Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Familie "de Gier"

  
Zegel van Hillen de Gier 1460

         
Vlnr:
Hillebrand de Gier 1864-1952
Petrus de Gier 1895-1985
Joseph Hildebrand (Sjef) de Gier 1926-2002

"Jouw voorouders behoorden in de Middeleeuwen en de 16e en 17e eeuw tot de ridderschap, maar zijn blijkbaar in de 18e eeuw afgezakt tot dagloner, schoenmaker en schipper. Hoe kon dat gebeuren? Ik denk dat ze door inteelt verzwakt waren". (29 juli 2012)


Tot ver in de 18e eeuw behield de familie een behoorlijk sociaal niveau, en toen ging het snel bergafwaarts. In die tijd werd er geen onderscheid meer gemaakt tussen ministriale en niet-edele vrije ridderschap, maar werd de hele ridderschap als adel beschouwd. Maar dat betekende niet dat de rijkdom van al deze families gelijk was. Binnen de ridderschap bestonden grote verschillen in welvaart. (30 juli 2012).

Jouw voorvaders stammen volgens mij af van de homines franci, militaire boeren in het Nederlandse rivierengebied, die daar door de Frankische koningen Pepijn de Korte of Karel de Grote zijn neergezet om de grond te bewerken en te verdedigen tegen de Friezen. Aangezien ze het geluk hadden dat ze niet onder de immuniteit van een kerk of klooster raakten, konden ze hun vrijheid bewaren en hun welvaart opbouwen. Onder immuniteit van een kerk of klooster viel je niet meer onder het gewone landrecht. Het bracht wel bescherming mee, maar ook beperking van je handelingsbekwaamheid. (1 augustus 2012) (Marietje)*

Teisterbant is een gebied of landstreek, waar éen of meer graven regeerden namens de Frankische koning
Waar Teisterbant precies lag en hoe ver het zich uitstrekte, is niet bekend. In elk geval hoorden Driel en omringende dorpen ertoe.
(1 augustus 2012) (Marietje)*

De vertaling `Frankische edelman' is onjuist, want ook al hadden deze mensen het hoogste weergeld van alle standen in het Amorland, het waren geen edelen maar Frankische boeren/soldaten die koninklijke bescherming nodig hadden, omdat ze door de inheemse bevolking als een vijandige bezettingsmacht werden gehaat. Na een paar generaties zijn ze wel in die bevolking opgegaan en hebben zich als vrije boeren ontwikkeld, vaak herenboeren. In de veertiende eeuw hebben velen van hen hun grond aan de hertog van Gelre geschonken en als leen teruggekregen. Op die manier konden zij als leenman in de Gelderse ridderschap opklimmen. Dat zal ook met Pieter de Gier en zijn voorouders het geval zijn geweest. Een jonker was de zoon van een ridder die zelf geen ridder maar knape was.

Ik heb nog wel nagedacht over het verval van jouw voorgeslacht tijdens de Republiek, zodat het later niet meer tot de ridderschap werd gerekend. Een van de oorzaken kan lichamelijke verzwakking door inteelt zijn geweest, maar een andere oorzaak was waarschijnlijk het feit dat ze Rooms-katholiek zijn gebleven. In de zeventiende eeuw besloten de vier kwartieren van de Gelderse ridderschap dat de Rooms-katholieke leden moesten uittreden uit de ridderschap, zodat dit een zuiver protestants college werd. Dat is ook gebeurd, het laatst in het Kwartier van Arnhem (de Veluwe). Jouw voorgeslacht woonde in het Kwartier van Nijmegen (de Betuwe) en is toen dus ook uit de ridderschap getreden. Het was heel moeilijk om dan toch het oude sociale niveau te bewaren.

 

(28 juli 2016) (Marietje)*


1 Timótheüs 1

Noch (niet) zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen (stamboom onderzoek), welke meer twistvragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 

Leviticus 26

39 En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen uwer vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij met hen uitteren.
40 Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmede zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben.

Nehemía 9

En het zaad Israëls scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en hunner vaderen ongerechtigheden.

Psalmen 106

Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan; wij hebben goddelooslijk gehandeld.
Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheden niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.
 

Daniël 9

13 Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, alzo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandelijk acht gevende op Uw waarheid.
14 Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijner stem niet gehoorzaamden.
15 En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, gelijk hij is te dezen dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.
    16 O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heiligen berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn. 

Jeremía 14

20 HEERE! wij kennen onze goddeloosheid, en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd.
21 Versmaad ons niet, om Uws Naams wil; werp den troon Uwer heerlijkheid niet neder; gedenk, vernietig niet Uw verbond met ons.
    22 Zijn er onder de ijdelheden der heidenen, die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Zijt Gij die niet, o HEERE, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want Gij doet al die dingen.

Jeremía 3

25 
Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen den HEERE, onzen God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op dezen dag; en wij zijn der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest.

Jeremía 16

19 
O HEERE! Gij zijt mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht ten dage der benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden der aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en ijdelheid, waarin toch niets was, dat nut deed.

Ezra 9

Van de dagen onzer vaderen af zijn wij in grote schuld tot op dezen dag; en wij zijn om onze ongerechtigheden overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in de hand van de koningen der landen, in zwaard, in gevangenis, en in roof, en in schaamte des aangezichts, gelijk het is te dezen dage.

Jeremia 6

16 Dit zegt de Heer:‘Ik heb mijn volk gewaarschuwd: Sta eens stil op de weg die je gaat, kijk eens naar wat je aan het doen bent, kijk eens naar wat je voorouders dedenvraag welke weg de goede is. Als je de goede weg volgt, zul je rust vinden. Maar jullie zeiden: Dat doen we niet.

Handelingen 22

14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd, om Zijn wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen.
15 Want gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.
16 En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende den Naam des Heeren

Exodus 20

Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE (YHWH) uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;
En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. 

Numeri 14

18 
De HEERE is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid. 

Exodus 34

Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid.   

Titus 1
14 En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden der mensen,
die hen van de waarheid afkeren.

1 Koningen 8:58

58 Neigende tot Zich ons hart, om in al Zijn wegen te wandelen, en om te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, dewelke Hij onzen vaderen geboden heeft.

Jeremía 3

18 In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israël; en zij zullen te zamen komen uit het land van het noorden, in het land, dat Ik uw vaderen ten erve gegeven heb.
19 Ik zeide wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen? Maar Ik zeide: Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en gij zult van achter Mij niet afkeren.
20 Waarlijk, gelijk een vrouw trouwelooslijk scheidt van haar vriend, alzo hebt gijlieden trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, gij huis Israëls! spreekt de HEERE.
21 Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen der kinderen Israëls, omdat zij hun weg verkeerd, en den HEERE, hun God, vergeten hebben.
22 Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE (YHWH), onze God!
23 Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in den HEERE (YHWH), onzen God, is Israëls heil!
24 Want de schaamte heeft den arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochteren.
25 Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen den HEERE (YHWH), onzen God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op dezen dag; en wij zijn der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest.

Tobit 3

Vergeet mij toch niet en vestig uw blik op mij, Heer, en straf mij niet voor mijn zonden en mijn onbezonnen daden, noch voor die van mijn voorouders. Ze hebben tegen u gezondigd en uw geboden niet in acht genomen.
Daarom hebt u ons prijsgegeven aan plundering, ballingschap en dood, en worden we bespot, belasterd en beledigd door alle volken waaronder we zijn verstrooid. 
Ja, uw oordeel over mij is rechtvaardig, want ik heb gezondigd. We hebben uw geboden niet in acht genomen en zijn u niet trouw gebleven.

1 Timothy 1:4
Neither give heed to fables and endless genealogies, which minister questions, rather than godly edifying which is in faith: so do.
1
Timothy 4:7
But refuse profane and old wives' fables, and exercise thyselfrather unto godliness.
2
Timothy 4:4
And they shall turn away their ears from the truth, and shall be turned unto fables.
Titus 1:14
Not giving heed to Jewish fables, and commandments of men, that turn from the truth.
2 Peter 1:16
For we have not followed cunningly devised fables, when we made known unto you the power and coming of our Lord Jesus Christ, but were eyewitnesses of his majesty.



JUBILEES 1
22 And YAHWEH said to Mosheh: 'I know their contrariness and their thoughts and their stiffneckedness, and they will not be obedient till they confess their own sin and the sin of their fathers.
23 And after this they will turn to Me in all uprightness and with all their heart and with all their soul, and I will circumcise the foreskin of their heart and the foreskin of the heart of their seed, and I will create in them a kodesh spirit, and I will cleanse them so that they shall not turn away from Me from that day unto eternity.
24 And their souls will cleave to Me and to all My commandments, and they will fulfill My commandments, and I will be their ABBA (Father) and they shall be My children.

25 And they all shall be called children of the living YAHWEH, and every malak and every spirit shall know, yes, they shall know that these are My children, and that I am their ABBA in uprightness and righteousness, and that I love them.
         
Heynric die Gyer 1315-1382 (1335-20=1315)
Her Peter de Gier 
Peter de Gier
Hillen 
Peter
Hillebrant
Dirk
Hillebrant
Peter
Claes
Peter
Wouter




              

Registratie familiewapen: 
CBG
Wapenregister
*  XIV (14) Libri VI (6) fol. LXIX (69) verso - LXX (70) Verso 
Nakijken:

Betekenis van Recto = voorkant en Verso = Achterkant van een pagina


Leenkamers:
* Hollandse Genealogische Databank

http://www.rhcl.nl/nl/
http://regionaalarchiefrivierenland.nl/archieven?mivast=102&mizig=185&miadt=102&milang=nl&misort=last_mod%7Casc&mif2=DTB-register%20na%201811&miview=tbl
http://geneaknowhow.net/digi/geld-ni.html
http://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=100&miadt=38&milang=nl&miview=tbl
http://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=190&miadt=1&miaet=14&micode=ORGANISATIES&minr=771553&miview=ldt
http://www.stamboom.nl/search.php?mylastname=brands&myfirstname=&mybool=AND&search=Zoeken+naar+namen
De ruïne  
                                                         

Slot Rossum anno 2010



Johan de Cocq van Delwijnen was eigenaar en bewoner van het HUYS Leijensteijn, een omgracht herenhuis op de Ipperackeren. Na zijn dood in 1636 had de verdeling van zijn nalatenschap onder zijn kinderen pas plaats op 30 april 1653 en geschiedde, zoals toen gebruikelijk, door het lot. Zijn beide kinderen, Johan en Wilhelmina trokken het lot Huys en Hof `Leijensteijn`, groot ongeveer 4 hont [5600m2]. Zij waren elk voor de helft eigenaar. Zoon Johan verkoopt zijn helft op 6 april 1672 aan zijn beide zusters Alexandrina (Sandrina) en Wilhelmina.
Later, in 1728, verwierf de katholieke gemeente van Driel het huis Leijensteijn waar het eerst als schuilkerk werd ingericht. Nu doet het dienst onder de naam `De Leijensteijn`als bejaardencentrum.



Leenroerig:
Leengoed zijnde afkomstig en afhankelijk van de leenheer.
 
Een leen bleef in het bezit van een leenheer, (leenroerig), maar de rechten op het leen van de leenman konden vaak overgedragen worden bij vererving door het leen te (verheffen)
 
Vererving:
De manier waarop het bedrijf bij de dood van de eigenaar overgaat op een familielid.

Verheffen:
Officieel verklaren zich aan de formele vereisten van trouw aan de leenheer te zullen voldoen door de erfgenaam van een leen
Testeren:
1) Bij testament vermaken 2) Bij uiterste wil vermaken 3) Door erfstelling nalaten 4) Getuigen 5) Legateren

Vidimus van het latijnse `wij hebben het gezien´; een oorkonde waarin de oorkonders een verklaring afleggen over de inhoud van een eerdere oorkonde die zij ooit eerder hebben gezien (veelal in hun functie als schout of schepen).




Ik heb een Anna Maria van Wachtendonck en Heilwich? Humpusch als voorouders. Beiden familie wapens zijn hierboven op te zien.




Kasteel Cannenburg ligt in de huidige gemeente Vaassen. De vroegste vermelding is uit 1365 en sinds 1402 is het een leengoed van de Gelderse hertogen. In 1543 kocht de Veldheer Marten van Rossem de restanten van het middeleeuwse kasteel. Hij liet een statig nieuw slot op de fundamenten bouwen.

Zo'n kasteel bevat veel landerijen en ook boerderijen. De Veluwezoom was destijds een rijk gebied. Het schone water stroomde uit de hooggelegen Veluwe. De vele watermolens brachten er industriële activiteiten en geld.

De wandborden met wapenschilden werden bij een restauratie op zolder gevonden. Nu weet men dat de planken een tussenwand hebben gevormd tussen twee bovenkamers. Waarschijnlijk geven de wapenschilden de namen weer van de boerderijen die tot het landgoed behoorden.

Karel van Gelre werd gesteund door zijn veldheer Maarten van Rossum en Peter de Gier was Karel van Gelre zijn Rentmeester.
Maarten van Rossum zijn ouders, Johan van Rossum, heer van Rossum, en Johanna van Hemert.
Kasteel Poederooyen was van Johanna van Poederoijen, de echtgenote van Peter van Hemert


Poederooyen

 

Over Peter van Hemert, eigenaar van de heerlijkheid Poederoijen is nogal wat te doen geweest.
In
1493 werd het kasteel Poederoijen ingenomen door Hertog Karel, omdat Peter het met de Bourgondiërs had gehouden.
Op 24 juni 1494 arriveerde hij met zijn zoon Ghijsbert van Hemert op het huis Bergh. Zij waren daar heren-gevangenen van Hertog Karel van Gelre, die hem onder de hoede had gesteld van Oswalt, graaf van Bergh. Meermalen beklaagde Oswalt van Bergh zich bij hertog Karel, omdat deze het beloofde onderhoudsgeld voor beide heren nooit had gezonden, ofschoon hij dit beloofd had. Maar Hertog Karel zat zelf nogal slap in de duiten door zijn vele kostbare krijgsverrichtingen.

Johanna van Poederoijen, de echtgenote van Peter van Hemert, spant een rechtzaak tegen hertog Karel aan bij het hof in Wetzlar. Door deze rechtzaak is er een gedetailleerde beschrijving van de geroofde goederen (het kasteel Poederoijen).
Hierin wordt mijn voorouder Peter de Gier ook aangeklaagd.

Inneming en plundering van het huis Poederooyen op 14 april 1493, volgens bescheiden uit het staatsarchief te Wetzlar.

Peter Gier zou op 8 mei 1497 in de stad Heusen gehoord zijn."Citaat"
Item Peter die Gyer, rentmeister aldar, Johann die (Pieck) Rick und Gerhart die Rick haben inne die gutter und land, die jouffrauwen Johanna und irem Huyswert zugehoren und sye inn Bommellerwert gehabt haben.

Peter de Gier sterft op 16 maart 1505 zie hieronder voor meer informatie rond deze datum.

Description: http://thevulture.nl/attachments/Image/poederoijen.jpg

Peter van Hemert, Heer van Poederoijen

Het slot Poederoijen. Tekening van A. de Haen, 1503.

Over Peter van Hemert, eigenaar van de heerlijkheid Poederoijen is nogal wat te doen geweest. In 1493 werd het kasteel Poederoijen ingenomen door Hertog Karel, omdat Peter het met de Bourgondiers had gehouden. Op 24 juni 1494 arriveerde hij met zijn zoon Ghijsbert van Hemert op het huis Bergh. Zij waren daar heren-gevangenen van Hertog Karel van Gelre, die hem onder de hoede had gesteld van Oswalt, graaf van Bergh. Meermalen beklaagde Oswalt van Bergh zich bij hertog Karel, omdat deze het beloofde onderhoudsgeld voor beide heren nooit had gezonden, of schoon hij dit beloofd had. Maar Hertog Karel zat zelf nogal slap in de duiten door zijn vele kostbare krijgsverrichtingen.

Johanna van Poederoijen, de echtgenote van Peter van Hemert, spant een rechtzaak tegen hertog Karel aan bij het hof in Wetzlar. Door deze rechtzaak is er een gedetailleerde beschrijving van de geroofde goederen (het kasteel Poederoijen). Klik hier om het word-file te downloaden met de beschrijving van de rechtzaak tussen Johanna van Poederoijen en Hertog Karel.

Johan van Rossum en Johanna van Hemert kregen een dochter Margaretha van Rossum die trouwde met Johan van Isendoorn zij was de zus van Maarten van Rossum.

Het kasteel Poederoijen werd gebouwd in 870. Dat er veel gevochten is rondom het kasteel Poederoijen is algemeen bekend. Dit is te danken aan haar strategische ligging tussen Brabant, Holland en Gelderland.

Het kasteel was rond 1490 een ''echt roversbroeinest''. Onder leiding van Gelderse legeraanvoerder Hendrik Ens(e), ook wel Suydewind of Sneeuwind werden regelmatig plundertochten gehouden in de omliggende gebieden. Begin zestiende eeuw fungeerde de strategisch gelegen burcht van Poederoijen als uitvalsbasis voor rooftochten in het nabije Brabant en Holland. Hierbij werden zelfs handelsschepen uit Den Bosch en andere plaatsen aan de ketting gelegd.

In 1493 veroverde Gerard van Weerdenburg (in opdracht van Hertog Karel) het kasteel en roofde het leeg. In 1505 veroverden de Bourgondiërs het dorp en het kasteel, waarna Hertog Karel het weer terug veroverde. In 1508 werd de burcht definitief ontmanteld. * Bommelerwaardsegids

In 1505 (her) veroverden de Bourgondiërs het dorp en het kasteel.
Waarschijnlijk is dit de reden waarom Peter de Gier overleden is in 1505.

Gemeente Poederoijen
Archiefnummer 151
Archiefnaam Burgerlijke Stand
Deelnummer 385
Registernaam Overlijden 1941-1950
Code 151-385
Periode register 1941-1950
Aktenummer 6
Diversen Zie 2e afbeelding voor overlijdensverklaring met vermelding doodsoorzaak.
Plaats overlijden Poederoijen
Overlijdensdatum 08-06-1944
Overledene Cornelis van Rossum
Overledene geslacht mannelijk
Overledene leeftijd 84
Vader overledene Teunis Peter van Rossum
Moeder overledene Maria de Cock

Gemeente Driel
Archiefnummer 3198
Deelnummer 0704
Registernaam NH Trouw 1683-1811 (DTB-0704)
Code DTB-0704
Periode register 1683-1811
Pagina 19
Diversen Ondertrout den 12.03.1687 Willem Otten van Rossum, geboortigh van Nieuwael en woonaghtigh tot Driel, met Beatrix de Cock van Alem, j.d. tot Driel. Getrout den 03.04.1687.
Plaats trouw Driel
Datum trouw 03-04-1687
Plaats ondertrouw Driel
Datum ondertrouw 12-03-1687
Bruidegom Willem Otten van Rossum
Bruid Beatrix de Cock van Alem

Gemeente Driel
Archiefnummer 3198
Deelnummer 0708
Registernaam RK Doop 1680-1730; Trouw 1681-1730 (DTB-0708)
Code DTB-0708
Periode register 1680-1730
Pagina 13
Diversen 19.08.1683 Legitimum contraxerunt matrimonium Henricus van Wachtendonck et Maria van Vlijme. Testes Johanna Arts et Wilhelmina de Cock.
Plaats trouw Driel
Datum trouw 19-08-1683
Bruidegom Henricus van Wachtendonck
Bruid Maria van Vlijme
Getuige 1 Johanna Arts
Getuige 2 Wilhelmina de Cock


Gemeente Driel
Archiefnummer 3198
Deelnummer 0708
Registernaam RK Doop 1680-1730; Trouw 1681-1730 (DTB-0708)
Code DTB-0708
Periode register 1680-1730
Pagina 142
Diversen 22.04.1712 [De maand is niet vermeld, maar het moet maart of april zijn. Er wordt van uitgegaan dat het april is omdat omdat de inschrijvingen anders niet chronologisch staan.] Baptizatus Gerardus filius Wilhelmi van Wachtendonck et Arnoldae de Cock. Susceptor Henricus van Wachtendonck.
Plaats doop Driel
Datum doop 22-04-1712
Kind Gerardus
Kind geslacht mannelijk
Vader Wilhelmi van Wachtendonck
Moeder Arnoldae de Cock
Getuige Henricus van Wachtendonck
Gemeente Driel
Archiefnummer 3198
Deelnummer 0704
Registernaam NH Trouw 1683-1811 (DTB-0704)
Code DTB-0704
Periode register 1683-1811
Pagina 106
Diversen Den 21.03.1777, getrout den 27.04.1777, na 3 zondagse proclamatien te Driel en te Middelborg, Adam van Rossum, j.m. met Geertje de Gier, j.d., beide van Driel.
Plaats trouw Driel
Datum trouw 27-04-1777
Plaats ondertrouw Driel
Datum ondertrouw 21-03-1777
Bruidegom Adam van Rossum
Bruid Geertje de Gier

Gemeente Driel
Archiefnummer 3198
Deelnummer 0710
Registernaam RK Doop 1776-1810 (DTB-0710)
Code DTB-0710
Periode register 1776-1838
Pagina 149
Diversen 07.04.1804 Baptus est Joannes filius leg. Adriani van Hesick et Elizabethae van Rossum. Suscept. Joannes van Hesick et Anna de Gier.
Plaats doop Driel
Datum doop 07-04-1804
Kind Joannes
Kind geslacht mannelijk
Vader Adriani van Hesick
Moeder Elizabethae van Rossum
Getuige 1 Joannes van Hesick
Getuige 2 Anna de Gier







57/2887 [Genealogy and heraldry]. Haersolte tot Yrst, W. Baron (18th cent.). "Genealogia aliquot Familiarum Nobilium." Manuscript after A.W. VAN HACFORT, German/ French language, late 18th cent., pen and ink on paper on recto and verso, loose in 459 numb. quires. - WITH an extensive (later) addition and index to the entries in Hacforts manuscript (±285 lvs., loose in quires, in two diff. hands).
= According to two loose notes used to separate the first part from the second, the transcription is in the hand of "Baron van Haersolte van Yrst" after a manuscript by "Hacfort". Comprises numerous alphabetically ordered genealogies of Dutch, French and German noble families from the 13th cent. onwards, i.a. of the house of d'Ailly, Alphen, Alsteren, Bergh, Berlamont, Blois, Berlo, Bocholtz, Cortenbach, Coswarem, Culembuch, Flodrop, Elderen, Eltz, Gertzen, Gimmenich, Goufflier, Gronsfelt, Grosbeck, Fresigny, Hochkirchen, Hoemen, Horion, Horst, Hoeve, Huy, Humpusch, Ligne, Lijnden, Maschereil, Meilendunck, Noyelles, Monfort, Orsbeck, Petersheim, Polanen, Raesfelt, Renesse, Rivieren, Roisin, Schaesbergh, Schellart, Viesville, Werst, Witthem and Zuijlen van Nijevelt. Including various transcriptions of 17th cent. sources, for example the list of "Adelicke Geslechten, Welche ich, Wilhelm von und zu Cortenbach, gekant hab, und ausgestorben sint 1633" at the beginning. Both parts are written on 18th cent. paper with three different watermarks: a crowned "GR", the Dutch Lion in a garden with the words "Pro Patria FI" and a portrait of Stadtholder William V on horseback, with the words "P.W. de Vyfde".
                                                                                                                                                                                                                                                                              € (500-700)

PrUB, JH I 15077 – 1458 V 25. o.O. – Geschoß zur Erhaltung der Stadt Marienburg und Verzeichnis der Besatzung daselbst. Ordensherren: Godhert. Der von Tronnyngen. Greter. Dewsenbach. Friedrich Kessel. Rudolf Gich. Redewitczer. Humpusch. Kunrat vom Steyne. Koningeschoffer. Wilhelm Steynheymer. Heinrich von Rotenhan. Hans von Neuenhausze. Sittich von Zcedewitcz. Der von Leysnick. Lichtensteyn. Walm [oder Walw]. Michel von Lombicz. Der von Kittlicz. Wonsch. Clecz. Austin Trotscheler. Wargel. Christof Peron. Newendorff. Oderhawt. Paul Trangkwicz. Geyer. Leswicz.

"Übersicht über den Inhalt der kleineren Archive der Rheinprovinz"


11. 1476, Febr. 17 (up sater sdach neist na sent Valentins dach). Die Brüder Heinrich und Wernher van Humpusch, Ritter, teilen für den Fall, dass einer stirbt, ihre ererbten Güter. Heinrich erhält Tetz mit alre siner heirlicheit hoege ind nider, Wernher den Bongart mit alnte sime rechten ind zobehoer sowie einige Weinberge. — Perg. Or. 3 S. (ab).

12. 1478, Jan. 9 (up frijdach nae den heügen druitzein daegen). Johann von Humpesch und seine Gemahlin Katharina van Geyssbuschs treffen mit den Brüdern Johannes Heinrich und Wernher von Hompesch Vereinbarungen wegen des Johann bei seiner Heirat mitgegebenen Gutes und späteren Erbes. — Perg. Or. 5 S. (ab).

25. 1478 März 8 (auf Judica). Wilhelm, Herzog zu Jülich und Berg, stellt seinem Rate und Amtmann zu Münstereifel, dem Ritter Heinrich von Hompesch, der sich für ihn bei Joh. von Nechtersheim mit anderen für 1600 Gulden verbürgt hat, einen Schadloshaltungsbrief aus. — Perg. Or. 1 S. 

11. 1486 August 16 (up gudestach). Testament des Hynrich van 

 

Hompesch, Herrn zu Tetz und Wickrode, und der Sophia von» 

 

 

Bortscheit. — Fol. Pap. Kopie vom Anfang des 16. Jahrh. — R8. 


 b) 1488, Sept. 29 (auf st. Michaelis tag archangeli). Als Transfix zur vorigen Urkunde verfügen die Gehultzten, unter denen herr Henrich von Hompesch, ritterherr zu Wickerade, marschall genannt ist, dass eine Reihe weiterer Sätze (Nr. 24 bis 42) für die Nutzung des Busches Geltung haben sollen. — Das Or. hatte 4 Siegel.


15. 1491, Juni 28 {up sent Peter ind sent Pauwels avent apostolorum).
Werner van Humpusch, here zoe Wachendorp, Amtmann zu Münstereifel, und seine Gemahlin Lutgart von Harff setzen ihrer Tochter Alverait, die ins Kloster Schweinheim eingetreten ist, 20 oberländische Gulden (1 Gulden = 4Vs Mark Jülichsch) Jahrrente ans. —i Abschr. Pap. Eine Quittung der Äbtissin Bela von 1508 (Pap.) liegt vor.


9. 1717, Okt. 20. Reinhard Vincenz Graf von Hompesch verkauft dem Schöffen Hermann von Köln 12 Holzgewalten auf dem Buchholzbusch, die Gewalt zu 40 Reichsthaler. — Or. Pap. 2 Bll. fol. 1 S. aufgedrückt. Vgl. S. 118 Lövenich, Evang. Pfarramt Nr. 12.

Am Schluss des ältesten Bandes Notizen über die Personalien der gräflichen Familie von Hompesch 1758—1763. In Düsseldorf wurden 1776 gezählt: 223 Geborene, 228 Gestorbene und 79 Getraute.

— Haus. Im Besitze des Grafen von Hompesch:

Eine grosse eiserne Kiste enthält Urkunden und Akten 17. und 18. Jahrhs., einzelnes auch aus dem 16. Jahrh., doch betreffen dieselben fast ausschliesslich holländische Besitzungen der Familie v. Surmont. Nur die auf die Familie von Hompesch und Haus Rurich bezüglichen Stücke seien
hier erwähnt.

1. 1629, März 13. Wolfgang Wilhelm ernennt seinen lieben getreuen Johan Dietherichen von Hompesch zu Bolheim zum Amtmann von Boslar, nachdem Hieronymus von Hochkirchen zurückgetreten ist.

— Pap. Or. 1 S. aufgedrückt.

2. 1650, Juni 11. Wolfgang Wilhelm ernennt Johann Dietherichen von Hompesch zu Tetz nach dem Rücktritte des Pilgram von Gruithausen zum Amtmann von Boslar. — Pap. Or. 1 S. aufgedr.


Nachtrag zu Kreis Düren.

Merödgen. Haus — bei Lamersdorf. Im Besitze des Freiherrnr von Zandt:

Die Archivalien beziehen sich auf den Rittersitz Beeck und dessen Besitzer, die von Beeck, sowie die mit denselben in Verbindung" stehenden Familien Brachelen, Elmpt, Hall Wassenberg, Hochkirchen, Hompesch, Katterbach, Mulstroer Wedau etc.

Kreis Düren. 963

4. 1651 Juni 10. Pastor, Schultheiss und Schöffen der Herrschaft Maubach verkaufen als Prioren der Kirche das der Pastorat Maubach zugehörige, nunmehr verfallene Asparyut zu Correntzig dem Joh, Dietrich von Hompesch zu Rührig, Herrn zu Tetz 1 und seiner Gemahlin Anna Loyse, geb. v. Ketzgen, für 700 Rthlr. Datum Haus ßurich. — Perg. Or. Bug mit Siegel abgeschnitten.


S. 1668, Juli 22. Philipp Wilhelm gestattet seinem Amtmann zu Boslar, Johann Dietrich Freiherrn von Hompesch, kleine Vergehen, die vor das Brüchten verhör gehören würden, aber im Gebiete des Hauses Rurich begangen worden sind, persönlich gemäss der Brüchtenordnung zu bestrafen. — Abschr. 2 Bll. fol.

g) 1679, Juli 30. Die Gemeinde leiht von Freiherrn von Hompesch auf 8 Tage 50 Reichsthaler; es haften die 13 Unterschriebenen. — 1 Bl. fol.


4. 1681, Okt. 7. Johann Wilhelm ernennt Johann Dietrich Freiherrn von Hompesch zum Amtmann über die beiden vom Amt Boslar wegen der grossen Entfernung abgetrennten Kirchspiele Müntz und Balshoven. — Pap. Or. 1 S. aufgedr. 

7. 1790, Okt. 4. Erzbischof Maximilian Franz belehnt Maria Jacobe Marquisine von Trotti, geborene Gräfin von Hompesch, mit dem ihr bei der Erbteilung nach des Vaters Friedrich Wilhelm Grafen von Hompesch Tode zugefallenen vom Vater käuflich erworbenen hause Arft oder Hackhausen. — Perg. Or. 1 S.

266 Kreis Düren.

Pachtbriefe, Rechnungen etc. der mit den Freiherren von Bourscheidt in Verbindung stehenden Familien Beissel von Gymnich, Beissel zu Schmidtheim, Blanckart, Bongard zu Paffendorf, Elmpt, Harff, Höningen, Hompesch zu Tetz und zu Bolheim, von der Horst zu Helmersheim, Landsberg zu
Olepe, Leerodt, Leyck, Merode, Nesselrode, Paland, Reuschenberg, Schaesberg, Scheiffart, Schellard, Schenck, Steinen, Steprath etc. Die meisten Pergament-Urkunden sind bereits von dem verstorbenen Grafen Ernst von Mirbach - Harff inventarisiert worden; die von ihm angefertigten Regesten sind nachstehend verwertet.

Kreis Düren. 963

4. 1651 Juni 10. Pastor, Schultheiss und Schöffen der Herrschaft Maubach verkaufen als Prioren der Kirche das der Pastorat Maubach zugehörige, nunmehr verfallene Asparyut zu Correntzig dem Joh, Dietrich von Hompesch zu Rührig, Herrn zu Tetz 1 und seiner Gemahlin Anna Loyse, geb. v. Ketzgen, für 700 Rthlr. Datum Haus ßurich. — Perg. Or. Bug mit Siegel abgeschnitten. 

250, io ; 273, si.
Bolheiin (vgl. Hompesch)

Terouane, Diözese 320, so.
Tetz (vgl. Hompesch) 29,

http://wiki-de.genealogy.net/%C3%9Cbersicht_%C3%BCber_den_Inhalt_der_kleineren_Archive_der_Rheinprovinz

Op den 9 Julij 1686, sijn tot K(C)oten
in de kercke getrout Geurt Jansz.
van Isendoorn
J:M: ende Neeltje
Cornelis van der Coorn
, J:Dr:
dat de proclamatien alle drie ongehindert
tot Isendoorn sijn geschiet, is ge-
bleecken uijt de verclaeringh van
dr.Pauw pred[ikan]t aldaer.

Heraldische beschrijving:

Wapen: in rood drie palen van vair en een gouden schildhoofd.

Kroon: met drie bladeren en twee parels.

Helmteken: een naar links gewende, rode leeuw, tussen twee brandende, zwarte fakkels, elk met drie zilveren ringen, komende uit de rangkroon.

Schildhouders: twee leeuwen van natuurlijke kleur, rood getongd.

Opmerkingen: het geheel geplaatst op een groene arabesk.

 

Asjkenazische namen

Typische Asjkenazische namen zijn Teitelboim en Katzman, maar ook Joden met Nederlandse namen als Polak, De Leeuw, De Hond, Schaap, Citroen en Appel zijn veelal van Hoogduitse afkomst. Dierennamen zijn deels te verklaren omdat een aantal van de 12 stammen van Israël gesymboliseerd wordt door een dier, zo is de leeuw het symbool voor de stam van Juda. Andere diersymbolen zijn bijvoorbeeld beer, vis en hert (Hirsch). Waarom Joden los van deze historische verklaring veelal voor namen kozen die afgeleid waren van dieren of vruchten, is niet bekend. Een mogelijke reden is dat deze namen geen (christelijke) religieuze achtergrond droegen en toch goed in de lokale cultuur pasten. Overigens pasten veel Joden na emigratie hun naam aan aan de lokale taal, zo werd Löwe 'de Leeuw' en Bär 'de Beer'.
 

 KASTEEL POEDEROOYEN

De Bedstee van Maarten van Rossum Heer van Poederoyen

In het kasteel Nederhemert bevond zich tot in de 2e Wereldoorlog het hemelbed van de Heer Maarten van Rossum.



Deze bedstee is oorspronkelijk uit kasteel Poederoyen afkomstig, waarschijnlijk vervaardigd omstreeks 1540  en voor de bezetting  van kasteel Poederoyen  door de Franse Troepen in 1672, afgebroken  en jaren later  overgebracht naar het nabijgelegen kasteel Nederhemert. Kasteel Nederhemert had vanaf dat moment een zg. `Maarten van Rossum´-kamer. Een beschrijving van de kamer uit 1920 luidt alsvolgt: ´Hier staat een gesneden eiken bed uit het laatst der 16e eeuw. Stijlen en achterkant zijn rijk gebeeldhouwd, het hoofdeinde vertoont het wapen van Maarten van Rossum met de wildemannen als schildhouders. De wanden zijn in denzelfden stijl betimmerd. De trapeziumvormige inham in den bodem van het bed is bij de restauratie van het vertrek aangebracht, om van de oorspronkelijke voor twee personen bestemde sponde een één persoons ledikant te maken.´

Het bed en de kamer zijn tijdens de tweede Wereldoorlog in 1944 door brand definitief verloren gegaan. Bovenstaande foto dateert uit 1931.

Kasteel Nederhemert is in 2005 na een lange en kostbare restauratie opnieuw uit de as herrezen en door Koningin Beatrix heropend. De zogenaamde Maarten van Rossum kamer bestaat dus niet meer en het bed ook niet.

 

Geschiedenis in vogelvlucht

870

Bouw van het kasteel Poederoijen

1493

Gerard van Weerdenburg verovert het kasteel Poederoijen

1505

De Bourgondiërs veroveren het dorp

1508

Verwoesting van het kasteel Poederoijen

1816

Op 20 juli 1816 is Poederoijen, samen met Aalst, een zelfstandige gemeente met een eigen wapen en een vlag.

1840

De familie Viruly koop de Heerlijkheid Poederoijen

1887

Op 13 juli 1897 woedde er een brand in Poederoijen waarbij een groot deel van het dorp in de as werd gelegd. In totaal 17 huizen, de kerk en de toren, 4 schuren en 10 hooibergen gingen in de vlammen op. Binnen enkele uren waren 23 gezinnen dakloos.

1926

Op 8 januari 1926 bezoekt koningin Wilhelmina Poederoijen, vanwege de nijpende situatie aan de Maasdijk.

1955

Op 1 juli 1955 vormt Poederoijen, samen met Zuilichem en Brakel, één gemeente: Brakel.

1999

Vanaf 1999 is Poederoijen ingedeeld bij de gemeente Zaltbommel.

1999
2000

Dijkverzwaringen als reactie op de hoge waterstand in 1995.



Bekende inwoners
Sinds 1327 de Heren van Poederoijen: Arnt van Puderoyen, de graaf van Gelre, leenheer Arnt van Herlaer, de geslachten Van Hemert en Van Rossem, waaronder namen als: Appeltern, Milander, Wijderholt, Kirckpatrick, Melander, Chenel, Swaen, Jan Elias Rom. 

Krijgsheer Maarten van Rossum, de lage adel van de Bommelerwaard, in 1518 de Heer van Poederoijen. 

Marigje Arriens, één van de laatsten die werd veroordeeld tot de brandstapel (16e eeuw). 

Mr. Daniel Cornelis Viruly, Heer van de 
heerlijkheid Poederoijen 

A.J.F. Egter van Wissekerke, Heer van Poederoijen.

Adriaan van Zee verzetstrijder in de tweede wereldoorlog, gefusilleerd in 1945 als wraak voor de dood van de Duitser Rauter.

Straatnamen

Enkele straatnamen getuigen van de tijd dat de Heren van Poederoijen de dienst uitmaakten: de Maarten van Rossemweg en de Egter van Wissekerkeweg. De A. Van Zeestraat herinnert aan de dappere verzetstrijder Adriaan van Zee.


Van het kasteel “Poederoijen”zijn in 1999 en 2000 bij dijkverzwaringswerkzaamheden fundamenten van het oude kasteel terug gevonden.
Men had toegezegd er een informatiebord te plaatsen waar eens het machtige kasteel Poederoyen stond, tot op heden rijdt u er misschien wel overheen zonder dat u het weet.....









 

 

De Restante bevinden zich onder de dijk !!!!!
Foto 1  (GE van Diest) restanten van het huis tijdens de opgravingen (april 1999)
Foto 2  (eigen collectie) De plek waar eens een gedeelte van het huis heeft gestaan (2001)
Foto 3  (eigen collectie)
Foto 4  (eigen collectie) Voormalig bijgebouw van het kasteel, nu woonhuis (2001)
Foto 5  (GE van Diest) Prent van het voormalige kasteel
Foto 6  (GE van Diest) Prent van Maarten van Rossum
Foto 7  (Stichting De Vier Heerlijkheden) Restanten van het vroegere kasteel bij de opgravingen
Foto 8  (Stichting De Vier Heerlijkheden)
Foto 9  (Stichting De Vier Heerlijkheden) Een stuk van de slotgracht werd uitgegraven
Foto 10 (Stichting De Vier Heerlijkheden) De stortkoker uit de keuken
Foto 11 (Stichting De Vier Heerlijkheden) Twee ronde ovens uit de keuken van het kasteel
Foto 12 (Stichting De Vier Heerlijkheden) Blootgelegde restanten bij werkzaamheden in 2000

Historische werkgroep Stichting De Vier Heerlijkheden (INFO)
Met dank aan Gerrit van Diest die ons op deze stichting attent maakte.


Poederooien.

Deze gemeente omvat de voormalige heerlijkheden Aalst en Poederooien, den polder en het gehucht Monnikenland en het fort Loevestein.

Aalst.

j.c.w. quack. Bij de afbeelding der overblijfselen van het slot Aalst in de Bommelerwaard,+ in: geld. volksalm. 1875, 215-220. Zie: nomina geogr. II 99; III, II. In de bekende schenkingsacte van 814-815 (zie blz. 47) wordt ook Aalst voor de+ eerste maal vermeld en wel onder den naam Halosta (sloet, Oorkondenb. no. 27).
Gedurende de 15e eeuw en het grootste deel der 16e eeuw, was de heerlijkheid Aalst
+in het bezit van een geslacht van dien naam. Reeds in 1402 wordt Goosewijn van Aalst Hillijnssoon vermeld als eigenaar van het kasteel, welks bouwvallen nog in 1874 bestonden, maar korten tijd later zijn gesloopt (geld. volksalm., 1875, 215). Eene afstammelinge uit dit geslacht, Johanna van Aalst, erfde in 1545 heerlijkheid en slot van haar vader en bracht deze bezittingen door haar huwelijk in het geslacht Torck. Haar zoon Willem Torck kreeg in 1576 de goederen zijner moeder als erfgenaam, maar reeds in 1577 werd hiermede zijn broederszoon Gaart Torck beleend. In 1632 vermeldt het leenregister Bernt Torck, ‘erf zijns vaders Willem’, als bezitter van huis en hofstad te Aalst. Uit het bezit der Torcken ging Aalst over in dat van het geslacht van Lynden.
 
[p. 126]

Kerk.

De thans Ned. Hervormde kerk, oorspronkelijk gewijd aan O.L. Vrouw en den H. Antonius, is in eigendom en onderhoud bij de Nederduitsch-Hervormde gemeente. De toren behoort aan de burgerlijke gemeente Poederooien.

+ Oorspronkelijk behoorde Aalst onder de parochiekerk van het aan de overzijde der Maas gelegen Wijk. Maar blijkens een in het bekende missaal van Wijk (thans in het archief van het Groot-seminarie te Warmond) overgeschreven breve, vergunde Andreas, bisschop van Utrecht, reeds in 1133 aan de inwoners van Aalst een eigen kapel te stichten, ‘considerata difficultate viae, quam illi de Aelste ad suam ecclesiam, quae dicitur Wijck, trans aquam, quae interfluit, habebant’, etc. (sloet, Oorkondenb. no 265). - a.f. van beurden, Het Missale van de kerk te Wijk bij Heusden (uitgave van het Prov. Genootschap van Kunsten en Wetenschappen in Noordbrabant, 1906).
Na de Hervorming is deze kerk gecombineerd met Zuilichem en later, tot 1640, met Poederooien (joosting en muller, Bronnen, II, 417). Zij is in 1922 hersteld.

illustratie
Afb. 119. Poederooien. Plattegrond der Ned. Hervormde kerk te Aalst.

+ Het kerkje ligt georiënteerd op een door een heg omgeven kerkhof. Het bestaat (afb. 119) uit een eenbeukig schip, een driezijdig gesloten koor en een vierkanten toren, gedekt door een korte spits. Met uitzondering van den in 1922 vernieuwden zuidmuur van het schip zijn kerk en toren geheel gepleisterd (afb. 120). Het benedengedeelte van den ongeleden toren is van tuf-, het bovendeel van baksteen opgetrokken, terwijl ook de gepleisterde noordmuur, waarin men bij de herstelling sporen van kleine, hoog boven den vloer aangebrachte vensters vond, nog grootendeels uit tufsteen schijnt te bestaan. Tegen de oost- en zuidoostzijde der sluiting zijn in later tijd aanbouwsels tusschen de steunbeeren aangebracht.

Het inwendige der kerk is geheel gewijzigd en gewit. In de benedenruimte van

[p. 127]

den toren bevinden zich aan noord-, zuid- en westzijde halfronde spaarbogen, aan de oostzijde

illustratie

Afb. 120. Poederooien. Ned. Hervormde kerk te Aalst van het Noord-Westen.
een spitsbogige.

De oudste gedeelten van+ het kerkgebouw zijn waarschijnlijk de noordmuur en de toren, die, gezien het materiaal en de kleine, hoog aangebrachte vensters, zeer wel uit den stichtingstijd kunnen dateeren. Later - vermoedelijk in de 14e of 15e eeuw - zijn schip en toren verhoogd en kreeg het koor zijne driezijdige sluiting.

In de kerk bevinden zich de volgende voorwerpen:

Onder den onbeteekenenden+ preekstoel een hardsteenen achtkante voet (XV) van gothische vormen, wellicht van een vroegere doopvont afkomstig.

Aan de trap van den preekstoel een koperen zandlooperhouder (± 1700), waarop thans een tinnen doopbekken (XVIIId, afb. 121) is geplaatst.

Een met een deur gesloten kastje+

illustratie

Afb. 121. Tinnen doopbekken der Ned. Hervormde kerk te Aalst.

in den zuidmuur, waarin zich een geel geverfd steenen borstbeeld bevindt. Onder het kastje een cartouche met een opschrift: ‘1722. Echbert Klop Hooghdijk Heemraet Borgemeester en President Scheepen der Heerlyckheyt Aelst’ (afb. 122). Een groote gebeeldhouwde zerk,
+ waarop in laag reliëf gehouwen de figuren van een knielenden man in harnas en van een eveneens knielende vrouw, gevat in een omlijsting van vroege renaissancearchitectuur, bestaande uit twee rondbogen, tegen de zijkanten van de zerk rustend op balusterzuilen en
[p. 128]

in het midden neerkomend op een gothisch geprofileerden kraagsteen. Het randschrift in gothische minuskels luidt: ‘Hier leet lertz goellen Jansz heer van aelts is ghestorvē ao 1544 op sante sijmō en̄ Judas dach Int... Johanna van aelst sanders dr van tuijl huysvrou va golle van aelst opte Wosd nae pinxtē’.

+ In den toren hangt een slordig

illustratie

 
Afb. 122. Borstbeeld van burgemeester Egbert Klop in de Ned. Hervormde kerk te Aalst.


gegoten klok (middellijn: 0.82 M.), welke het volgende opschrift in Romeinsche hoofdletters draagt: ‘Ghelde Spruijser Schoudt Willem Moll paco W.H.W. voor de Windt anno 1693

Boerderijen.

1. B 81. Groote boerenwoning (XVIII) bestaande uit lang- en dwarshuis. In den zijgevel van dit laatste zijn twee, thans gewitte, beeldjes (XVIB) gemetseld, vermoedelijk van zandsteen, Adam en Eva voorstellend, en afkomstig van het voormalige slot Aalst.

Inwendig: opkamers met balkenzolderingen; vertrekken met wandkastjes; kelders, overkluisd met tongewelven. In een der kamers hangt een prent van H. Spilman (1740), voorstellend de overblijfselen van het slot Aalst.

In den zijgevel eener schuur bevinden zich, gedeeltelijk door een later aanbouwsel bedekt, jaarankers: 16.?.

2. B 8. Boerenwoning met groot rieten wolfdak. Ankers: 1786.
3. De boerderij B 74 heeft een gesneden deurkalf (XVIIId, afb. 123).
4. B 37. Buitendijks gelegen boerenwoning, waarin ankers: 1826.
 
[p. 129]

Loevestein.

Het fort Loevestein, gelegen aan het noordwestelijk einde van de Bommelerwaard (het ‘Monnikenland’), nabij de plaats ‘waar Maas en Waal tesamen spoelt’, behoort aan den Staat der Nederlanden. Het bestaat uit het eigenlijke kasteel Loevestein, sinds 5 Mei 1928 in beheer bij het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, en uit de daaromheen liggende militaire gebouwen

illustratie

Afb. 123. Aalst. Gesneden deurkalf van de boerderij B 74.
en omwalling, het fort, in beheer bij het Departement van Defensie.
Beschrijving van het huis te Loevestein+ door c.v. alkemade en p.v.d. schelling. (HS. in 8o., gebonden in perkament, in de bibliotheek van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg). -a.g. luiscius, Algemeen histor., geograph. en genealogisch woordenboek. Dl. VI, 's Gravenhage en Delft, 1732. - Het fort Loevestein in: nederlandsch magazijn 1836, 8. - c.g.b.(oonzajer) enj.g.w. m(erkes van gendt), Geschiedkundige aanteekeningen betrekkelijk het slot Loevestein. Gorinchem, 1840. - w. van dam van brakel, Proeve omtrent de stichting en de naamsreden van Loevestein, in: Vaderlandsche Letteroefeningen 1851 (Mengelwerk), 326-329. - dez., De oorsprong van Loevestein en Monnikenland. Met geschiedkundige aanteekeningen. Gorinchem, 1856. - m. cohen stuart, Het slot Loevestein, in: almanak voor het schoone en goede, 1856, 172. - j.c.w. quack, Het slot Loevestein. Geschiedkundige nasporing naar de voormalige ligging, den hoogen ouderdom, de oorspronkelijke bestemming en de naamsafleiding van een der merkwaardigste kasteelen in Gelderland, in: geld. volksalm. 1869, 1; 1870, 1; 1871, 151. - f.n.m. eijck van zuijlichem, Het slot Loevestein, in: geld. volksalm., 1872, 144. - Omtrent de hieruit gevolgde controverse tusschen Quack en Eijck v. Zuijlichem zie gouda quint, I, 157. - p.j. verlee, Loevestein, onze staatsgevangenis. Geschiedkundige aanteekeningen. Gorinchem, 1911. - w.j. dingemans, Eene studie over Loevestein, in: bouwwereld, XII (1913), 246, 253 en 262. -a. loosjes, Het slot Loevestein, in: buiten 1922, 292, 304.
Het kasteel komt voor onder de volgende benamingen in de daarachter aangegeven
+ jaren: Loevesteijn (in 1377), Louensteijn (in 1386), Lovestein (in 1495), Loevenstein
[p. 130]
(in 1511), Levestein (in 1632), Lovesteijn (in 1645). Zie: nomina geogr., III, 175-176. Men heeft de onderstelling geopperd, dat het huis Lievenstein, ‘gelegen in den Kirspell tot Tuijll’, hetwelk Gijsbrecht van Tuijl, ridder, in 1348 als leen en open huis van den hertog van Gelre erkende, identiek zou zijn met Loevestein (boonzajer en merkes v. gendt, Geschiedk. aanteeken., blz. 13). Maar ook de uitvoerige discussie hierover tusschen Quack, die deze meening voorstond, en Eijck van Zuijlichem, die haar bestreed, in den Gelderschen Volksalmanak (1869-1876), heeft omtrent dit punt geen nadere zekerheid kunnen brengen.
+ Hoewel de overlevering het slot Loevestein, evenals de kasteelen te Brakel, te
illustratie
Afb. 124. Poederooien. Het kasteel Loevestein met den toren van den voormaligen voorburcht (‘kruittoren’) uit het Zuid-Oosten.
Aalt en te Poederooien (vgl. blz. 39) reeds ten tijde der Noormannen, dus in de 9e eeuw, gesticht wil zien, vinden we dezen burcht niet vermeld vóór het jaar 1377. Er zijn zelfs aanwijzingen, dat zijne oprichting niet vroeger dan omstreeks 1300 moet worden gesteld. Immers in het charter van October 1264 (bondam, Charterboek, blz. 570), waarbij de Heer van Altena zijne bezittingen ten Westen van de Bommelerwaard tusschen Waal en Maas (het latere ‘Monnikenland’) in thijns uitgeeft aan den abt en het convent van Villars, in het bisdom Luik, in dit charter, dat alle hoeven, tienden en verdere goederen dezer streek met name vermeldt, vinden we Loevestein niet genoemd (Vgl. v. dam v. brakel in: Vaderl. Letteroefen. 1851, blz. 326-329). Wanneer echter op 6 Januari 1377 de landvrede wordt gesloten tusschen Jan van Blois en zijn gemalin Mechteld, hertogin van Gelre, en ridderen en knapen van Over- en Neder-Betuwe, Tieler- en Bommelerwaard, en de Veluwe, benevens de steden Heusden,
[p. 131]
Tiel, Bommel, Wageningen, Harderwijk, Elburg en Hattem, dan heet het in de desbetreffende oorkonde (cf. nijhoff, Gedenkw., III, 37), dat het verbond o.a. van kracht zal zijn ‘die Maes voert neder tot Loevensteijn thoe in den Meerweijde’, etc. Het slot zal derhalve gesticht zijn tusschen 1264 en 1377; en niet onmogelijk is het, dat zoowel het slot als de naam ontstonden in 1300, toen het Monnikenland terugkwam in het bezit van den heer van Altena, Gerard van Hoorne, ridder van Weert en Herlaer, gehuwd met Johanna van Leuven of Loven

illustratie
 
Afb. 125. Poederooien. Kelderplan van het kasteel Loevestein (a = bouwnaad in de fundeering).
De eerste en vrijwel eenige maal, dat het slot een rol van beteekenis speelde als vesting, was in 1397, in den strijd tusschen Hertog Albrecht van Beieren en zijn weerspannigen rentmeester Bruijsten van Herwijnen, toen het werd belegerd door Albrecht's zoon, graaf Willem van Oostervant, waarbij de noordoostelijke hoektoren van den voorburcht in puin werd geschoten.
Dat we overigens zelden den naam Loevestein in de krijgsgeschiedenis ontmoeten, moet wellicht hieraan worden toegeschreven, dat de burcht reeds in de middeleeuwen niet als ridderwoning en vesting, maar als gevangenis dienst deed. Althans reeds in 1417 werden hier Otto van Schonen en zijne krijgsmakkers door den graaf van Holland, toen bezitter van het slot, gevangen gezet, en in 1449 onderging er Gosewijn de Wilde, stadhouder en raadspresident van Holland, Zeeland en Friesland, de kerker- en doodstraf.
[p. 132]

Slechts een korten tijd werd Loevestein in 1523 bewoond door Hendrik van Nassau, den Heer van Breda, toen deze van hier uit de belegering van Woudrichem leidde.
Nadat het kasteel in December 1570 bij verrassing door Herman de Ruiter was genomen, maar onmiddellijk door de Spanjaarden heroverd, werd in het 1572 door de Watergeuzen bezet en, na in 1589 een aanval van den hertog van Parma te hebben weerstaan, blijvend onder het gezag der Staten gebracht. Deze hebben het kasteel, wellicht kort daarna, omringd met een omwalling, die in 1652 is verbeterd en uitgebreid volgens het gebastionneerde stelsel.
Sinds 1614 deed Loevestein dienst als Staatsgevangenis. In de reeks bekende historische persoonlijkheden, die hier voor korteren of langeren tijd gekerkerd werden is een der eerstenHugo de Groot (1619-1621), de laatsten waren eenige krijgsgevangen Belgische militairen in 1831.
In 1672 werd Loevestein door De la Motte namens de Franschen opgeëischt, maar door veldmaarschalk Wurts met goed gevolg verdedigd en behouden.
In 1787 werd het fort na beschieting door de Pruisen bezet. Was Loevestein, in den oorlog met Frankrijk, in 1793 door de gestelde inundatiën aanvankelijk voor aanvallen gevrijwaard, in den winter van 1794-1795 konden de Fransche troepen over het ijs oprukken en de sterkte innemen.
In 1810 ging het slot bij decreet van Napoleon aan Frankrijk over en diende tot 1813 als verblijf voor Spaansche, Russische en Engelsche krijgsgevangenen.
Bij besluit van den Soevereinen Vorst van 15 December 1813 werd Loevestein verklaard weer, als van ouds, deel uit te maken van den Staat der Nederlanden. De vesting bleef echter van Holland gescheiden en werd op 26 Februari 1814 gevoegd bij het district Tiel. Sedert dien tijd lag er bij afwisseling een detachement van het Gorkumsche of van het Woudrichemsche garnizoen in bezetting.


illustratie
 
Afb. 126. Het kasteel Loevestein uit het Zuid-Westen.

+ Beschrijving van het kasteel. Het eigenlijke kasteel bestaat uit een rechthoekig hoofdgebouw en twee tegen den langen oostgevel hiervan opgetrokken vierkante torens, een Noordelijken of Waaltoren en een Zuidelijken of Maastoren, welke met het hoofdgebouw en met het aan de Oostzijde tusschen deze torens opgetrokken poortgebouw, een kleine binnenplaats omsluiten. Tegen den West- of achtergevel van het hoofdgebouw is een vierkante traptoren uitgebouwd (afb. 125). Het geheel wordt omgeven door een gracht, ten Oosten waarvan nog een ronde hoektoren (de zg. ‘kruittoren’) van den voormaligen voorburcht bewaard bleef (afb. 124).

[p. 133]

Het kasteel is in hoofdzaak opgetrokken van groote roode baksteen (formaat:+ 0.27 × 0.13-0.15 × 0.065 M.).

Het hoofdgebouw, bestaande uit een kelderverdieping, drie bovenverdiepingen+ en een zolder (afb. 129), wordt gedekt door een wolfdak, welks nok op een hoogte van ± 26 M. boven het maaiveld ligt. De hoogte van het muurwerk bedraagt ongeveer 18.50 M. Deze muren, welker bovengedeelte in kleiner formaat baksteen is hersteld en gewijzigd, zijn aan alle zijden volkomen vlak en zonder eenige versiering behandeld. Op onregelmatige wijze zijn overal lichtopeningen aangebracht en vroegere vensters dichtgemetseld. In den zuidgevel (afb. 126) worden nog vier oude vensters aangetroffen, twee in de tweede en twee in

illustratie

Afb. 127. Het kasteel Loevestein uit het Noord-Westen.

de derde verdieping, waarvan een met kruiskozijn; de drie vensters der hoofdverdieping (groote zaal) zijn geheel gewijzigd. Ook in den langen west- of achtergevel bevinden zich nog een drietal oude vensters en vijf zolderluiken (afb. 127). Op ongeveer 3.50 M. uit den zuidwesthoek van dit front is de vierkante traptoren opgetrokken, welke, opgaande tot dezelfde hoogte als de westmuur zelf geheel recht is afgedekt; de gootlijst van het hoofdgebouw is als afdeklijst om dezen toren heen gevoerd. Beneden in het midden van den gevel is de ingang naar de kelderverdieping aangebracht. In den oost- of voorgevel, aan de binnenplaats, bevindt zich een rij van drie dichtgemetselde vensters, waarvan de segmentvormige ontlastingsbogen zijn bewaard gebleven. De hoofdingang naar de groote zaal met zijn hardsteenen trappen is eveneens eene wijziging van 1853 en vervangt een ingang, die ook al niet meer de oorspronkelijke was.

De twee torens zijn onsymmetrisch tegen den oostgevel van het hoofdgebouw

+ opgetrokken en wel zoodanig, dat, terwijl de zuidelijke of Maastoren met zijn westmuur aansluit bij den zuidgevel van het hoofdgebouw,

[p. 134]

de noordelijke of Waaltoren ongeveer 4.00 M. buiten den noordgevel uitspringt (afb. 125 en 127). Beide torens zijn weer geheel vlak opgemetseld, het muurwerk van den Maastoren tot op ± 22.00 M., dat van den Waaltoren tot op ± 24.00 M. boven het maaiveld; zij worden gedekt door ingesnoerde achtkante houten spitsen, bekleed met leien.

+ In het oostfront tusschen de genoemde torens is een ongeveer 12.00 M. hooge

illustratie

Afb. 128. Poederooien. Plan der hoofdverdieping van het kasteel Loevestein.

verbindingsmuur of courtine gemetseld, tegen het midden waarvan het poortgebouw werd opgetrokken (afb. 124). Met uitzondering van een boven in den verbindingsmuur uitgekraagde tandlijst - de eenige versiering aan het geheele gebouw -, is ook hier al het metselwerk geheel vlak behandeld. De rondbogige poort, toegankelijk over een eenvoudige brug, wordt gesloten door een zware eikenhouten, geheel met nagels beslagen deur (afb. 137). Een rechte houten kroonlijst met driehoekig houten fronton dekt den voorgevel van dit poortgebouw, op welks lessenaarsdak een open klokkentorentje staat  

[p. 135]

Inwendig is het heele kasteel in den loop der tijden al evenzeer gewijzigd en+ onttakeld als uitwendig.

Het hoofdgebouw bestaat uit een kelderverdieping, in 1853 geheel verbouwd+ en tot kazematten ingericht, een hoofd-, een bovenverdieping en een over de geheele lengte doorloopenden zolder (afb. 129). De hoofdverdieping (afb. 128) telt twee vertrekken: de groote of zg. ridderzaal, binnenwerks ± 20.00 M. lang en 8.30 M. breed, en, hiervan gescheiden door een muur ter dikte van ± 1.25 M., een kleinere, aan de noordzijde gelegen zaal, de zg. ‘kemenade’, binnenwerks 8.70 M. in het

illustratie

Afb. 129. Kasteel Loevestein. Dwarsdoorsnede naar het Zuiden over A-B van afb. 128.

vierkant metend. De groote zaal (afb. 130), welke men onmiddellijk betreedt door den ingang met trap opde binnenplaats, heeft een zoldering op kinder- en moerbalken, van welke laatsten sommige nog rusten op balksleutels met peerkraalprofiel (XVIA). Men heeft deze zeer wrakke zoldering in de laatste jaren geschoord door twee rijen rondhouten. Aan de binnenzijde van den ingang bevinden zich gehengen van een vroegere deur. Eene deur in den westmuur geeft toegang tot den traptoren en de daaronder aangebrachte folterkamer (afb. 131). In 1927 is, tijdens herstellingswerken, in den noordwand dezer zaal bij den noordwestelijken hoek, eene nis gevonden waarin eene opening van 0.38 × 0.75 M., door de muurdikte uitkomend op de achtergelegen kemenade, en te weerszijden van deze opening de hierna te bespreken muurschilderingen. In het midden van dezen noordwand bevinden zich de sporen van een groote schouw, en rechts hiervan de toegang naar de zg. kemenade.

[p. 136]

In de kemenade, waarschijnlijk het oude woonvertrek van den burcht, is tegen den zuidwand - den muur, die dit vertrek van de ridderzaal scheidt - eene groote schouw gemetseld (afb. 132), welker mantel bekleed is met een eiken betimmering van vier door gegroefde pilastertjes gescheiden paneelen, gedragen op twee consoles ter plaatse van de blijkbaar verkapte steenen wangen van een

illustratie

Afb. 130. Poederooien. Groote zaal van het kasteel Loevestein naar het Noorden. Rechts de ingang naar de ‘kemenade’, links de nis met muurschildering.

vroegere schouw, waarvan de tot de zoldering opgaande gothische schacht is overgebleven. Omtrent de in 1853 gevonden beschildering dezer schacht zie men hierna blz. 153. Rechts (westelijk) van deze schouw bevindt zich de hierboven vermelde opening, welke uitziet op de ridderzaal; links een door een keperboog afgedekt muurnisje. In den westmuur is een diepe, in later tijd gewijzigde en segmentvormig getoogde vensternis uitgespaard, waarin thans een venster met houten kozijn; een dergelijk venster in den noordmuur. Een deel van den wand, zuidelijk van het eerstgenoemde venster, is in 1853 vernieuwd en met een segmentvormigen boog afgedekt; in dit vak bevindt zich een aan de binnenzijde met een venstertje afgesloten, in 1853 gemetselde schietspleet; soortgelijke schietspleten zijn ook te weerszijden van het andere venster aangebracht en een vijfde dezer openingen, in den oostwand, komt uit op de binnenplaats. Eene deur in dezen wand geeft toegang tot het aangrenzend vertrek in den noordertoren. De balken der zoldering rusten op eenvoudig geprofileerde neuten.

[p. 137]

Op de volgende verdieping (afb. 133) ligt, boven de kemenade, aan de noordzijde, het vertrek, dat volgens de overlevering aan Hugo de Groot tot woon- en slaapkamer strekte tijdens zijn gevangenschap (afb. 134). De zeer eenvoudige, geheel van baksteen opgemetselde schouw en de in 1853 gewijzigde

illustratie

Afb. 131. Poederooien. Folterkamer en trap naar de 2de verdieping in het kasteel Loevestein.

lichtopeningen vormen de eenige onderbreking der baksteenen wanden; de balkenzoldering rust op zware muurlijsten en korbeelen; de balksleutels vertoonen een peerkraalprofiel. Het vertrek is in 1927-'29 gerestaureerd. De muur waartegen de schouw is aangebracht, is een voortzetting van den muur, die den kleinen kelder van den grooten, en in de benedenverdieping, de kemenade van de groote zaal scheidt. Ook hierverdeelde deze muur de totale ruimte oorspronkelijk in een kleiner noordelijk en een grooter zuidelijk gedeelte. Van dit laatste zijn, waarschijnlijk in de 17e eeuw, toen het gebouw als Staatsgevangenis ging dienst doen en behoefte ontstond aan een grooter aantal vertrekken, een tweetal kamers afgezonderd, en wel een naast de zoogenaamde kamer van Hugo de Groot, en een aan de zuidzijde, naast den Waaltoren.

[p. 138]
De eerstgenoemde dezer twee afgeschoten kamers zou in 1693-1696 Simon van Halewijn, den gevangen oud-burgemeester van Dordrecht hebben geherbergd. De zuidelijke kamer heet in 1650 een anderen burgemeester van Dordrecht, Jacob de
illustratie
 
Afb. 132. Poederooien. De z.g. kemenade in het kasteel Loevestein naar het Zuiden.
Witt, als gevangene te hebben gehuisvest. In 1830 waren hier de krijgsgevangen Belgische officieren ondergebracht, die naar men wil, de twee teekeningen op de muren hebben vervaardigd.
[p. 139]

De grootere ruimte tusschen deze beide vertrekken, thans een soort overloop vormend, schijnt de gevangenis te zijn geweest voor de leden der Loevesteinsche factie.

De bovenste- of zolderverdieping (afb. 135) wordt eveneens door den bovengenoemden scheimuur verdeeld in een kleineren noordelijken en een

illustratie

 
Afb. 133. Poederooien. Plan der 2de verdieping van het kasteel Loevestein.


grooteren zuidelijken zolder, verbonden door een deur in de oostzijde van den tusschenmuur. Het geheel is overkapt met een zienden eiken dakstoel, waarvan elk gebint bestaat uit een zwaren, over de volle breedte liggenden spantbalk, aan ieder einde gedragen door een korbeel en een muurstijl, waarop de kapstijlen rusten, die de hanebalken dragen. De spantbeenen rusten op het bovenvlak der zijmuren. Tusschen de kapstijlen en de hanebalken van twee der gebinten is een hangconstructie met een groot

 

[p. 140]

eikenhouten hijschrad aangebracht. Aan de westzijde bevindt zich in den traptoren, naast de monding van de trap, een lang en zeer smal vertrekje, welks vloer van groote moppen (0.30 × 0.15 × 0.075 M.) is gemetseld in den vorm van een legerstede of brits (afb. 136). In den westmuur is in een nis een venstertje aangebracht en ten zuiden van dit venster, in de muurdikte uitgespaard, een gemak.

Dit vertrek, dat geheel het karakter van een gevangencel vertoont, heet bestemd te zijn geweest voor de ter dood veroordeelden.

illustratie
 
Afb. 134. Poederooien. Zg. kamer van Hugo de Groot in het kasteel Loevestein (na de restauratie).

+ De noorder- of Waaltoren telt inwendig vier verdiepingen boven den kelder. Deze laatste is, evenals die van het hoofdgebouw, in 1853 geheel verbouwd en gewijzigd.

Bij deze werkzaamheden trof men hier twee oude plavuizen vloeren op verschillende diepte aan: waarschijnlijk had men indertijd de vloeren verhoogd in verband met het stijgen van de rivierbeddingen. De oorspronkelijke, in 1853 weggebroken gewelven, bleken zonder verband met de muren, in lateren tijd gemetseld; tevens vond men de balkgaten van de zoldering, die den kelder vóór zijne oudste overwelving dekte. Bij het wegbreken van de overwelving zijn in den noordelijken en oostelijken muur twee spitsbogige gothische nissen te voorschijn gekomen, die met halfsteens muurtjes waren dichtgemetseld. Deze nissen zijn bij de verbouwing verdwenen. (Vgl.
[p. 141]
het rapport betreffende ontdekkingen, welke zijn gedaan aan het kasteel te Loevestein, bij gelegenheid van de daaraan verrichte herstellingen enz. in 1853, in: nijhoff, Bijdr. IX, 1854, blz. 257).

De eerste hierboven gelegen torenverdieping is thans - sinds omstreeks 1860 - tot Nederduitsch Hervormde kerk ingericht. De wanden zijn geheel gewit en een balkenzoldering dekt het overigens zeer onaanzienlijk vertrek.



illustratie

 
Afb. 135. Poederooien. Plan der zolderverdieping van het kasteel Loevestein.


 

De kerk of kapel was oorspronkelijk - en nog in 1827 - gevestigd in de groote zaal; in 1853 gebruikte men de voormalige kemenade tot dit doel. Vóór de Hervorming eene kapel der kerk van Poederooien, was zij daarna, tot 1819, een zelfstandige gemeente, met een eigen, binnen het fort wonenden predikant.

 

De tegenwoordige deuropening, die dit vertrek thans verbindt met de aangrenzende zg. kemenade, is eerst in 1853 ingebroken. Men ontdekte toen,

[p. 142]

dat nagenoeg op dezelfde plaats een doorgang had bestaan, die met steensmuren was dichtgemetseld. In dezen doorgang waren vier gemetselde treden, met houten oplegstukken, langs welke men van de kemenade afdaalde tot de diepte, waarop de zoldering boven den kelder in dezen toren lag, eer de kelder overwelfd was. In den zuidmuur heeft zich de waarschijnlijk

illustratie

 
Afb. 136. Gevangencel in den westelijken traptoren van het kasteel Loevestein.


oorspronkelijke hoofdingang bevonden, met een trap van de binnenplaats toegankelijk, in later tijd, toen men verschillende aanbouwsels op de binnenplaats aanbracht, vervangen door den (sedert ook weer gewijzigden) hoofdingang op de tegenwoordige plaats, en na het sloopen dier aanbouwsels in 1853, gewijzigd hersteld.

 

Bij de werkzaamheden van dat zelfde jaar aan de noordelijke lichtopening in de huidige kerkruimte, is een hoek metselwerk afgevallen, waaruit bleek, dat daar ter plaatse een schoorsteen had bestaan, dien men kennelijk had weggebroken om hem te vervangen door de bestaande lichtopening. De stookplaats - bij de inrichting tot kerk ook weer verwijderd - was daarna, evenals in de volgende verdiepingen van dezen toren, overgebracht naar den westmuur. Bij dezelfde gelegenheid ontdekte men in het westelijk deel van den noordelijken muur dezer torenverdieping een gemetselde trap, die vroeger blijkbaar tot gemeenschap met de verdieping hierboven diende. De in- en uitgangen dezer trap waren met steensmuren dichtgemetseld; de openingen waren met lateien gedekt en de treden waren van houten oplegstukken voorzien. Buiten den muur bevonden zich tusschen de zijwanden van de bestaande lichtopening, nog vier gemetselde treden, waarmede men met een kwartwenteling afdaalde tot de diepte, waarop vroeger de reeds besproken zoldering over den kelder heeft gelegen (Rapport Mossel, t.a.p.).

 

De hierboven gelegen torenkamer, die - ten onrechte - ‘studeerkamer van Hugo de Groot’ werd gedoopt, is al evenzeer gewijzigd en van alle

[p. 143]

bekleeding ontdaan. De thans bestaande verbinding tusschen dit vertrek met de hiernaast gelegen kamer van Hugo de Groot, bestaande uit een

illustratie

 
Afb. 137. Poederooien. Poortgebouw van het kasteel Loevestein met hoofdingang, gezien van de binnenplaats naar het Oosten.


trapje van zeven treden, opgaande naar een deur met houten kozijn, is eerst in 1853 aangebracht ‘teneinde in de gelegenheid te zijn, om geschut op deze verdieping in de torens te kunnen brengen.’
1).

 

Dezelfde bron vermeldt, dat deze en andere deuropeningen, hiertoe in aanmerking komende, ‘zoodanig ingerigt en overwelfd (zijn), dat wanneer de daarin geplaatste deurkozijnen met de halve steensmuurtjes waarmede die kozijnen van drie zijden aangemetseld zijn, uitgenomen worden, de openingen wijd genoeg. zullen worden bevonden, om er geschut door te kunnen brengen’. De opmetingen in Augustus 1827 en Februari 1853, dus vóór de verbouwing van het kasteel vervaardigd, bewijzen dan ook, dat de doorgang tusschen deze beide vertrekken toen nog niet bestond.
[p. 144]

In den zuidmuur van dit vertrek is in 1927 een gemetselde trap ontdekt, voerende naar de derde verdieping (afb. 139) een vertrek als het voorgaande, met muren van ziende baksteen; tegen den westmuur een eenvoudige schoorsteen.

Dit vertrek heet van 1621-1631 de gevangenis te zijn geweest van de groep Remonstrantsche predikanten, die om hunne overtuiging tot levenslange gevangenisstraf werden veroordeeld.

De volgende, bovenste

illustratie

 
Afb. 138. Kasteel Loevestein. Vertrek der eerste verdieping van het poortgebouw naar teekening van g. de hoog hzn.


verdieping van dezen toren heeft in de ongepleisterde wanden baksteenen van een formaat (0.30 × 0.15 × 0.075 M.; 10 lagen: 0.83 M.), dat het grootste is, dat aan het slot wordt aangetroffen. De schoorsteen is tegen den westmuur van kleine klinkers opgemetseld en dateert waarschijnlijk van 1853.

 

Deze torenkamer diende tot gevangenis van den in 1666, bij den Vierdaagschen zeeslag, krijgsgevangen gemaakten Engelschen admiraal George Ayscue.

Hierboven bevindt zich eene zolderruimte onder de houten bekapping der spits.

De meergenoemde opmeting van 1827, in het archief der genie, vertoont torenspitsen van een anderen vorm; de tegenwoordige spitsen zijn te zien op de teekeningen van 1853, zoodat zij in de tijdruimte van 1827-1853 verbouwd moeten zijn.

+ De Zuider- of Maastoren bestaat, evenals de vorige, uit vier verdiepingen boven den kelder, die weer op dezelfde wijze als de overige kelders in

[p. 145]

1853 geheel is verbouwd en van geweerschietgaten en een blindeerbaar venster voorzien. In den zuidwestelijken hoek bevindt zich een welput. Hierboven is, bij het metselen der overwelving in 1853, een opening met een luik gemaakt, ‘teneinde daardoor, bij eenig bombardement, op een gedekte wijze, gemeenschap met de verdieping te kunnen hebben’. Deze verdieping, door een deur vanuit de ridderzaal toegankelijk, deed nog in 1827 dienst als keuken. Over de geheele breedte van den oostmuur bevond zich toen een groote schouw, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn. In den zuidwesthoek stond een pomp, die oorspronkelijk wellicht het water aanbracht uit een in de dikte van den zuidmuur uitgespaarden ronden welput (die men in 1853 ontdekte bij het wegbreken van een uitspringend gedeelte metselwerk tegen den zuidelijken buitenmuur), maar welke pomp later in gemeenschap schijnt gebracht met den zooeven vermelden welput in den kelder hier beneden. In den noordwestelijken hoek was, in den muur, die deze ruimte van de ridderzaal scheidt, een provisiekast uitgebroken, die in 1853 is vervangen door de tegenwoordige deuropening, nadat de vroegere hiernaast gelegen ingang was dichtgemetseld. De bestaande schietgaten zijn hier, als overal elders in het gebouw, in 1853 aangebracht, de vensteropeningen in datzelfde jaar gewijzigd.

Volgens de overlevering zou Arnoldus Geesteranus, een der negen in 1621 in den Noordertoren opgesloten Remonstrantsche predikanten, hier na zijn huwelijk met Suzanna van Oostdijk hebben verblijf gehouden.

De hierboven gelegen tweede verdieping bestaat wederom uit een enkel vierkant vertrek met een eenvoudige gemetselde schouw tegen den oostwand. De ingang, die dit vertrek verbindt met de zg. kamer der Loevesteinsche factie, bevindt zich weliswaar op de oude plaats, maar is, evenals de vensters, in 1853 gewijzigd.

Het vertrek is van 1675-1679 de gevangenis geweest van Abraham van Wicquefort, minister-resident van Polen enz., die hier zijn ‘Histoire des Provinces-Unies des Pays-Bas’ en ‘l'Ambassadeur et ses fonctions’ zou hebben geschreven.

De derde verdieping bestaat wederom uit een enkel vertrek, toegankelijk van den zuidelijken zolder, door een ingang in den westelijken muur.

Hier zou Rombout Hogerbeets in 1619-1626 zijn gevangenschap hebben doorgebracht.

Van de hierboven gelegen zolderverdieping met spits geldt hetzelfde, als hierboven bij die van den Waaltoren is opgemerkt.

Toen men in 1853 het geweerschietgat brak in den noordmuur van het

+ gelijkvloersche der poort, ontdekte men een in de dikte van dezen muur gespaarde gemetselde trap, voerend naar de verdieping. Een soortgelijke

[p. 146]

trap bevindt zich in den Zuidmuur. Deze trap heeft thans een toegang in den doorgang der poort, maar eenige in het benedeneind der trapschacht doorloopende treden wijzen er op, dat zij oorspronkelijk doorliep naar de binnenplaats (afb. 137), waar we inderdaad in den westmuur der poort een moet vinden van haar dichtgemetselden ingang1).



illustratie

 
Afb. 139. Details van het kasteel Loevestein.

De eerste verdieping, boven het poortgewelf (vgl. afb. 133), bestaat uit een enkel vertrek, waarin zich thans het uurwerk der poortklok bevindt. Het wordt gedekt door een houten zoldering. In den noordmuur bevindt zich een gemetselde schouw, waarin een klein gemetseld fornuis met kookgaten. In

[p. 147]

den muur naar de zijde der binnenplaats bevindt zich nog een oud houten kruisvenster (afb. 138).

De hierboven gelegen verdieping, waarvan men den plattegrond vindt op afb. 139, bevat een vertrekje onder de pannen. De muren vertoonen sporen van wijziging: blijkbaar is het muurwerk gedeeltelijk afgebroken en vervolgens bijgewerkt met kleine steen, toen het poortgebouw verlaagd en met het tegenwoordige dak gedekt werd.



illustratie

 
Afb. 140. Situatie-schets van het kasteel Loevestein in 1845, met aanduiding der grondboringen, naar de Memorie in het archief der Genie, Litt. L no. 11.

De Kruittoren.

Deze ronde, binnenwerks in middellijn 6.20 M. metende toren (afb. 139) is het laatste overblijfsel van den vroegeren voorburcht.

Een prent van C. Visscher van 1630, die het kasteel kennelijk zeer nauwkeurig en waarheidsgetrouw weergeeft, vertoont nog dezen voorburcht als een vrij aanzienlijk complex, aan de oostzijde der gracht met vier zijden een voorplein omsluitend en door een ophaalbrug met het poortgebouw verbonden. Insgelijks ziet men den
[p. 148]
voorburcht - althans het noordelijk deel ervan - op de schilderij van J. Willarts van 1659, eigendom van Mr. S. baron Creutz, thans in het huis ‘Betlehem’ te Gorinchem. En zelfs detegenw. staat spreekt in 1749 nog van ‘een Voorburgt, die een kleinen lagen ronden Tooren heeft, en met een Graft van het Slot gescheiden is’ (A.w., dl. VII, 313). Deze ‘kleine lage ronde toren’ moet de nog bestaande z.g. kruittoren zijn, de zuidoostelijke hoektoren van den voorburcht, welks noordoostelijke hoektoren, gelijk wij hierboven zagen, bij het beleg van 1397 werd verwoest. In 1845 bestond, behalve de kruittoren, nog slechts een hierbij aansluitend deel van den zuidelijken vleugel, toen het Oud Tuighuys genaamd, dat bij de verbouwing van 1853 is verdwenen (afb. 140).

De geheel van baksteen (formaat: 0.25-0.26 × 0.13 × 0.065 M.) opgetrokken toren, welks buitenmuur ongeveer 2.00 M. dik is, wordt gedekt door een, op een later gemetseld, versmald, laag achtkant geplaatste, achtkante houten spits, bekleed met leien. De benedenste helft is gepleisterd, de bovenste helft ommetseld met kleine baksteen. Tegen de noordzijde bevindt zich een rechthoekig uitbouwsel, een rest van den zuidvleugel der voormalige voorburcht (zg. oud-tuighuis, afb. 140), waarin een vierkant omgaande baksteenen wenteltrap (baksteen der treden, formaat: 0.21 × 0.09 × 0.04 M.). Inwendig bestaat hij uit een gelijkvloersche ruimte overdekt door een groot baksteenen koepelgewelf, waarboven twee ronde, geheel leege en overzolderde verdiepingen.

+ Van het omstreeks 1300 gestichte slot Loevestein is, zooals uit de voorgaande beschrijving reeds voldoende blijkt, eigenlijk niet veel meer overgebleven dan de aanleg, het grondplan, en een gedeelte van het ruwe opgaande muurwerk, en dit laatste dan nog slechts zeer gedeeltelijk.
Zóó herhaaldelijk en zóó grondig is het kasteel in de eerste helft der 19de eeuw en vooral in 1853 verbouwd, dat niet alleen de oudste bouwgeschiedenis, maar zelfs de wijzigingen der 17de en 18de eeuw nauwelijks meer te achterhalen zijn.
Eenige opheldering brengt het rapport over de grondboringen in 1845 verricht onder leiding van den kapitein-ingenieur I. Muschart (archief der Genie, Litt. L. no. 11). Deze toch toonden aan, dat het geheele gebouw gefundeerd was op een paal-roosterwerk van dennenhout, bestaande uit kruislings gelegde slikhouten en kespen, gedragen door rondhouten, geheid in een ondergrond van blauw klapzand, terwijl het fundament van den Noordertoren een kespdikte lager bleek te liggen, dan de overige grondslagen van het gebouw. Bovendien bevond men, dat de fundeeringen van noordertoren en hoofdgebouw een breeden bouwnaad vertoonden (zie afb. 125 bij a) en zonder verband gemetseld zijn tot op ongeveer een M. hoogte, waarboven het muurwerk verder wel in verband is gemetseld. Tevens bleek, dat de zuidertoren wel in verband met de fundeering van het hoofdgebouw was gegrondvest.
Wanneer we hierbij dan in aanmerking nemen, dat - gelijk wij hierboven reeds zeiden - de noordertoren asymmetrisch staat ten opzichte van hoofdgebouw en zuidertoren en dat wij in eerstgenoemden toren ook de grootste baksteenen aantroffen, dan ontstaat eenigen grond voor het vermoeden, dat we hier met twee bouwperioden te doen hebben, waarvan wellicht de eerste den noordertoren zag ontstaan. Met het oog op het formaat (0.30 × 0.15 × 0.075 M., 10 lagen 0.83 M.) van een deel der baksteenen, ware de bouw van der noorder- of Waaltoren in het eind der 13de eeuw (althans na 1264, zie blz. 130) te stellen, terwijl het overige deel van het slot in den
[p. 149]
loop der 14de eeuw werd aangebouwd1), waarbij dan tegelijk ook de reeds bestaande noordertoren, wat zijn bovenbouw betreft, vernieuwd en boven de fundeering in verband met het hoofdgebouw opgetrokken kan zijn. Meer waarschijnlijkheid krijgt deze onderstelling nog in verband met de hierna te bespreken wandschildering in de ridderzaal, die uit het begin der 15de eeuw dagteekent en derhalve kort na de voltooiing van het hoofdgebouw zal zijn aangebracht2).
Nadat bij de bestorming in 1397 de noordoostelijke hoektoren van den voorburcht was verwoest, schijnt deze niet weer te zijn hersteld; wij merkten althans hierboven reeds op, dat de schrijver van den Tegenwoordigen Staat van Holland, in 1749 den voorburcht nog zag met slechts één lagen ronden toren, thans het eenige overblijfsel van dit deel van het slot, sinds in 1853 het hierbij aansluitend fragment van den zuidelijken vleugel is gesloopt.
Waarschijnlijk heeft Albrecht Hertog van Saksen, nadat hij Loevestein in 1492 van Maximiliaan in onderpand had ontvangen, verschillende niet onbelangrijke wijzigingen doen aanbrengen. Hiervan getuigt niet enkel de schoorsteen in de kemenade, beschilderd met de wapens van Albrecht en van zijn leerling Philips, den lateren Philips den Schoone, maar ook de sleutelstukken der balken in de groote- of ridderzaal moeten blijkens hun peerkraalprofiel, tot deze periode behooren, die wij, daar Philips in 1494 zelf aan het bestuur kwam en sindsdien in een steeds felleren strijd van belangen met den Saksischen hertog geraakte, meenen tusschen 1492 en 1494 te moeten stellen. Zooals gezegd, is niet meer na te gaan, welke veranderingen het slot in den loop der 16e en 17e eeuw onderging. Wellicht zijn in het begin der 17e eeuw van den zoogenaamden ‘kerkzolder’ op de 2e verdieping - de ruimte boven de groote zaal - de vertrekken afgescheiden, die den Dordtschen burgemeester Alewijn en de leden der Loevesteinsche factie hebben geherbergd. Dat de schoorsteenmantel en zijn dragers in de kemenade in denzelfden tijd zijn gewijzigd, blijkt uit het karakter van het snijen beeldhouwwerk.
In de 17e of 18e eeuw zullen op de binnenplaats de lage aanbouwsels zijn verrezen, die we in 1827 zien afgebeeld op de planteekeningen ‘om het Kasteel te Loevestijn tot een buskruidmagazijn in te rigten’, en waarvan het dan heet, dat ze bouwvallig zijn en afgebroken moeten worden
3). Niettemin bestonden deze, inderdaad weinig fraaie en hokkerige aanbouwsels (waarin de keuken, een galerij met trapportaal en een berghok waren ondergebracht) nog in 1853, zooals blijkt uit de in dat jaar geteekende, reeds vroeger vermelde opmetingen.
Eerst bij deze verbouwing van 1853-1854, toen het kasteel, onder leiding van den kapitein der genie C.H. Mossel, werd ingericht tot ‘blindeerbaar reduit’, zijn de aanbouwsels verdwenen en kreeg, zooals wij zagen, dit gebouw in hoofdzaak zijn tegenwoordig uiterlijk; de kelders werden geheel verbouwd, de vóór dien tijd bestaande tongewelven weggebroken en vervangen door de tegenwoordige overkluizing op vierkante pijlers; de muren der kelder- en der hoofdverdieping werden doorbroken met geweerschietgaten, deur- en vensteropeningen gewijzigd in verband met het aanvoeren en verplaatsen van geschut binnen het gebouw, enz., en ten slotte het zg. oud arsenaal, de bij den kruittoren aansluitende vleugel van den voormaligen voorburcht, geheel gesloopt. Sinds 1925 zijn inwendig verschillende herstellingen geschied onder
[p. 150]
toezicht van Afdeeling B der Rijkscommissie voor de Monumentenzorg, met name aan de zg. kamer van Hugo de Groot en in den noordertoren.

+ In het kasteel bevinden zich twee muurschilderingen. De oudste hiervan is die, welke, zooals wij hierboven zagen, in 1927 is ontdekt in een nis in den noordwand der ridderzaal. De achterwand dezer nis, 1.59 M. lang en 0.86 M. hoog, is in tempera-techniek beschilderd met twee tafereelen, gescheiden door het vroeger beschreven kijkgat (afb. 141). Het linker tafereel (formaat: 1.03 M. × 0.67 M.) geeft een voorstelling van Golgotha: Tegen een donkerrooden met een patroon

illustratie

 
Afb. 141. Muurschildering in de ridderzaal van het slot Loevestein.


van bloemen versierden achtergrond is geheel vlak, zonder perspectivische effecten, Christus aan het kruis geschilderd met links de H. Maagd en rechts den H. Johannes. De Christusfiguur, jeugdig en slank, met breede schouders en smalle heupen, hangt recht en stil tegen het kruishout, het blonde door een nimbus omgeven hoofd een weinig naar links neigend, de armen in een nagenoeg horizontale lijn tegen den dwarsbalk gestrekt, den rechtervoet over den linker vastgenageld. Maria is afgebeeld als een buitengewoon lange, slanke figuur; de armen kruiselings over elkaar slaande wijst zij met de vlakke rechterhand in de richting van Christus. Johannes is een kleinere, meer gedrongen figuur, staande op een heuvel naast den voet van het kruis; de naar het kruis

 

[p. 151]

opgeheven armen teekenen een gebaar van verbazing en beklag (afb. 142). De schildering heeft zeer door vocht geleden, zoodat de kleur is verstorven en details niet meer zijn te onderkennen.

Iets beter is de

illustratie

 
Afb. 142. Golgotha. Detail der muurschildering in de ridderzaal van het slot Loevestein.


schildering rechts van het kijkgat bewaard gebleven. Op een vak van 0.26 × 0.67 M. is, tegen een achtergrond als die van het vorige tafereel, de heilige Catharina van Alexandrië, maagd en martelares, voorgesteld (afb. 143). De wederom zeer slanke gestalte draagt een kleed van rood brocaat en is gehuld in een witten aan de voorzijde opengeslagen mantel, die zoodanig van de schouders afhangt, dat de figuur van den grond naar den hals kegelvormig toeloopt. Het op een ranken hals rustende hoofd, met teeder geteekend, blond omlokt gelaat, wordt gedekt door een groote kroon en is omgeven door een heiligenschijn. In de rechterhand heeft de heilige een getand rad; de linker houdt dwars voor het lichaam een met den punt benedenwaarts gericht slagzwaard.

 

[p. 152]
De eenigszins gemaniereerde, overdreven slanke teekening en elegantie der figuren doet denken aan den stijl van veertiende-eeuwsche muurschilderingen, als bijvoorbeeld die in de Byloke te Gent (± 1330) en die der koorbanken in den Dom te Keulen. De Christusfiguur in zoo rustige houding, als we hier zien, met horizontaal gestrekte armen, verschijnt echter eerst in het eind dier eeuw (Vgl. o.a. de Kruisiging in St. Castor te Coblenz, door Clemen ± 1390 gedateerd).1) Sinds het midden der 15de eeuw zien we weer de meer getourmenteerde voorstellingen van den Gekruiste opkomen.


illustratie

 
Afb. 143. De H. Catharina. Detail der muurschildering in de ridderzaal van het slot Loevestein.

Zoo zouden we dan deze schildering in de eerste helft der 15de eeuw kunnen stellen, maar de figuur der H. Catharina stelt ons wellicht tot een iets nauwkeuriger dateering in staat. Den los van de schouders afhangenden witten mantel treffen we veelvuldig aan bij vrouwefiguren op schilderingen uit het eerste kwart der 15de eeuw, en ook de teekening van het gelaat, zoowel als het gebaar met het kleine folterrad, zijn in overeenstemming met dit tijdvak. Nu heeft men deze figuur in verband gebracht met het in 1438 voltrokken huwelijk
[p. 153]
van Karel den Stoute met Catharina, de dochter van Karel VII van Frankrijk, welke in 1446 te Brussel overleed. De schildering zou dan uit het midden der eeuw dagteekenen. Waar echter de H. Catharina eene zeer algemeen vereerde en veelvuldig afgebeelde heilige was, behoefde een dergelijke aanleiding tot deze voorstelling volstrekt niet te bestaan. In verband met het geheele karakter der schilderingen dateeren wij deze derhalve liever omstreeks 1420.

De tweede muurschildering is die op den schoorsteen in de kemenade (afb. 132). Het voorvlak der schacht wordt middendoor gedeeld door een geschilderde laat-gothische zuil op perspectivisch geteekend rond basement en met een schachtring in het midden; uit het kapiteel groeien naar weerszijden twee korfbogig belijnde takken, waaruit zich een rankenornament ontwikkelt. In de twee aldus gevormde vakken zijn geschilderd: links het wapen van Albrecht van Saksen, gehouden door twee leeuwen, rechts dat van Philips den Schoone, gehouden door een leeuw en een griffioen, waarboven een spreukband met diens devies ‘Que Vouldra’. Boven het eerstgenoemde wapen komen twee, boven dat van Philips drie distelplanten uit. In elk der beide vakken hangen van het rankenornament der afdekking twee kleine wapenschilden af.

Waarschijnlijk is deze schildering ontstaan omstreeks 1494, in den tijd, dat hertog Albrecht het slot in onderpand hield en de verhouding tusschen hem en Philips den Schoone zich nog niet tegen zoo eene samenvoeging van beider wapens verzette. Men zie hieromtrent ook blz. 149.

In de voormalige kerk (zie blz. 140) bevindt zich het Avondmaalszilver,+ bestaande uit:

 

Een zilveren Avondmaalsbeker met gegraveerd opschrift: ‘Lovesteins Kerck Beker December 1668’. Merken: wapen-van Arkel (Gorinchem), jaarletter I, leeuw (groote keur) en SM (SH ? of SN ?) in ovaal schildje.

Een zilveren schotel, op welks bodem gegraveerd: ‘Loevesteijns Kerckbordt. Ao 1680’. Merken: wapen-van Arkel, S, leeuw, en een onleesbaar merk.

Voorts een tinnen kan (XVIII B) met vier merken: HM, twee engelen, en+ een onleesbaar; een dergelijke kan met gekroonde X, leeuw en engel; vier tinnen borden met op den bodem: ‘Engels Harttin’, en ‘Kerk v. Loevesteijn 1765’, en vier merken: AM, leeuw, engel, een onleesbaar en gekroonde X. Tevens worden hier vier steenen kogels bewaard, in het terrein om het slot+ gevonden.

Poederooien.

Zie nomina geogr. II, 139; III, 216, 351.
+
Evenals Aalst en andere dorpen in deze streek vinden we ook Poederooien voor het eerst vermeld in de bekende schenkingsacte van 814-815 onder den naam
[p. 154]
Podarwic1). In 1327 behoorde Poederooien aan Arend van Herlaer. Door het huwelijk van Johanna, dochter van Marten van Herlaer en Christina van Gent, met Peter van Hemert, kwam Poederooien in 1458 in diens bezit. Hertog Karel van Gelder confiskeerde de goederen van Peter van Hemert en schonk Poederooien aan Jan van Rossum, na wiens dood, in 1512, zijn tweede zoon, Marten van Rossum, de heerlijkheid erfde. Uit het geslacht van Rossum ging Poederooien in 1577 door verkoop over aan Otto van Appeltern, heer van Persingen en kwam daarna achtereenvolgens in het bezit o.a. van Johan Milander, secretaris van den prins van Oranje, van Willem graaf van Nassau, van Johan Kirckpatrik (± 1681), de families Chenel en Swaen (v. spaen, Inleiding III, 280-284), om tenslotte te behooren aan Mr. D.C. Viruli (schutjes, V, 486).


illustratie

 
Afb. 144. De kerk te Poederooien in de 18de eeuw. Naar een teekening van c. pronk.


Kerk.

De Ned. Hervormde kerk is in eigendom en onderhoud bij de Nederduitsch Hervormde gemeente; de toren behoort aan de burgerlijke gemeente.

+ De kerk van Poederooien was oorspronkelijk gewijd aan den H. Joannes Evangelist. Ten tijde der kerkvisitatie van 1571 had de kerk een altaar gewijd aan den H. Antonius. (bossche bijdr. V, 1922-23, 145). Volgens v.d. Aa werd de kerk in 1836 vernieuwd en was in het oude koor (afb. 144) de school gevestigd. In Juli 1897 brandde het schip geheel af; de toren brandde uit en verloor zijn spits. Tegen den bewaard gebleven toren is daarna een nieuw kerkgebouw opgetrokken.
[p. 155]

De bij den brand van 1897, wat zijn buitenmuren betreft behouden toren,+ is opgetrokken van baksteen (formaat: 0.25 × 0.12 × 0.055 M.; 10 lagen: 0.65 M.) en bestaat uit drie door waterlijsten gescheiden, een weinig terugspringende geledingen, gedeeltelijk met klimop begroeid (afb. 145). In den

illustratie

 
Afb. 145. Poederooien. Toren der Ned. Hervormde kerk van het Westen.


westmuur der benedenste geleding bevindt zich een hooge spitsbogige nis, waarin de moet van een dichtgemetselden korfbogigen ingang, en een later aangebrachte ingang met eenvoudige houten deur. De tweede geleding heeft aan drie zijden een smalle ± 0.80 M. hooge lichtsleuf; de vierde of oostzijde heeft een doorgang voor de kap der kerk. De bovenste geleding heeft aan elke zijde twee hooge spitsbogige nissen, in elk waarvan, boven elkaar, twee spitsbogig getoogde galmgaten. Hierboven is het muurwerk op een tandlijst ter breedte van een klezoor uitgemetseld. De spits is na den brand van 1897 vernieuwd. In den voet van den toren bevinden zich eenige lagen baksteen van grooter formaat (± 0.30 × 0.15 × 0.08 M.), die of opnieuw gebruikt materiaal van een vroegere kerk, of wel een overblijfsel van den ouderen toren zijn, waarop men den bestaanden heeft gebouwd.

 

Daar het baksteenformaat hetzelfde is als dat van het+ schip der kerk te Kerkdriel (zie blz. 50), dat uit het derde kwart der 15e eeuw dagteekent, terwijl bovendien ook de vormentaal op dezelfde periode wijst, kunnen we dezen toren XV B dateeren.

De kerk, welker meubelen in 1897 geheel verloren gingen, bezit nog slechts:

Een groote gebeeldhouwde zerk, rechtgezet tegen

+ den oostmuur van den toren. In het midden is een alliantiewapen, gehouden door twee reigers, gehouwen. Het mannelijk wapen vertoont een St. Andrieskruis, waarop een hartschild met drie leeuwenkoppen geplaatst 2 en 1, en een schildhoofd beladen met drie naast elkaar geplaatste molenijzers. Het vrouwelijk schild is beladen met een gevleugelden visch. Hieronder een opschrift: ‘Hier leijt begraven de Hooghwelgebooren Heere d'Heer Johan Kirkpatrik vrijheer van Poederoijen Maijer Generaal Collonel en Govuerneur (aldus) van de Stadt Meijerije en omliggende Forten van 's-Hertogenbosch. Sterf 17 Mei 1681 en sijn Hoog Edele Soonen Jonr Johan Kirkpatrik Maijer van een Regiment Sterf 107 ber 1670. En Jonr Everwijn Kirkpatrik Luijtenant Collonel sterf 9 Meij 1677’.

[p. 156]

Boven het wapen is een cartouche gehouwen met het opschrift: ‘Hier leijt begraven de HoogEdele geboren Vrouwe Margrete Christina Drost Vrouwe

illustratie

 
Afb. 146. Tinnen offerbus der Ned. Hervormde kerk te Poederooien.


van Pouderoijen Sterf den 29 Julij Anno 1652’.

 

Onder den vloer, en gedeeltelijk onder den preekstoel, ligt een gebroken 2 M. breede zerk van hardsteen, waarop de ongeveer levensgroote figuren van een ridder en edelvrouw in liggende houding zijn gehouwen. Het opschrift, voor zoover zichtbaar, luidt: ‘Hier leet begraven den eedele eerentfeste en frome Steven van Rossem heer tot Poederoyen en... in iaar ons heren 15.. opten.... Hier leet begraven de eedele en frome... ynd.... Ridder heer tot suilichem..... huysfrou va Steven heer tot Poederoyen 1566’.

+ Twee zilveren Avondmaalsbekers, elk met het opschrift: ‘Hoc poculum ad honorem Dei et ad usum S. Eucharistiae donavit Maria Elisabete Widerholtia defuncta in hoc templo Pouderioense. Anno 1648’, en met dezelfde merken: 's-Gravenhage, jaarletter S en springend hondje.


illustratie

 
Afb. 147. Poederooien. Doopvont der Ned. Hervormde kerk.

Een verguld zilveren ouweldoos, in 1648 door Hans Coenraet Brechtel vervaardigd voor de Luthersche kerk te 's Gravenhage, draagt eveneens de jaarletter S.

+ Twee tinnen offerbussen (XVIIId) in vaasvorm (afb. 146).

+ Op een aan de kerk grenzend erf liggen de hardsteenen voet en de met menschen- en dierenkoppen versierde kuip (afb. 147) van een gothische doopvont (XV A).

[p. 157]
Zie de reconstructie-teekening vervaardigd door den heer g. de hoog hz. (afb. 148).
Bron:


De Bommeler- en de Tielerwaard

 

auteur: F.A.J. Vermeulen

 

bron: F.A.J. Vermeulen, De Bommeler- en de Tielerwaard. Gijsbers & Van Loon, Arnhem 1974-1975 (tweede druk)

 

verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst

 

downloads

©2011 dbnl / erven F.A.J. Vermeulen

 


 

Maarten van Rossum

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
 
Ga naar: navigatie, zoeken
1rightarrow.png Dit artikel gaat over de militair Maarten van Rossum. Zie Maarten van Rossem voor de historicus.
Maarten van Rossum
1478 - 1555
Maarten van Rossum.jpg
 
Vader Johan
Moeder Johanna van Hemert

Maarten van Rossum (ook Marten en RossemZaltbommelca.1478 – Antwerpen7 juni 1555) was eenGelderse legeraanvoerder, die buiten zijn vaderland door de nietsontziende manier, waarop hij oorlog voerde, zeer werd gevreesd. In een lange carrière bracht hij zijn lijfspreuk: "Blaken en branden is het sieraad van de oorlog" veelvuldig in de praktijk. Zijn manier van oorlogvoeren is goed te vergelijken met die van de Italiaansecondottieri. Gedurende dertig jaar diende hij de belangen van de hertog van Gelderland Karel van Egmont en diens opvolger Willem van Gulik in hun strijd om de onafhankelijkheid van Gelderland veilig te stellen tegen hetBourgondische Rijk van keizer Karel V. Van Rossum bracht een lange lijst van wapenfeiten op zijn naam, waaronder de verovering van Arnhem en Rhenen door het toepassen van krijgslisten, plundertochten in Holland, de verovering van Utrecht en in 1528 zijn opzienbarende raid op Den Haag. In de laatste fase van deGelderse oorlogen was zijn plundertocht in 1542 door het Hertogdom Brabant, waar hij een groot deel van de Brabantse platteland platbrandde en voor de poorten van Antwerpen in een veldslag een overwinning op René van Chalon boekte in zekere zin zijn "finest hour". Hij slaagde er echter niet in één van de vier grote Brabantse steden[1] te veroveren. In een vroege fase van de Gelderse Oorlogen werkte hij enige tijd samen met de legendarische Friese vrijheidsstrijder Grote Pier en in de derde- en laatste fase van de Gelderse Oorlogenbestond er een weinig succesvol bondgenootschap met het Frankrijk van Frans I. Na de definitieve nederlaag van het hertogdom Gelre in 1543 tegen een overmacht van Bourgondische troepen trad hij in dienst van zijn oude vijand, keizer Karel V, die hem in het begin van de jaren 1550 nog inzette in zijn oorlogen tegen Frankrijk. Onder andere in Artesië en in de Champagne bediende hij zich van dezelfde tactieken, die hij eerder in Holland en Brabant had toegepast. Al hoewel intussen hoogbejaard, verwierf hij zich ook in Frankrijk een angstaanjagende reputatie. Een van zijn bijnamen was de Gelderse Attila.

Inhoud

[verbergen]

Afkomst

Familiewapen

Zijn ouders, Johan van Rossum, heer van Rossum, en Johanna van Hemert trouwden vermoedelijk vóór 1478. Zij behoorden tot de lagere adel in de Bommelerwaard. Maarten verwierf in zijn leven de titels van heer van Poederoijenpandheer van Bredevoort, heer van Cannenburgh, heer van Lathum en Baer, was maarschalk vanGelre en later keizerlijk stadhouder van Luxemburg.

Het familiewapen bestaat uit drie rode vogels op een zilveren schild. Het is niet duidelijk of het hier om valken of papegaaien gaat. Verschillende wapenbeschrijvingen gebruiken beide omschrijvingen. Ook onduidelijk is het helmteken. Gaat het nu om een Satyr of een mansfiguur met ezelsoren? De wapenspreuk is TERROR TERRORIS.[2] Het familiewapen is later het gemeentewapen van Rossum geworden.

Historische context

Aan het eind van 15e en het begin van de 16e eeuw probeerden de Bourgondiërs (onder anderen Karel de Stoute) en hun opvolgers de Habsburgers (keizerMaximiliaan I van Oostenrijk en keizer Karel V) hun erfgrondgebied in de Nederlanden uit te breiden. Zij hadden in de noordelijke Nederlanden reeds Brabant, Holland en Zeeland onder controle, maar trachtten ook de rest van dit gebied te veroveren. Dat leverde strijd op met de bisschop van Utrecht, die heerste over het Sticht(Utrecht) en het Oversticht (Overijssel, Drenthe en Groningen), met de hertog van Gelre (Gelderland), en met het min of meer “vrije” Friesland. Er werden door de Habsburgers geregeld zelfs militaire campagnes in deze gebieden ondernomen, wat dan weer reacties opriep van deze tegenstanders.

Branden en blaken

Beeld van Maarten van Rossum op een bankje naastKasteel De Cannenburgh

Maarten was in dienst van hertog Karel van Gelre. Hij was een bekwaam en in zijn tijd een gevreesd legeraanvoerder. De hertog wilde de Habsburgers uit Gelre houden, opdat Gelre zelfstandig kon blijven. Maarten van Rossum vocht een kleine dertig jaar (1514 - 1543) voor de Gelderse zaak tegen de Habsburgers. Zijn stijl van oorlog voeren leek op die van zijn Italiaanse collega's, de condottieri, en kenmerkte zich door guerrilla-achtige tactieken, waarbij de burgerbevolking niet werd ontzien. Naar men zegt was zijn motto "Branden en blaken is het sieraad van de oorlog". Over de wijze waarop Van Rossum oorlog voerde zijn de meningen verdeeld: er zijn historici die hem een 'extreme bruut' noemen en die zijn 'agressieve plunderzucht' laken.

Door krijgslisten wist hij in 1514 en 1527 respectievelijk Arnhem en Rhenen te veroveren. In Arnhem wist hij een deel van zijn soldaten verborgen onder het hooi de stad binnen te smokkelen en in Rhenen verstopte hij soldaten in het struikgewas die gebruik maakten van een hooiwagen die in een van stadspoorten bleef steken. Met deze krijgslisten liep hij vooruit op soortgelijke escapades zeventig jaar later door de prinsen Maurits en Willem Lodewijk, zie bijvoorbeeld het Turfschip van Breda).

In 1516 brandde hij dorpen in de Alblasserwaard plat, onder andere Bleskensgraaf). In deze fase van de Gelderse Oorlogen werkte hij samen met de Friese opstandelingenleiders Pier Gerlofs Donia (Grote Pier) en Wijerd Jelckama (Groote Wierd).

Later werkte hij ook tot op zekere hoogte samen met het Franse leger om in beider belang zo mogelijk een tweefrontenoorlog tegen de Habsburgse machthebbers inBrussel te kunnen voeren. Toen Gelderland de soldij niet meer kon betalen nam Grote Pier de zogenaamde Arumer Zwarte Hoop, een troep Duitse huurlingen die aanvankelijk met Gelders geld betaald waren, over om tegen Medemblik op te trekken, een stad die Grote Pier haatte. Daarna trok de Zwarte Hoop al plunderend naar het zuiden en om Amsterdam heen naar het oosten, richting Duitsland, waarbij het onder andere in Medemblik en Asperen tot betreurenswaardige uitspattingen kwam.

Plundertochten

In 1519 werd Van Rossum door Karel van Gelre tot bevelhebber van het Gelders leger benoemd. In 1527 veroverde hij Utrecht. Van daaruit voerde hij begin maart 1528 met 1500 tot 2000 man troepen een plundertocht uit op Den Haag. Hij brandschatte het niet-ommuurde 'dorp' en plunderde de omgeving. Omdat de burgers van de stad het door Van Rossum geëiste bedrag van naar verluidt 28.000 gulden niet konden opbrengen nam hij genoegen met 8.000 gulden. Wel voerde hij een aantal aanzienlijke Haagse burgers, die niet naar Delft of de duinen hadden weten te ontsnappen, als gijzelaar mee naar Utrecht en Arnhem, waar sommigen van hen naar men zegt twee jaar gevangen zaten. Sommige families kregen belastingvrijstelling om de losgelden te kunnen betalen. Deze plundertocht op Den Haag baarde groot opzien en was voor Holland en Brabant het sein om de verdediging serieus ter hand te nemen, te meer daar Van Rossum bij zijn overval geen echte tegenstand had ontmoet.

In 1528 werd hij door de hertog van Gelre tot maarschalk van Gelderland benoemd.

In 1531 was hij actief in Wisch en Terborg, waar hij in opdracht van de hertog van Gelre graaf Oswald II van den Bergh steunde in diens strijd tegen Joachim van Wisch.

Maarten van Rossum streed in de jaren 1532-'34 tegen Habsburgse troepen in Oost-Friesland.

Uit Maarheeze is een vrijgeleidebrief uit 1543 van Maarten van Rossum bewaard gebleven met daarop het het wapen van Willem V van Kleef. Maarheze betaalde toen geld aan hem om verwoestingen te voorkomen, waarvoor zij een vrijgeleidebrief ontvingen. [3]

Bezittingen

Bredevoort

In 1534 werd Maarten van Rossem door hertog Karel van Gelre als drost van Bredevoort aangesteld. Tussen 1545 en 1555 begon hij met verbeteringen aan devestingwerken van Bredevoort. Hij laat de stad versterken, en plaatst nieuwe stadspoorten, en Bredevoort krijgt een Halve Maan voor de Aalterpoort, en een bastei metrondeel voor de Misterpoort. Hij verbreedde de gracht en verlegde een deel van de oostmuur, liet aarden wallen opwerpen tegen de stadsmuren om deze ook tegen kanonvuur bestendig te maken. Onder zijn leiding van werd in Winterswijk een rechtszaak gevoerd door Tegeders uit dat gebied naar aanleiding van misstanden rondom zijn voorganger, drost Jacob ten Starte. Het huis De Cannenburg kocht hij in 1543, de Kleefse heerlijkheid Hulhuizen in 1544, de heerlijkheid Lathum in 1546, waaraan hij in 1555 nog het huis Baer toevoegde. Vanaf 1548 werden zijn taken in de heerlijkheid Bredevoort waargenomen door zijn zwager Johan van Isendoorn[4].

Maarten van Rossumhuis

Omstreeks 1535 liet van Rossum het Maarten van Rossumhuis bouwen te Zaltbommel. Het gebouw is versierd met Renaissance-beeldhouwwerk. Door het uiterlijk met torentjes en kantelen wordt het ook wel een stadskasteel genoemd, een naam die in 2008 officieel werd. In het gebouw is sinds 1937 het Maarten van Rossum Museumgevestigd.

Kasteel Het Oude Loo

In 1538 verwierf hij het jachtslot Kasteel Het Oude Loo. Hij liet het grondig verbouwen en verkocht het goed aan de Bentincks.[5]

Duivelshuis

In 1539 kocht van Rossum het Duivelshuis in Arnhem na de dood van de vorige eigenaar Karel van Gelre. Hij liet het woonhuis in 1543 verbouwen waardoor het zijn officiële naam kreeg: "Huis van Maarten van Rossum". Hij bouwde een vroeg-renaissancistische pronkgevel versierd met beelden van Saters plaatsen en grote overwelfde kelders onder het huis aanleggen. Na van Rossums dood verkochten erfgenamen het huis.[6] Omdat de Saters voor Duivels werden aangezien en rondom van Rossum mythevorming was ontstaan kreeg het huis zijn bijnaam "Duivelshuis".

Kasteel De Cannenburgh

In 1543 kocht van Rossem de restanten van Kasteel De Cannenburgh. Op de ruïne werd een statig slot van drie verdiepingen gebouwd. De naar voren springende ingangstoren werd van natuurstenen ornamenten voorzien, waarmee van Rossum de renaissance in Gelderland introduceerde. In de kelderverdieping zijn nog sporen van het middeleeuwse complex bewaard. In 1555 erfde zijn neef Hendrik van Isendoorn, hij voltooide het bouwplan dat van Rossum was begonnen.[7]

Brabantse veldtocht

Vlugschrift; drukte de woede van bevolking uit over de aanslag op Antwerpen in 1542.

In 1542 voerde Van Rossum in een bondgenootschap met de koningen van Frankrijk en Denemarken een serieuze veldtocht tegen de Habsburgers. Hij had de beschikking over een leger van ruim 15.000 man. Op weg naar het zuiden plunderde hij het toenmalige Rode (tegenwoordig Sint-Oedenrode). Daarbij werd de parochiekerk niet ongezien. Daarna werd het dorp platgebrand.

Eenmaal in Antwerpen aangekomen belegerde van Rossum deze stad. In een veldslag voor de poorten van Antwerpen, in de buurt van het huidige Brasschaat versloeg hij een leger onder aanvoering van René van Chalon, de toenmalige prins van Oranje. Daarbij vielen aan Habsburgse kant ongeveer 2000 slachtoffers. Van Rossum had zijn infanterie achter zijn 'Zwarte ruiters' opgesteld. Dat werd door de Habsburgers niet opgemerkt, waardoor zij overmoedig de aanval inzetten op Van Rossums cavalerie. Voor en na zijn overwinning brandde van Rossum de omgeving van Antwerpen en Leuven geheel plat. Daardoor bleef, volgens tijdgenoten, de omgeving van Antwerpen gedurende de hele 16e eeuw een landelijk karakter houden, in tegenstelling tot vorige eeuwen. Van Rossum slaagde er echter niet in om de grote steden Antwerpen en Leuven daadwerkelijk in te nemen. Een aanval op de muren van Antwerpen werd afgeslagen.

Deze Brabantse veldtocht leidde in 1543 tot een stroom van pamfletten die van de Antwerpse persen rolden. Daarin werd de vraag gesteld wie van de twee 'Maartens' nu erger was, Maarten Luther of Maarten van Rossum. Uiteraard zagen de direct betrokkenen Maarten van Rossum als het grotere kwaad. De Antwerpse dichteres Anna Bijns daarentegen was van mening dat het optreden van Maarten Luther veel schadelijker was: Van Rossem kwelt lichamen, maar Luther richt zielen te gronde[8].

Onder de opvolger van Karel van Gelre, Willem van Kleef, viel het doek voor de Gelderse zaak. Toen de Gelderse schatkist weer eens leeg was en de Habsburgers een nieuw leger onder Lamoraal van Egmont (dezelfde graaf van Egmont die later op de grote markt van Brussel wordt onthoofd) in de strijd wierpen dat in 1543 de onder Gelders gezag staande stad Düren platbrandde en gedeeltelijk uitroeide, gaven de andere Gelderse steden zich over. Deze intimidatie (een "shock-and-awe" tactiek avant la lettre) zou volgens sommigen 25 jaar later de hertog van Alva hebben geïnspireerd om aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog de steden NaardenZutphen enMechelen uit te roeien, met als doel door angst de opstand neer te slaan. Hertog Willem moest Gelre en het graafschap Zutphen aan Karel V overgeven.

[bewerken] In Habsburgse dienst

Als competent beroepsmilitair werd Maarten vervolgens gevraagd dienst te nemen in het leger van zijn voormalige vijand, keizer Karel V. In keizerlijke dienst werd hijstadhouder van Luxemburg, waar hij enkele bolwerken versterkte, onder andere die van de stad Luxemburg zelf.

In Habsburgse dienst spreidde hij zijn gebruikelijke efficiëntie ten toon in de strijd tegen Hendrik II. Hij verlegde zijn activiteiten naar Artesië, het Île-de-France, deChampagne en Lotharingen. Ook daar werd hij berucht door soms ongehoorde plunderingen. Zelfs in de stad Parijs sloeg op een gegeven moment de paniek toe, wat velen er toe aanzette deze stad te ontvluchten.

[bewerken] Overlijden

In het voorjaar van 1555 werd Maarten ziek, mogelijk raakte hij besmet met de pest of de tyfus. Hij bevond zich in de vesting Charlemont in het stadje Givet, in deArdennen. Op 7 juni 1555 overleed Maarten van Rossum in Antwerpen, waar hij heen was gebracht voor de beste medische behandeling. Zijn lichaam werd overgebracht naar Rossum en werd daar in de kerk begraven. Hij had er een marmeren tombe laten maken, die echter weer tijdens de beeldenstorm verwoest werd. Het gebeente werd in 1599 na het Beleg van Zaltbommel overgebracht naar de Sint-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch. In zowel Rossum als in 's-Hertogenbosch is echter geen spoor meer te vinden van zijn tombe. Het verhaal gaat dat zijn schedel naar Kasteel De Cannenburgh werd gebracht, en in 1883 naar het gemeentemuseum van Arnhem. Daar zou hij door oorlogshandelingen in 1944 definitief verloren zijn gegaan.

 

 

 




Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen