten eerste wordt kol hier dubbel gebruikt binnen hetzelfde zinsdeel. Zoals in zoveel talen, betekent herhaling in het Hebreeuws dat er extra nadruk op gelegd wordt. Wat hier staat komt eigenlijk neer op: ‘alle, maar dan ook echt alle bergen…’

Ten tweede is het niet het woordje erets dat specificeert over welke hoge bergen hier gesproken wordt. Het is de frase ‘onder de ganse hemel’ die aangeeft over welke bergen gesproken wordt. Revisionisten kunnen dus onmogelijk beweren dat het hier alleen gaat over de bergen in het gebied waar de mensheid woonde. Vraag: “Welke hoge bergen stonden onder water?” Antwoord: “De hoge bergen onder de ganse hemel.”

Conclusie: ‘alle bergen onder de ganse hemel’ zijn echt alle bergen ter wereld.

Zelfs als we hier de woorden ‘alle’ en ‘onder de ganse hemel’ negeren, en er even van uitgaan dat het alleen de bergen in het Midden Oosten betreft, zitten revisionisten alsnog met een onoplosbaar probleem. De berg Ararat is 5137 meter hoog, en als deze berg ten tijde van de zondvloed al zo hoog was (hetgeen revisionisten geloven, i.t.t. creationisten), moet het water dus ook minstens zo hoog gestaan hebben.

Zelfs als we Ararat negeren, zijn er in het Midden Oosten nog een groot aantal andere bergpieken die behoorlijk hoog zijn. De Hermonberg, op de grens van Israël, Syrië en Libanon, is 2814 meter hoog. De welbekende berg Sinaï is 2285 meter hoog. Als de Sinaïberg ooit onder water heeft gestaan, moeten we alsnog te maken hebben met een gigantische overstroming, die de grootste delen van Eurazië en Afrika moet hebben aangetast. Water blijft immers niet op één locatie staan, maar stroomt alle kanten op, totdat overal ongeveer hetzelfde waterpeil bereikt is.

Afbeelding 1: Water blijft niet op één locatie staan, maar spreidt zich uit, totdat overal waar het naartoe kan stromen ongeveer hetzelfde waterpeil bereikt is. Water kan onmogelijk een lokale berg bedekken, zonder tevens alle lagere delen van het continent te overstromen. De afbeelding is afkomstig van Answers in Genesis.

Dus ook een lokaal waterrampje in het Midden Oosten moet op continentale schaal verwoestingen hebben aangericht, en zal zéker veel geologisch werk hebben verzet. Om dit probleem te omzeilen, moeten revisionisten voor de locatie van hun plaatselijke zondvloedje dus op zoek gaan naar een wel zéér beperkt gebiedje, waar de ‘alle hoge bergen onder de ganse hemel’ slechts kleine heuveltjes zijn.

3. Een lokale zondvloed: hoe, wat en waar?

Dit brengt ons bij het volgende punt. Als de zondvloed slechts lokaal was, waar heeft deze dan plaatsgehad? En moeten er geen sporen van te vinden zijn?

Uiteraard zijn er in de loop der geschiedenis vele duizenden lokale overstromingen geweest, met allerlei oorzaken (hevige regenval, buiten hun oevers tredende rivieren, tsunami’s, damdoorbraken, smeltijs, veranderingen in zeeniveau, orkanen, et cetera). En vele van die plaatselijke overstromingen hebben sporen nagelaten. Het ligt dus in de lijn der verwachting dat geologen en archeologen die in het Midden Oosten op zoek zijn naar ‘de zondvloed’ (die in hun ogen slechts een lokale aangelegenheid was), zo nu en dan een modderlaagje vinden waarvan ze denken dat het een overblijfsel van Noachs zondvloed is (terwijl het in feite afkomstig is van een klein overstrominkje dat ná de zondvloed heeft plaatsgevonden).

En inderdaad hebben (christelijke) archeologen die in een oude aarde geloven inmiddels al een hele reeks kandidaat-locaties naar voren geschoven, zoals de Mesopotamische Vallei, een vlakte in oost Turkije, het stroomgebied van de Kaspische Zee en de oostelijke Jordaanoever. Maar bij nader onderzoek blijkt keer op keer dat de zondvloed onmogelijk in het voorgestelde gebied plaatsgevonden kan hebben. Een bekend voorbeeld is een drie meter dikke kleilaag die in 1929 door Leonard Wooley werd gevonden tijdens opgravingen in Ur der Chaldeeën. Later werd bij Kis, enkele honderden kilometers verderop, een zelfde soort kleilaag gevonden. Wooley, en velen met hem, trokken de conclusie dat ze de zondvloed gevonden hadden. Dit werd breed uitgemeten in de pers, en werd ook vermeld in Werner Kellers beroemde boek De Bijbel heeft toch gelijk (1955). In de geheel herziene vierde druk van dit boek (1978) moest dit echter weer herroepen worden. Om verschillende redenen konden de kleilagen onmogelijk van de zondvloed afkomstig zijn. Zo bleek Ur zowel vóór als na de overstroming een bewoonde plaats te zijn geweest. Als de overstroming de zondvloed was, zou het wel heel toevallig zijn als Noachs nakomelingen, eeuwen later, op precies dezelfde plaats wederom een stad zouden bouwen. En ook al zou zoiets gebeuren, zouden we op z’n minst een onderbreking in de bewoning van Ur verwachten, en zelfs dat werd niet gevonden. Verder bleken de kleilagen van Ur en Kis in heel verschillende tijden te zijn afgezet, en dus niet het gevolg te zijn geweest van dezelfde overstroming.

Een ander voorbeeld is de theorie van William Ryan en Walter Pitman (al zijn dat seculiere geologen, geen christelijke revisionisten). Zij stelden in 1997 voor dat de Zwarte Zee duizenden jaren geleden aanzienlijk kleiner was dan tegenwoordig, totdat deze op catastrofale wijze volliep met water vanuit de Middellandse Zee, waarbij de Bosporus uitgesleten werd. Grote stukken land die eerst droog waren, vormen nu de bodem van de Zwarte Zee. Op de zeebodem van de Zwarte Zee werden bovendien sporen van bewoning gevonden. Deze overstroming zou de basis zijn geweest voor het zondvloedverhaal. Maar ofschoon het heel goed mogelijk is dat de Bosporus op deze manier is ontstaan, kan deze overstroming onmogelijk de vloed geweest zijn waar Genesis over spreekt, zelfs als je de zondvloed onterecht interpreteert als een plaatselijke waterramp. Om maar iets te noemen: Genesis zegt dat het water aan het eind van de vloed weer wegstroomde. De Zwarte Zee is nog steeds een zee.

Het idee van een plaatselijke zondvloed heeft onderzoekers meer dan eens op een dwaalspoor gebracht. En nog altijd kunnen revisionisten niet de locatie van hun vermeende plaatselijke zondvloed aanwijzen. Het is enigszins ironisch dat revisionisten op zoek zijn naar dunne modderlaagjes van een plaatselijk zondvloedje, terwijl zich in het Midden Oosten honderden meters sedimentgesteente bevinden die door de echte (wereldwijde) zondvloed zijn afgezet.

Welbeschouwd is het sowieso moeilijk om je een plaatselijke zondvloed voor te stellen die in overeenstemming is met zowel het ‘miljoenen jaren’-paradigma als het zondvloedverslag in Genesis. Enerzijds mag de vloed niet te groot geweest zijn, want als er ook maar één bergje van bijvoorbeeld 1500 meter hoogte binnen dit gebied lag, moet het water ook zo hoog gestaan hebben. En als het water zo hoog gestaan heeft, moeten grote delen van Azië blank gestaan hebben. En dat is een onacceptabele conclusie voor revisionisten, die immers kritiekloos de standaard geologische modellen accepteren (en binnen die modellen is beslist geen plaats voor zo’n grote en zo’n recente catastrofe).

Anderzijds mag de overstroming niet te klein geweest zijn, om recht te doen aan de Bijbelse tekst (maar zoals we hierboven gezien hebben, doet eigenlijk geen enkele lokale vloed recht aan de tekst):

  • Het gebied moet zó groot geweest zijn, dat alle mensen zich erbinnen bevonden.
  • Het moet voor Noach nodig geweest een 150 meter lange Ark te bouwen. Als de vloed slechts regionaal was, had God hem (en de dieren) net zo goed de opdracht kunnen geven uit het gebied weg te trekken, net zoals Lot weg moest trekken uit Sodom. Alleen bij een wereldwijde zondvloed zou een Ark noodzakelijk zijn.
  • De vloed moet een jaar geduurd hebben (zeer ongebruikelijk voor waterrampen).

Overigens maakt de Bijbel heel duidelijk dat alle dieren omkwamen. Als de overstroming slechts lokaal was, kunnen veel dieren die op de grens van het ondergelopen gebied leefden de vloed overleefd hebben, door simpelweg een wandelingetje te maken richting het iets hoger gelegen gebied dat droog bleef.

4. Wanneer was de zondvloed?

Door de Bijbelse geslachtsregisters en chronologieën te combineren met archeologische dateringen van de ballingschap, valt te berekenen dat de zondvloed ongeveer 4500 jaar geleden plaatsvond. Dit plaatst revisionisten voor een dilemma: accepteren ze deze datering van de zondvloed, of niet? Beide opties zijn problematisch.

Revisionistisch model 3A: de vloed was slechts plaatselijk, maar alle mensen kwamen om. De vloed vond enkele duizenden jaren geleden plaats.

Wat was ook al weer de reden dat revisionisten Genesis moeten herinterpreteren? Oh ja! Ze accepteren kritiekloos de miljoenen jaren die aan de aardlagen en fossielen worden toegedicht. Ze twijfelen niet aan de dateringtechnieken waarmee die hoge leeftijden vastgesteld zijn. Het probleem is dat, volgens de dateringsmethoden die revisionisten accepteren, de mensheid zich lang vóór de zondvloed al over de wereld verspreid had. Zo zouden de Aboriginals 40.000 jaar geleden Australië al hebben bewoond (en dit is slechts één van de voorbeelden). Als dat zo is, kunnen de Aboriginals niet van Noach afstammen.

Revisionistisch model 3B: de vloed was slechts plaatselijk, maar alle mensen kwamen om. De vloed vond meer dan 40.000 jaar geleden plaats.

Om dat probleem te omzeilen, kiezen veel revisionisten ervoor de zondvloed te herdateren op meer dan 40.000 jaar geleden, zodat het nog steeds mogelijk is dat alle mensen van Noach afstammen. Maar om de zondvloed zo ver naar het verleden te schuiven, is het noodzakelijk om de geslachtsregisters in Genesis 11 extreem op de rekken. Genesis 11 vermeldt acht namen tussen Sem en Abraham. Revisionisten veronderstellen dat niet alle generaties zijn vermeld, maar dat er namen weggelaten zijn. En niet zomaar één of twee namen. Nee, vele honderden!

Het is echter niet waarschijnlijk dat het geslachtsregister in Genesis 11 gaten bevat, zoals in een toekomstig artikel uiteengezet zal worden. Het belangrijkste punt om nu te onthouden is dat revisionisten de Bijbelse tekst opnieuw naar hun eigen voorkeuren moeten herinterpreteren, om het in overeenstemming te brengen met de momenteel populaire theorieën.

Wat geldt voor de datering van de zondvloed, geldt ook voor de datering van de spraakverwarring. Er zijn echter goede argumenten voor een recente datering van de spraakverwarring (d.w.z. ongeveer 4000 tot 6000 jaar geleden) en tegen een datering van 40.000 jaar of langer geleden, zie De spraakverwarring: nog meer moeilijkheden voor compromistheorieën.

Conclusie

Christenen die de Bijbel in overeenstemming proberen te brengen met het idee van miljoenen jaren, moeten niet alleen Genesis 1 herinterpreteren. Ze komen ook in conflict met Genesis 2 (de schepping van Adam en Eva), Genesis 3 (de zondeval), Genesis 6-9 (de zondvloed), Genesis 11 (de spraakverwarring) en Genesis 5 en 11 (de geslachtsregisters).

De meeste revisionisten zien in dat het geloof in miljoenen jaren niet te verenigen is met een wereldwijde zondvloed, en proberen deze daarom terug te schalen tot een regionale gebeurtenis. Aan het idee dat niet alle mensen door de zondvloed omkwamen kleven grote theologische bezwaren, en de meest verstandige revisionisten kiezen dan ook voor een model waarin de zondvloed, ofschoon lokaal, tóch alle mensen uitroeide.

Maar ook dat model kent een aantal dodelijke problemen. Ten eerste kan het Hebreeuwse woordje erets (in alle Bijbelvertalingen terecht vertaald met ‘aarde’) gezien de context niet een beperkt gebied aanduiden. Ten tweede geeft Genesis 7:19 aan dat alle hoge bergen onder de ganse hemel onder water stonden, hetgeen overduidelijk aangeeft dat het om een wereldwijde overstroming gaat. Ten derde is een al te kleine overstroming niet in overeenstemming te brengen met de Bijbelse omschrijving (alle mensen moeten in het gebied geleefd hebben, de noodzaak van een Ark, en de duur van de vloed). Ten vierde staan revisionisten voor een dilemma wat betreft de datering van de zondvloed.

Er is geen twijfel over mogelijk: de Bijbel spreekt over een wereldwijde zondvloed, en is daardoor onverenigbaar met de momenteel populaire ideeën over de extreme ouderdom van de aardlagen. Dat er een conflict is tussen wat de meerderheid der geologen zegt en wat de Bijbel zegt, betekent niet dat de Bijbel het bij het kortste eind heeft. Er zijn overtuigende aanwijzingen dat de aardlagen helemaal niet het product zijn van langzame (miljoenen jaren durende) processen, maar dat ze juist snel
gevormd zijn, tijdens een gigantische overstroming: de zondvloed.


walvissen in diatomeenaarde bewijzen zondvloed

Fossil whale preservation implies high diatom accumulation rate in the Miocene–Pliocene Pisco Formation of Peru
Leonard R. Brand*1, Raúl Esperante*2, Arthur V. Chadwick*3, Orlando Poma Porras*4 and Merling Alomía*4
Diatomaceous deposits in the Miocene–Pliocene Pisco Formation contain abundant whales preserved in pristine condition (bones articulated or at least closely associated), in some cases including preserved baleen. The well-preserved whales indicate rapid burial. The 346 whales within ∼1.5 km2 of surveyed surface were not buried as an event, but were distributed uninterrupted through an 80-m-thick sedimentary section. The diatomaceous sediment lacks repeating primary laminations, but instead is mostly massive, with irregular laminations and speckles. There is no evidence for bioturbation by invertebrates in the whale-bearing sediment. Current depositional models do not account for the volume of diatomaceous sediments or the taphonomic features of the whales. These taphonomic and sedimentary features suggest that rapid burial due to high diatom accumulation, in part by lateral advection into protected, shallow embayments, is responsible for the superb preservation of these whales, leading to a higher upper limit on phytoplankton accumulation rates than previously documented.


Ezechiël 14:

Straf over de afgodendienaars
Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israël, en zaten neder voor mijn aangezicht.
Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?
Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israëls, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, naar de menigte zijner drekgoden; (Idolen)
Opdat Ik het huis Israëls in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn.
6 Daarom zeg tot het huis Israëls: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen.
Want ieder man uit het huis Israëls, en uit den vreemdeling, die in Israël verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij;
En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben.
Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israël.
10 En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten;
11 Opdat het huis Israëls niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.
Rechtvaardigheid van Gods kastijdingen
12 Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
13 Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;
14 Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniël en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.
(ze gaan wel lichamelijk dood maar hun ziel blijft leven)
15 Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;
16 Die drie mannen in het midden deszelven zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen, en zo zij dochteren bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.
17 Of als Ik het zwaard brenge over datzelve land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten;
18 Ofschoon die drie mannen in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zelven alleen zouden bevrijd worden.
19 Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en Mijn grimmigheid daarover met bloed uitgiete, om daarvan mensen en beesten uit te roeien;
20 Ofschoon Noach, Daniël en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden. (ze gaan wel lichamelijk dood maar hun ziel blijft leven)
21 Want alzo zegt de Heere HEERE: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en den honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien!
22 Doch ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; ziet, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hun handelingen; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.
23 Zo zullen zij u vertroosten, als gij hun weg en hun handelingen zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.

Herdenkingsplaats Noach en zijn gezin (graf)



 
Bron:


De doop van Israël in de wolk en in de zee

We lezen in 1 Korinthe 10:1 dat de Israëlieten “allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee”. Hoe werden de Israëlieten gedoopt in de zee? Ze trokken door de Rode Zee heen toen ze uit Egypte gingen. Ook toen de Israëlieten in de wolk waren, in de wolkkolom, wordt dit een doop genoemd. De zee bestaat uit water, en de wolk kan bestaan hebben uit waterdamp. De wolk en de zee onttrokken het volk uit het gezicht. Toen ze uit de wolk kwamen, en uit de zee, werd het volk weer zichtbaar. Het volk volgde Mozes toen hij de zee inging. Ze gingen naar de overkant, waar ze weer de zee uit kwamen. Paulus vergelijkt dit met de christelijke doop. Daar vindt ook een onderdompeling plaats, en een weer opkomen uit het water.


Paulus schrijft met een bepaalde bedoeling over het gedoopt zijn in de wolk en in de zee. Dit wordt duidelijk als we het vers in de context lezen.


1 En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;
2 en allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;
3  en allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;
4 en allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
5 Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.
6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.
7 En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.
8 En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend.
9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.
10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.
11 En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.
12 Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle. (1 Korinthe 10:1-12)


Hierin zien we dat het hele volk, niemand uitgezonderd, gedoopt was in de wolk en in de zee. Ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel, en dronken dezelfde geestelijke drank. Maar dit betekent niet in dat ze allemaal gered werden. Lang niet allemaal, want in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad. Paulus waarschuwt de gemeente van Korinthe dat, hoewel ze gedoopt zijn, en aan het avondmaal deelnemen, dit hun niet kan redden. Want dit heeft ook het oude volk van Israël niet gered. Paulus waarschuwt het volk om geen zin in het kwaad te hebben, geen afgodsdienaars te worden, niet te hoereren, Christus niet te verzoeken, niet te mopperen.


Paulus voegt hier aan toe dat God trouw is, die hen niet zal laten verzocht worden boven wat ze vermogen. Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, zodat ze de verzoeking zullen kunnen verdragen.


We zien in dit tekstgedeelte dat niet alleen de gelovige Israëlieten gedoopt werden, maar dat het hele volk gedoopt werd, vers 2. Zowel de gelovigen als de ongelovigen werden gedoopt. Het merendeel van het volk bestond uit ongehoorzamen in wie God geen welgevallen had, volgens vers 5.


Het hele huis van Israël werd gedoopt in de wolk en in de zee. Deze doop was eenmalig. Dit gebeurde bij de uittocht uit het slavenhuis van Egypte, toen ze op weg gingen door de woestijn, richting het beloofde land. We lezen niet dat hun kinderen opnieuw werden gedoopt, steeds na de geboorte van elk kind. Dit kon ook niet, want de wolk hield op toen ze in Kanaän kwamen, en ze zijn ook niet steeds opnieuw door de Rode Zee getrokken. Deze doop was een soort wassing bij de overgang van het oude naar het nieuwe.


Wat er aan komt is "de openbaring van den Heere Jezus van den hemel met de engelen Zijner kracht; met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn" (2 Thessalonicenzen 1:7,8). Daarom, "bekeert u en gelooft het Evangelie" (Markus 1:15).


Het water van de zondvloed als afbeelding van de christelijke doop

 

We lezen in de eerste brief van Petrus dat de doop een tegenbeeld is van het water van de zondvloed.


1 Petrus 3

20 Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.
21 Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus.


De mensen die voor de zondvloed leefden waren ongehoorzaam. Gedurende een lange tijd, 120 jaren lang, heeft God geduld gehad met de mensen, of ze zich zouden bekeren, voordat Hij de aangekondigde straf uitvoerde (Gen. 6:3). In de ark werden weinige mensen behouden door het water. Het tegenbeeld hiervan is de doop. Net als het water toen, behoudt ook nu de doop ons. De uitwendige doop als een afwassing behoudt niet. Maar wat ons behoudt is de geestelijke betekenis van de doop, namelijk de vraag van een goed geweten tot God, door de opstanding van onze Heere Jezus Christus. Dit kunnen we allemaal lezen in 1 Petrus 3:20 en 21.


Wat lezen we over Noach en over zijn huisgezin in de Bijbel? Dit:


Daarna zeide de HEERE tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht (Genesis 7:1).


De HEERE heeft gezien dat Noach rechtvaardig was. De Heere spreekt tot Noach alleen. Het staat in het enkelvoud in het Hebreeuws. Toch is het niet Noach alleen die gered wordt. Ook zijn hele huisgezin wordt bevolen om in de ark te gaan. Als we nu naar de doop als het tegenbeeld kijken, dan kunnen we ook zeggen dat de Heere bevolen heeft dat Noach en zijn hele huisgezin in de ark zouden gaan, en toen als het ware figuurlijk gedoopt werden door het water van de zondvloed. We zien dat zowel Noach als zijn huisgezin behouden werden en niet omkwamen in de zondvloed. En de doop is hiervan een tegenbeeld.


Het is hier duidelijk dat Noach, als het hoofd van zijn huisgezin, omdat hij rechtvaardig was voor God, als het ware gedoopt wordt in de zondvloed. Maar niet alleen hij, ook zijn hele huisgezin wordt bevolen om als het ware gedoopt te worden. Dit alles is een afbeelding van de christelijke doop. Dat zegt Petrus.


Het zal duidelijk zijn dat zowel Noach als zijn huisgezin geloofd hebben dat er een zondvloed aan stond te komen, en dat ze geloofd hebben dat ze door in de ark te gaan behouden zouden worden.


Noach en zijn hele huisgezin werden figuurlijk gedoopt. Dit gebeurde eenmaal bij de overgang van de oude zondige wereld naar de wereld na de zondvloed. Het is een soort wassing bij de overgang van het oude naar het nieuwe. Van hun nakomelingen na de zondvloed lezen we niet dat ze steeds opnieuw gedoopt werden na de geboorte van elk kind. Deze eenmalige figuurlijke doop was voldoende. Daar bleef het bij.


Petrus geeft duidelijk aan dat we niet stil kunnen blijven staan bij het water van de doop. Als we daar bij zouden blijven staan, dan worden we afgeleid van de Heere Jezus Christus. Hij alleen is het Die ons behouden kan door een waar geloof in Hem. Petrus geeft aan dat we geen kracht tot behoud kunnen toeschrijven aan de doop. Het behoud is alleen in de Heere Jezus.


Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij (Johannes 14:6).

 


Handelingen 22

14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd, om Zijn wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen.

15 Want gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.

16 
En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende den Naam des Heeren



Gen 5,29
En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft!

Gen 5,30
En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

Gen 5,32
En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.

Gen 6,8
Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN.

Gen 6,9
Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.

Gen 6,10
En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.

Gen 6,13
Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven.

Gen 6,22
En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.

Gen 7,1
Daarna zeide de HEERE tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.

Gen 7,5
En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.

Gen 7,6
Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was.

Gen 7,7
Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.

Gen 7,9
Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had.

Gen 7,11
In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.

Gen 7,13
Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark;

Gen 7,15
En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.

Gen 7,23
Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.

Gen 8,1
En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.

Gen 8,6
En het geschiedde, ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, dat hij gemaakt had, opendeed.

Gen 8,11
En de duif kwam tot hem tegen den avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren.

Gen 8,13
En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op den eersten derzelver maand, dat de wateren droogden van boven de aarde; toen deed Noach het deksel der ark af, en zag toe, en ziet, de aardbodem was gedroogd.

Gen 8,15
Toen sprak God tot Noach, zeggende:

Gen 8,18
Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem.

Gen 8,20
En Noach bouwde den HEERE een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.

Gen 9,1
En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!

Gen 9,8
Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende:

Gen 9,17
Zo zeide dan God tot Noach: Dit is het teken des verbonds, dat Ik opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is.

Gen 9,18
En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaän.

Gen 9,19
Deze drie waren de zonen van Noach; en van dezen is de ganse aarde overspreid.

Gen 9,20
En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.

Gen 9,24
En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had.

Gen 9,28
En Noach leefde na den vloed driehonderd en vijftig jaren.

Gen 9,29
Zo waren al de dagen van Noach negenhonderd en vijftig jaren; en hij stierf.

Gen 10,32
Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hun volken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.

1 Kron 1,4
Noach, Sem, Cham en Jafeth.

Jes 54,9
Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.

Ez 14,14
Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniël en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.

Ez 14,20
Ofschoon Noach, Daniël en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.

Mat 24,37
En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.

Mat 24,38
Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;gb(0, 0, 255); font-size: medium;">In het jaar 1656 was de zondvloed. (YHWH's Kalender) Noach was toen 600 jaar oud.

Luk 17,26
En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen.

Luk 17,27
Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen.

Heb 11,7
Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is.

1 Petr 3,20
Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.

2 Petr 2,5
En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;

 
Openbaring 4,3
Degene die daar zat had een uiterlijk als van jaspis en sarder, en rond de troon was een regenboog die eruitzag als smaragd.

Openbaring 10,1
Ik zag een andere machtige engel uit de hemel neerdalen. Een wolk omhulde hem en de regenboog was om zijn hoofd. Zijn gezicht was als de zon en zijn benen waren als zuilen van vuur.

Sirach 43,11
Kijk naar de regenboog en prijs zijn maker, hij is zo sierlijk in zijn helderheid.

Sirach 50,7
als de zon die op de tempel van de Allerhoogste straalt, als de regenboog die de wolken glans geeft,


Dear Friend,

Who doesn't love rainbows? They are so beautiful and colorful. Catching sight of them before they fade is exciting.

But did you know that the rainbow has a spectrum of Jewish meaning as well?

In this week’s parshah, Noach, we read that after the epic flood that wiped out the entire known world, G-d showed Noah a rainbow as a sign that He will not destroy the world again. In fact, our sages teach that when a rainbow appears it is a message that our behavior is not so great, and that we really deserve to be flooded again.

For this reason, when you do see one (and I don’t mean the kind your lawn sprinkler makes) there is a unique blessing to say.

And it has another shade, perhaps less known. It is a reflection of G-d’s divine glory, which Ezekiel describes “like the appearance of the rainbow that is in the cloud on a rainy day.” Because of this, the sages of the Talmud caution that it is disrespectful to stare at a rainbow.

Either way, next time you see a rainbow stop for a moment, reflect on its meaning, and say the special blessing.

May your week be full of bright, shining colors!

Moshe Rosenberg
on behalf of the Chabad.org Editorial Team


After the flood, G‑d promised Noah that He would never again bring a flood that would destroy the world. A rainbow is a reminder of this covenant that G‑d made with Noah, his descendants, and all living creatures. Therefore, upon seeing a rainbow in the sky, we recite the following blessing:

בָּרוּךְ אַתָּה ה' אֶלוֹהֵינוּ מֶלֶךְ הָעוֹלָם זוֹכֵר הַבְּרִית וְנֶאֱמָן בִּבְרִיתוֹ וְקַיָם בְּמַאֲמָרוֹ

Baruch ata Ado-nai Elo-heinu melech ha'olam zocher ha'brit v'ne'eman bivrito v'kayam b'ma'amaro.


Blessed are You, Lord our G‑d, King of the universe, who remembers the covenant, and is faithful to His covenant, and keeps His promise.

All the best,

Rochel Chein for Chabad.org

Genesis 9
Gods verbond met Noach
En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!
En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle vissen der zee; zij zijn in uw hand overgegeven.
Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.
Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.
En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand des mensen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen.
Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.
Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.
Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende:
Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u;
10 En met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u; van allen, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe.
11 En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven.
12 En God zeide: Dit is het teken des verbonds, dat Ik geef tussen Mij en tussen ulieden, en tussen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten.
13 Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teken des verbonds tussen Mij en tussen de aarde.
14 En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken;
15 Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven.
16 Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel, van alle vlees, dat op de aarde is.
17 Zo zeide dan God tot Noach: Dit is het teken des verbonds, dat Ik opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is.

Lukas 11
13 Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?

Handelingen 5
29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet God meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.
30 De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, Welken gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout.
31 Deze heeft God door Zijn rechter hand verhoogd tot een vorst en Zaligmaker, om Israel te geven bekering en vergeving der zonden.
32 En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden; en
ook de Heilige Geest, Welken God gegeven heeft dengenen, die Hem gehoorzaam zijn.



Doop

Exodus 12:22
22 Laat ieder daarna een bos majoraantakken nemen, die in de schaal met bloed dopen en het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten strijken. Ga dan tot de morgen de deur niet uit,

Leviticus 4:6
6 Hij moet zijn vinger in het bloed dopen en het ten overstaan van de HEER zevenmaal in de richting sprenkelen van het voorhangsel dat de heilige ruimte afschermt.

Leviticus 4:17
17 Hij moet zijn vinger in het bloed dopen en het ten overstaan van de HEER zevenmaal in de richting van het voorhangsel sprenkelen.

Leviticus 14:6
6 De andere, levende vogel moet hij, net als het cederhout, het karmozijn en de majoraan, in het bloed van de boven het bronwater geslachte vogel dopen,

Leviticus 14:51
51 Vervolgens moet hij het cederhout, de majoraan en het karmozijn en de andere, levende vogel in het bloed van de geslachte vogel en in het bronwater dopen en dat zevenmaal in de richting van het huis sprenkelen.

Numeri 19:4
4 De priester Eleazar moet zijn vinger in het bloed dopen en het zevenmaal in de richting van de voorkant van de ontmoetingstent sprenkelen.

Numeri 19:18
18 Iemand die rein is moet dan een majoraantak nemen, die in het water dopen en daarmee de tent, alle vaten en de mensen die in de tent geweest zijn besprenkelen. Hetzelfde moet gebeuren met degene die beenderen, het lijk van iemand die gedood of gestorven is, of een graf heeft aangeraakt.

Ruth 2:14
14 Toen het etenstijd was zei Boaz tegen haar: ‘Kom maar hier en neem een stuk brood en doop het in de wijn.’ Ze ging naast de maaiers zitten, en hij gaf haar geroosterd graan. Ze at tot ze genoeg had en ze hield zelfs nog over.

Matteüs 3
6 en ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden.

Matteüs 3:7
7 Toen hij zag dat veel farizeeën en sadduceeën op zijn doop afkwamen, zei hij tegen hen: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel?

Matteüs 3
11 Ik doop jullie met water ten teken van jullie nieuwe leven, maar na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur;

Matteüs 28
19 Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest,

Marcus 1
4 Dit gebeurde toen Johannes de Doper naar de woestijn ging en de mensen opriep zich te laten dopen en tot inkeer te komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen.

Marcus 1:5
5 Alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden.

Marcus 1
8 Ik heb jullie gedoopt met water, maar hij zal jullie dopen met de heilige Geest.’

Marcus 1:9
9 In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen.

Marcus 10:38
38 Maar Jezus zei tegen hen: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken of de doop ondergaan die ik moet ondergaan?’

Marcus 10:39
39 ‘Ja, dat kunnen wij,’ antwoordden ze. Toen zei Jezus tegen hen: ‘Jullie zullen de beker drinken die ik zal drinken en de doop ondergaan die ik zal ondergaan,

Lucas 3
3 Daar ging Johannes in de omgeving van de Jordaan verkondigen dat de mensen zich moesten laten dopen en tot inkeer moesten komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen,

Lucas 3:7
7 Johannes zei tegen de mensen die massaal uitliepen om zich door hem te laten dopen: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je veilig bent voor het komende oordeel?

Lucas 3:12
12 Er kwamen ook tollenaars om zich te laten dopen, en die vroegen hem: ‘Meester, wat moeten wij doen?’ 

Lucas 3
16 maar Johannes zei tegen hen: ‘Ik doop jullie met water, maar er komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om de riemen van zijn sandalen los te maken. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; 
21 Heel het volk liet zich dopen, en toen ook Jezus was gedoopt en hij aan het bidden was, werd de hemel geopend

Lucas 7:29
29 Alle mensen die dit hoorden, ook de tollenaars, brachten hulde aan God en zijn gerechtigheid: zij hadden zich immers door Johannes laten dopen. 

Lucas 7:30
30 Maar de farizeeën en wetgeleerden verwierpen het plan van God: zij hadden zich immers niet door hem laten dopen. 

Lucas 12:50
50 Ik moet een doop ondergaan, en ik word hevig gekweld zolang die niet volbracht is.

Johannes 1:26
26 ‘Ik doop met water,’ antwoordde Johannes. ‘Maar in uw midden is iemand die u niet kent, Vertaling: NBV | Lees hele hoofdstuk

Johannes 1:31
31 Ook ik wist niet wie hij was, maar ik kwam met water dopen opdat hij aan Israël geopenbaard zou worden.’

Johannes 1
33  Nog wist ik niet wie hij was, maar hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.”


Johannes 3:23
23 Johannes doopte toen ook, in Enon, dicht bij Salim, een waterrijk gebied. Daar kwamen de mensen naartoe om zich te laten dopen. 

Johannes 3:26
26 Ze gingen naar Johannes en zeiden tegen hem: ‘Rabbi, de man die bij u aan de overkant van de Jordaan was, over wie u een getuigenis afgelegd hebt, is aan het dopen en iedereen gaat naar hem toe!’ 

Johannes 13:26
26 ‘Degene aan wie ik het stuk brood geef dat ik nu in de schaal doop,’ zei Jezus. Hij doopte een stuk brood in de schaal en gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot.

Handelingen 1:22
22 vanaf de doop door Johannes tot de dag waarop hij in de hemel werd opgenomen, samen met ons getuigen van zijn opstanding.’ 

Handelingen 2
38 Petrus antwoordde:
‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, 

Handelingen 2:41
41 Degenen die zijn woorden aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend. 

Handelingen 8:12
12 Maar toen Filippus hen door zijn verkondiging van het koninkrijk van God en de naam van Jezus Christus tot geloof had gebracht, lieten ze zich dopen, mannen zowel als vrouwen.

Handelingen 8:13
13 Ook Simon aanvaardde het geloof, en na zijn doop bleef hij voortdurend bij Filippus; en hij stond versteld van de tekenen en de machtige wonderen die hij zag gebeuren. 

Handelingen 9:18
18 Meteen was het alsof er schellen van Saulus’ ogen vielen; hij kon weer zien, stond op en liet zich dopen,

Handelingen 10:1
De doop van Cornelius
1 Een van de inwoners van Caesarea was een centurio van de Italiaanse cohort, die Cornelius heette. 

Handelingen 10:37
37 U weet wat er in heel het Joodse land is gebeurd, hoe het begon in Galilea, hoe God, na de doop waartoe Johannes opriep,

Handelingen 10
47 ‘Wie kan nu nog weigeren deze mensen met water te dopen, nu ze net als wij de heilige Geest hebben ontvangen?’
48 En hij gaf opdracht hen te dopen in de naam van Jezus Christus. Daarna vroegen ze hem of hij nog enkele dagen wilde blijven.

Handelingen 11:1
Petrus over de doop van de heidenen
1 De apostelen en de gemeenteleden in Judea hoorden dat ook de heidenen Gods woord hadden aanvaard.

Handelingen 13:24
24 Voor zijn komst had Johannes het hele volk van Israël opgeroepen om zich te laten dopen en een nieuw leven te beginnen.

Handelingen 18:8
8 Crispus, een leider van de synagoge, aanvaardde echter samen met al zijn huisgenoten het geloof in de Heer, en ook veel Korintiërs die Paulus hadden gehoord gingen over tot het geloof en lieten zich dopen.

Handelingen 18:25
25 Hij had onderricht gekregen in de Weg van de Heer en verkondigde geestdriftig de leer over Jezus, die hij zorgvuldig uiteenzette, ook al was hij alleen bekend met de doop zoals Johannes die had verricht.

Handelingen 19:3
3 Hij vroeg: ‘Hoe zijn jullie dan gedoopt?’ ‘Met de doop van Johannes,’ antwoordden ze.

Handelingen 19:5
5 Toen ze dat gehoord hadden, lieten ze zich dopen in de naam van de Heer Jezus,

Handelingen 22:16
16 Wat aarzel je dan nog? Sta op, laat je dopen en je zonden wegwassen, terwijl je zijn naam aanroept.”

Romeinen 6:4
4 We zijn door de doop in zijn dood met hem begraven om, zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden.

1 Korintiërs 1:17
17 Ik ben immers niet door Christus gezonden om te dopen, maar om te verkondigen – en niet door middel van diepzinnige welsprekendheid, want dan zou het kruis van Christus van zijn kracht worden beroofd.

1 Korintiërs 10:2
2 dat ze zich allemaal in de naam van Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee.

1 Korintiërs 15:29
29 Wat denken zij die zich voor de doden laten dopen te bereiken? Als de doden toch niet worden opgewekt, waarom zouden zij zich dan voor hen laten dopen?

Galaten 3:27
27 U allen die door de doop één met Christus bent geworden, hebt u met Christus omkleed.

Efeziërs 4:5
5 één Heer, één geloof, één doop,

Hebreeën 6:2
2 de leer over het dopen en de handoplegging, en over de opstanding van de doden en het laatste oordeel.

1 Petrus 3:21
21 en dat water is een voorafbeelding van het water van de doop, waardoor u nu wordt gered. De doop wast niet het vuil van uw lichaam, het is een vraag aan God om een zuiver geweten. Hierom kunt u vragen dankzij de opstanding van Jezus Christus,


De laatste dagen

Numeri 24

14 Goed, ik ga terug naar mijn eigen land. Maar eerst zal ik u laten weten wat dit volk uw volk in de toekomst zal aandoen.’
14 En nu, zie, ik ga tot mijn volk; kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal in de laatste dagen.

Deuteronomium 4

30 Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot den HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.

Deuteronomium 31

29 Want ik weet, dat gij het na mijn dood zekerlijk zult verderven, en afwijken van den weg, dien ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in het laatste der dagen ontmoeten, wanneer gij zult gedaan hebben, dat kwaad is in de ogen des HEEREN, om Hem door het werk uwer handen tot toorn te verwekken.

Jesaja 2

Toekomstige heerlijkheid van Jeruzalem
Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.
En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien.
En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.
En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.
    5 Komt, gij huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht des HEEREN.

Jeremía 23

20 
Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten.

Jeremía 30

24 
De hittigheid van des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan, en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij daarop letten.

Jeremía 48

47 Maar in het laatste der dagen, zal Ik Moabs gevangenis wenden, spreekt de HEERE. Tot hiertoe is Moabs oordeel.

Jeremía 49

39 
Maar het zal geschieden in het laatste der dagen, dat Ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt de HEERE.

Ezechiël 38

Na vele dagen zult gij bezocht worden; in het laatste der jaren zult gij komen in het land, dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als hetzelve landuit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij altemaal zeker zullen wonen.
16 En gij zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste der dagen zal het geschieden; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden.

Daniël 2

28 
Maar er is een God in den hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft den koning Nebukadnézar bekend gemaakt, wat er geschieden zal in het laatste der dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze:

Hoséa 3

Gods lankmoedigheid zinnebeeldig voorgesteld
En de HEERE (YHWH) zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israëls bemint, maar zij zien om naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven.
En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst.
En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch een anderen man geworden), en ik ook na u.
Want de kinderen Israëls zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.
Daarna zullen zich de kinderen Israëls bekeren, en zoeken den HEERE (YHWH), hun God, en David, hun koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.

Micha 4

Maar in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.

Handelingen 2

17 
En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.

2 Timótheüs 3

En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.

Hebreeën 1

God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon;

Jakobus 5

Uw goud en zilver is verroest; en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vlees als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen.

2 Petrus 3

Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen,



Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen