Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Engelen van YHWH

Lukas 12
Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen Gods.

Gen 16,7 

En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op de weg van Sur.

Gen 16,9
Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weer tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen.

Gen 16,10
Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad zeer vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.
Gen 16,11
Ook zeide de Engel des HEEREN tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismaël noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft.

Gen 22,11
Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van de hemel, en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!

Gen 22,15
Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van de hemel;

Ex 3,2
En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd.

Numeri 22
22 Doch de toorn van God werd ontstoken, omdat hij heentrok; en de Engel des HEEREN stelde Zich in de weg, hem tot een tegenpartij; hij nu reed op zijn ezelin, en twee van zijn jongens waren bij hem.
23 De ezelin nu zag de Engel des HEEREN staande in de weg, met Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn ; daarom week de ezelin uit de weg, en ging in het veld. Toen sloeg Bíleam de ezelin, om haar naar de weg te doen wenden.
24 Maar de Engel des HEEREN stond in een pad der wijngaarden, terwijl er een muur aan deze, en een muur aan gene zijde was.
25 Toen de ezelin de Engel des HEEREN zag, zo klemde zij zich aan de wand, en klemde Bíleams voet aan de wand; daarom voer hij voort haar te slaan.
26 Toen ging de Engel des HEEREN nog verder, en Hij stond in een enge plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechter- noch ter linkerhand.
27 Toen de ezelin de Engel des HEEREN zag, zo legde zij zich neer onder Bíleam; en de toorn van Bíleam ontstak, en hij sloeg de ezelin met een stok.
31 Toen opende de HEERE de ogen van Bíleam, zodat hij de Engel des HEEREN zag, staande in de weg, en Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht.
32 Toen zeide de Engel des HEEREN tot hem: Waarom hebt gij uw ezelin nu driemaal geslagen? Zie, Ik ben uitgegaan u tot een tegenpartij, omdat deze weg van Mij afwijkt.
34 Toen zeide Bíleam tot de Engel des HEEREN: Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten, dat Gij tegenover mij op deze weg stondt; en nu, is het kwaad in Uw ogen, ik zal weerkeren.
35 De Engel des HEEREN nu zeide tot Bíleam: Ga heen met deze mannen; maar alleen dat woord, wat Ik tot u spreken zal, dat zult gij spreken. Alzo trok Bíleam met de vorsten van Balak.

Ri 2,1
En een Engel des HEEREN kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim, en Hij zeide: Ik heb u uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uw vaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met u niet verbreken in eeuwigheid.

Ri 2,4
En het geschiedde, toen de Engel des HEEREN deze woorden tot alle kinderen Israëls gesproken had, zo hief het volk zijn stem op en weende.

Ri 5,23
Vloekt Meroz, zegt de Engel des HEEREN, vloekt zijn inwoners gedurig; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, met de helden.

Richteren 6
11 Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abiëzriet, toekwam; en zijn zoon Gídeon dorste tarwe bij de pers, om die te verbergen voor het aangezicht van de Midianieten.
12 Toen verscheen hem de Engel des HEEREN, en zeide tot hem: De HEERE is met u, gij strijdbare held!
21 En de Engel des HEEREN stak het uiterste van de staf uit, die in Zijn was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel des HEEREN kwam weg uit zijn ogen.
22 Toen zag Gídeon, dat het een Engel des HEEREN was; en Gídeon zeide: , Heere, HEERE! daarom, omdat ik een Engel des HEEREN gezien heb van aangezicht tot aangezicht.

Richteren 13
3 En een Engel des HEEREN verscheen aan deze vrouw, en Hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar, en hebt niet gebaard; maar gij zult zwanger worden, en een zoon baren.
13 En de Engel des HEEREN zeide tot Manóach: Van alles, wat Ik tot de vrouw gezegd heb, zal zij zich wachten.
15 Toen zeide Manóach tot de Engel des HEEREN: Laat ons U toch ophouden, en een geitenbokje voor Uw aangezicht bereiden.
16 Maar de Engel des HEEREN zeide tot Manóach: Indien gij Mij zult ophouden, Ik zal van uw brood niet eten; en indien gij een brandoffer zult doen, dat zult gij aan de HEERE offeren. Want Manóach wist niet, dat het een Engel des HEEREN was.
17 En Manóach zeide tot de Engel des HEEREN: Wat is Uw naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen.
18 En de Engel des HEEREN zeide tot hem: Waarom vraagt gij dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk.
20 En het geschiedde, toen de vlam van het altaar opvoer naar de hemel, zo voer de Engel des HEEREN op in de vlam van het altaar. Toen Manóach en zijn vrouw dat zagen, zo vielen zij op hun aangezichten ter aarde.
21 En de Engel des HEEREN verscheen niet meer aan Manóach, en aan zijn vrouw. Toen bekende Manóach, dat het een Engel des HEEREN was.

2 Sam 24,16
Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om het te verderven, berouwde het de HEERE over dat kwaad, en Hij zeide tot de engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel des HEEREN nu was bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet.

1 Kon 13,18
En hij zeide tot hem: Ik ben ook een profeet, gelijk gij, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord des HEEREN, zeggende: Breng hem terug met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Doch hij loog tegen hem.

1 Kon 19,7
En de engel des HEEREN kwam ten anderen male weer, en roerde hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn.

2 Kon 1,3
Maar de Engel des HEEREN sprak tot Elía, de Thisbiet: Maak u op, ga op, de boden van de koning van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat gij heengaat, om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te vragen?

2 Kon 1,15
Toen sprak de Engel des HEEREN tot Elía: Ga af met hem; vrees niet voor zijn aangezicht. En hij stond op, en ging met hem af tot de koning.

2 Kon 19,35
Het geschiedde dan in die nacht, dat de Engel des HEEREN uittrok, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.

2 Koningen 19

Bevrijding van Jeruzalem
35 Het geschiedde dan in die nacht, dat de Engel des HEEREN uittrok, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.
36 Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en trok heen, en keerde weer; en hij bleef te Ninevé.
37 Het geschiedde nu, toen hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich neerboog, dat Adrammélech en Sarézer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land Ararat; en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

 


1 Kronieken 21
12 Of drie jaren honger, of drie maanden verteerd te worden voor het aangezicht van uw tegenpartij, en dat het zwaard van uw vijanden u achterhale; of drie dagen het zwaard des HEEREN, dat is, de pestilentie in het land, en een verdervende engel des HEEREN in heel het gebied van Israël? Zo zie nu toe, wat antwoord ik Hem zal wedergeven, Die mij gezonden heeft.
15 En God zond een engel naar Jeruzalem, om dat te verderven; en toen hij het verdierf, zag de HEERE het, en het berouwde Hem over dat kwaad; en Hij zeide tot de verdervende engel: Het is genoeg, trek nu uw hand af. De engel des HEEREN nu stond bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
16 Toen David zijn ogen ophief, zo zag hij de engel des HEEREN, staande tussen de aarde en tussen de hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn , uitgestrekt over Jeruzalem; toen viel David, en de oudsten, bedekt met zakken, op hun aangezichten.
18 Toen zeide de engel des HEEREN tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan, om de HEERE een altaar op te richten op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.
30 David nu kon niet heengaan voor het altaar, om God te zoeken; want hij was verschrikt voor het zwaard van de engel des HEEREN.

Ps 34,8
Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.

Ps 35,5
Laat hen worden als kaf voor de wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.

Ps 35,6
Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.

Jes 37,36
Toen voer de engel des HEEREN uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.

Zacharia 1
11 En zij antwoordden de Engel des HEEREN, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben het land doorwandeld, en ziet, het ganse land zit en het is stil.
12 Toen antwoordde de Engel des HEEREN, en zeide: HEERE der heerscharen! lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt, deze zeventig jaren?

Zacharia 3
1 Daarna toonde Hij mij Jósua, de hogepriester, staande voor het aangezicht van de Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te weerstaan.
5 Daarom zeg Ik: Laat ze een reine hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten die reine hoed op zijn hoofd, en zij trokken hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij.
6 Toen betuigde de Engel des HEEREN Jósua, zeggende:

Zach 12,8
Te dien dage zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die, die onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David; en het huis van David zal zijn als goden; als de Engel des HEEREN voor hun aangezicht.

Mat 1,20
En alzo hij deze dingen in de zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in de droom, zeggende: Jozef, gij zoon van David! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit de Heilige Geest.

Mat 1,24
Jozef dan, opgewekt zijnde van de slaap, deed, gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen;

Mat 2,13
Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in de droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeke en Zijn moeder, en vlucht in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Heródes zal het Kindeke zoeken, om Het te doden.

Mat 2,19
Toen Heródes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in de droom, in Egypte.

Mat 28,2
En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, neerdalende uit de hemel, kwam toe, en wentelde de steen af van de deur, en zat daarop.

Luk 1,11
En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter zijde van het reukofferaltaar.

Luk 1,38
En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.

Luk 2,9
En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vrees.

Hand 5,19
Maar de engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis en leidde hen uit, en zeide:

Hand 7,30
En toen veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van de berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos.

Hand 8,26
En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is.

Hand 12,7
En ziet, een engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastig op. En zijn ketenen vielen af van de handen.

Hand 12,23
En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd door de wormen gegeten, en gaf de geest.


Gen 16,7
En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op de weg van Sur.

Gen 16,9
Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weer tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen.

Gen 16,10
Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad zeer vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.

Gen 16,11
Ook zeide de Engel des HEEREN tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismaël noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft.

Gen 21,17
En God hoorde de stem van de jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit de hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar de stem van de jongen gehoord, ter plaatse, waar hij is.

Gen 22,11
Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van de hemel, en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!

Gen 22,15
Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van de hemel;

Gen 24,7
De HEERE, de God des hemels, Die mij uit het huis van mijn vader en uit het van mijn maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon van daar een vrouw neemt.

Gen 24,40
En hij zeide tot mij: De HEERE, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn Engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat gij voor mijn zoon een vrouw neemt, uit mijn geslacht en uit het huis van mijn vader.

Gen 31,11
En de Engel Gods zeide tot mij in de droom: Jakob! En ik zeide: Zie, hier ben ik!

Gen 48,16
Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongens, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam van mijn vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!

Ex 3,2
En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd.

Ex 14,19
En de Engel Gods, Die voor het heer van Israël ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen.

Ex 23,20
Ziet, Ik zend een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op deze weg, en om u te brengen tot de plaats die Ik bereid heb.

Ex 23,23
Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaänieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen.

Ex 32,34
Doch ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! doch ten dage van Mijn bezoeken, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken!

Ex 33,2
En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaänieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten),

Num 20,16
Toen riepen wij tot de HEERE, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, een stad aan het uiterste van uw gebied.

Num 22,22
Doch de toorn van God werd ontstoken, omdat hij heentrok; en de Engel des HEEREN stelde Zich in de weg, hem tot een tegenpartij; hij nu reed op zijn ezelin, en twee van zijn jongens waren bij hem.

Num 22,23
De ezelin nu zag de Engel des HEEREN staande in de weg, met Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom week de ezelin uit de weg, en ging in het veld. Toen sloeg Bíleam de ezelin, om haar naar de weg te doen wenden.

Num 22,24
Maar de Engel des HEEREN stond in een pad der wijngaarden, terwijl er een muur aan deze, en een muur aan gene zijde was.

Num 22,25
Toen de ezelin de Engel des HEEREN zag, zo klemde zij zich aan de wand, en klemde Bíleams voet aan de wand; daarom voer hij voort haar te slaan.

Num 22,26
Toen ging de Engel des HEEREN nog verder, en Hij stond in een enge plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechter- noch ter linkerhand.

Num 22,27
Toen de ezelin de Engel des HEEREN zag, zo legde zij zich neer onder Bíleam; en de toorn van Bíleam ontstak, en hij sloeg de ezelin met een stok.

Num 22,31
Toen opende de HEERE de ogen van Bíleam, zodat hij de Engel des HEEREN zag, staande in de weg, en Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn ; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht.

Num 22,32
Toen zeide de Engel des HEEREN tot hem: Waarom hebt gij uw ezelin nu driemaal geslagen? Zie, Ik ben uitgegaan u tot een tegenpartij, omdat deze weg van Mij afwijkt.

Num 22,34
Toen zeide Bíleam tot de Engel des HEEREN: Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten, dat Gij tegenover mij op deze weg stondt; en nu, is het kwaad in Uw ogen, ik zal weerkeren.

Num 22,35
De Engel des HEEREN nu zeide tot Bíleam: Ga heen met deze mannen; maar alleen dat woord, wat Ik tot u spreken zal, dat zult gij spreken. Alzo trok Bíleam met de vorsten van Balak.

Ri 2,1
En een Engel des HEEREN kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim, en Hij zeide: Ik heb u uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uw vaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met u niet verbreken in eeuwigheid.

Ri 2,4
En het geschiedde, toen de Engel des HEEREN deze woorden tot alle kinderen Israëls gesproken had, zo hief het volk zijn stem op en weende.

Ri 5,23
Vloekt Meroz, zegt de Engel des HEEREN, vloekt zijn inwoners gedurig; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, met de helden.

Ri 6,11
Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder de eik, die te Ofra is, welke aan Joas, de Abiëzriet, toekwam; en zijn zoon Gídeon dorste tarwe bij de pers, om die te verbergen voor het aangezicht van de Midianieten.

Ri 6,12
Toen verscheen hem de Engel des HEEREN, en zeide tot hem: De HEERE is met u, gij strijdbare held!

Ri 6,20
Doch de Engel Gods zeide tot hem: Neem het vlees en de ongezuurde koeken, en leg ze op die rotssteen, en giet het sop uit; en hij deed alzo.

Ri 6,21
En de Engel des HEEREN stak het uiterste van de staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel des HEEREN kwam weg uit zijn ogen.

Ri 6,22
Toen zag Gídeon, dat het een Engel des HEEREN was; en Gídeon zeide: Ach, Heere, HEERE! daarom, omdat ik een Engel des HEEREN gezien heb van aangezicht tot aangezicht.

Ri 13,3
En een Engel des HEEREN verscheen aan deze vrouw, en Hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar, en hebt niet gebaard; maar gij zult zwanger worden, en een zoon baren.

Ri 13,6
Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man Gods tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel Gods, zeer vreselijk; en ik vroeg Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.

Ri 13,9
En God verhoorde de stem van Manóach; en de Engel Gods kwam weer tot de vrouw. Zij nu zat in het veld, doch haar man Manóach was niet bij haar.

Ri 13,13
En de Engel des HEEREN zeide tot Manóach: Van alles, wat Ik tot de vrouw gezegd heb, zal zij zich wachten.


Ri 13,15
Toen zeide Manóach tot de Engel des HEEREN: Laat ons U toch ophouden, en een geitenbokje voor Uw aangezicht bereiden.

Ri 13,16
Maar de Engel des HEEREN zeide tot Manóach: Indien gij Mij zult ophouden, Ik zal van uw brood niet eten; en indien gij een brandoffer zult doen, dat zult gij aan de HEERE offeren. Want Manóach wist niet, dat het een Engel des HEEREN was.

Ri 13,17
En Manóach zeide tot de Engel des HEEREN: Wat is Uw naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen.

Ri 13,18
En de Engel des HEEREN zeide tot hem: Waarom vraagt gij dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk.

Ri 13,20
En het geschiedde, toen de vlam van het altaar opvoer naar de hemel, zo voer de Engel des HEEREN op in de vlam van het altaar. Toen Manóach en zijn vrouw dat zagen, zo vielen zij op hun aangezichten ter aarde.

Ri 13,21
En de Engel des HEEREN verscheen niet meer aan Manóach, en aan zijn vrouw. Toen bekende Manóach, dat het een Engel des HEEREN was.

1 Sam 29,9
Achis nu antwoordde en zeide tot David: Ik weet het; voorwaar, gij zijt aangenaam in mijn ogen, als een engel Gods; maar de oversten der Filistijnen hebben gezegd: Laat hem met ons in deze strijd niet optrekken.

2 Sam 14,17
Voorts zeide uw dienstmaagd: Het woord van mijn heer, de koning, zij toch tot rust; want gelijk een Engel Gods, alzo is mijn heer de koning, om te horen het goede en het kwade; en de HEERE, uw God, zal met u zijn.

2 Sam 14,20
Dat ik het aanzien van deze zaak alzo omwenden zou, zulks heeft uw knecht Joab gedaan; doch mijn heer is wijs, naar de wijsheid van een Engel Gods, om te merken alles, wat op de aarde is.

2 Sam 19,27
Daartoe heeft hij uw knecht bij mijn heer de koning vals aangebracht; doch mijn heer de koning is als een engel Gods; doe dan, wat goed is in uw ogen.

2 Sam 24,16
Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om het te verderven, berouwde het de HEERE over dat kwaad, en Hij zeide tot de engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel des HEEREN nu was bij de dorsvloer van Arauna, de Jebusiet.

2 Sam 24,17
En David, toen hij de engel zag, die het volk sloeg, sprak tot de HEERE, en zeide: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gedaan, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen het huis mijns vaders.

1 Kon 13,18
En hij zeide tot hem: Ik ben ook een profeet, gelijk gij, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord des HEEREN, zeggende: Breng hem terug met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Doch hij loog tegen hem.

1 Kon 19,5
En hij legde zich neer, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde een engel hem aan, en zeide tot hem: Sta op, eet;

1 Kon 19,7
En de engel des HEEREN kwam ten anderen male weer, en roerde hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn.

2 Kon 1,3
Maar de Engel des HEEREN sprak tot Elía, de Thisbiet: Maak u op, ga op, de boden van de koning van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat gij heengaat, om Baäl-Zebub, de god van Ekron, te vragen?

2 Kon 1,15
Toen sprak de Engel des HEEREN tot Elía: Ga af met hem; vrees niet voor zijn aangezicht. En hij stond op, en ging met hem af tot de koning.

2 Kon 19,35
Het geschiedde dan in die nacht, dat de Engel des HEEREN uittrok, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.

1 Kron 21,12
Of drie jaren honger, of drie maanden verteerd te worden voor het aangezicht van uw tegenpartij, en dat het zwaard van uw vijanden u achterhale; of drie dagen het zwaard des HEEREN, dat is, de pestilentie in het land, en een verdervende engel des HEEREN in heel het gebied van Israël? Zo zie nu toe, wat antwoord ik Hem zal wedergeven, Die mij gezonden heeft.

1 Kron 21,15
En God zond een engel naar Jeruzalem, om dat te verderven; en toen hij het verdierf, zag de HEERE het, en het berouwde Hem over dat kwaad; en Hij zeide tot de verdervende engel: Het is genoeg, trek nu uw hand af. De engel des HEEREN nu stond bij de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.

1 Kron 21,16 
Toen David zijn ogen ophief, zo zag hij de engel des HEEREN, staande tussen de aarde en tussen de hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn , uitgestrekt over Jeruzalem; toen viel David, en de oudsten, bedekt met zakken, op hun aangezichten.

1 Kron 21,18
Toen zeide de engel des HEEREN tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan, om de HEERE een altaar op te richten op de dorsvloer van Ornan, de Jebusiet.

1 Kron 21,20
Toen Ornan zich wendde, zo zag hij de engel; en zijn vier zonen, die bij hem waren, verstaken zich; en Ornan dorste tarwe.

1 Kron 21,27
En de HEERE zeide tot de engel, dat hij zijn zwaard weer in zijn schede steken zou.

1 Kron 21,30
David nu kon niet heengaan voor het altaar, om God te zoeken; want hij was verschrikt voor het zwaard van de engel des HEEREN.

2 Kron 32,21
En de Heere zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger van de koning van Assyrië verdelgde. Zo is hij met schaamte des aangezichts in zijn land weergekeerd; en toen hij in het huis van zijn god ingegaan was, zo velden hem daar met het zwaard, die uit zijn lijf voortgekomen waren.

Ps 34,8
Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.

Ps 35,5
Laat hen worden als kaf voor de wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.

Ps 35,6
Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.

Pred 5,5
Laat uw mond niet toe, dat hij uw vlees zou doen zondigen; en zeg niet voor het aangezicht van de engel, dat het een dwaling was; waarom zou God grotelijks toornen vanwege uw stem, en verderven het werk uwer handen?

Jes 37,36
Toen voer de engel des HEEREN uit, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.

Jes 63,9
In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel Zijns aangezichts heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds.

Dan 3,28
Nebukadnézar antwoordde en zeide: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abéd-Nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en het woord van de koning veranderd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God.

Dan 6,23
Mijn God heeft Zijn Engel gezonden, en Hij heeft de muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan.

Hos 12,5
Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen de Engel, en overmocht Hem; hij weende en smeekte Hem. Te Beth-El vond hij Hem, en aldaar sprak Hij met ons;

Zach 1,9
En ik zeide: Mijn Heere! wat zijn deze? Toen zeide tot mij de Engel, Die met mij sprak: Ik zal u tonen, wat deze zijn.

Zach 1,11
En zij antwoordden de Engel des HEEREN, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben het land doorwandeld, en ziet, het ganse land zit en het is stil.

Zach 1,12
Toen antwoordde de Engel des HEEREN, en zeide: HEERE der heerscharen! hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt, deze zeventig jaren?

Zach 1,13
En de HEERE antwoordde de Engel, Die met mij sprak, goede woorden, troostrijke woorden.

Zach 1,14
En de Engel, Die met mij sprak, zeide tot mij: Roep uit, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heerscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een grote ijver.

Zach 1,19
En ik zeide tot de Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze? En Hij zeide tot mij: Dit zijn de hoornen, welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.

Zach 2,3
En ziet, de Engel, Die met mij sprak, ging uit; en een andere Engel ging uit, hem tegemoet.

Zach 3,1
Daarna toonde Hij mij Jósua, de hogepriester, staande voor het aangezicht van de Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te weerstaan.

Zach 3,3
Jósua nu was bekleed met vuile klederen, toen hij voor het aangezicht van de Engel stond.

Zach 3,5
Daarom zeg Ik: Laat ze een reine hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten die reine hoed op zijn hoofd, en zij trokken hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij.

Zach 3,6
Toen betuigde de Engel des HEEREN Jósua, zeggende:

Zach 4,1
En de Engel, Die met mij sprak, kwam weer; en Hij wekte mij op, gelijk die van zijn slaap opgewekt wordt.

Zach 4,4
En ik antwoordde, en zeide tot de Engel, Die met mij sprak, zeggende: Mijn Heere! wat zijn deze dingen?

Zach 4,5
Toen antwoordde de Engel, Die met mij sprak, en zeide tot mij: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere!

Zach 5,5
En de Engel, Die met mij sprak, ging uit, en zeide tot mij: Hef nu uw ogen op, en zie, wat dit is, dat er voortkomt.

Zach 5,10
Toen zeide ik tot de Engel, Die met mij sprak: Waarheen brengen zij deze efa?

Zach 6,4
En ik antwoordde, en zeide tot de Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Heere?

Zach 6,5
En de Engel antwoordde, en zeide tot mij: Deze zijn de vier winden des hemels, uitgaande van waar zij stonden voor de Heere der ganse aarde.

Zach 12,8
Te dien dage zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die, die onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David; en het huis van David zal zijn als goden; als de Engel des HEEREN voor hun aangezicht.

Mal 2,7
Want de lippen der priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel van de HEERE der heerscharen.

Mal 3,1
Ziet, Ik zend Mijn engel, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal; en haastig zal tot Zijn tempel komen die Heere, Die gij zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Wie gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de HEERE der heerscharen.

Mat 1,20
En alzo hij deze dingen in de zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in de droom, zeggende: Jozef, gij zoon van David! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit de Heilige Geest.

Mat 1,24
Jozef dan, opgewekt zijnde van de slaap, deed, gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen;

Mat 2,13
Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in de droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeke en Zijn moeder, en vlucht in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Heródes zal het Kindeke zoeken, om Het te doden.

Mat 2,19
Toen Heródes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in de droom, in Egypte.

Mat 11,10
Want deze is het, van wie geschreven staat: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen.

Mat 28,2
En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, neerdalende uit de hemel, kwam toe, en wentelde de steen af van de deur, en zat daarop.

Mat 28,5
Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gij niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.

Mar 1,2
Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.

Luk 1,11
En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter zijde van het reukofferaltaar.

Luk 1,13
Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharías! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Johannes.

Luk 1,18
En Zacharias zeide tot de engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is ver op haar dagen gekomen.

Luk 1,19
En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.

Luk 1,26
En in de zesde maand werd de engel Gabriël door God gezonden naar een stad in Galiléa, genaamd Názareth;

Luk 1,28
En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen.

Luk 1,30
En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.

Luk 1,34
En Maria zeide tot de engel: Hoe zal dat wezen, daar ik geen man beken?

Luk 1,35
En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.

Luk 1,38
En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.

Luk 2,9
En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vrees.

Luk 2,10
En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die voor het gehele volk wezen zal;

Luk 2,13
En van stonde aan was er met de engel een menigte van de hemelse heerlegers, prijzende God en zeggende:

Luk 2,21
En toen acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeke besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was door de engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.

Luk 7,27
Deze is het, van wie geschreven is: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.

Luk 22,43
En van Hem werd gezien een engel uit de hemel, die Hem versterkte.

Joh 5,4
Want een engel daalde neer op zekere tijd in dat badwater, en beroerde het ; die dan het eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, door wat ziekte hij ook bevangen was.

Joh 12,29
De schare dan, die daar stond, en dit hoorde, zeide, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.

Hand 5,19
Maar de engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis en leidde hen uit, en zeide:

Hand 6,15
En allen, die in de raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht van een engel.

Hand 7,30
En toen veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van de berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos.

Hand 7,35
Deze Mozes, die zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? deze, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand van de Engel, Die hem verschenen was in het doornenbos.

Hand 7,38
Deze is het, die in de vergadering van het volk in de woestijn was met de Engel, Die tot hem sprak op de berg Sinaï, en met onze vaderen; die de levende woorden ontving, om ons die te geven.

Hand 8,26
En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is.

Hand 10,3
Deze zag duidelijk in een gezicht, omtrent de negende ure des daags, een engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius!

Hand 10,7
En toen de engel, die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisknechten, en een godzalige krijgsknecht van hen, die gedurig bij hem waren;

Hand 10,22
En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vrezende God, en die goede getuigenis heeft van het ganse volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand door een heilige engel, dat hij u zou ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zou horen.

Hand 11,13
En hij heeft ons verhaald, hoe hij een engel gezien had, die in zijn huis stond, en tot hem zeide: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus;

Hand 12,7
En ziet, een engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastig op. En zijn ketenen vielen af van de handen.

Hand 12,8
En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed alzo. En hij zeide tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij.

Hand 12,9
En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, hetgeen door de engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.

Hand 12,10
En toen zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; welke van zelf hun geopend werd. En uitgegaan zijnde, gingen zij een straat voort, en terstond scheidde de engel van hem.

Hand 12,11
En Petrus tot zichzelf gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtig dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft en mij verlost heeft uit de hand van Heródes, en uit al de verwachting van het volk der Joden.

Hand 12,15
En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij bleef er sterk bij, dat het alzo was. En zij zeiden: Het is zijn engel.

Hand 12,23
En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd door de wormen gegeten, en gaf de geest.

Hand 23,8
Want de Sadduceeën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeeën belijden het beide.

Hand 23,9
En er geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der Farizeeën stonden op, en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in deze mens; en indien een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden.

Hand 27,23
Want deze zelfde nacht heeft bij mij gestaan een engel Gods, Wiens ik ben, Welke ook ik dien,

2 Kor 11,14
En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts.

2 Kor 12,7
En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen.

Gal 1,8
Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.

Gal 4,14
En mijn verzoeking, die in mijn vlees geschiedde, hebt gij niet veracht noch verfoeid; maar gij naamt mij aan als een engel Gods, ja, als Christus Jezus.

Op 1,1
De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft;

Op 2,1
Schrijf aan de engel der gemeente van Éfeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechter houdt, Die in het midden van de zeven gouden kandelaren wandelt:

Op 2,8
En schrijf aan de engel der gemeente van die van Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is, en weer levend is geworden:

Op 2,12
En schrijf aan de engel der gemeente, die in Pérgamus is: Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft:

Op 2,18
En schrijf aan de engel der gemeente te Thyatíre: Dit zegt de Zoon van God, Die Zijn ogen heeft als een vlam vuur, en Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk:

Op 3,1
En schrijf aan de engel der gemeente, die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.

Op 3,7
En schrijf aan de engel der gemeente, die in Filadelfía is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die de sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent:

Op 3,14
En schrijf aan de engel van de gemeente der Laodicensen: Dit zegt de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods:

Op 5,2
En ik zag een sterke engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegels open te breken?

Op 7,2
En ik zag een andere engel opkomen van de opgang der zon, hebbende het zegel van de levende God; en hij riep met een grote stem tot de vier engelen, aan wie macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen,

Op 8,3
En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij het met de gebeden van alle heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor de troon is.

Op 8,4
En de rook van het reukwerk, met de gebeden der heiligen, ging op van de hand van de engel voor God.

Op 8,5
En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur van het altaar, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en aardbeving.

Op 8,7
En de eerste engel heeft gebazuind, en er is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel der bomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand.

Op 8,8
En de tweede engel heeft gebazuind, en er werd iets als een grote berg, van vuur brandende, in de zee geworpen; en het derde deel der zee is bloed geworden.

Op 8,10
En de derde engel heeft gebazuind, en er is een grote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit de hemel, en is gevallen op het derde deel der rivieren, en op de fonteinen der wateren.

Op 8,12
En de vierde engel heeft gebazuind, en het derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en het derde deel der sterren; opdat het derde deel ervan zou verduisterd worden, en dat het derde deel van de dag niet zou lichten; en van de nacht eveneens.

Op 8,13
En ik zag en ik hoorde een engel vliegen in het midden van de hemel, zeggende met grote stem: Wee, wee, wee, hun die op de aarde wonen, van de overige stemmen van de bazuin der drie engelen, die nog bazuinen zullen.

Op 9,1
En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit de hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van de put van de afgrond.

Op 9,11
En zij hadden over zich tot een koning de engel van de afgrond; zijn naam was in het Hebreeuws Abáddon, en in de Griekse taal had hij de naam Apollyon.

Op 9,13
En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde een stem uit de vier hoornen van het gouden altaar, dat voor God was,

Op 9,14
Zeggende tot de zesde engel, die de bazuin had: Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat.

Op 10,1
En ik zag een andere sterke engel, afkomende van de hemel, die bekleed was met een wolk; een regenboog was boven zijn hoofd; en zijn aangezicht was als de zon, en zijn voeten waren als pilaren van vuur.

Op 10,5
En de engel, die ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijn hand op naar de hemel;

Op 10,7
Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij Zijn dienstknechten, de profeten, verkondigd heeft.

Op 10,8
En de stem, die ik gehoord had uit de hemel, sprak weer met mij, en zeide: Ga heen, neem het boekske, dat geopend en in de hand van de engel is, die op de zee en op de aarde staat.

Op 10,9
En ik ging heen tot de engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boekske. En hij zeide tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.

Op 10,10
En ik nam dat boekske uit de hand van de engel, en ik at dat op; en het was in mijn mond zoet als honing, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter.

Op 11,1
En mij werd een rietstok gegeven, een meetroede gelijk; en de engel stond en zeide: Sta op, en meet de tempel Gods en het altaar, en hen, die daarin aanbidden.

Op 11,15
En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in de hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden van onze Heere en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.

Op 14,6
En ik zag een andere engel, vliegende in het midden van de hemel, en hij had het eeuwige Evangelie, om te verkondigen aan hen, die op de aarde wonen, en aan alle natie, en geslacht, en taal, en volk;

Op 14,8
En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit de wijn van de toorn van haar hoererij alle volken heeft gedrenkt.

Op 14,9
En een derde engel is hen gevolgd, zeggende met een grote stem: Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd, of aan zijn hand,

Op 14,15
En een andere engel kwam uit de tempel, roepende met een grote stem tot Hem, Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want de ure om te maaien is voor u gekomen, omdat de oogst der aarde rijp is geworden.

Op 14,17
En een andere engel kwam uit de tempel, die in de hemel is, hebbende ook zelf een scherpe sikkel.

Op 14,18
En een andere engel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur; en hij riep met een groot geroep, tot hem, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw scherpe sikkel, en snijd af de druiventakken van de wijngaard der aarde, want zijn druiven zijn rijp.

Op 14,19
En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van de wijngaard der aarde, en wierp ze in de grote wijnpersbak van de toorn Gods.

Op 16,3
En de tweede engel goot zijn schaal uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode; en alle levende ziel is gestorven in de zee.

Op 16,4
En de derde engel goot zijn schaal uit in de rivieren en in de fonteinen der wateren; en de wateren werden bloed.

Op 16,5
En ik hoorde de engel der wateren zeggen: Gij zijt rechtvaardig, Heere! Die is, en Die was, en Die zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt;

Op 16,8
En de vierde engel goot zijn schaal uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur.

Op 16,10
En de vijfde engel goot zijn schaal uit op de troon van het beest; en zijn is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn;

Op 16,12
En de zesde engel goot zijn schaal uit op de grote rivier, de Eufraat; en zijn water is uitgedroogd, opdat bereid zou worden de weg der koningen, die van de opgang der zon komen zullen.

Op 16,17
En de zevende engel goot zijn schaal uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit de tempel des hemels, van de troon, zeggende: Het is geschied!

Op 17,7
En de engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid van de vrouw en van het beest, dat haar draagt, dat de zeven hoofden heeft en de tien hoornen.

Op 18,1
En na dezen zag ik een andere engel afkomen uit de hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid.

Op 18,21
En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden.

Op 19,17
En ik zag een engel, staande in de zon; en hij riep met een grote stem, zeggende tot al de vogels, die in het midden van de hemel vlogen: Komt herwaarts, en vergadert u tot het avondmaal van de grote God;

Op 20,1
En ik zag een engel afkomen uit de hemel, hebbende de sleutel van de afgrond, en een grote keten in zijn hand;

Op 21,17
En hij mat haar muur op honderd vier en veertig ellen, naar de maat van een mens, welke van de engel was.

Op 22,6
En hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere, de God der heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden, om Zijn dienstknechten te tonen, hetgeen haast moet geschieden.

Op 22,8
En ik, Johannes, ben degene, die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neer om te aanbidden voor de voeten van de engel, die mij deze dingen toonde.

Op 22,16
Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u deze dingen te betuigen in de gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht van David, de blinkende Morgenster.


Gen 19,1
En die twee engelen kwamen te Sódom in de avond; en Lot zat in de poort te Sódom; en toen Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.

Gen 19,15
En toen de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw vrouw, en uw twee dochters, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid van deze stad niet omkomt.

Gen 28,12
En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neer.

Gen 32,1
Jakob ging ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.

Job 4,18
Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.

Ps 8,6
En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?

Ps 91,11
Want Hij zal Zijn engelen aangaande u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.

Ps 103,20
Looft de HEERE, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem van Zijn woord.

Ps 104,4
Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.

Ps 148,2
Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heerscharen!

Mat 4,6
En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelf nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen aangaande U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.

Mat 4,11
Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.

Mat 13,39
En de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding der wereld; en de maaiers zijn de engelen.

Mat 13,41
De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen;

Mat 13,49
Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden;

Mat 16,27
Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een ieder vergelden naar zijn doen.

Mat 18,10
Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen, altijd zien het aangezicht van Mijn Vader, Die in de hemelen is.

Mat 22,30
Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in de hemel.

Mat 24,31
En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste daarvan.

Mat 24,36
Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.

Mat 25,31
En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid.

Mat 25,41
Dan zal Hij zeggen ook tot hen, die ter linker zijn; Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is.

Mat 26,53
Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal meer dan twaalf legioenen engelen bij Mij stellen?

Mar 1,13
En Hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht door de satan; en was bij de wilde gedierten; en de engelen dienden Hem.

Mar 8,38
Want zo wie zich voor Mij en voor Mijn woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, voor die zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid van Zijn Vader, met de heilige engelen.

Mar 12,25
Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn.

Mar 13,27
En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde, tot het uiterste des hemels.

Mar 13,32
Maar van die dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.

Luk 2,15
En het geschiedde, toen de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.

Luk 4,10
Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen;

Luk 9,26
Want zo wie zich voor Mij en voor Mijn woorden zal geschaamd hebben, voor die zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, en in de heerlijkheid des Vaders, en van de heilige engelen.

Luk 12,8
En Ik zeg u: Een ieder, die Mij belijden zal voor de mensen, die zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen Gods.

Luk 12,9
Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen Gods.

Luk 15,10
Alzo, zeg Ik u, is er blijdschap voor de engelen Gods over één zondaar, die zich bekeert.

Luk 16,22
En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en door de engelen gedragen werd in de schoot van Abraham.

Luk 20,36
Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn de engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, omdat zij kinderen der opstanding zijn.

Luk 24,23
En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft.

Joh 1,52
En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Van nu aan zult gij de hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en neerdalende op de Zoon des mensen.

Joh 20,12
En zag twee engelen in witte klederen zitten, een aan het hoofd, en een aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had.

Hand 7,53
Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt ze niet gehouden!

Rom 8,38
Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen,

1 Kor 4,9
Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als ter dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden voor de wereld, en de engelen, en de mensen.

1 Kor 6,3
Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?

1 Kor 11,10
Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, vanwege de engelen.

1 Kor 13,1
Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden.

Gal 3,19
Waartoe is dan de wet? Zij is om de overtredingen daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, die het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de van de middelaar.

Kol 2,18
Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses;

2 Thess 1,7
En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van de Heere Jezus van de hemel met de engelen Zijner kracht;

1 Tim 3,16
En buiten alle twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.

1 Tim 5,21
Ik betuig voor God, en de Heere Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat gij deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid.

Heb 1,4
Zoveel voortreffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geërfd heeft.

Heb 1,5
Want tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd? En weer: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?

Heb 1,6
En als Hij wederom de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen Gods Hem aanbidden.

Heb 1,7
En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaars een vlam des vuurs.

Heb 1,13
En tot wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten?

Heb 2,2
Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft;

Heb 2,5
Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken.

Heb 2,7
Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen;

Heb 2,9
Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen de dood smaken zou.

Heb 2,16
Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad van Abraham aan.

Heb 12,22
Maar gij zijt gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen;

Heb 13,2
Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.

1 Petr 1,12
Aan wie geopenbaard is, dat zij niet zichzelf, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn door degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door de Heilige Geest, Die van de hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.

1 Petr 3,22
Die is aan de rechter hand Gods, opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde.

2 Petr 2,4
Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;

2 Petr 2,11
Daar de engelen in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen hen voor de Heere voortbrengen.

Judas 1,6
En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.

Op 1,20
De verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in Mijn rechter , en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen van de zeven gemeenten; en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven gemeenten.

Op 3,5
Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.

Op 5,11
En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden;

Op 7,1
En na dezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enige boom.

Op 7,2
En ik zag een andere engel opkomen van de opgang der zon, hebbende het zegel van de levende God; en hij riep met een grote stem tot de vier engelen, aan wie macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen,

Op 7,11
En al de engelen stonden rondom de troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor de troon neer op hun aangezichten, en aanbaden God,

Op 8,2
En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven.

Op 8,6
En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen.

Op 8,13
En ik zag en ik hoorde een engel vliegen in het midden van de hemel, zeggende met grote stem: Wee, wee, wee, hun die op de aarde wonen, van de overige stemmen van de bazuin der drie engelen, die nog bazuinen zullen.

Op 9,14
Zeggende tot de zesde engel, die de bazuin had: Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, de Eufraat.

Op 9,15
En de vier engelen zijn ontbonden geworden, die bereid waren tegen de ure, en dag, en maand, en jaar, opdat zij het derde deel der mensen zouden doden.

Op 12,7
En er werd krijg in de hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen de draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.

Op 12,9
En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.

Op 14,10
Die zal ook drinken uit de wijn van de toorn van God, die ongemengd ingeschonken is, in de drinkbeker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.

Op 15,1
En ik zag een ander groot en wonderlijk teken in de hemel: namelijk zeven engelen, hebbende de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn Gods geëindigd.

Op 15,6
En de zeven engelen, die de zeven plagen hadden, kwamen uit de tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels.

Op 15,7
En een van de vier dieren gaf de zeven engelen zeven gouden schalen, vol van de toorn Gods, Die in alle eeuwigheid leeft.

Op 15,8
En de tempel werd vervuld met rook uit de heerlijkheid Gods, en uit Zijn kracht; en niemand kon in de tempel ingaan, totdat de zeven plagen der zeven engelen geëindigd waren.

Op 16,1
En ik hoorde een grote stem uit de tempel, zeggende tot de zeven engelen: Gaat heen, en giet de zeven schalen van de toorn Gods uit op de aarde.

Op 17,1
En een uit de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij, en zeide tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel van de grote hoer, die daar zit op vele wateren;

Op 21,9
En tot mij kwam een van de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en hij sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams.

Op 21,12
En zij had een grote en hoge muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welke zijn de namen van de twaalf geslachten der kinderen Israëls.

2 Petrus 2

Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;


Judas 1

En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.

Openbaring 12:8, 9

En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in den hemel.
En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.

Openbaring 20

De satan voor duizend jaren gebonden
En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een grote keten in zijn hand;
En hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren;
En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.
De eerste opstanding
En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.
Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.
Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.
De satan geheel overwonnen
En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satanas uit zijn gevangenis ontbonden worden.
En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen tevergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee.
En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden.
10 En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.


1 Petrus 3

18 Want Christus heeft ook ééns voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door den Geest;
19 In Denwelken Hij ook, henengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft,
20 Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.
21 Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus;
22 Welke is aan de rechterhand Gods, opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde.

Daniël 2

42 En de tenen der voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos.
43 En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.
44 Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.
45 Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft den koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijn uitlegging is zeker.

Johannes 5:25

25 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer  de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.

Genesis 7

20 Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt.
21 En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.
22 Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.
23 Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.
24 En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.

1 Petrus 3

Dewelke zullen rekenschap geven Dengene, Die bereid staat om te oordelen de levenden en de doden.
Want daartoe is ook den doden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mens in het vlees, maar leven zouden naar God in den geest.
En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden.

1 Petrus 4

Leven en lijden als Christenen
Dewijl dan Christus voor ons in het vlees geleden heeft, zo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vlees geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde;
Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der mensen, maar naar den wil van God, den tijd, die overig is in het vlees, te leven.
Want het is ons genoeg, dat wij den voorgaande tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen;
Waarin zij zich vreemd houden, als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren;
Dewelke zullen rekenschap geven Dengene, Die bereid staat om te oordelen de levenden en de doden.

Jesaja 51

Herstelling en geluk van Israël
Hoort naar Mij, gij, die de gerechtigheid najaagt, gij, die den HEERE zoekt! aanschouwt den rotssteen, waaruit gijlieden gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, waaruit gij gegraven zijt.
Aanschouwt Abraham, ulieder vader, en Sara, die ulieden gebaard heeft; want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem.
Want de HEERE zal Sion troosten, Hij zal troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal haar woestijn maken als Eden, en haar wildernis als den hof des HEEREN; vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en een stem des gezangs.
Luistert naar Mij, Mijn volk! en Mijn lieden, neigt naar Mij het oor! want een wet zal van Mij uitgaan, en Ik zal Mijn recht doen rusten tot een licht der volken.
Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil trekt uit, en Mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de eilanden wachten, en op Mijn arm zullen zij hopen.
Heft ulieder ogen op naar den hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van den mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet.
Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten.
Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, Gij arm des HEEREN! ontwaak als in de verledene dagen, als in de geslachten van ouds; zijt Gij het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die den zeedraak verwond hebt?
10 Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren des groten afgronds, droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen?
11 Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden.
12 Ik, Ik ben het, Die u troost; wie zijt gij, dat gij vreest voor den mens, die sterven zal? en voor eens mensen kind, dat hooi worden zal?
13 En vergeet den HEERE, Die u gemaakt heeft, Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest geduriglijk den gansen dag, vanwege de grimmigheid des benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid des benauwers?
14 De omzwevende gevangene zal haastelijk los gelaten worden; en hij zal in den kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken.
15 Want Ik ben de HEERE, uw God, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.
16 En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw Mijner hand; om den hemel te planten, en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot Sion: Gij zijt Mijn volk.
17 Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! gij, die gedronken hebt van de hand des HEEREN den beker Zijner grimmigheid; den droesem van den beker der zwijmeling hebt gij gedronken, ja, uitgezogen.
18 Er is niemand van al de kinderen, die zij gebaard heeft, die haar zachtjes leidt; en niemand van al de kinderen, die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt.
19 Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wien zal Ik u troosten?
20 Uw kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, gelijk een wilde os in het net; zij zijn vol van de grimmigheid des HEEREN, van de schelding uws Gods.
21 Daarom hoort nu dit, gij bedrukten! en gij dronkenen, maar niet van wijn! (Dronken in de Geest)
22 Alzo zegt de Heere, de HEERE en uw God, Die Zijns volks zaak twisten zal: Zie, Ik neem den beker der zwijmeling van uw hand, den droesem van den beker Mijner grimmigheid; gij zult dien voortaan niet meer drinken.
23 Maar Ik zal hem dien, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uw ziel zeiden: Buig u neder, dat wij over gaan; en gij legdet uw rug neder als aarde, en als een straat dergenen, die daarover gaan.

Psalmen 118

De HEERE (YHWH)  is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?

Jesaja 52

Vredeboden verkondigen Sions heil
Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad, want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen.

Romeinen 2

29 Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.

1 Korinthe 10

Israël als waarschuwend voorbeeld
En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;
En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;
En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;
En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.
Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.
En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.
En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.
En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op één dag drie en twintig duizend.
En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.
10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.
11 En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.
12 Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.
13 Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.
Het Avondmaal
14 Daarom, mijn geliefden, vliedt van den afgodendienst.
15 Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg.
16 De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?
17 Want één brood is hetzo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn.
18 Ziet Israël, dat naar het vlees is; hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar?
19 Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?
20 Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.
21 Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.
22 Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij?
De Christelijke vrijheid
23 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.
24 Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.
25 Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil;
26 Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.
27 En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil.
28 Maar zo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om des gewetens wil. Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.
29 Doch ik zeg: om het geweten, niet van uzelven, maar des anderen; want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten?
30 En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen, waarvoor ik dankzeg?
31 Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.
32 Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.
33 Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden.

23 All things are lawful for me, but all things are not expedient (raadzaam): all things are lawful for me, but all things edify (stichten) not. (KJV)


Oorbaar:
1) Billijk 2) Betamelijk 3) Behoorlijk 4) Dienstig 5) Eerbaar 6) Fatsoenlijk 7) Geschikt 8) Gepast 9) Geoorloofd 10) Heel gepast om uw zintuig hierop te luisteren te leggen (crypt.) 11) Kies 12) Nuttig 13) Toegestaan 14) Voegzaam 15) Voordelig 16) Welvoeglijk 17) Winstgevend 18) Zedig 19) Nut 20) voordeel 21) toelaatbaar

Handelingen 20

28 Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
29 Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen.
30 En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.

1 Korinthe 1

Aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepenen heiligen, met allen, die den Naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hun en onzen Heere:
Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.
Ik dank mijn God allen tijd over u, vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus;
Dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem, in alle rede en alle kennis;
Gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u;
Alzo dat het u aan gene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus.
Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus.
God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere.
De wijsheid van God en de wijsheid der wereld
17 Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde.
18 Want het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods;
19 Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken.
20 Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?
21 Want nademaal, in de wijsheid Gods, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig te maken, die geloven;
22 Overmits de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken;
23 Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid;
24 Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods.
25 Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen; en het zwakke Gods is sterker dan de mensen.
26 Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.
27 Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen;
28 En het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken;
29 Opdat geen vlees zou roemen voor Hem.
30 Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;
31 Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in den Heere.

1 Korinthe 10

32 
Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken (Gentiles), en der Gemeente Gods.

1 Korinthe 11

19 
Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.
22 Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de Gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik u niet.

1 Korinthe 15

Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb.

2 Korinthe 1

Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Timótheüs, de broeder, aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel Acháje zijn:
Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.

Galaten 1

11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens.
12 Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.
13 Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte;
14 En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen.
15 Maar wanneer het Gode (YHWH) behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade,
16 Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed;
17 En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die vóór mij apostelen waren; maar ik ging henen naar Arabië, en keerde wederom naar Damaskus.
18 Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen.
19 En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, den broeder des Heeren.
20 Hetgeen nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg!
21 Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrië en van Cilícië.
22 En ik was van aangezicht onbekend aan de Gemeenten in Judéa, die in Christus zijn.
23 Maar zij hadden alleenlijk gehoord, dat men zeide: Degene, die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte.
24 En zij verheerlijkten God in mij.

Hebreeën 12

23 
Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;

Daniël 12

De verzegelde woorden
En te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.
En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.
De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.
En gij, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.
En ik, Daniël, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze zijde van den oever der rivier, en de ander aan gene zijde van den oever der rivier.
En hij zeide tot den Man, bekleed met linnen, Die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen?
En ik hoorde dien Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechter- en Zijn linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij Dien, Die eeuwiglijk leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleind hebben te verstrooien de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen worden.
Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen?
En Hij zeide: Ga henen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde.
10 Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.
11 En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.
12 Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.
13 Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.

Markus 13

Verwoesting van Jeruzalem voorzegd
En als Hij uit den tempel ging, zeide een van Zijn discipelen tot Hem: Meester! zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen!
En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ziet gij deze grote gebouwen? Er zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.
En als Hij gezeten was op den Olijfberg, tegen den tempel over, vraagden Hem Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andréas, alleen:
Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teken, wanneer deze dingen alle voleindigd zullen worden?
En Jezus, hun antwoordende, begon te zeggen: Ziet toe, dat u niemand verleide.
Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zullen velen verleiden.
En wanneer gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen, zo wordt niet verschrikt; want dit moet geschieden; maar nog is het einde niet.
Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen, en er zullen hongersnoden wezen, en beroerten. Deze dingen zijn maar beginselen der smarten.
Maar ziet gij voor uzelven toe; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in de synagogen; gij zult geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis.
10 En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder al de volken.
11 Doch wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd, wat gij spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest.
12 En de ene broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.
13 En gij zult gehaat worden van allen, om Mijns Naams wil; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Over de grote verdrukking
14 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den profeet Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!) alsdan, die in Judéa zijn, dat zij vlieden op de bergen.
15 En die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis weg te nemen.
16 En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn kleed te nemen.
17 Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen!
18 Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters.
19 Want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van het begin der schepselen, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal.
20 En indien de Heere de dagen niet verkort had, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij de dagen verkort.
21 En alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet.
22 Want er zullen valse christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen.
23 Maar gijlieden ziet toe; ziet, Ik heb u alles voorzegd!
Over de wederkomst
24 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven.
25 En de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden.
26 En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.
27 En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde, tot het uiterste des hemels.
28 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.
29 Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het nabij, voor de deur is.
30 Voorwaar, Ik zeg u, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.
31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.
32 Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.
Waarschuwing tot waakzaamheid
33 Ziet toe, waakt en bidt; want gij weet niet, wanneer de tijd is.
34 Gelijk een mens, buiten ’s lands reizende, zijn huis verliet, en zijn dienstknechten macht gaf, en elk zijn werk, en den deurwachter gebood, dat hij zou waken;
35 Zo waakt dan (want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, des avonds laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond);
36 Opdat hij niet onvoorziens kome, en u (geestelijk) slapende vinde.
37 En hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik allen: Waakt.

Lukas 10

10 Maar in wat stad gij zult ingaan, en zij u niet ontvangen, uitgaande op haar straten, zo zegt:
11 Ook het stof, dat uit uw stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden; nochtans zo weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabij u gekomen is.
12 En Ik zeg u, dat het dien van Sódom verdragelijker wezen zal in dien dag, dan dezelve stad.
13 Wee u, Chórazin, wee u, Bethsáïda, want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben.
14 Doch het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel, dan ulieden.
15 En gij, Kapérnaüm, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. 
16 Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft.
17 En de zeventigen zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uw Naam.
18 En Hij zeide tot hen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen.
19 Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen.
20 Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.
Jezus' dankgebed
21 Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde; dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.
22 Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en dien het de Zoon zal willen openbaren.
23 En Zich kerende naar de discipelen, zeide Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen, die zien, hetgeen gij ziet.
24 Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord.
 

Jesaja 13

De ondergang van Babel
De last van Babel, dien Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.
Heft op een banier, op een hogen berg; verheft een stem tot hen; beweegt de hand omhoog, dat zij intrekken door de deuren der prinsen.
Ik heb aan Mijn geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot Mijn toorn geroepen Mijn helden, de vrolijken Mijner hoogheid.
Er is een ruisende stem op de bergen, gelijk eens groten volks; een stem van gedruis der koninkrijken, der verzamelde heidenen; de HEERE der heirscharen monstert het krijgsheir.
Zij komen uit verren lande, van het einde des hemels; de HEERE en de instrumenten Zijner gramschap, om dat ganse land te verderven.
Huilt gijlieden, want de dag des HEEREN is nabij; hij komt als een verwoesting van den Almachtige.
Daarom zullen alle handen slap worden, en aller mensen hart zal versmelten;
En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw; een iegelijk zal over zijn naaste verbaasd zijn; hun aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn.
Ziet, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en deszelfs zondaars daaruit te verdelgen;
10 Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen.
11 Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken, en over de goddelozen hun ongerechtigheid; en Ik zal den hoogmoed der stouten doen ophouden, en de hovaardij der tirannen zal Ik vernederen.
12 Ik zal maken, dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mens dan fijn goud van Ofir.
13 Daarom zal Ik den hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, en vanwege den dag Zijns hittigen toorns.
14 En een iegelijk zal zijn als een verjaagde ree, en als een schaap, dat niemand vergadert; een iegelijk zal naar zijn volk omzien, en een iegelijk zal naar zijn land vluchten.
15 Al wie gevonden wordt, zal doorstoken worden, en al wie daarbij gevoegd is, zal door het zwaard vallen.
16 Ook zullen hun kinderkens voor hun ogen verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen geschonden worden.
17 Ziet, Ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver niet zullen achten, en aan het goud zullen zij geen lust hebben.
18 Maar hun bogen zullen de jongelingen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht des buiks; hun oog zal de kinderen niet verschonen.
19 Alzo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid der Chaldeeën, zijn gelijk als God Sódom en Gomórra omgekeerd heeft.
20 Daar zal geen woonplaats zijn in der eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en de Arabier zal daar geen tent spannen, en de herders zullen er niet legeren.
21 Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen.
22 En wilde dieren der eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkander toeroepen, mitsgaders de draken in de wellustige paleizen; haar tijd toch is nabij om te komen, en haar dagen zullen niet vertogen worden.

 

 



Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen