Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Ongelovige / gelovige

 

1 Johannes 5:7-8.

7 Er zijn dus drie getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de heilige Geest; en deze drie zijn één. 

  • Prive:

Broeders en zusters, het spreekt vanzelf dat deze drievoudige gemeenschap met de Drieenige God in élk kind van Godin elk individu, moet worden gevonden. 


En er zijn drie getuigen op (in) de aarde: de Geest, het water en het bloed; en deze drie zijn één’.
(Ark der verbond met de 10 geboden, water (HG) en bloed van Yeshua)

  • Maar ook in elke individuele gemeente:

Maar deze drievoudige gemeenschap verwijst ons ook naar de drie wekelijkse diensten, die een levende gemeente minimaal in acht moet nemen.
  • Namelijk een evangelisatiedienst (de Kandelaar),
  • en bijbelstudie (de Tafel der Toonbroden),
  • en een bidstond (het Wierookaltaar). 

Marcus 13:9. Wat jullie zelf betreft: pas goed op. Jullie zullen voor het gerecht worden gesleept en in synagogen worden gegeseld, en jullie zullen voor gouverneurs en koningen moeten verschijnen om voor hen van mij te getuigen.
 

Christmas Unveiled—What God Says!



Geest:
  • Gods wolk
  • Duif bij Yeshua Messias
  • Heilige Geest als plaatsvervanger van Yeshua voor onszelf

Water:
  • Zondvloed
  • Doop Gulf of Aqaba/Schelfzee
  • Doop Yeshua Messias
  • Doop van ons in water
Bloed:
  • offer; lam
  • Offer lam; eerst geborenen
  • offer lam; Jezus Christus
  • offer lam; wijzelf


2 Korintiërs 4

Omdat God ons in zijn barmhartigheid deze taak gegeven heeft, verzaken wij onze plicht niet. Integendeel, we hebben ons afgekeerd van heimelijke lafheid: we gaan niet te werk, vervalsen het woord van God niet, maar maken de waarheid openlijk bekend. Zo bevelen we ons ten overstaan van God aan bij ieders geweten. Wanneer er dan toch nog een sluier ligt over het evangelie dat wij verkondigen, geldt dit alleen voor hen die verloren gaan: de ongelovigen, van wie de gedachten door de god van deze wereld zijn verblind, waardoor ze het licht van het evangelie niet kunnen zien, de luister van Christus, die het beeld van God is. Wij verkondigen niet onszelf, wij verkondigen dat Jezus Christus de Heer is en dat wij omwille van hem uw dienaren zijn. De God die heeft gezegd: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen,’ heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus.
Het huidige leven en de toekomstige luister
Maar wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat; het moet duidelijk zijn dat onze overweldigende kracht niet van onszelf komt, maar van God. We worden van alle kanten belaagd, maar raken niet in het nauw. We worden aan het twijfelen gebracht, maar raken niet vertwijfeld. We worden vervolgd, maar worden niet in de steek gelaten. We worden geveld, maar gaan niet te gronde. 10 We dragen in ons bestaan altijd het sterven van Jezus met ons mee, opdat ook het leven van Jezus in ons bestaan zichtbaar wordt. 11 Wij levenden worden altijd omwille van Jezus aan de dood prijsgegeven, opdat in ons sterfelijke bestaan ook het leven van Jezus zichtbaar wordt. 12 Zo is in ons de dood werkzaam, en in u het leven. 13 Er staat geschreven: ‘Ik bleef vertrouwen, daardoor kon ik spreken.’ In datzelfde vertrouwen spreken ook wij, omdat we geloven 14 en weten dat hij die de Heer Jezus heeft opgewekt ook ons, net als Jezus, zal opwekken en ons samen met u naar zich toe zal voeren. 15 Dit alles gebeurt omwille van u, zodat Gods goedheid, die zich door steeds meer mensen verbreidt, ook tot steeds meer dankzegging leidt, tot eer van God.
16 Daarom verzaken wij onze plicht niet. Ook al gaat ons uiterlijke bestaan verloren, ons innerlijke bestaan wordt van dag tot dag vernieuwd. 17 De geringe last die we tijdelijk te dragen hebben, brengt ons een eeuwige luister, die alles omvat en alles overtreft. 18 Wij richten ons niet op de zichtbare dingen maar op de onzichtbare, want de zichtbare dingen zijn tijdelijk, de onzichtbare eeuwig.

Andere vertaling:

De kracht der Evangelie-prediking
Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zo vertragen wij niet;
Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.
Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan;
In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is.
Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus’ wil.
Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.
Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons;
Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig;
Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven;
10 Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.
11 Want wij, die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus’ wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.
12 Zo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden.
13 Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook;
14 Wetende, dat Hij, Die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met ulieden daar zal stellen.
15 Want al deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig worde ter heerlijkheid Gods.
Vernieuwing van den inwendigen mens
16 Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.
17 Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid;
18 Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.

1 Korintiërs 2
Broeders en zusters, toen ik bij u kwam om u het geheim van God te verkondigen, beschikte ook ik niet over uitzonderlijke welsprekendheid of wijsheid.
De aard van Paulus' prediking te Korinthe
En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God.
Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus – de gekruisigde.
Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.
Bovendien kwam ik bij u in al mijn zwakheid en was ik angstig en onzeker.
En ik was bij ulieden in zwakheid, en in vreze, en in vele beving.
De boodschap die ik verkondigde overtuigde niet door wijsheid, maar bewees zich door de kracht van de Geest,
En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht;
want uw geloof moest niet op menselijke wijsheid steunen, maar op de kracht van God.
Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.
6 Toch is wat wij verkondigen wijsheid voor wie volwassen is in het geloof. Het is echter niet de wijsheid van deze wereld en haar machthebbers, die ten onder zullen gaan.
En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch een wijsheid, niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld, die te niet worden;
Waar wij over spreken is Gods verborgen en geheime wijsheid, een wijsheid waarover God vóór alle tijden besloten heeft dat wij door haar zouden delen in zijn luister.
Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was;
Geen van de machthebbers van deze wereld heeft die wijsheid gekend; zouden ze haar wel hebben gekend, dan zouden ze de Heer die deelt in Gods luister niet hebben gekruisigd.
Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.
Maar het is zoals geschreven staat: ‘Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft.’
Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben.
10 God heeft ons dit geopenbaard door de Geest, want de Geest doorgrondt alles, ook de diepten van God.
10 Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.
11 Wie is in staat de mens te kennen, behalve de geest van de mens? Zo is alleen de Geest van God in staat om God te kennen.
11 Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.
12 Wij hebben niet de geest van de wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt, opdat we zouden weten wat God ons in zijn goedheid heeft geschonken.
12 Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;
13 Daarover spreken wij, niet op een manier die ons door menselijke wijsheid is geleerd, maar zoals de Geest het ons leert: wij verklaren het geestelijke met het geestelijke.
13 Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.
14 Een mens die de Geest niet bezit, aanvaardt niet wat van de Geest van God komt, want voor hem is het dwaasheid. Hij kan het ook niet begrijpen, omdat het geestelijk moet worden beoordeeld.
14 Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.
15 Maar een mens die de Geest wel bezit, kan alles beoordelen, en zelf wordt hij door niemand beoordeeld.
15 Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.
16 Er staat immers geschreven: ‘Wie kent de gedachten van de Heer, zodat hij hem zou kunnen onderwijzen?’ Welnu, onze gedachten zijn die van Christus.
16 Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus.

1 Johannes 3

Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods zouden genaamd worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent.


1 Johannes 5


Ieder die gelooft dat Jezus de christus is, is uit God geboren, en ieder die de Vader liefheeft, heeft ook lief wie uit hem geboren zijn.
Het geloof en zijn vruchten
Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.
Dat wij Gods kinderen liefhebben weten we doordat we God liefhebben en zijn geboden naleven.
Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren.
Want God liefhebben houdt in dat we ons aan zijn geboden houden. Zijn geboden zijn geen zware last,
Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.
want ieder die uit God geboren is, overwint de wereld. En de overwinning op de wereld hebben wij behaald met ons geloof.
Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.
Wie anders kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft dat Jezus de Zoon van God is?
Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?
Hij, Jezus Christus, is gekomen door water en bloed – niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest getuigt ervan, omdat de Geest de waarheid is.
Deze is het, Die gekomen is door water en bloednamelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is.
Er zijn dus drie getuigen:
7 Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn één.
de Geest, het water en het bloed, en het getuigenis van deze drie is eensluidend.
En drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot één.
Als we het getuigenis van mensen aannemen, zullen we zeker het getuigenis van God aannemen, dat zoveel meer gezag heeft, want het is het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft.
Indien wij de getuigenis der mensen aannemen, de getuigenis van God is meerder; want dit is de getuigenis van God, welke Hij van Zijn Zoon getuigd heeft.
10 Wie in de Zoon van God gelooft, draagt het getuigenis in zich. Wie God niet gelooft, maakt hem tot leugenaar, omdat hij geen geloof hecht aan het getuigenis dat God over zijn Zoon gegeven heeft.
10 Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.
11 Dit getuigenis luidt: God heeft ons eeuwig leven geschonken en dat leven is in zijn Zoon.
11 En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon.
12 Wie de Zoon heeft, heeft het leven. Wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet.
12 Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.
Laatste opmerkingen
13 Dit alles schrijf ik u omdat u moet weten dat u eeuwig leven hebt, u die gelooft in de naam van de Zoon van God.
13 Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den Naam des Zoons van God.
14 Wij kunnen ons vol vertrouwen tot God wenden, in de zekerheid dat hij naar ons luistert als we hem iets vragen dat in overeenstemming is met zijn wil.
De kracht des gebeds
14 En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.
15 En omdat we weten dat hij naar ons luistert, wat we hem ook vragen, weten we ook dat we alles al hebben gekregen wat we hem gevraagd hebben.
15 En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben.
16 Als iemand zijn broeder of zuster een zonde ziet begaan die niet tot de dood leidt, moet hij voor hem of voor haar bidden en zo de zondaar het leven geven. Dit geldt wanneer er sprake is van een zonde die niet tot de dood leidt. Er bestaat ook zonde die wel tot de dood leidt. In dat geval geldt mijn aansporing om te bidden niet.
16 Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.
17 Alle kwaad is zonde, maar niet elke zonde leidt tot de dood.
17 Alle ongerechtigheid is zonde; en er is zonde niet tot den dood.
18 We weten dat iemand die uit God geboren is niet zondigt. De Zoon, die uit God geboren werd, beschermt hem, zodat het kwaad geen vat op hem heeft.
18 Wij weten, dat een iegelijk, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelven, en de boze vat hem niet.
19 We weten dat wij uit God voortkomen, terwijl de hele wereld in de macht is van hem die het kwaad zelf is.
19 Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze.
20 We weten ook dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht heeft gegeven om de Waarachtige te kennen. En wij zijn in de Waarachtige, omdat we in zijn Zoon Jezus Christus zijn. Hij is de ware God, hij is het eeuwige leven.
20 Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, enheeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.
21 Kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden.
21 Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. Amen.

1 Johannes 4

Wie de Zoon heeft, heeft het leven
Geliefde broeders en zusters, vertrouw niet elke geest. Onderzoek altijd of een geest van God komt, want er zijn veel valse profeten in de wereld verschenen.
Waarschuwing tegen dwaalleraars
Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
De Geest van God herkent u hieraan: iedere geest die belijdt dat Jezus Christus als mens gekomen is, komt van God.
2 Hieraan kent gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God;
Iedere geest die dit niet belijdt, komt niet van God; dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen – nu al is hij in de wereld.
En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alrede in de wereld.
U, kinderen, komt uit God voort en u hebt de valse profeten overwonnen, want hij die in u is, is machtiger dan hij die in de wereld heerst.
4 Kinderkens, gij zijt uit God, en hebt hen overwonnen; want Hij is meerder, Die in u is, dan die in de wereld is.
Die valse profeten komen uit de wereld voort. Daarom spreken zij de taal van de wereld en luistert de wereld naar hen.
5 Zij zijn uit de wereld, daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen.
Wij komen uit God voort. Wie God kent luistert naar ons. Wie niet uit God voortkomt luistert niet naar ons. Hieraan kunnen we de geest van de waarheid en de geest van de dwaling herkennen.
Wij zijn uit God. Die God kent, hoort ons; die uit God niet is, hoort ons niet. Hieruit kennen wij den geest der waarheid, en den geest der dwaling.
Geliefde broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt uit God voort. Ieder die liefheeft is uit God geboren en kent God.
Opwekking tot liefde voor God en den naaste. God is liefde
Geliefden! Laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren, en kent God;
Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde.
Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde.
En hierin is Gods liefde ons geopenbaard: God heeft zijn enige Zoon in de wereld gezonden, opdat we door hem zouden leven.
Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.
10 Het wezenlijke van de liefde is niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon heeft gezonden om verzoening te brengen voor onze zonden.
10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.
11 Geliefde broeders en zusters, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben.
11 Geliefden, indien God ons alzo lief heeft gehad, zo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben.
12 Niemand heeft God ooit gezien. Maar als we elkaar liefhebben, blijft God in ons en is zijn liefde in ons ten volle werkelijkheid geworden.
12 Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, zo blijft God in ons, en Zijn liefde is in ons volmaakt.
13 Dat wij in hem blijven en hij in ons, weten we doordat hij ons heeft laten delen in zijn Geest.
13 Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.
14 En we hebben zelf gezien waarvan we nu getuigen: dat de Vader zijn Zoon gezonden heeft als redder van de wereld.
14 En wij hebben het aanschouwd, en getuigen, dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld.
15 Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft God in hem en blijft hij in God.
15 Zo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God.
16 Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.
16 En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem.
17 Zo is de liefde bij ons werkelijkheid geworden, en daardoor kunnen we op de dag van het oordeel vol vertrouwen zijn, want hoewel wij nog in deze wereld zijn, zijn we als Jezus.
17 Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels,namelijk dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.
18 De liefde laat geen ruimte voor angst; volmaakte liefde sluit angst uit, want angst veronderstelt straf. In iemand die angst kent, is de liefde geen werkelijkheid geworden.
18 Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde.
19 Wij hebben lief omdat God ons het eerst heeft liefgehad.
19 Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.
20 Als iemand zegt: ‘Ik heb God lief,’ maar hij haat zijn broeder of zuster, is hij een leugenaar. Want iemand kan onmogelijk God, die hij nooit gezien heeft, liefhebben als hij de ander, die hij wel ziet, niet liefheeft.
20 Indien iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft?
21 We hebben dan ook dit gebod van hem gekregen: wie God liefheeft, moet ook de ander liefhebben.
21 En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.


1 Johannes 3

De kinderen Gods
Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods zouden genaamd worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent.
Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hijzal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.
Een iegelijk, die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid.
En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem.
Een iegelijk, die in Hem blijft, die zondigt niet; een iegelijk, die zondigt, die heeft Hem niet gezien, en heeft Hem niet gekend.
Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is.
Die de zonde doet, is uit den duivel; want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou.
Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.
10 Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijn broeder niet liefheeft.
11 Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben.
12 Niet gelijk Kaïn, die uit den boze was, en zijn broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig.
13 Verwondert u niet, mijn broeders, zo u de wereld haat.
14 Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood.
15 Een iegelijk, die zijn broeder haat, is een doodslager; en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.
16 Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen.
17 Zo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem?
18 Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met den woorde, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.
19 En hieraan kennen wij, dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor Hem.
20 Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen.
21 Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God;
22 En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, dewijl wij Zijn geboden bewaren, en doen, hetgeen behagelijk is voor Hem.
23 En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.
24 En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in denzelven. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest, Dien Hij ons gegeven heeft.



  1Cr 15:18   Then 686 they also 2532 which are fallen asleep2837 in 1722 Christ 5547 are perished 622 .

  1CR 15:18   Dan 686 ook 2532 die ontslapen zijn 2837 in 1722Christus 5547 zijn omgekomen 622 .


Markus 4:17.
En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijddaarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geërgerd.

  Mar 4:7   And 2532 some 243 fell 4098 among 1519 thorns 173, and 2532 the thorns 173 grew up 305 , and 2532choked 4846 it 846, and 2532 it yielded 1325 no 3756fruit 2590.
  Mar 4:17   And 2532 have 2192 no 3756 root 4491 in 1722themselves 1438, and 235 so endure 1526 but for a time 4340: afterward 1534, when affliction 2347 or2228 persecution 1375 ariseth 1096 for 1223 the word's sake 3056, immediately 2112 they are offended 4624 .

  Mar 04:07   En 2532 een aantal 243 viel 4098 bij 1519 doornen173 , en 2532 de doornen 173 groeide op 305 , en2532 verstikten 4846 het 846 en 2532 het leverde1325 geen 3756 fruit 2590 .
  Mar 4:17   En 2532 hebben 2192 geen 3756 wortel 4491 in 1722zelf 1438 , en 235 dus doorstaan ​​1526 , maar voor een tijd 4340 : daarna 1534 , wanneer verdrukking2347 of 2228 vervolging 1375 oprijst 1096 voor 1223van het woord omwille 3056 , onmiddellijk 2112 ze beledigd zijn 4624 .
ALERT! PROOF The Biggest EVENT in History is About to Happen!!!, he is near, Get ready!
Project Enoch 2012 New religion of the Age of Aquarius. (One world Religion voor 42 maanden).
Pastor Goes To Jail For Home Worship




Politieke stroming die het stichten van een joodse staat in Palestina tot doel heeft.

Al in de Hebreeuwse bijbel speelt het verlangen om terug te keren naar Zioneen andere benaming voor de stad Jeruzalem, een belangrijke rol. Met de opkomst van het Europese nationale denken in tweede helft negentiende eeuw heeft ook het idee postgevat dat het joodse volk een nationale eenheid vormt en een eigen staat zou moeten hebben. Een joodse staat met Jeruzalem als hoofdstad zou naast de inlossing van een bijbelse belofte ook een plek creëren waar joden vrij zouden zijn van vervolging.

Tijdens het Eerste Zionistisch Congres in Bazel in 1897 is, onder leiding van Theodor Herzlhet zionisme tot politieke ideologie verheven. Het Zionistisch Congres wierp zich op als vertegenwoordiger (parlement) van het joodse volk en kon vanuit die positie op hoog politiek niveau lobby voeren. Kleine groepen joodse migranten vestigden zich ondertussen in het toenmalige Palestina.

Zie voor uitgebreide informatie het thema-artikel Zionisme en hachsjara

Politiek is geen volk meer maar de machthebbers van de aarde/land die samen tegen Jezus gaan vechten in Armegeddon.

  Rev 16:14   For 1063 they are 1526 the spirits 4151 of devils1142, working 4160 miracles 4592, [which] go forth1607 3739 1607 unto 1909 the kings 935 of the earth1093 and 2532 of the whole 3650 world 3625, to gather 4863 them 846 to 1519 the battle 4171 of that 1565 great 3173 day 2250 of God 2316 Almighty3841.
  Rev 16:15   Behold 2400 , I come 2064 as 5613 a thief 2812. Blessed 3107 [is] he that watcheth 1127 , and 2532keepeth 5083 his 846 garments 2440, lest 3363 he walk 4043 naked 1131, and 2532 they see 991 his 846shame 808.
  Rev 16:16   And 2532 he gathered 4863 0 them 846 together4863 into 1519 a place 5117 called 2564 in the Hebrew tongue 1447 Armageddon 717.

Strong's G717 - Harmagedōn
Ἁρμαγεδών

Transliteratie

Harmagedōn

Uitspraak

Har-ma-ge-dō'n (Key)

Woordsoort

juiste locatieve zelfstandig naamwoord

Root Word (Etymologie)

Van Hebreeuwse oorsprong הַר(H2022)en מְגִדּוֹן (H4023)

TWNT Referentie

Overzicht van Bijbelse gebruik

Armageddon = "de heuvel of de stad van Megiddo"

1) In Openbaring 16:16 het toneel van een strijd van goed en kwaad wordt gesuggereerd door die strijd vlakte van Esdrelon, die beroemd was voor twee grote overwinningen, van Barak over de Kanaänieten, en van Gideon over de Midianieten, en voor twee grote rampen, de dood van Saul en Josia.Vandaar dat in de Openbaring een plaats van grote slachting, het toneel van een verschrikkelijke vergelding over de goddelozen. De RSV vertaalt de naam als Har-Magedon, dat wil zeggen de heuvel (zoals Ar is de stad) van Megiddo.

Authorized Version (KJV) Vertaling Count - Totaal: 1
AV - Armageddon 1

 

Markus 16

De opstanding
En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdaléna, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salóme specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden.
En zeer vroeg op den eersten dag der week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging;
En zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen?
(En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot.
En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende ter rechterzijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd.
Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazaréner, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden.
Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galiléa; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.
En zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd.
Drie verschijningen
En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdaléna, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had.
10 Deze, heengaande, boodschapte het dengenen, die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden.
11 En als dezen hoorden, dat Hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij het niet.
12 En na dezen is Hij geopenbaard in een andere gedaante, aan twee van hen, daar zij wandelden, en in het veld gingen.
13 Dezen, ook heengaande, boodschapten het aan de anderen; maar zij geloofden ook die niet.
14 Daarna is Hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten, en verweet hun hun ongelovigheid en hardigheid des harten, omdat zij niet geloofd hadden degenen, die Hem gezien hadden, nadat Hij opgestaan was.
15 En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.
16 Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.
17 En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken,
18 Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.
19 De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de rechterhand Gods.
20 En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere wrocht mede, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen.


Als men het over Aliens heeft dan kan dat volgens mij alleen maar betekenen dat het gevallen engelen zijn van GOD.
(Niet alle links zijn waarschijnlijk op waarheid berust, maar het geeft je wel een idee waar je op moet letten)

Judas 1:6.
6
 En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. 
Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden; 2 Petrus 2:4.

Deuteronomiun 4.
19 En als u omhoog kijkt en de zon, de maan en de sterren ziet, al die lichten aan de hemel, laat u er dan niet toe verleiden daarvoor neer te knielen en te vereren wat de HEER, uw God, voor de andere volken op aarde heeft bestemd.
19 Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, des hemels ganse heir; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke de HEERE, uw God, aan alle volken onder den gansen hemel heeft uitgedeeld.

Dit gaat over de gevallen engelen (met aardse vrouwen) hun kinderen de Nephelims (Aliens) die zich voordoen als Goden.


Dit zijn vloeken en demonen die je alleen met het bloed van Jezus Christus kunt bevelen te vertrekken. En dan moet je de Heilige Geest vragen om daarvoor in de opgeruimde (kamer) ziel te vullen met de Heilige Geest.


Marcus 8

 
 
Wie is Jezus?
27 Jezus vertrok met zijn leerlingen naar de dorpen in de buurt van Caesarea Filippi. Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’
De belijdenis van Petrus
27 En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de dorpen van Caesarea Filippi. En onderweg stelde Hij Zijn discipelen een vraag; Hij zei tegen hen: Wie zeggen de mensen dat Ik ben?
28 Ze antwoordden: ‘Johannes de Doper, en anderen zeggen Elia, en weer anderen zeggen dat u een van de profeten bent.’
28 En zij antwoordden: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en weer anderen: Een van de profeten.
29 Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’
29 En Hij zei tegen hen: Maar u, wie zegt u dat Ik ben? En Petrus antwoordde en zei tegen Hem: U bent de Christus.
30 Hij verbood hun op strenge toon om met iemand hierover te spreken.
30 En Hij gebood hun streng dat zij met niemand over Hem zouden spreken.
31 Hij begon hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten van het volk, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen zou worden, en dat hij gedood zou worden, maar drie dagen later zou opstaan;
De eerste aankondiging van het lijden
31 En Hij begon hun te onderwijzen dat de Zoon des mensen veel moest lijden en verworpen worden door de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en na drie dagen opstaan.
32 hij sprak hierover in alle openheid. Toen nam Petrus hem apart en begon hem fel terecht te wijzen.
32 En dit woord sprak Hij vrijuit. En Petrus nam Hem apart en begon Hem te bestraffen,
33 Maar hij draaide zich om, keek zijn leerlingen aan en wees Petrus streng terecht met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’
33 maar Hij keerde Zich om en terwijl Hij Zijn discipelen aankeek, bestrafte Hij Petrus en zei: Ga weg achter Mij, satan, want u bedenkt niet de dingen van God, maar die van de mensen.
34 Hij riep de menigte samen met de leerlingen bij zich en zei: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en zo achter mij aan komen.
34 En toen Hij de menigte met Zijn discipelen bij Zich geroepen had, zei Hij tegen hen: Laat wie achter Mij wil komen zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen.
35 Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij en het evangelie, zal het behouden.
35 Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij en om het Evangelie, die zal het behouden.
36 Wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar er het leven bij inschiet?
36 Want wat zal het een mens baten als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt?
37 Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven?
37 Of wat zal een mens geven als losprijs voor zijn ziel?
38 Wie zich tegenover de trouweloze en zondige mensen van deze tijd schaamt voor mij en mijn woorden, zal merken dat de Mensenzoon zich ook voor hem schaamt, wanneer hij komt in het gezelschap van de heilige engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader.’
38 Want wie zich voor Mij en Mijn woorden geschaamd zal hebben in dit overspelig en zondig geslacht, voor hem zal de Zoon des mensen Zich ook schamen wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen.


Dit gaat over de Kerstboom

 

Jeremia 10

Volg andere volken niet na
Luister naar de woorden die de HEER tot jullie spreekt, volk van Israël.
Dit zegt de HEER: Volg andere volken niet na, raak niet van slag door tekenen aan de hemel, ook al jagen die de hele wereld schrik aan.
De gebruiken van die volken zijn niets waard. Ze hakken een stuk hout in het bos, een ambachtsman bewerkt het met zijn beitel, 
verfraait het met zilver en goud. Ze spijkeren het vast, dan valt het niet om. 
Het is net een vogelverschrikker, neergezet in een komkommerveld. Het kan niet spreken en moet worden gedragen, want zelf kan het geen stap verzetten. Heb voor geen ontzag, kwaad doen ze niet, en goed nog minder.’
‘Niemand is als u, o HEER, u bent groot, groot is uw naam door uw kracht.
Wie zou geen ontzag voor u hebben? Koning van de volken, dat komt u immers toe. Onder alle wijzen van de volken, onder al hun koningen is niemand als u.
Allen zijn ze dom en dwaas, wat ze moeten leren is dit: die nietige beelden zijn maar hout.
Ze zijn bewerkt met bladzilver, uit Tarsis, met goud afkomstig uit Ufaz, door een ambachtsman, door de handen van een goudsmid. Ze zijn in blauw- en roodpurper gekleed, ze zijn vakkundig gemaakt. 
10 Maar alleen de HEER is werkelijk God, hij is de levende God, de eeuwige koning. Door zijn woede beeft de aarde, tegen zijn toorn houden volken geen stand.’ 
11 ‘Zeg tegen hen: Goden die de hemel en de aarde niet hebben gemaakt, zullen van de aarde verdwijnen, worden onder de hemel weggevaagd.’ 

Oproep om Jeruzalem te verlaten
12 
Hij die de aarde heeft gemaakt met zijn kracht, de wereld heeft gegrondvest met zijn wijsheid, de hemel heeft gespannen met zijn inzicht –
13 als hij zijn stem verheft, ruist water uit de hemel neer. Wolken wekt hij aan de einder, bliksems smeedt hij, de regen valt, hij laat de wind los uit zijn schatkamers. 
14 Daar staat het menselijk verstand bij stil. De goudsmid schaamt zich voor zijn beelden. Zijn gietsels zijn niets, ze ademen niet, 
15 lege, bespottelijke maaksels zijn het. Wanneer er met ze wordt afgerekend, blijft er niets van over.
16 Hoe anders is de God van Jakob, hij die alles vorm gegeven heeft en aan wie het volk van Israël behoort. Zijn naam is HEER van de hemelse machten.
17 ‘Jeruzalem, belegerde stad, laat je inwoners hun boedel pakken en het land verlaten. 
18 Want dit zegt de HEER: Ditmaal slinger ik ze weg, de bevolking drijf ik in het nauw, men zal ze weten te vinden.’
19 ‘Wee mij! Hoe pijnlijk zijn mijn wonden, niet te helen is mijn letsel. Ik dacht: Dit lijden kan ik wel dragen.
20 Maar mijn tent is vernield, alle touwen zijn doorgesneden. Mijn kinderen zijn mij ontvallen, ze zijn er niet meer. Niemand zet ooit nog mijn tent op, niemand spant mijn tentdoeken meer.’
21 ‘De herders zijn een kudde dwazen, ze gaan niet te rade bij de HEER. Daarom lukt hun niets, en is hun eigen kudde verstrooid.
22 Luister! Een geluid komt naderbij, een machtig gedreun uit het noorden, om Juda’s steden tot een woestenij te maken, tot een oord voor jakhalzen.’
23 ‘Ik erken, o HEER, dat het niet aan de mens is zijn weg te bepalen, zijn pad uit te zetten, te kiezen waarheen hij zal gaan.
24 Straf mij, HEER, maar doe het rechtvaardig, niet uit woede, vaag mij niet weg.
25 Stort uw woede uit over volken die u niet kennen, over naties die uw naam niet aanroepen, want zij verslinden Jakobs volk, laten er niets van over, en zijn weidegrond verwoesten zij.’

Sirach 17
17
De Heer heeft de mens uit de aarde geschapen
en doet hem naar haar terugkeren.
Hij schonk de mensen een afgemeten aantal dagen,
maar ook macht over alles wat er op de aarde is.
Hij heeft hen toegerust met zijn eigen kracht
en hen naar zijn eigen beeld gemaakt.
Alles wat leeft heeft hij ontzag voor de mens gegeven,
opdat deze zou heersen over dieren en vogels.
 Hij kreeg van de Heer vijf zintuigen,
als zesde ontving hij van hem het verstand,
als zevende het woord, waarmee de daden van de Heer worden bekendgemaakt.
Denkvermogen, een tong, ogen, oren en een hart
gaf hij hem om begrip te verwerven.
Hij deelde hem rijkelijk kennis en inzicht toe
en toonde hem het goede en het kwade.
In zijn hart heeft hij ontzag voor hem gelegd,
opdat de mens zijn grote daden kon zien
en zich door de eeuwen heen op zijn wonderdaden kon beroemen,
9-10 opdat hij zijn grote daden zou verkondigen
en zijn heilige naam zou prijzen. 10 [9–10]
 

11 Hij schonk hun kennis en de wet die leven geeft,
opdat ze zouden beseffen dat zij, die leven, sterfelijk zijn.
12 Hij heeft met hen een eeuwig verbond gesloten
en hun zijn voorschriften gegeven.
13 Zij zagen zijn grote macht
en hoorden zijn krachtige stem.
14 Hij zei tegen hen: ‘Hoed je voor alle onrecht,’
en gaf hun regels voor de omgang met andere mensen.
15 Hun daden zijn hem volledig bekend,
ze blijven niet voor zijn ogen verborgen.
16  Ze zijn van kinds af aan gericht op het kwaad
en kunnen van hun hart van steen geen hart van vlees maken.
De Heer laat Israël niet in de steek
17  Toen de Heer de volken over de aarde verdeelde,
stelde hij over elk ervan een heerser aan,
maar Israël is het bezit van de Heer.
18  Omdat het zijn eerstgeborene is,
voedt hij het op en onderricht hij het.
Hij laat zijn volk niet in de steek,
het licht van zijn liefde schenkt hij het.
19 Al hun daden zijn voor hem zo zichtbaar als de zon,
zijn ogen zijn er altijd op gericht.
20 Hun onrechtvaardigheid is voor hem niet verborgen,
al hun zonden zijn de Heer bekend.
21  Maar de Heer, die goed is en zijn schepselen kent,
heeft hen niet verlaten en niet prijsgegeven; hij heeft hen gespaard.
22 De barmhartigheid van een mens is voor hem als een zegelring,
de goedheid van een mens koestert hij als zijn oogappel –
hij vervult zijn zonen en dochters met berouw.
23 Ten slotte zal hij komen en hun naar hun daden vergelden,
hun zonden laat hij neerkomen op hun eigen hoofd.
24 Maar wie berouw heeft geeft hij een nieuwe kans,
wie de hoop verliest moedigt hij aan.
Zondig niet langer
25 Wend je tot de Heer, zondig niet langer,
bid tot hem, geef hem zo weinig mogelijk aanstoot.
26 Keer terug tot de Allerhoogste, keer je af van onrecht,
want hijzelf leidt je uit de duisternis naar het genezende licht.
Haat alles wat gruwelijk is ten diepste.
27 Wie zal in het dodenrijk de Allerhoogste loven,
zoals de levenden, die voor hem een danklied zingen?
28 Een dode vergaat, zijn dankzegging sterft,
wie leeft en gezond is prijst de Heer.
29 Hoe groot is de barmhartigheid van de Heer,
hoe genadig is hij voor wie zich tot hem keert.
30 Want een mens is niet volmaakt,
een mensenkind is niet onsterfelijk.
31 Wat geeft meer licht dan de zon? Toch gaat ze onder.
Zo zijn vlees en bloed tot het kwaad geneigd.
32 De Heer overziet de machten van de hoge hemel,
maar alle mensen zijn stof en as.
 

Hebreeën 5


Wie uit het volk tot hogepriester wordt gekozen, wordt aangesteld om tussen God en de mensen te bemiddelen, om gaven en offers te brengen voor de zonden.
Christus overtreft Aäron
Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken, die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden;
Doordat hij zelf aan zwakheden ten prooi kan vallen, is hij bij machte begrip op te brengen voor hen die uit onwetendheid dwalen,
Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is;
en daarom moet hij niet alleen offers opdragen voor de zonden van het volk maar ook voor zijn eigen zonden.
En om derzelver zwakheid wil moet hij gelijk voor het volk, alzo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden.
Niemand kan zich die waardigheid toe-eigenen, men wordt daartoe door God geroepen, zoals ook met Aäron gebeurde.
En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aäron.
Christus heeft zich de eer hogepriester te worden evenmin zelf verleend, dat deed degene die tegen hem zei: ‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt.’
Alzo heeft ook Christus Zichzelven niet verheerlijkt, om Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
Ergens anders zegt hij iets vergelijkbaars: ‘Jij zult voor eeuwig priester zijn, zoals ook Melchisedek dat was.’
Gelijk Hij ook in een andere plaats zegt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek.
Christus heeft tijdens zijn leven op aarde onder tranen en met luide stem gesmeekt en gebeden tot hem die hem kon redden van de dood, en werd verhoord vanwege zijn diep ontzag voor God.
Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze.
Hoewel hij zijn Zoon was, heeft hij moeten lijden, en zo heeft hij gehoorzaamheid geleerd.
Hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden.
En toen hij naar de uiteindelijke volmaaktheid gevoerd was, werd hij voor allen die hem gehoorzamen een bron van eeuwige redding,
En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden;
10 omdat God hem heeft uitgeroepen tot hogepriester zoals Melchisedek dat was.
10 En is van God genaamd een Hogepriester, naar de ordening van Melchizédek.
11 Hierover valt nog veel te zeggen, maar het is moeilijk aan u uit te leggen, omdat u traag van begrip bent geworden.
11 Van Denwelken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen, dewijl gij traag om te horen geworden zijt.
12 Werkelijk, u had toch inmiddels allemaal leraar moeten zijn! In plaats daarvan hebt u er zelf een nodig om u opnieuw de grondslagen van het woord van God bij te brengen; het is met u zover gekomen dat u weer aangewezen bent op melk in plaats van op vast voedsel.
12 Want gij, daar gij leraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van node, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden, als die melk van node hebben, en niet vaste spijze.
13 Wie melk drinkt is nog een klein kind en heeft geen weet van de draagwijdte van de verkondigde gerechtigheid.
13 Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind.
14 Vast voedsel is voor volwassenen; hun zintuigen zijn door ervaring geoefend en zij zijn in staat onderscheid te maken tussen goed en kwaad.
14 Maar der volmaakten is de vaste spijze, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.

 






Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen