Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Satan's namen
Satan=Ra=Farao=Mammon=$=Isis=Is=Islamic State

God (YHVH) zelf gebruikt geen symbolen maar zijn Heilige Geest om over ons te waken!


Openbaringen 12: 9+17.
En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ikgeworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.
17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg (oorlog) te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.

GRIMMEN
1) Boos kijken 2) Nors kijken 3) Plaats in Europa 4) Raar kijken 5) Vervelend kijken 


Leviticus 26

Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!

30 En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.
31 En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.

Ron Paul: Dollar Collapse Imminent!
Osiris, de eerste Farao van Egypte
THE EGYPTIAN GOD OSIRIS AND HIS KINGDOM

Matthéüs 6

Welke schatten te vergaderen
19 Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen;
20 Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;
21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
22 De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen;
23 Maar indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn!
24 Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.
25 Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?
26 Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?
27 Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?
28 En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet;
29 En Ik zeg u, dat ook Sálomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.
30 Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen?
31 Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?
32 Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft.
33 Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.
34 Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.

Lukas 16

De onrechtvaardige rentmeester
En Hij zeide ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht.
En hij riep hem, en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.
En de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij.
Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hun huizen ontvangen.
En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eersten: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig?
En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en nederzittende, schrijf haastelijk vijftig.
Daarna zeide hij tot een anderen: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en schrijf tachtig.
8 En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht.
En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.
10 Die getrouw is in het minste, die is ook in het grote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het grote onrechtvaardig.
11 Zo gij dan in den onrechtvaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen?
12 En zo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven?
13 Geen huisknecht kan twee heren dienen; want óf hij zal den enen haten, en den anderen liefhebben, óf hij zal den enen aanhangen, en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.


Mammon
Categorie: Verscheidene Mammon was oorspronkelijk geen demon. Het betekende oorspronkelijk in het Syrisch `geld` of `welvaart`.
Pas in de Bijbel kreeg de term een demonische betekenis.

Let op: Spelling van 1858 rijkdom en onbehoorlijk vertrouwen daarop, met minachting van God; de geldgod
Let op: Spelling (deels) uit 1864: m. [geen meervoud] geldgod, aardsche schatten.
Spreekwoorden: (1914) Den Mammon dienen
of aan den Mammon offeren, d.i. den rijkdom dienen, alleen voor het geld leven. Mammon is de naam van een Syrischen en Phoenicischen afgod, gelijkstaande met Pluto, den god van den rijkdom bij de Grieken1).
1) Afgod van het geld 2) Bijbelse figuur of naam 3) Geld voorgesteld als persoon 4) Geldduivel 5) Geldgod 6) God van het geld 7) Goden 8) Gouden kalf 9) Gepersonifiseerde rijkdom 10) Persoonsbenaming 11) Rijkdom (god van de) 12) Rijkdom 
Mammon is een christelijk symbool voor "het beheerst worden door geld". De Mammon is een afgod, bekend uit de Bijbel.
Het woord mammon is Syrisch voor geld of rijkdom, waarbij vaak gold dat die rijkdom als een god vereerd werd. Het woord mammon komt vier keer in de Bijbel voor. In de Willibrordvertaling is het vertaald als geldduivel. Evangelie ..


Lexicon Resultaten
Strong's G3126 - mamōnas
μαμωνᾶς

Transliteratie

mamōnas

Uitspraak

ma-mo-NA's (Key)

Woordsoort

mannelijk zelfstandig naamwoord

Root Word (Etymologie)

Van het Aramees oorsprong (vertrouwen, dat wil zeggen rijkdom, gepersonifieerd)

TWNT Referentie

Vines

Overzicht van Bijbelse gebruik

1) mammon

2) schat

3) rijkdom (waar het wordt gepersonifieerd en tegengesteld aan God)

Authorized Version (KJV) Vertaling Count - Totaal: 4
AV - mammon 4
G3126


Het oude Egypte
Geplaatst op vrijdag 18 mei 2001 @ 18:29

Op de wanden van oude Egyptische graven en monumenten komt het scheppingsverhaal veelvuldig voor: "In den beginne zag Atoem-Ra de grote zonnegod op de wereld neer. Hij droeg een van zijn kleinzoons, Osiris, op om tussen de mensen te leven en hen goedheid en beschaving te leren." Uit andere teksten blijkt dat Ra de macht later van Atoem heeft overgenomen. Ra bezat net zoveel (technologische) kracht als de oorspronkelijke Atoem-Ra, welke de zon en de aarde had geschapen. Als we dit scheppingsverhaal naast dat van de Bijbel leggen dan kunnen we niets anders concluderen dan dat de twee scheppingsverhalen in elkaar passen. Het is duidelijk dat Ra staat voor de Duivel, Satan en de Bijbelse "afgoden". In het Bijbelse boek Openbaringen staat dat de symbolen van $atan de slang en de draak zijn. De farao's droegen een gouden kroon met daarop de afbeelding van een slang en een vogelkop (adelaar, havik, valk, gier). De Bijbel heeft het steeds over de verdorven farao's als slavendrijvers. De Heer besloot hierop het volk van Israel uit Egypte te leiden, om vervolgens een verbond met hen te sluiten. Zowel de Heer en zijn engelen als $atan en zijn engelen waren ongeveer 4500 jaar geleden lijfelijk aanwezig op aarde. De grote piramides stammen ook uit die tijd. Voor mij staat bijna vast dat buitenaardsen (Ra of $atan) hun aandeel hadden bij de de bouw van de grote piramides. Het boeiende is dat er in de grote piramides niet een enkele tekst te vinden is. Vermoedelijk wilde $atan wel zijn "hier was E.T." achterlaten, maar verder ook niets. Het is een logische gedachte dat $atan Egypte als verblijfplaats had en de Heer de omgeving van Israel en Jordanie. In het scheppingsverhaal van Egypte waren er misschien al mensen op aarde alvorens de kleinzoon van Ra de eerste farao werd. Deze Osiris voer samen met zijn echtgenote Isis in hun schip tussen de sterren. Seth, de broer van Osiris, werd afgunstig en vermoordde hem omwille van zijn knappe vrouw Isis. Het lichaam van Osiris werd in veertien stukken gehakt en over heel Egypte verdeeld. De door smart verteerde Isis wist alle delen van zijn lichaam weer bij elkaar te krijgen, met uitzondering van zijn fallus. Isis bracht samen met haar zoon Horus een gouden fallus aan op het lichaam van Osiris. Isis veranderde hierop in een vogel en ving het zaad op van haar dode echtgenoot. Osiris kwam hierdoor weer tot leven, en samen vlogen ze toen weer naar de sterren, waar zij nu heersen over het dodenrijk. Orion is de afbeelding van Osiris, en Sirius is de afbeelding van Isis in de nachtelijke sterrenhemel. Uit de oude teksten blijkt ook dat de nakomelingen van de farao's na hun dood weer tot leven werden gewekt in Orion. Verder "vlogen de grote farao's met hun schepen naar hemelse oorden en tussen de sterren." De Koran spreekt van "Allah is de Heer van Sirius" en de Bijbel van "Hij maakt de Beer en de Orion, de Plejaden en de Kamers van het Zuiden." (Koran 53:50 en Job 9:9) In deze hoek van de sterrenhemel moeten wij mensen denk ik onze "kosmische wortels" zoeken. De Plejaden bevinden zich in het sterrenbeeld Stier, welke vlak onder het sterrenbeeld Orion staat. Zelf heb ik geen idee waar de term Kamers van het Zuiden op slaat. In Job 40:14 staat over het nijlpaard dat "hij het eerste is van Gods werken, het schepsel, waaraan Hij zijn zwaard gaf." Moeten we in deze tekst lezen dat Egypte ooit onderdeel uitmaakte van het PaRa-dijs? Kwam Ra misschien bij puur toeval ooit de planeet aarde tegen op een van zijn interstellaire reizen? Was het Ra oftewel $atan die Eva de verboden vrucht (of de kennis van zijn bestaan) gaf? In totaal vereerden de Egyptenaren honderden goden. De theologische inzichten konden van tijd tot tijd en van plaats tot plaats behoorlijke verschillen vertonen. Rond 3000 v. Chr. waren de belangrijkste goden: Noe of Noen, dit was het oerwezen dat het "niet-bestaande" uit de tijd voor de schepping symboliseerde. Hieruit rees Atoem de zonnegod op, welke de wereld en de elementen van het heelal schiep. De tweeling Sjoe en Tefnoet werden door Atoem geschapen. Deze werden wel voorgesteld als leeuwen. De sfinx heeft vermoedelijk zijn leeuwenlichaam hieraan te danken. Sjoe en Tefnoet verwekten samen Geb (de aardgod) en Noet (de hemelgodin). Noet en Geb verwekten Osiris en zijn vrouw Isis (de koning van de onderwereld en het symbool van de troon van Egypte),Seth (de god van de chaos en het kwade) en Neftys (een kopie van Isis). Archeologische vondsten toonden aan dat Seth rond 3400 v. Chr. aanbeden werd als goede god. Osiris en Isis verwekten samen Horus (heerser van het luchtruim en koning van Egypte). Hathor (godin van de liefde, dans, vreugde en het luchtruim) was de vrouw van Horus en werd later vereenzelvigd met Isis. Ra (met zijn vrouw Moet (vorstin van de Amon-tempel), dochter Maat (ethiek en orde) en zoon Chons (god van de maan)) werd ook wel min of meer gelijkgesteld aan Atoem-Ra of Amon-Ra. In de stad Memphis beschouwde men Ptah echter als oppergod. Op een papyrus uit het Nieuwe Rijk (1550-1070 v. Chr.) valt te lezen dat Egypte voor de menselijke koningsdynastieen werd geregeerd door een godengeslacht. Achtereenvolgend waren dit: Ptah, Ra, Sjoe, Geb, Osiris, Seth, Horus, Thot, Maat en de volgelingen van Horus. Volgens het Bijbelse Genesis en andere overleveringen en geschriften, konden deze goden of buitenaardsen de leeftijd van 1000 jaar bereiken. Osiris werd na zijn dood net als Ptah (zelfs de oppergod ontkwam niet aan de dood) verbonden met de stier Apis. Deze Apis-stier roept een associatie op met het sterrenbeeld Stier en de daar in gelegen Plejaden. De Apis-stier werd afgebeeld met een zonneschijf tussen de horens, en met daarvoor een zich oprichtende cobra. De Griekse en Romeinse goden zijn allemaal min of meer overgenomen uit Egypte (Dit is de reden dat ik er verder ook geen aandacht aan zal besteden). In Egypte waren de vrouwen verantwoordelijk voor de troonsopvolging. Tot op het moment dat zij hun goddelijke bevruchting van Amon kregen dienden zij maagd te blijven. Elke farao had de titel Zoon van de Zon. Om de farao's toch aan hun sexuele trekken te laten komen hadden zij de beschikking over harems, met over het algemeen zo'n 300 haremmeisjes. Rond 1450 v. Chr. kwam er echter een kortstondige maar hevige Aton-verering tot stand. Aton werd toen gezien als de enige god. De dissident-farao Echnaton (1353-1335 v. Chr.) besloot geen gebruik te maken van de harem, omdat hij slechts oog had voor zijn vrouw Nefertete. Zijn zoon Toetanchamon liet op een zuil van de tempel van Karnak de volgende tekst beitelen: "De tempels van de goden en godinnen lagen in puin. Hun altaren waren verlaten en overwoekerd. Hun heiligdommen waren als niet-bestaand en hun hoven werden gebruikt als wegen. De goden keerden dit land hun rug toe. Als iemand een god om raad vroeg kreeg hij geen antwoord, en hetzelfde gold voor een godin. Hun harten deden pijn van binnen en zij richtten overal schade aan." Een instrument om het mensdom te terroriseren en te doden was "het zonneoog". Het oog van Ra (ook wel het oog van Horus, Ptah, Hathor etc.) heeft als eigenschap dat het een van de god zelf onafhankelijke eenheid kon worden, en op reis kon gaan naar ver gelegen gebieden. Het oog van Ra doet enigzins denken aan een vliegende schotel. Een van de meest tot de verbeelding sprekende figuren was Imhotep. Onder farao Djoser (2649-2611 v. Chr.) had Imhotep de functies van: vizier (eerste-minister), hogepriester, architect, beeldhouwer, timmerman, geneesheer, leider van het Grote huis en koninklijk vertegenwoordiger. Deze Imhotep was inderdaad de ontwerper van de grote piramides. Overigens werd dit geniale meesterbrein pas later tot godheid verheven. Hij werd de beschermer van de schrijvers en bouwmeesters. Als zoon van Ptah werd hij ook gezien als god van de geneeskunde (de Griekse Asklepios). De laatste jaren is men tot het nieuwe inzicht gekomen dat de oude Egyptenaren inzichten, technieken en materialen hadden die hun tijd ver vooruit waren. Zo staan de piramides bijvoorbeeld exact op dezelfde positie ten opzichte van elkaar als de sterren in het sterrenbeeld OrionDe piramides staan precies op de dertigste breedtegraad en ook nog eens precies gelijk met het kompas. De bovenste punt van de PiRamide is precies het getal pi (3,14) van een denkbeeldige cirkel rond de aarde. De muren van de grote piramide zijn 230 meter lang en hebben een afwijking van minder dan 12 cm. ten opzichte van elkaar. Het gevaarte is 147 meter hoog. De oude Egyptenaren hebben in de grote piramide zelfs de hardste steensoorten ter wereld kunnen verwerken, en dat nog wel met een precisie die zelfs tegenwoordig volslagen onmogelijk is.Bovendien maakte men in de rituele eredienst gebruik van een voorwerp in de vorm van de Kleine Beer. Dit voorwerp was gemaakt van een metaal dat niet op aarde voorkomt. Egyptologen doen zich hier van af door te stellen dat dit metaal afkomstig was van meteorieten. In de piramides bevinden zich vier luchtkokers of schachten met een doorsnee van 20 cm. die elk vanuit de Konings- en Koninginnekamer de sterrenhemel inwijzen. Linksboven was de schacht 12500 jaar geleden gericht op het sterrenbeeld Orion, linksonder op Sirius, rechtsboven op Alfa Draconis (oeps) en rechtsonder op de Kleine Beer. De Kleine Beer, Alfa Draconis, Sirius, Orion, Plejaden en die geheimzinnige Kamers van het Zuiden blijven mij intrigeren! Vlakbij de piramides staat ook nog eens die enorme sfinx. Het vermoeden bestaat dat deze oorspronkelijk de vorm en de kop van een leeuw had. De Bijbelse leeuw van Juda? Het vermoeden bestaat dat dit bouwwerk oorspronkelijk zo'n 12500 jaar oud is, maar dat pas veel later (4500 jaar geleden) dit beeld zijn mensen/ godengezicht kreeg. De oorspronkelijke restanten van dit monument stammen dan uit het stenen-tijdperk! In het jaar 10500 v. Chr. zag de sfinx of leeuw zijn eigen sterrenbeeld opkomen aan de horizon. Hier klopt iets niet aangezien men toen niet in staat kon worden geacht steen met ijzer bewerkt te hebben. Toch is duidelijk zichtbaar hoe erosie door regenwater het oude gedeelte van de sfinx heeft aangetast. 12500 jaar geleden was het einde van de laatste ijstijd, en het is logisch er van uit te gaan dat het toen behoorlijk kon regenen. Zou dit de Bijbelse zondvloed hebben kunnen zijn? Het boeiende is dat de profeet Mohammed met zijn tekst "Allah is de Heer van Sirius" niet heeft kunnen teruggrijpen naar oude Egyptische teksten, aangezien men toen niet in staat was om de oude teksten te vertalen. In de Bijbel komt de tekst "Heer van Sirius" naar mijn weten niet voor. In de Koran valt te lezen hoe Allah het lichaam van de farao (die Mozes en het volk van Israel achterna zat nadat zij door de zee waren getrokken) wilde redden om als teken te dienen voor degenen die na hem kwamen. (10:91-93) Later werd het lichaam van deze farao inderdaad in gemummifiseerde toestand gevonden. Ook dit had Mohammed niet van oude Egyptische teksten kunnen lezen. Ook dit komt in de hele Bijbel niet voor.

Hathor (godin)


In God we Trust Welke God bedoelt men hiermee. MAMMON
Het oog van 
HORUS "Enlightened one" van de Illuminatie. De driehoek van Egypte Piramides. Ster van David is eigenlijk een symbool die Satan gebruikt. $ Is een slang.
     
 
       

Er zitten in de letter "E" nog meer 3 hoeken.

Bron: Hieronder staan passages van het boek: "Morals and Dogma of the Ancient and Accepted Scottish Rite of Freemasonry, by Albert Pike."


"The Sun and Moon," says the learned Bro.'. DELAUNAY, "represent the two
 
grand principles of all generations, the active and passive, the male
and the female. The Sun represents the actual light. He pours upon the
Moon his fecundating rays; both shed their light upon their offspring,
the Blazing Star, or HORUS, and the three form the great Equilateral
Triangle,


 
To find in the BLAZING STAR of five points an allusion to the Divine
Providence, is also fanciful; and to make it commemorative of the Star
that is said to have guided the Magi, is to give it a meaning
comparatively modern. Originally it represented SIRIUS, or the Dog-star,
the forerunner of the inundation of the Nile; the God ANUBIS, companion
of Isis in her search for the body of OSIRIS, her brother and husband.
Then it became the image of HORUS, the son of OSIRIS, himself symbolized
also by the Sun, the author of the Seasons, and the God of Time; Son of
Isis, who was the universal nature, himself the primitive matter,
inexhaustible source of Life, spark of uncreated fire, universal seed of
all beings. It was HERMES, also, the Master of Learning, whose name in
Greek is that of the God Mercury. It became the sacred and potent sign
or character of the Magi, the PENTALPHA, and is the significant emblem
of Liberty and Freedom, blazing with a steady radiance amid the
weltering elements of good and evil of Revolutions, and promising serene
skies and fertile seasons to the nations, after the storms of change and
tumult.


Ze hebben hun eigen 10 geboden?
Masonry has its decalogue, which is a law to its Initiates. These are
its Ten Commandments:

 

The Egyptian Deity
 called by the Greeks "Horus," was Her-Ra. or Har-oeris, Hor or Har, the Sun. Hari is a Hindu name of the SunAri-al, Ar-es, Ar, Aryaman, Areimonios, the AR meaning Fire or Flame, are of the same kindred. Hermes or Har-mes, (Aram, Remus, Haram, Harameias), was Kadmos, the Divine Light or Wisdom. Mar-kuri, says Movers, is Mar, the Sun.

In the Hebrew, AOOR, is Light, Fire, or the Sun. Cyrus, said Ctesias, was so named from Kuros, the Sun. Kuris, Hesychius says, was Adonis. Apollo, the Sun-god, was called Kurraios, from Kurra, a city in Phocis. The people of Kurene, originally Ethiopians or Cuthites, worshipped the Sun under the title of Achoor and Achōr.
 
 
 

We know, through a precise testimony in the ancient annals of Tsūr,
that the principal festivity of Mal-karth, the incarnation of the Sun
at the Winter Solstice, held at Tsūr, was called his rebirth or his
awakening, and that it was celebrated by means of a pyre, on which the
god was supposed to regain, through the aid of fire, a new life. This
festival was celebrated in the month Peritius (Barith), the second day
of which corresponded to the 25th of December. KHUR-UM, King of Tyre,
Movers says, first performed this ceremony. These facts we learn from
Josephus, Servius on the Æneid, and the Dionysiacs of Nonnus; and
through a coincidence that cannot be fortuitous, the same day was at
Rome the Dies Natalis Solis Invicti, the festal day of the invincible
Sun. Under this title, HERCULES, HAR-acles, was worshipped at Tsūr.
Thus, while the temple was being erected, the death and resurrection of
a Sun-God was annually represented at Tsūr, by Solomon's ally, at the
winter solstice, by the pyre of MAL-KARTH, the Tsūrian Haracles.

AROERIS or HAR-oeris, the elder HORUS, is from the same old root that
in the Hebrew has the form Aūr, or, with the definite article
prefixed, Haūr, Light, or the Light, splendor, flame, the Sun and
his rays. The hieroglyphic of the younger HORUS was the point in a
circle; of the Elder, a pair of eyes; and the festival of the thirtieth
day of the month Epiphi, when the sun and moon were supposed to be in
the same right line with the earth, was called "The birth-day of the
eyes of Horus."


In a papyrus published by Champollion, this god is styled "Har-oeri,
Lord of the Solar Spirits, the beneficent eye of the Sun." Plutarch
calls him "Har-pocrates;" but there is no trace of the latter part of
the name in the hieroglyphic legends. He is the son of OSIRIS and ISIS;
and is represented sitting on a throne supported by lions; the same
word, in Egyptian, meaning Lion and Sun. So Solomon made a great
throne of ivory, plated with gold, with six steps, at each arm of which
was a lion, and one on each side to each step, making seven on each
side.


Again, the Hebrew word [Hebrew], Khi, means "living;" and [Hebrew]
râm, "was, or shall be, raised or lifted up." The latter is the same
as [Hebrew], [Hebrew], [Hebrew], rōm, arōm, harūm, whence
Aram, for Syria, or Aramæa, High-land. Khairūm, therefore,
would mean "was raised up to life, or living."

So, in Arabic, hrm, an unused root, meant, "was high," "made great,"
"exalted;" and Hîrm means an ox, the symbol of the Sun in Taurus,
at the Vernal Equinox.

KHURUM, therefore, improperly called Hiram, is KHUR-OM, the same as
Her-ra, Her-mes, and Her-acles, the "Heracles Tyrius Invictus,"
the personification of Light and the Son, the Mediator, Redeemer, and
Saviour. From the Egyptian word Ra came the Coptic Oūro, and the
Hebrew Aūr, Light. Har-oeri, is Hor or Har, the chief or
master. Hor is also heat; and hora, season or hour; and hence in
several African dialects, as names of the Sun, Airo, Ayero, eer, uiro,
ghurrah, and the like. The royal name rendered Pharaoh, was PHRA,
that is, Pai-ra, the Sun.

The legend of the contest between Hor-ra and Set, or Set-nu-bi,
the same as Bar or Bal, is older than that of the strife between
Osiris and Typhon; as old, at least, as the nineteenth dynasty. It
is called in the Book of the Dead, "The day of the battle between Horus
and Set." The later myth connects itself with Phoenicia and Syria. The
body of OSIRIS went ashore at Gebal or Byblos, sixty miles above
Tsūr. You will not fail to notice that in the name of each murderer of
Khūrūm, that of the Evil God Bal is found.

       *       *       *       *       *

Har-oeri was the god of TIME, as well as of Life. The Egyptian legend
was that the King of Byblos cut down the tamarisk-tree containing the
body of OSIRIS, and made of it a column for his palace. Isis, employed
in the palace, obtained possession of the column, took the body out of
it, and carried it away. Apuleius describes her as "a beautiful female,
over whose divine neck her long thick hair hung in graceful ringlets;"
and in the procession female attendants, with ivory combs, seemed to
dress and ornament the royal hair of the goddess. The palm-tree, and the
lamp in the shape of a boat, appeared in the procession. If the symbol
we are speaking of is not a mere modern invention, it is to these things
it alludes.


[Illustration: Hieroglyph]



Hathor (godin)

Hathor betekent Huis van Hor(us)
en is een Moedergodin in de Egyptische Mythologie, "moeder van de moeders" en "moeder van de goden" genoemd. Het woord 'huis' werd in de oude Egyptische cultuur overdrachtelijk gebruikt voor het moederlichaam, dat symbolisch als een vat werd beschouwd, in dit geval alomvattend.
Zij werd in haar oudste vorm daterend van 2700 v.Chr. afgebeeld in de vorm van een koe, later soms ook met een leeuwenkop in associatie met haar verschrikkelijke aspect Sekhmet. Soms had zij twee gezichten, een dat vooruit keek en het andere dat terugkeek. In later tijd kreeg Hathor hoe langer hoe meer attributen van de troongodin Isis en werd met haar vereenzelvigd. Isis-Hathor (de vereniging van Hathor en Isis) was de meest populaire godin van heel Egypte. Deze godin was een toonbeeld van schoonheid, vreugde, macht en moederschap. Ze was een godin die vele associaties had en dus veel invloed, zij was de ultieme godenkoningin.



Au Set
Au Set, Iset of Aset was in de Egyptische mythologie de godin die het epitheton "alles overtreffende koningin" droeg (van set in het Egyptisch: koningin, prinses). Zij stond in relatie tot Ua Zit, de Grote Slang, de Cobragodin uit neolithische tijd.
Aset of Iset had in het Oud-Egyptisch de betekenis "(Zij) van de troon" en was de naam van de godin die later beter bekendstaat onder haar Griekse naam Isis. De naam Iset werd ook aan meerdere leden van de koninklijke familie gegeven, waaronder de koningin Iset.


Slangengodin
De Slangengodin dateert uit de Minoïsche beschaving op Kreta, maar wordt in het algemeen overal in Klein-Azië, het Nabije Oosten en het Oude Egypte aangetroffen in de slangencultus die in direct verband staat met de Moedergodincultus. Men treft sporen evenzeer aan in het noordelijke Europa, het oude India, China, de beide Amerika's, enz.
De symboliek gaat terug tot minstens het Mesolithicum en komt voor in de oudste mythen van de mensheid.

In het Oude Egypte werd de Cobragodin in al haar eigenschappen opgenomen in de vorm van de Godin Hathor. Kenmerkend is de uraeus cobra, het slangensymbool dat Egyptische vorsten, vorstinnen en godheden op het voorhoofd dragen. In de Egyptische stad Boeto (Egypstisch Per Uto) stond het heiligdom van de Cobragodin. In de Griekse klassieke tijd werd deze tempel bekend als toegewijd aan de Godin Lato, maar was waarschijnlijk ooit het orakeladvies van de Godin Ua Zit of Au Sit zelf (later Isis. Herodotus meldde dat hij in die stad enorme aantallen slangengeraamten zag. Slangen werden er ook gemummificeerd als votiefoffer voor de Godin. De cobra bleef het symbool van Beneden-Egypte. Wanneer het water van de Nijl ging stijgen, kwamen de slangen uit hun holen tevoorschijn en dit was een signaal voor de bevolking dat de nieuwe vruchtbaarheidscyclus op komst was voor het omliggende land.
In Deir el-Medina werd in het Nieuwe Rijk de cultus van Hathor erg populair. Zij werd er onder andere vereerd in haar vorm als Mertseger, de slangengodin.
In het oude India werd de scheppergod Vishnoe als slapend op de Oerslang Ananta (oneindigheid) afgebeeld, met aan zijn voet Lakshmi, zijn Shakti die hem zachtjes wakker maakt. Zij laat als kosmische energie zijn kosmisch bewustzijn toe om te functioneren. De slang Ananta zelf rust op de oeroceaan.
Ook in het oude Sumer bestond een slangencultus. Daar zijn diverse beelden opgegraven die een godin voorstellen met het hoofd van een slang, daterend uit het 4e en 3e millennium v.Chr. Walter Hinz groef eveneens in Elam aardewerk op met opvallende slangenmotieven uit die tijd.

Kanaän (gebied)
Kanaän (persoon)





 

Alziend oog

Alziend oog
Het alziend oog is een symbool waarbij een oog omgeven wordt door stralen en soms door een driehoek. Oorspronkelijk komt het symbool uit Egypte, en diende daar als symbool voor de zonnegod Horus.

Inhoud 
1 Het alziend oog in het christendom
2 Het alziend oog binnen de vrijmetselarij
3 Het alziend oog binnen de Illuminati
4 Connotatie van het alziend oog

Het alziend oog in het christendom

In het christendom komt het alziend oog voor als een verwijzing naar de Goddelijke voorzienigheid; het oog van God dat waakt over de mensheid.
(Dit is gebaseerd op een leugen van Lucifer, God zelf gebruikt geen symbolen maar zijn Heilige Geest om over ons te waken).

Allsehendes_Auge_am_Tor_des_Aachener_Dom.JPG (1200×1600)                         Tempel1.JPG (1641×2187)
Alziend oog in de dom van Aken                                                Catedral de Salta Ojo de la Providencia - Salta Cathedral All Seeing Eye.   Het alziend oog binnen de vrijmetselarij.
Binnen de vrijmetselarij wordt het alziend oog in de regel afgebeeld op een driehoek van goud (kleur) en moet tijdens de tempelloge verlicht worden. (Zie: 2 Korinthe 1)[1] Het hangt in alle tempels van vrijmetselaarsloges aan de wand tegenover de ingang, in wat symbolisch als het oosten wordt aangeduid.[2] In alle Nederlandse vrijmetselaarsrituelen tijdens de tempelloges (open loges) is het alziend oog aanwezig.[2] (Bij de opening en sluiting van de tempelloge wordt het alziend oog respectievelijk verlicht en gedoofd.[1] Dit is een vereiste[1] in het ritueel en symboliseert het hogere.)
Het gebruik van het alziend oog wordt vanuit een stroming binnen de vrijmetselarij afgedaan als niet-authentiek; het alziend oog zou slechts ter decoratie dienen en niet in de rituele teksten besproken worden.[3] Het verlichten van het oog[4][5] kan als een rituele handeling worden gezien, waardoor het alziend oog deel uitmaakt van de moderne vrijmetselaarsritus.

Het alziend oog binnen de Illuminati

Illuminati bedenker Adam Weishaupt heeft dit symbool uit de oudheid "geleend" om zijn geheime sekte mystiek mee te geven[bron?]. In 1785 werd de Illuminati door de regering van Beieren verboden.
Connotatie van het alziend oog

Het wordt heden ten dage soms ook gezien als symbool voor geheime genootschappen die zich bezig zouden houden met infiltratie van regeringen en de financiële wereldtop, met als doel het stichten van een wereldregering, de zogenaamde New World Order.



ATOEM

Atoem
Atoem
Egyptische god
Atum, Atem, Temoe, Tem, Atoem-Re



Atoem in hiërogliefen
Cultuscentrum Heliopolis
Gedaante Man met Psjent
Dierlijke verschijning Ram, Slang, Scarabee
Associatie Ondergaande zon, scheppersgod

Atoem
Portaal Egyptologie
Atoem of Atum is in de Egyptische mythologie de zelfgeschapen voorwereldlijke scheppergod en de voorvader van alle andere goden en de farao's. Hij wordt 'de ene' genoemd (die zich vestigde op de Benben). Daarnaast speelt hij in het Nieuwe Rijk nog een rol in de zonnecultus maar het is vooral een zeer oude, mogelijk predynastieke god. Atoem betekent in het Oud-Egyptisch het zijn, het al of het niets.
Inhoud [verbergen]
1 Mythologie
2 Aanbidding
3 Afbeelding
4 Zie ook

Mythologie


Atum, afgebeeld in het Nordisk familjebok

Atoem was de grote belangrijke god van Heliopolis, zijn cultus was erg oud en in de tijd van het Oude Rijk was hij de scheppende kracht. Hij was de belangrijkste van de acht of negen vaakst genoemde goden van de Piramideteksten. Hierdoor hebben we een schat aan informatie over deze god in de mythologie en zijn karakter. Zijn belangrijkste karaktertrek is de scheppende god maar ook de zelf-scheppende. Hij kwam uit de wateren van Noen of Nun en creëerde de goden uit zijn gedachte. Om te scheppen moest deze 'ene' zichzelf splitsen. Volgens een bepaalde mythe, door te niezen, ontstonden Shu (droge verplaatsbare lucht) en Tefnut (vocht).
Maar Atoem had ook andere aspecten:
de Al-omvattende heer; alles wat bestond kwam van het vlees van Atoem. En ieder individu kwam van de Ka van de god. De farao zou volgens de piramideteksten met Atoem verenigen (aspect dat later met Osiris werd geassocieerd).
Schepper; volgens de heliopolitaanse Enneade, was Atoem gemaakt in de chaos van Noen, en creëerde zichzelf. Hij is de schepper en de vernietiger; in het Boek van de doden zegt men dat hij aan het einde van de wereld alles zal vernietigen.
Vader van de goden en de farao: Als een scheppergod was hij vader van een reeks goden. De farao werd geassocieerd met Horus en dus was Atoem ook vader van de farao.

Aanbidding
Atoem was de belangrijkste god die in Heliopolis aanbeden werd, alhoewel hij soms overschaduwd werd door Ra. De god wordt vaak heer van Heliopolis genoemd en zelfs na de opkomst van Ra als belangrijkste bleef hij van invloed. Cultuscentra van Atoem zijn niet alleen in het noorden te vinden, maar ook in het rest van het land. Er zijn relatief weinig afbeeldingen van Atoem bekend, de meeste komen voor op amuletten.

Afbeelding

Atoem werd over het algemeen in menselijke vorm weergegeven, als een man met een dubbele kroon die op een troon zit. Daarnaast werd de god soms afgebeeld met het hoofd van een ram. De staf die Atoem bij zich draagt geeft aan dat hij als zeer oud moet worden gezien. Zijn dierlijke vormen zijn de slang (serpent), mongoes, leeuw, stier, salamander en baviaan. Soms is de god bewapend met een boog. In verband met zijn regenererend vermogen wordt hij ook soms als een scarabee afgebeeld.

Zie ook
Lijst van goden en godinnen
Egyptische mythologie

Ra (god)
Ra
Egyptische god



Ra in hiërogliefen
Cultuscentrum Heliopolis, hele land
Gedaante Man met valkenkop en zonneschijf
Dierlijke verschijning Valk
Associatie zonne-, scheppersgod
Griekse god Helios


Imentet & Ra uit graf van Nefertari
Portaal Egyptologie
Ra of Re was de zonnegod van de Egyptische mythologie. Hij was één van de meest vereerde en belangrijkste goden van de Egyptische mythologie. De god werd veel geassocieerd met andere goden. In het begin van de Egyptische mythologie is hij samengesmolten met de valk waardoor hij Re-Horakthy werd. Als de ochtend-zon werd hij geassocieerd met Chepri en als de avondzon met Atoem. Ra bleef belangrijk gedurende de gehele geschiedenis van het faraonisch Egypte. De god was meestal het middelpunt in religieuze teksten en in scheppingsmythen.
De god heeft een aantal rollen, die hem worden aangemeten. Deze rollen zijn ontstaan in de loop van de geschiedenis.
Heerser van de hemel, een mythe vertelt ons dat toen Ra te oud werd om de aarde te regeren hij door Noen op Noet (de hemelkoe) ging zitten en zo de heerser van de hemel werd. Daar vaart hij rond in zijn bark met naast hem Maät, andere goden en soms ook de farao.
Heerser van de aarde. Een mythe vertelt dat de god Ra ooit een farao was voor de tijd van de predynastieke farao's. Vele farao's zongen hymnen waarin de Ra het land zou laten verwarmen en de gewassen zou groeien (Akhenaten).
Ra in de onderwereld. Zoals de god begon te reizen in hemel met zijn bark, zo deed hij dat ook in onderwereld. Daar werd hij voortgetrokken door een aantal jakhalzen en uraeuscobra's. Iedere nacht kwam hij Apophis tegen die hem aanviel, maar telkens werd die verslagen zonder ooit te worden gedood, het bloed van Aphopis kleurt de hemel elke ochtend rood als bewijs dat hij weer eens was verslagen. Deze was ook belangrijk voor zijn voortbestaan en zulke demonen kon hij ook tegenkomen in het dodenrijk. In de onderwereld werd de god gelijk gesteld met Osiris en aanbeden.
Ra als scheppergod. Vele scheppingsverhalen werden in de loop van de Egyptische geschiedenis bedacht zoals in Heliopolis waar de god Ra (eerst Atoem) de wereld schiep. Ra werd ook wel de 'vader en moeder' van alle levende dingen genoemd.
Ra als koning en vader van de koning. In de Egyptische mythologie werden de schepping van koningschap en die van de wereld gelijkgesteld. Amon-re werd gezegd dat hij vader van de koningen was en dat de koningen van de 5e dynastie letterlijke zonen van de god Ra waren, ze moesten regeren volgens de orde of Maät.

Verschijningsvormen
Ra werd vereerd in de hele geschiedenis van Egypte. Het is natuurlijk niet vreemd dat de god verschillende verschijningsvormen heeft. De god kon worden vereerd als een zonneschijf met een cobra en met of zonder gestrekte vleugels. Maar meestal werd Ra vereerd in de vorm van een god in een mensenlichaam en een valkenkop, ram en scarabee. In verschillende dieren kon hij worden uitgebeeld: Ram, scarabee, phoenix, slang, hemelstier, kat, leeuw en samengestelde dieren.

Verering
De zonnegod werd voor het eerst genoemd in een naam van een koning van de 2e dynastie Raneb. De koningen vanaf de 4e dynastie kregen automatisch de titel Zoon van Ra aan hun lange rij van titels. Ra werd vereerd in zijn centrum Heliopolis en in het hele land. Dit werd hij tot aan het einde van de faraonische tijden. De god Ra wordt zelfs genoemd in koptische teksten als in de volgorde: Jezus, de heilige geest en zonnegod Ra. De god werd door alle lagen van de bevolking vereerd, waar hij ook verschijnt in magische teksten.





Nut
(goddess)


From Wikipedia, the free encyclopedia
This article is about the Egyptian sky goddess. For the goddess in the cosmology of Thelema, see Nuit.
Nut

Nut, goddess of sky supported by Shu the god of air, and the ram-headed Heh deities, while the earth god Geb reclines beneath
Goddess of Sky
Name in hieroglyphs


Symbol sky, star
Parents Shu and Tefnut
Siblings Geb
Consort Geb
Offspring Osiris, Isis, Set, Nephthys, and sometimes Horus
Nut (pron.: /nʌt/ or /nuːt/)[1] or Neuth (pron.: /nuːθ/ or /njuːθ/; also spelled Nuit or Newet) was the goddess of the sky in the Ennead of Egyptian mythology. She was seen as a star-covered nude woman arching over the earth,[2] or as a cow.
Contents [hide]
1 Goddess of the sky
2 Origins
3 Myth of Nut and Ra
4 Role
5 References
[edit]Goddess of the sky



Nut (nwt)
in hieroglyphs
Nut is a daughter of Shu and Tefnut. She is Geb's sister. She has four or five children: Osiris, Set, Isis, Nephthys, and sometimes Horus. Her name is translated to mean 'sky'[3][4] and she is considered one of the oldest deities among the Egyptian pantheon,[5] with her origin being found on the creation story of Heliopolis. She was originally the goddess of the nighttime sky, but eventually became referred to as simply the sky goddess. Her headdress was the hieroglyphic of part of her name, a pot, which may also symbolize the uterus. Mostly depicted in nude human form, Nut was also sometimes depicted in the form of a cow whose great body formed the sky and heavens, a sycamore tree, or as a giant sow, suckling many piglets (representing the stars).
[edit]Origins



Great goddess Nut with her wings stretched across a coffin

A sacred symbol of Nut was the ladder, used by Osiris to enter her heavenly skies. This ladder-symbol was called maqet and was placed in tombs to protect the deceased, and to invoke the aid of the deity of the dead. Nut and her brother, Geb, may be considered enigmas in the world of mythology. In direct contrast to most other mythologies which usually develop a sky father associated with an Earth mother (or Mother Nature), she personified the sky and he the Earth.[6]
Nut appears in the creation myth of Heliopolis which involves several goddesses who play important roles: Tefnut (Tefenet) is a personification of moisture, who mated with Shu (Air) and then gave birth to Sky as the goddess Nut, who mated with her brother Earth, as Geb. From the union of Geb and Nut came, among others, the most popular of Egyptian goddesses, Isis, the mother of Horus, whose story is central to that of her brother-husband, the resurrection god Osiris. Osiris is killed by his brother Seth and scattered over the Earth in 14 pieces which Isis gathers up and puts back together. Osiris then climbs a ladder into his mother Nut for safety and eventually becomes king of the dead.
A huge cult developed about Osiris that lasted well into Roman times. Isis was her husband's queen in the underworld and the theological basis for the role of the queen on earth. It can be said that she was a version of the great goddess Hathor. Like Hathor she not only had death and rebirth associations, but was the protector of children and the goddess of childbirth.[8]

Myth of Nut and Ra



The sky goddess Nut depicted as a cow

Ra, the sun god, was the second to rule the world, according to the reign of the gods. Ra was a strong ruler but he feared anyone taking his throne. When he discovered that Nut was to have children he was furious. He decreed, "Nut shall not give birth any day of the year." At that time, the year was only 360 days. Nut spoke to Thoth, god of wisdom, and he had a plan. Thoth gambled with Khonshu, god of the moon, whose light rivaled that of Ra's. Every time Khonshu lost, he had to give Thoth some of his moonlight. Khonshu lost so many times that Thoth had enough moonlight to make 5 extra days. Since these days were not part of the year, Nut could have her children. She had 5: Osiris, Horus the Elder, Set, Isis, and Nepthys. When Ra found out, he was furious. He separated Nut from her husband Geb for all eternity. Her father, Shu, was to keep them apart. Still, Nut did not regret her decision.


Some of the titles of Nut were:
Coverer of the Sky: Nut was said to be covered in stars touching the different points of her body.
She Who Protects: Among her jobs was to envelop and protect Ra, the sun god.
Mistress of All or "She who Bore the Gods": Originally, Nut was said to be laying on top of Geb (Earth) and continually having intercourse. During this time she birthed four children: Osiris, Isis, Set, and Nephthys.
A fifth child named Arueris is mentioned by Plutarch. He was the Egyptian counterpart to the Greek god Apollo, who was made syncretic with Horus in the Hellenistic era as 'Horus the Elder'.[12] The Ptolemaic temple of Edfu is dedicated to Horus the Elder and there he is called the son of Nut and Geb, brother of Osiris, and the eldest son of Geb.
She Who Holds a Thousand Souls: Because of her role in the re-birthing of Ra every morning and in her son Osiris's resurrection, Nut became a key god in many of the myths about the after-life.[9]

Role

The Sky Goddess Nut arched protectively over the Earth and all of its inhabitants
Nut was the goddess of the sky and all heavenly bodies, a symbol of protecting the dead when they enter the after life. According to the Egyptians, during the day, the heavenly bodies—such as the sun and moon—would make their way across her body. Then, at dusk, they would be swallowed, pass through her belly during the night, and be reborn at dawn.
Nut is also the barrier separating the forces of chaos from the ordered cosmos in the world. She was pictured as a woman arched on her toes and fingertips over the earth; her body portrayed as a star-filled sky. Nut’s fingers and toes were believed to touch the four cardinal points or directions of north, south, east, and west.
Because of her role in saving Osiris, Nut was seen as a friend and protector of the dead, who appealed to her as a child appeals to its mother: "O my Mother Nut, stretch Yourself over me, that I may be placed among the imperishable stars which are in You, and that I may not die." Nut was thought to draw the dead into her star-filled sky, and refresh them with food and wine: "I am Nut, and I have come so that I may enfold and protect you from all things evil."
She was often painted on the inside lid of the sarcophagus, protecting the deceased. The vault of tombs often were painted dark blue with many stars as a representation of Nut. The Book of the Dead says, "Hail, thou Sycamore Tree of the Goddess Nut! Give me of the water and of the air which is in thee. I embrace that throne which is in Unu, and I keep guard over the Egg of Nekek-ur. It flourisheth, and I flourish; it liveth, and I live; it snuffeth the air, and I snuff the air, I the Osiris Ani, whose word is truth, in peace."

References
^ "Nut". Dictionary.com. Random House. 2012.
^ Mythology, An Illustrated Encyclopedia of the Principal Myths and Religions of the World, by Richard Cavendish ISBN 1-84056-070-3, 1998
^ The hieroglyphics (top right) spell nwt or nut. Egyptians never wrote Nuit. (Collier and Manley p. 155) The determinative hieroglyph is for 'sky' or 'heaven', the sky (hieroglyph).
^ Wörterbuch der Ägyptischen Sprache, edited by Adolf Erman and Hermann Grapow, p 214, 1957
^ The Oxford Encyclopedia of Ancient Egypt, by Leonard H. Lesko, 2001
^ Women of Ancient Egypt and the Sky Goddess Nut, by Susan Tower Hollis The Journal of American Folklore © 1987 American Folklore Society.
^ "Egyptian goddesses" The Oxford Companion to World mythology. David Leeming. Oxford University Press, 2004. Oxford Reference Online. Oxford University Press. Southeast Missouri State University. 7 May 2009
^ "Egyptian goddesses" The Oxford Companion to World mythology. David Leeming. Oxford University Press, 2004. Oxford Reference Online. Oxford University Press. Southeast Missouri State University. 7 May 2009
^ a b The Oxford Encyclopedia of Ancient Egypt, by Leonard H. Lesko, 2001.
^ Clark, R. T. Rundle. Myth and Symbol in Ancient Egypt. London: Thames and Hudson, 1959.
^ The Moralia - Isis & Osiris, 355 F, Uchicago.edu
^ Encyclopaedia Britannica, Google Books
^ Emma Swan Hall, Harpocrates and Other Child Deities in Ancient Egyptian Sculpture, Journal of the American Research Center in Egypt Vol. 14, (1977), pp. 55-58, retrieved from JSTOR.org
^ Hart, George Routledge dictionary of Egyptian gods and goddesses Routledge; 2 edition (15 March 2005) ISBN 978-0-415-34495-1 p.111 Books.google.co.uk
^ "Papyrus of Ani: Egyptian Book of the Dead", Sir Wallis Budge, NuVision Publications, page 57, 2007, ISBN 1-59547-914-7
^ "Papyrus of Ani: Egyptian Book of the Dead", Sir Wallis Budge, NuVision Publications, page 57, 2007, ISBN 1-59547-914-7
Collier, Mark and Manley, Bill. How to Read Egyptian Hieroglyphs: Revised Edition. Berkeley: University of California Press, 1998.
"Egyptian goddesses" The Oxford Companion to World mythology. David Leeming. Oxford University Press, 2004. Oxford Reference Online. Oxford University Press. Southeast Missouri State University. 7 May 2009.
"Papyrus of Ani: Egyptian Book of the Dead", Sir Wallis Budge, NuVision Publications, page 57, 2007.
The Oxford Encyclopedia of Ancient Egypt, by Leonard H. Lesko, 2001.
Women of Ancient Egypt and the Sky Goddess Nut, by Susan Tower Hollis, The Journal of American Folklore, 1987.
Chests of life, by Harco Willems, 1988, pages 131-144, 165, 168, 174, 194-196, 243.

Geb

From Wikipedia, the free encyclopedia
This article is about the Egyptian god. For other uses, see GEB.
Geb
God of the Earth
Parents Shu and Tefnut
Siblings Nut
Consort Nut

Geb
in hieroglyphs
Geb was the Egyptian god of the Earth and a member of the Ennead of Heliopolis. It was believed in ancient Egypt that Geb's laughter were earthquakes and that he allowed crops to grow.
Contents [hide]
1 Name
2 Role and development
3 Goose
4 Notes
[edit]Name

The name was pronounced as such from the Greek period onward and was formerly erroneously read as Seb[1] or as Keb. The original Egyptian was "Gebeb"/"Kebeb", meaning probably: 'weak one', perhaps 'lame one'. It was spelled with either initial -g- (all periods), or with -k-point (gj). The latter initial root consonant occurs once in the Middle Kingdom Coffin Texts, more often in 21st Dynasty mythological papyri as well as in a text from the Ptolemaic tomb of Petosiris at Tuna el-Gebel or was written with initial hard -k-, as e.g. in a 30th Dynasty papyrus text in the Brooklyn Museum dealing with descriptions of and remedies against snakes.

Role and development
The oldest representation in a fragmentary relief of the god, was as an anthropomorphic bearded being accompanied by his name, and dating from king Djoser's reign, 3rd Dynasty, and was found in Heliopolis. In later times he could also be depicted as a ram, a bull or a crocodile (the latter in a vignet of the Book of the Dead - papyrus of the lady Heryweben in the Egyptian Museum, Cairo).
Frequently described mythologically as father of snakes (one of the names for snake was s3-t3 - 'son of the earth' and in a Coffin Texts-spell Geb was described as father of the snake Nehebkau, while his mother was in that case Neith) and therefore depicted sometimes as such. In mythology Geb also often occurs as a primeval divine king of Egypt from whom his son Osiris and his grandson Horus inherited the land after many contendings with the disruptive god Set, brother and killer of Osiris. Geb could also be regarded as personified fertile earth and barren desert, the latter containing the dead or setting them free from their tombs, metaphorically described as 'Geb opening his jaws', or imprisoning those there not worthy to go to the fertile North-Eastern heavenly Field of Reeds. In the latter case, one of his otherworldly attributes was an ominous jackal-headed stave (called wsr.t) rising from the ground unto which enemies could be bound.
In the Heliopolitan Ennead (a group of nine gods created in the beginning by the one god Atum or Ra), Geb is the husband of Nut, the sky or visible daytime and nightly firmament, the son of the earlier primordial elements Tefnut (moisture) and Shu ('emptiness'), and the father to the four lesser gods of the system - Osiris, Seth, Isis and Nephthys. In this context, Geb was believed to have originally been engaged in eternal sex with Nut, and had to be separated from her by Shu, god of the air.[2] Consequently, in mythological depictions, Geb was shown as a man reclining, sometimes with his phallus still pointed towards Nut.
As time progressed, the deity became more associated with the habitable land of Egypt and also as one of its early rulers. As a chthonic deity he (like Min) became naturally associated with the underworld and with vegetation -barley being said to grow upon his ribs- and was depicted with plants and other green patches on his body.
His association with vegetation, and sometimes with the underworld and royalty brought Geb the occasional interpretation that he was the husband of Renenutet, a minor goddess of the harvest and also mythological caretaker (the meaning of her name is 'nursing snake') of the young king in the shape of a cobra, who herself could also be regarded as the mother of Nehebkau, a primeval snake god associated with the underworld. He is also equated by classical authors as the Greek Titan Cronus.

Goose


Sky goddess Nut and Geb with the head of a snake.

Some Egyptologists, (specifically Jan Bergman, Terence Duquesne or Richard H. Wilkinson) have stated that Geb was associated with a mythological divine creator goose who had laid a cosmic egg from which the sun and/or the world had sprung. This theory is assumed to be incorrect and to be a result of confusing the divine name "Geb" with that of a Whitefronted Goose (Anser albifrons), also called originally gb(b): 'lame one, stumbler'.[3]
This bird-sign is used only as a phonogram in order to spell the name of the god (H.te Velde, in: Lexikon der Aegyptologie II, lemma: Geb). An alternative ancient name for this goose species was trp meaning similarly 'walk like a drunk', 'stumbler'. The Whitefronted Goose is never found as a cultic symbol or holy bird of Geb. The mythological creator 'goose' referred to above, was called Ngg wr 'Great Honker' and always depicted as a Nilegoose/Foxgoose (Alopochen aegyptiacus) who ornitologically belongs to a separate genus and whose Egyptian name was smn, Coptic smon. A coloured vignet irrefutably depicts a Nile Goose with an opened beak (Ngg wr!) in a context of solar creation on a mythological papyrus dating from the 21st Dynasty.[4]
Similar images of this divine bird are to be found on temple walls (Karnak, Deir el-Bahari), showing a scene of the king standing on a papyrus raft and ritually plucking papyrus for the Theban god Amun-Re-Kamutef. The latter Theban creator god could be embodied in a Nilegoose, but never in a Whitefronted Goose. In Underworld Books a diacritic goose-sign (most probably denoting then an Anser albifrons) was sometimes depicted on top of the head of a standing anonymous male anthropomorphic deity, pointing to Geb's identity. Geb himself was never depicted as a Nile Goose, as later was Amun, called on some New Kingdom stelae explicitly:'Amun, the beautiful smn-goose (Nile Goose).[5]
The only clear pictorial confusion between the hieroglyphs of a Whitefronted Goose (in the normal hieroglyphic spelling of the name Geb, often followed by the additional -b-sign) and a Nile Goose in the spelling of the name Geb occurs in the rock cut tomb of the provincial governor Sarenput II (12th Dynasty, Middle Kingdom) on the Qubba el-Hawa desert-ridge (opposite Aswan), namely on the left (southern) wall near the open doorway, in the first line of the brightly painted funerary offering formula. This confusion is to be compared with the frequent hacking out by Ekhnaton's agents of the sign of the Pintail Duck (meaning 'son') in the royal title 'Son of Re', especially in Theban temples, where they confused the duck sign with that of a Nilegoose regarded as a form of the then forbidden god Amon.[6]
[edit]Notes

^ cf. E.A.Wallis Budge, The Gods of the Egyptians. Studies in Egyptian Mythology (London, 1904; republ.Dover Publications, New York, 1969)
^ Meskell, Lynn Archaeologies of social life: age, sex, class et cetera in ancient Egypt Wiley Blackwell (20 Oct 1999) ISBN 978-0-631-21299-7 p.103
^ C.Wolterman, "On the Names of Birds and Hieroglyphic Sign-List G 22, G 35 and H 3" in: "Jaarbericht van het Vooraziatisch-Egyptisch genootschap Ex Oriente Lux" no.32 (1991-1992)(Leiden, 1993), p.122, note 8
^ text: drs. Carles Wolterman, Amstelveen, Holland
^ text: drs. Carles Wolterman, Amstelveen, Holland
^ text: drs. Carles Wolterman, Amstelveen, Holland


            
Osiris

Osiris

From Wikipedia, the free encyclopediafree encyclopedia
For other uses, see Osiris (disambiguation).
Osiris

Osiris, lord of the dead. His green skin symbolizes re-birth.
God of the afterlife
Name in hieroglyphs


Major cult center Abydos
Symbol Crook and flail
Parents Geb and Nut
Siblings Isis, Set, Nephthys, (and Arueris as per Plutarch)
Consort Isis
Osiris (pron.: /oʊˈsaɪərɨs/; Ancient Greek: Ὄσιρις, also Usiris; the Egyptian language name is variously transliterated Asar, Asari, Aser, Ausar, Ausir, Wesir, Usir, Usire or Ausare) was an Egyptian god, usually identified as the god of the afterlife, the underworld and the dead. He was classically depicted as a green-skinned man with a pharaoh's beard, partially mummy-wrapped at the legs, wearing a distinctive crown with two large ostrich feathers at either side, and holding a symbolic crook and flail.
Osiris was at times considered the oldest son of the Earth god Geb,[1] and the sky goddess Nut, as well as being brother and husband of Isis, with Horus being considered his posthumously begotten son.[1] He was also associated with the epithet Khenti-Amentiu, which means "Foremost of the Westerners" — a reference to his kingship in the land of the dead.[2] As ruler of the dead, Osiris was also sometimes called "king of the living", since the Ancient Egyptians considered the blessed dead "the living ones".[3]
Osiris is first attested in the middle of the Fifth dynasty of Egypt, although it is likely that he was worshipped much earlier;[4] the term Khenti-Amentiu dates to at least the first dynasty, also as a pharaonic title. Most information we have on the myths of Osiris is derived from allusions contained in the Pyramid Texts at the end of the Fifth Dynasty, later New Kingdom source documents such as the Shabaka Stone and the Contending of Horus and Seth, and much later, in narrative style from the writings of Greek authors including Plutarch[5] and Diodorus Siculus.[6]
Osiris was considered not only a merciful judge of the dead in the afterlife, but also the underworld agency that granted all life, including sprouting vegetation and the fertile flooding of the Nile River. He was described as the "Lord of love",[7] "He Who is Permanently Benign and Youthful"[8] and the "Lord of Silence".[9] The Kings of Egypt were associated with Osiris in death — as Osiris rose from the dead they would, in union with him, inherit eternal life through a process of imitative magic. By the New Kingdom all people, not just pharaohs, were believed to be associated with Osiris at death, if they incurred the costs of the assimilation rituals.[10]
Through the hope of new life after death, Osiris began to be associated with the cycles observed in nature, in particular vegetation and the annual flooding of the Nile, through his links with Orion and Sirius at the start of the new year.[8] Osiris was widely worshipped as Lord of the Dead until the suppression of the Egyptian religion during the Christian era.[11][12]
Contents [hide]
1 Appearance
2 Early mythology
3 Mythology
4 Judgment
5 Greco-Roman era
6 See also
7 Notes
8 References
9 External links
[edit]Appearance

Osiris is represented in his most developed form of iconography wearing the Atef crown, which is similar to the White crown of Upper Egypt, but with the addition of two curling ostrich feathers at each side (see also Atef crown (hieroglyph)). He also carries the crook and flail. The crook is thought to represent Osiris as a shepherd god. The symbolism of the flail is more uncertain with shepherds whip, fly-whisk, or association with the god Andjety of the ninth nome of Lower Egypt proposed.[8]
He was commonly depicted as a green (the color of rebirth) or black (alluding to the fertility of the Nile floodplain) complexioned pharaoh, in mummiform (wearing the trappings of mummification from chest downward).[13] He was also depicted rarely as a lunar god with a crown encompassing the moon.

Early mythology

The Pyramid Texts describe early conceptions of an afterlife in terms of eternal travelling with the sun god amongst the stars. Amongst these mortuary texts, at the beginning of the 4th dynasty, is found: "An offering the king gives and Anubis". By the end of the 5th dynasty, the formula in all tombs becomes "An offering the king gives and Osiris".[14]
[edit]Father of Horus


The gods Osiris, Anubis, and Horus, from a tomb painting.
Osiris is the mythological father of the god Horus, whose conception is described in the Osiris myth, a central myth in ancient Egyptian belief. The myth described Osiris as having been killed by his brother Set, who wanted Osiris' throne. Isis joined the fragmented pieces of Osiris, but the only body part missing was the phallus. Isis fashioned a golden phallus, and briefly brought Osiris back to life by use of a spell that she learned from her father. This spell gave her time to become pregnant by Osiris before he again died. Isis later gave birth to Horus. As such, since Horus was born after Osiris' resurrection, Horus became thought of as a representation of new beginnings and the vanquisher of the evil Set.
Ptah-Seker (who resulted from the identification of Ptah with Seker), god of re-incarnation, thus gradually became identified with Osiris, the two becoming Ptah-Seker-Osiris. As the sun was thought to spend the night in the underworld, and was subsequently re-incarnated every morning, Ptah-Seker-Osiris was identified as both king of the underworld, and god of reincarnation.
[edit]Ram god

Banebdjed
(b3-nb-ḏd)
in hieroglyphs
Osiris' soul, or rather his Ba, was occasionally worshipped in its own right, almost as if it were a distinct god, especially in the Delta city of Mendes. This aspect of Osiris was referred to as Banebdjedet, which is grammatically feminine (also spelt "Banebded" or "Banebdjed"), literally "the ba of the lord of the djed, which roughly means The soul of the lord of the pillar of stability. The djed, a type of pillar, was usually understood as the backbone of Osiris, and, at the same time, as the Nile, the backbone of Egypt.
The Nile, supplying water, and Osiris (strongly connected to the vegetation) who died only to be resurrected, represented continuity and stability. As Banebdjed, Osiris was given epithets such as Lord of the Sky and Life of the (sun god) Ra, since Ra, when he had become identified with Atum, was considered Osiris' ancestor, from whom his regal authority is inherited. Ba does not mean "soul" in the western sense, and has to do with power, reputation, force of character, especially in the case of a god.
Since the ba was associated with power, and also happened to be a word for ram in Egyptian, Banebdjed was depicted as a ram, or as Ram-headed. A living, sacred ram, was kept at Mendes and worshipped as the incarnation of the god, and upon death, the rams were mummified and buried in a ram-specific necropolis. Banebdjed was consequently said to be Horus' father, as Banebdjed was an aspect of Osiris.
Regarding the association of Osiris with the ram, the god's traditional crook and flail are the instruments of the shepherd, which has suggested to some scholars also an origin for Osiris in herding tribes of the upper Nile. The crook and flail were originally symbols of the minor agricultural deity Andjety, and passed to Osiris later. From Osiris, they eventually passed to Egyptian kings in general as symbols of divine authority.

Mythology


 
The family of Osiris. Osiris on a lapis lazuli pillar in the middle, flanked by Horus on the left and Isis on the right (22nd dynasty, Louvre, Paris)
Part of a series on
Ancient Egyptian
religion

Main beliefs
Duat Ma'at Mythology Numerology
Philosophy Soul
Practices
Funerals Offering formula Temples
Deities
Amun Amunet Anubis Anuket
Apep Apis Aten Atum Bastet
Bat Bes Four sons of Horus
Geb Hapy Hathor Heka Heqet
Horus Isis Khepri Khnum
Khonsu Kuk Maahes Ma'at
Mafdet Menhit Meretseger
Meskhenet Monthu Min Mnevis
Mut Neith Nekhbet Nephthys
Nu Nut Osiris Pakhet Ptah
Qebui Ra Ra-Horakhty Reshep
Satis Sekhmet Seker Selket
Sobek Sopdu Set Seshat Shu
Tatenen Taweret Tefnut Thoth
Wadjet Wadj-wer Wepwawet
Wosret
Texts
Amduat Books of Breathing
Book of Caverns Book of the Dead
Book of the Earth Book of Gates
Book of the Netherworld
Related topics
Atenism Curse of the Pharaohs
Ancient Egypt portal
v t e
The cult of Osiris (who was a god chiefly of regeneration and rebirth) had a particularly strong interest in the concept of immortality. Plutarch recounts one version of the myth in which Set (Osiris' brother), along with the Queen of Ethiopia, conspired with 72 accomplices to plot the assassination of Osiris.[15] Set fooled Osiris into getting into a box, which Set then shut, sealed with lead, and threw into the Nile (sarcophagi were based on[citation needed] the box in this myth). Osiris' wife, Isis, searched for his remains until she finally found him embedded in a tamarind tree trunk, which was holding up the roof of a palace in Byblos on the Phoenician coast. She managed to remove the coffin and open it, but Osiris was already dead.
In one version of the myth, she used a spell learned from her father and brought him back to life so he could impregnate her. Afterwards he died again and she hid his body in the desert. Months later, she gave birth to Horus. While she raised Horus, Set was hunting one night and came across the body of Osiris.
Enraged, he tore the body into fourteen pieces and scattered them throughout the land. Isis gathered up all the parts of the body, less the phallus (which was eaten by a catfish) and bandaged them together for a proper burial. The gods were impressed by the devotion of Isis and resurrected Osiris as the god of the underworld. Because of his death and resurrection, Osiris was associated with the flooding and retreating of the Nile and thus with the crops along the Nile valley.
Diodorus Siculus gives another version of the myth in which Osiris was described as an ancient king who taught the Egyptians the arts of civilization, including agriculture, then travelled the world with his sister Isis, the satyrs, and the nine muses, before finally returning to Egypt. Osiris was then murdered by his evil brother Typhon, who was identified with Set. Typhon divided the body into twenty-six pieces, which he distributed amongst his fellow conspirators in order to implicate them in the murder. Isis and Hercules (Horus) avenged the death of Osiris and slew Typhon. Isis recovered all the parts of Osiris' body, except the phallus, and secretly buried them. She made replicas of them and distributed them to several locations, which then became centres of Osiris worship.


Death and institution as god of the dead


Osiris-Nepra, with wheat growing from his body. From a bas-relief at Philae.
The sprouting wheat implied resurrection.


Osiris "The God Of The Resurrection", rising from his bier.
Plutarch and others have noted that the sacrifices to Osiris were "gloomy, solemn, and mournful..." (Isis and Osiris, 69) and that the great mystery festival, celebrated in two phases, began at Abydos on the 17th of Athyr[21] (November 13) commemorating the death of the god, which was also the same day that grain was planted in the ground. "The death of the grain and the death of the god were one and the same: the cereal was identified with the god who came from heaven; he was the bread by which man lives. The resurrection of the god symbolized the rebirth of the grain." (Larson 17) The annual festival involved the construction of "Osiris Beds" formed in shape of Osiris, filled with soil and sown with seed.[22]
The germinating seed symbolized Osiris rising from the dead. An almost pristine example was found in the tomb of Tutankhamun by Howard Carter.[23]
The first phase of the festival was a public drama depicting the murder and dismemberment of Osiris, the search of his body by Isis, his triumphal return as the resurrected god, and the battle in which Horus defeated Set. This was all presented by skilled actors as a literary history, and was the main method of recruiting cult membership.
According to Julius Firmicus Maternus of the fourth century, this play was re-enacted each year by worshippers who "beat their breasts and gashed their shoulders.... When they pretend that the mutilated remains of the god have been found and rejoined...they turn from mourning to rejoicing." (De Errore Profanorum).
The passion of Osiris was reflected in his name 'Wenennefer" ("the one who continues to be perfect"), which also alludes to his post mortem power.[13]
[edit]Ikhernofret Stela
Much of the extant information about the Passion of Osiris can be found on the Ikhernofret Stela at Abydos erected in the 12th Dynasty by Ikhernofret (also I-Kher-Nefert), possibly a priest of Osiris or other official (the titles of Ikhernofret are described in his stela from Abydos) during the reign of Senwosret III (Pharaoh Sesostris, about 1875 BC). The Passion Plays were held in the last month of the inundation (the annual Nile flood, coinciding with Spring, and held at Abydos/Abedjou which was the traditional place where the body of Osiris/Wesir drifted ashore after having been drowned in the Nile.[24]
The part of the myth recounting the chopping up of the body into 14 pieces by Set is not recounted in this particular stela. Although it is attested to be a part of the rituals by a version of the Papyrus Jumilhac, in which it took Isis 12 days to reassemble the pieces, coinciding with the festival of ploughing.[25] Some elements of the ceremony were held in the temple, while others involved public participation in a form of theatre. The Stela of I-Kher-Nefert recounts the programme of events of the public elements over the five days of the Festival:
The First Day, The Procession of Wepwawet: A mock battle was enacted during which the enemies of Osiris are defeated. A procession was led by the god Wepwawet ("opener of the way").
The Second Day, The Great Procession of Osiris: The body of Osiris was taken from his temple to his tomb. The boat he was transported in, the "Neshmet" bark, had to be defended against his enemies.
The Third Day, Osiris is Mourned and the Enemies of the Land are Destroyed.
The Fourth Day, Night Vigil: Prayers and recitations are made and funeral rites performed.
The Fifth Day, Osiris is Reborn: Osiris is reborn at dawn and crowned with the crown of Ma'at. A statue of Osiris is brought to the temple.[24]
[edit]Wheat and clay rituals


Rare sample of Egyptian terra cotta sculpture, could be Isis mourning Osiris, (raising her right arm over her head, a typical mourning sign). Musée du Louvre, Paris.
Contrasting with the public "theatrical" ceremonies sourced from the I-Kher-Nefert stele (from the Middle Kingdom), more esoteric ceremonies were performed inside the temples by priests witnessed only by chosen initiates. Plutarch mentions that (for much later period) two days after the beginning of the festival "the priests bring forth a sacred chest containing a small golden coffer, into which they pour some potable water...and a great shout arises from the company for joy that Osiris is found (or resurrected). Then they knead some fertile soil with the water...and fashion therefrom a crescent-shaped figure, which they cloth and adorn, this indicating that they regard these gods as the substance of Earth and Water." (Isis and Osiris, 39). Yet his accounts were still obscure, for he also wrote, "I pass over the cutting of the wood" - opting not to describe it, since he considered it as a most sacred ritual (Ibid. 21).
In the Osirian temple at Denderah, an inscription (translated by Budge, Chapter XV, Osiris and the Egyptian Resurrection) describes in detail the making of wheat paste models of each dismembered piece of Osiris to be sent out to the town where each piece is discovered by Isis. At the temple of Mendes, figures of Osiris were made from wheat and paste placed in a trough on the day of the murder, then water was added for several days, until finally the mixture was kneaded into a mold of Osiris and taken to the temple to be buried (the sacred grain for these cakes were grown only in the temple fields). Molds were made from the wood of a red tree in the forms of the sixteen dismembered parts of Osiris, the cakes of 'divine' bread were made from each mold, placed in a silver chest and set near the head of the god with the inward parts of Osiris as described in the Book of the Dead (XVII).
On the first day of the Festival of Ploughing, where the goddess Isis appeared in her shrine where she was stripped naked, paste made from the grain were placed in her bed and moistened with water, representing the fecund earth. All of these sacred rituals were "climaxed by the eating of sacramental god, the eucharist by which the celebrants were transformed, in their persuasion, into replicas of their god-man" (Larson 20).
[edit]Judgment

The idea of divine justice being exercised after death for wrongdoing during life is first encountered during the Old Kingdom, in a 6th dynasty tomb containing fragments of what would be described later as the Negative Confessions[26]


Judgment scene from the Book of the Dead. In the three scenes from the Book of the Dead (version from ~1375 BC) the dead man (Hunefer) is taken into the judgement hall by the jackal-headed Anubis. The next scene is the weighing of his heart against the feather of Ma'at, with Ammut waiting the result, and Thoth recording. Next, the triumphant Henefer, having passed the test, is presented by the falcon-headed Horus to Osiris, seated in his shrine with Isis and Nephthys. (British Museum)
With the rise of the cult of Osiris during the Middle Kingdom the “democratization of religion” offered to even his most humblest followers the prospect of eternal life, with moral fitness becoming the dominant factor in determining a person's suitability.
At death a person faced judgment by a tribunal of forty-two divine judges. If they led a life in conformance with the precepts of the goddess Ma'at, who represented truth and right living, the person was welcomed into the kingdom of Osiris. If found guilty, the person was thrown to a "devourer" and didn't share in eternal life.[27]
The person who is taken by the devourer is subject first to terrifying punishment and then annihilated. These depictions of punishment may have influenced medieval perceptions of the inferno in hell via early Christian and Coptic texts.[28]
Purification for those who are considered justified may be found in the descriptions of "Flame Island", where they experience the triumph over evil and rebirth. For the damned, complete destruction into a state of non-being awaits, but there is no suggestion of eternal torture.[29][30]
Divine pardon at judgement was always a central concern for the Ancient Egyptians.[31]
During the reign of Seti I, Osiris was also invoked in royal decrees to pursue the living when wrongdoing was observed, but kept secret and not reported.[32]
[edit]Greco-Roman era


Hellenisation

Bust of Serapis.
Eventually, in Egypt, the Hellenic pharaohs decided to produce a deity that would be acceptable to both the local Egyptian population, and the influx of Hellenic visitors, to bring the two groups together, rather than allow a source of rebellion to grow. Thus Osiris was identified explicitly with Apis, really an aspect of Ptah, who had already been identified as Osiris by this point, and a syncretism of the two was created, known as Serapis, and depicted as a standard Greek god.
[edit]Destruction of cult


Philae Island.
The cult of Osiris continued until the 6th century AD on the island of Philae in Upper Nile. The Theodosian decrees of the 390s, to destroy all pagan temples, were not enforced there. The worship of Isis and Osiris was allowed to continue at Philae until the time of Justinian, by treaty between the Blemmyes-Nobadae and Diocletian. Every year they visited Elephantine, and at certain intervals took the image of Isis up river to the land of the Blemmyes for oracular purposes. The practices ended when Justinian sent Narses to destroy sanctuaries, arrest priests, and seize divine images, which were taken to Constantinople.[33]
[edit]See also

Aaru
Egyptian soul

Notes (Zie link)

References

Wikimedia Commons has media related to: Osiris
Martin A. Larson, The Story of Christian Origins (1977, 711 pp. ISBN 0-88331-090-2 ).
C. W. Leadbeater, Freemasonry and its Ancient Mystic Rites (Gramercy, 1998) ISBN 0-517-20267-0



Osiris myth
From Wikipedia, the free encyclopedia


From right: Isis, her husband Osiris, and their son Horus, the protagonists of the Osiris myth
The Osiris myth is the most elaborate and influential story in ancient Egyptian mythology. It concerns the murder of the god Osiris, a primeval king of Egypt, and its consequences. Osiris' murderer, his brother Set, usurps his throne. Meanwhile, Osiris' wife Isis restores her husband's body, allowing him to posthumously conceive a son with her. The remainder of the story focuses on Horus, the product of Isis and Osiris' union, who is first a vulnerable child protected by his mother and then becomes Set's rival for the throne. Their often violent conflict ends with Horus' triumph, which restores order to Egypt after Set's unrighteous reign and completes the process of Osiris resurrection. The myth is integral to the Egyptian conceptions of kingship and succession, conflict between order and disorder and, especially, death and the afterlife. It also expresses the essential character of each of the four deities at its center, and many elements of their worship in ancient Egyptian religion were derived from the myth.
The Osiris myth reached its essential form in or before the 25th century BC. Many of its elements originated in religious ideas, but the conflict between Horus and Set may have been partly inspired by a regional struggle in Egypt's early history or prehistory. Scholars have tried to discern the exact nature of the events that gave rise to the story, but they have reached no definitive conclusions.
Parts of the myth appear in a wide variety of Egyptian texts, from funerary texts and magical spells to short stories. The story is, therefore, more detailed and more cohesive than any other ancient Egyptian myth. Yet no Egyptian source gives a full account of the myth, and the sources vary widely in their versions of events. Greek and Roman writings, particularly De Iside et Osiride by Plutarch, provide more information but may not always accurately reflect Egyptian beliefs. Through these writings, the Osiris myth persisted after knowledge of most ancient Egyptian beliefs was lost, and it is still well known today.
Contents [hide]
1 Sources
2 Synopsis
2.1 Death and resurrection of Osiris
2.2 Birth and childhood of Horus
2.3 Conflict of Horus and Set
2.4 Resolution
3 Origins
4 Influence
5 Citations
6 Works cited
7 Further reading
8 External links

Sources

The myth of Osiris was very important in ancient Egyptian religion and was popular among ordinary people.[1] One reason for this popularity is the myth's primary religious meaning, which implies that any dead person can reach a pleasant afterlife.[2] Another reason is that the characters and their emotions are more reminiscent of the lives of real people than those in most Egyptian myths, making the story more appealing to the general populace.[3] With this widespread appeal, the myth appears in more ancient texts than any other myth and in an exceptionally broad range of Egyptian literary styles.[1] These sources also provide an unusual amount of detail.[2] Other ancient Egyptian myths are fragmentary and vague. Although the Osiris myth also is fragmentary to an extent, it bears a greater resemblance to a cohesive story.[4]


The Pyramid Texts in the Pyramid of Teti
The earliest mentions of the Osiris myth are in the Pyramid Texts, the first Egyptian funerary texts, which appeared on the walls of burial chambers in pyramids at the end of the Fifth Dynasty, during the 25th century BC. These texts, made up of disparate spells or "utterances", contain ideas that are presumed to date from still earlier times.[5] The texts are concerned with the afterlife of the king buried in the pyramid, so they frequently refer to the Osiris myth, which is deeply involved with kingship and the afterlife.[6] Major elements of the story, such as the death and restoration of Osiris and the strife between Horus and Set, appear in the utterances of the Pyramid Texts.[7]
The same elements from the myth that appear in the Pyramid Texts recur in funerary texts written in later times, such as the Coffin Texts from the Middle Kingdom (c. 2055–1650 BC) and the Book of the Dead from the New Kingdom (c. 1550–1070 BC). Most of these writings were made for the general populace, so the association made in these texts, between Osiris and the dead, is no longer restricted to royalty.[8]
The most complete ancient Egyptian account of the myth is the Great Hymn to Osiris, an inscription from the Eighteenth Dynasty (c. 1550–1292 BC) that gives the general outline of the entire story but includes little detail.[9] Another important source is the Memphite Theology, a religious narrative that includes an account of Osiris' death as well as the resolution of the dispute between Horus and Set. This narrative associates the kingship that Osiris and Horus represent with Ptah, the creator deity of Memphis.[10] The text was long thought to date back to the Old Kingdom (c. 2686–2181 BC) and was treated as a source for information about the early stages in the development of the myth. Since the 1970s, however, Egyptologists have concluded that the text dates from the New Kingdom at the earliest.[11]
Texts related to Osirian rituals come from the walls of Egyptian temples that date from the New Kingdom to the Ptolemaic era of 323–30 BC. Such ritual texts are another major source of information about the myth.[12]
Magical healing spells, which were used by Egyptians of all classes, are the source for an important portion of the myth, in which Horus is poisoned or otherwise sickened, and Isis heals him. The spells identify a sick person with Horus so that he or she can benefit from the goddess' efforts. The spells are known from papyrus copies, which serve as instructions for healing rituals, and from a specialized type of inscribed stone stela called a cippus. People seeking healing poured water over these cippi, an act that was believed to imbue the water with the healing power contained in the text, and then drank the water in hope of curing their ailments. The theme of an endangered child protected by magic also appears on inscribed ritual wands from the Middle Kingdom, which were made centuries before the more detailed healing spells that specifically connect this theme with the Osiris myth.[13]
Episodes from the myth were also recorded in writings intended as entertainment. Prominent among these texts is "The Contendings of Horus and Set", a humorous retelling of several episodes of the struggle between the two deities, which dates to the Twentieth Dynasty (c. 1190–1070 BC).[14] It vividly characterizes the deities involved; as the Egyptologist Donald B. Redford says, "Horus appears as a physically weak but clever Puck-like figure, Seth [Set] as a strong-man buffoon of limited intelligence, Re-Horakhty [Ra] as a prejudiced, sulky judge, and Osiris as an articulate curmudgeon with an acid tongue."[15] Despite its atypical nature, "Contendings" includes many of the oldest episodes in the divine conflict, and many events appear in the same order as in much later accounts, suggesting that a traditional sequence of events was forming at the time that the story was written.[16]
Ancient Greek and Roman writers, who described Egyptian religion late in its history, recorded much of the Osiris myth. Herodotus, in the 5th century BC, mentioned parts of the myth in his description of Egypt in The Histories, and four centuries later, Diodorus Siculus provided a summary of the myth in his Bibliotheca historica.[17] In the early 2nd century AD,[18] Plutarch wrote the most complete ancient account of the myth in De Iside et Osiride, an analysis of Egyptian religious beliefs.[19] Plutarch's account of the myth is the version that modern popular writings most frequently retell.[20] The writings of these classical authors may give a distorted view of Egyptian beliefs.[19] For instance, De Iside et Osiride includes many interpretations of Egyptian belief that are influenced by various Greek philosophies, and its account of the myth contains portions with no known parallel in Egyptian tradition. The Egyptologist J. Gwyn Griffiths concluded that several elements of this account were taken from Greek mythology, and that the work as a whole was not based directly on Egyptian sources.[21] His colleague John Baines, on the other hand, says that temples may have kept written accounts of myths, which later were lost, and that Plutarch could have drawn on such sources to write his narrative.[22]
[edit]Synopsis

[edit]Death and resurrection of Osiris
At the start of the story, Osiris rules Egypt, having inherited the kingship from his ancestors in a lineage stretching back to the creator of the world, Ra or Atum. His queen is Isis, who, along with Osiris and his murderer Set, is one of the children of the earth god Geb and the sky goddess Nut. Little information about the reign of Osiris appears in Egyptian sources; the focus is on his death and the events that follow.[23] Osiris is connected with life-giving power, righteous kingship, and the rule of maat, the ideal natural order whose maintenance was a fundamental goal in ancient Egyptian culture.[24] Set is closely associated with violence and chaos. Therefore, the slaying of Osiris symbolizes the struggle between order and disorder, and the disruption of life by death.[25]
Some versions of the myth provide Set's motive for killing Osiris. According to a spell in the Pyramid Texts, Set is taking revenge for a kick Osiris gave him,[26] whereas in a Late Period text, Set's grievance is that Osiris had sex with Nephthys, who is Set's consort and the fourth child of Geb and Nut.[2] The murder itself is frequently alluded to, but never clearly described. The Egyptians believed that written words had the power to affect reality, so they avoided writing directly about profoundly negative events such as Osiris' death.[27] Sometimes they denied his death altogether, even though the bulk of the traditions about him make it clear that he has been murdered.[28] In some cases the texts suggest that Set takes the form of a wild animal, such as a crocodile or bull, to slay Osiris; in others they imply that Osiris' corpse is thrown in the water or that he is drowned. This latter tradition is the origin of the Egyptian belief that people who had drowned in the Nile were sacred.[29] Even the identity of the victim is changeable in texts, as it is sometimes the god Haroeris, an elder form of Horus, who is murdered by Set and then avenged by another form of Horus, who is Haroeris' son by Isis.[30]
By the end of the New Kingdom, a tradition had developed that Set had cut Osiris' body into pieces and scattered them across Egypt. Cult centers of Osiris all over the country claimed that the corpse, or particular pieces of it, were found near them. The dismembered parts could be said to number as many as forty-two, each piece being equated with one of the forty-two nomes, or provinces, in Egypt.[31] Thus, the god of kingship becomes the embodiment of his kingdom.[29]


Isis, in the form of a bird, copulates with the deceased Osiris. At either side are Horus, although he is as yet unborn, and Isis in human form.[32]
Osiris' death is followed either by an interregnum or by a period in which Set assumes the kingship. Meanwhile, Isis searches for her husband's body with the aid of Nephthys.[33] When searching for or mourning Osiris, the two goddesses are often likened to falcons or kites,[34] possibly because kites travel far in search of carrion,[35] because the Egyptians associated their plaintive calls with mourning, or because of the goddesses' connection with Horus, who is often represented as a falcon.[34] In the New Kingdom, when Osiris' death and renewal came to be associated with the annual flooding of the Nile that fertilized Egypt, the waters of the Nile were equated with Isis' tears of mourning,[36] or with Osiris' bodily fluids.[37] Osiris thus represented the life-giving divine power that was present in the river's water and in the plants that grew after the flood.[38]
The goddesses find and restore Osiris' body, often with the help of other deities, including Thoth, a deity credited with great magical and healing powers, and Anubis, the god of embalming and funerary rites. Their efforts are the mythological basis for Egyptian embalming practices, which, by mummifying the body, sought to prevent and reverse the decay that follows death. This part of the story is often extended with episodes in which Set or his followers try to damage the corpse, and Isis and her allies must protect it. Once Osiris is made whole, Isis, still in bird form, fans breath and life into his body with her wings and copulates with him.[33] Osiris' revival is apparently not permanent, and after this point in the story he is only mentioned as the ruler of the Duat, the distant and mysterious realm of the dead. Yet in his brief contact with Isis, he has conceived his son and rightful heir, Horus. Although Osiris himself lives on only in the Duat, he and the kingship he stands for will, in a sense, be reborn in his son.[39]
The cohesive account by Plutarch, which deals mainly with this portion of the myth, differs in many respects from the known Egyptian sources. Set—whom Plutarch, using Greek names for many of the Egyptian deities, refers to as "Typhon"—conspires against Osiris with seventy-three other people. Set has an elaborate chest made to fit Osiris' exact measurements and then, at a banquet, declares that he will give the chest as a gift to whoever fits inside it. The guests, in turn, lie inside the coffin, but none fit inside except Osiris. When he lies down in the chest, Set and his accomplices slam the cover shut, seal it, and throw it into the Nile. With Osiris' corpse inside, the chest floats out into the sea, arriving at the city of Byblos, where a tree grows around it. The king of Byblos has the tree cut down and made into a pillar for his palace, still with the chest inside. Isis must remove the chest from within the tree in order to retrieve her husband's body. Having taken the chest, she leaves the tree in Byblos, where it becomes an object of worship for the locals. This episode, which is not known from Egyptian sources, gives an etiological explanation for a cult of Isis and Osiris that existed in Byblos in Plutarch's time and possibly as early as the New Kingdom.[40]
Plutarch also states that Set steals and dismembers the corpse only after Isis has retrieved it. Isis then finds and buries each piece of her husband's body, with the exception of the penis, which she has to reconstruct with magic, because the original was eaten by fish in the river. According to Plutarch, this is the reason the Egyptians had a taboo against eating fish. In Egyptian accounts, however, the penis of Osiris is found intact, and the only close parallel with this part of Plutarch's story is in "The Tale of Two Brothers", a folk tale from the New Kingdom with similarities to the Osiris myth.[41]
A final difference in Plutarch's account is Horus' birth. The form of Horus that avenges his father has been conceived and born before Osiris' death. It is a premature and weak second child, Harpocrates, who is born from Osiris' posthumous union with Isis. Here, two of the separate forms of Horus that exist in Egyptian tradition have been given distinct positions within Plutarch's version of the myth.[42]


Isis nursing Horus

Birth and childhood of Horus
In Egyptian accounts, the pregnant Isis hides from Set, to whom the unborn child is a threat, in a thicket of papyrus in the Nile Delta. This place is called Akh-bity, meaning "papyrus thicket of the king of Lower Egypt" in Egyptian.[43] Greek writers call this place Khemmis and indicate that it is near the city of Buto,[44] but in the myth, the physical location is unimportant compared with its nature as an iconic place of seclusion and safety.[45] The thicket's special status is indicated by its frequent depiction in Egyptian art; for most events in Egyptian mythology, the backdrop is minimally described or illustrated. In this thicket, Isis gives birth to Horus and raises him, and hence it is also called the "nest of Horus".[33] The image of Isis nursing her child is a very common motif in Egyptian art.[43]
There are texts in which Isis travels in the wider world. She moves among ordinary humans who are unaware of her identity, and she even appeals to these people for help. This is another unusual circumstance, for in Egyptian myth, gods and humans are normally separate.[46] As in the first phase of the myth, she often has the aid of other deities, who protect her son in her absence.[33] According to one magical spell, seven minor scorpion deities travel with and guard Isis as she seeks help for Horus. They even take revenge on a wealthy woman who has refused to help Isis by stinging the woman's son, making it necessary for Isis to heal the blameless child.[46]
In this stage of the myth, Horus is a vulnerable child beset by dangers. The magical texts that use Horus' childhood as the basis for their healing spells give him different ailments, from scorpion stings to simple stomachaches,[47] adapting the tradition to fit the malady that each spell was intended to treat.[48] Most commonly, the child god has been bitten by a snake, reflecting the Egyptians' fear of snakebite and the resulting poison.[33] Some texts indicate that these hostile creatures are agents of Set.[49] Isis may use her own magical powers to save her child, or she may plead with or threaten deities such as Ra or Geb, so they will cure him. As she is the archetypal mourner in the first portion of the story, so during Horus' childhood she is the ideal devoted mother.[50] Through the magical healing texts, her efforts to heal her son are extended to cure any patient.[45]

Conflict of Horus and Set
The next phase of the myth begins when the adult Horus challenges Set for the throne of Egypt. The contest between them is often violent but is also described as a legal judgment before the Ennead, an assembled group of Egyptian deities, to decide who should inherit the kingship. The judge in this trial may be Geb, who, as the father of Osiris and Set, held the throne before they did, or it may be the creator gods Ra or Atum, the originators of kingship. Other deities also take important roles: Thoth frequently acts as a conciliator in the dispute[52] or as an assistant to the divine judge, and in "Contendings", Isis uses her cunning and magical power to aid her son.
The rivalry of Horus and Set is portrayed in two contrasting ways. Both perspectives appear as early as the Pyramid Texts, the earliest source of the myth. In some spells from these texts, Horus is the son of Osiris and nephew of Set, and the murder of Osiris is the major impetus for the conflict. The other tradition depicts Horus and Set as brothers. This incongruity persists in many of the subsequent sources, where the two gods may be called brothers or uncle and nephew at different points in the same document.


Horus spears Set, who appears in the form of a hippopotamus, as Isis looks on
The divine struggle involves many episodes. "Contendings" describes the two gods appealing to various other deities to arbitrate the dispute and competing in different types of contests, such as racing in boats or fighting each other in the form of hippopotami, to determine a victor. In this account, Horus repeatedly defeats Set and is supported by most of the other deities.[56] Yet the dispute drags on for eighty years, largely because the judge, the creator god, favors Set.[57] In late ritual texts, the conflict is characterized as a great battle involving the two deities' assembled followers.[58] The strife in the divine realm extends beyond the two combatants. At one point Isis attempts to harpoon Set as he is locked in combat with her son, but she strikes Horus instead, who then cuts off her head in a fit of rage.[59] Thoth replaces Isis' head with that of a cow; the story gives a mythical origin for the cow-horn headdress that Isis commonly wears.[60] In some sources, Set justifies further attacks on Horus as punishment for the young god's violence against his mother.[61]
In a key episode in the conflict, Set sexually abuses Horus. Set's violation is partly meant to degrade his rival, but it also involves homosexual desire, in keeping with one of Set's major characteristics, his forceful and indiscriminate sexuality.[62] In the earliest account of this episode, in a fragmentary Middle Kingdom papyrus, the sexual encounter begins when Set asks to have sex with Horus, who agrees on the condition that Set will give Horus some of his strength.[63] The encounter puts Horus in danger, because in Egyptian tradition semen is a potent and dangerous substance, akin to poison. According to some texts, Set's semen enters Horus' body and makes him ill, but in "Contendings", Horus thwarts Set by catching Set's semen in his hands. Isis retaliates by putting Horus' semen on lettuces that Set eats. Set's defeat becomes apparent when this semen appears on his forehead as a golden disk. He has been impregnated with his rival's seed and as a result "gives birth" to the disk. In "Contendings", Thoth takes the disk and places it on his own head; in earlier accounts, it is Thoth who is produced by this anomalous birth.[64]
Another important episode concerns mutilations that the combatants inflict upon each other: Horus injures or steals Set's testicles and Set damages or tears out one, or occasionally both, of Horus' eyes. Sometimes the eye is torn into pieces.[65] Set's mutilation signifies a loss of virility and strength.[66] The removal of Horus' eye is even more important, for this stolen Eye of Horus represents a wide variety of concepts in Egyptian religion. One of Horus' major roles is as a sky deity, and for this reason his right eye was said to be the sun and his left eye the moon. The theft or destruction of the Eye of Horus is therefore equated with the darkening of the moon in the course of its cycle of phases, or during eclipses. Horus may take back the lost eye, or other deities, including Isis, Thoth, and Hathor, may retrieve or heal it for him.[65] The Egyptologist Herman te Velde argues that the tradition about the lost testicles is a late variation on Set's loss of semen to Horus, and that the moon-like disk that emerges from Set's head after his impregnation is the Eye of Horus. If so, the episodes of mutilation and sexual abuse would form a single story, in which Set assaults Horus and loses semen to him, Horus retaliates and impregnates Set, and Set comes into possession of Horus' Eye when it appears on Set's head. Because Thoth is a moon deity in addition to his other functions, it would make sense, according to te Velde, for Thoth to emerge in the form of the Eye and step in to mediate between the feuding deities.[67]
In any case, the restoration of the Eye of Horus to wholeness represents the return of the moon to full brightness,[68] the return of the kingship to Horus,[69] and many other aspects of maat.[70] Sometimes the restoration of Horus' eye is accompanied by the restoration of Set's testicles, so that both gods are made whole near the conclusion of their feud.[71]

Resolution
As with so many other parts of the myth, the resolution is complex and varied. Often, Horus and Set divide the realm between them. This division can be equated with any of several fundamental dualities that the Egyptians saw in their world. Horus may receive the fertile lands around the Nile, the core of Egyptian civilization, in which case Set takes the barren desert or the foreign lands that are associated with it; Horus may rule the earth while Set dwells in the sky; and each god may take one of the two traditional halves of the country, Upper and Lower Egypt, in which case either god may be connected with either region. Yet in the Memphite Theology, Geb, as judge, first apportions the realm between the claimants and then reverses himself, awarding sole control to Horus. In this peaceable union, Horus and Set are reconciled, and the dualities that they represent have been resolved into a united whole. Through this resolution, order is restored after the tumultuous conflict.[72]
A different view of the myth's end focuses on Horus' sole triumph.[73] In this version, Set is not reconciled with his rival, but utterly defeated,[74] and sometimes he is exiled from Egypt or even destroyed.[75] His defeat and humiliation is more pronounced in sources from later periods of Egyptian history, when he was increasingly equated with disorder and evil, and the Egyptians no longer saw him as an integral part of natural order.[74]
With great celebration among the gods, Horus takes the throne, and Egypt at last has a rightful king. The divine decision that Set is in the wrong corrects the injustice created by Osiris' murder and completes the process of his restoration after death.[77] Sometimes Set is made to carry Osiris' body to its tomb as part of his punishment. The new king performs funerary rites for his father and gives food offerings to sustain him—often including the Eye of Horus, which in this instance represents life and plenty.[79] According to some sources, only through these acts can Osiris be fully enlivened in the afterlife and take his place as king of the dead, paralleling his son's role as king of the living. Thereafter, Osiris is deeply involved with natural cycles of death and renewal, such as the annual growth of crops, that parallel his own resurrection.
[edit]Origins

As the Osiris myth first appears in the Pyramid Texts, most of its essential features must have taken shape sometime before the texts were written. The distinct segments of the story—Osiris' death and restoration, Horus' childhood, and Horus' conflict with Set—may originally have been independent mythic episodes. If so, they must have begun to coalesce into a single story by the time of the Pyramid Texts, which loosely connect those segments. In any case, the myth was inspired by a variety of influences.[3] Much of the story is based in religious ideas[81] and the general nature of Egyptian society: the divine nature of kingship, the succession from one king to another,[82] the struggle to maintain maat,[83] and the effort to overcome death.[3] For instance, Isis and Nephthys' lamentations for their dead brother may represent an early tradition of ritualized mourning.
There are, however, important points of disagreement. The origins of Osiris are much debated, and the basis for the myth of his death is also somewhat uncertain.[85] One influential hypothesis was given by the anthropologist James Frazer, who in 1906 said that Osiris, like other "dying and rising gods" across the ancient Near East, began as a personification of vegetation. His death and restoration, therefore, were based on the yearly death and re-growth of plants.[86] Many Egyptologists adopted this explanation. But in the late 20th century, J. Gwyn Griffiths, who extensively studied Osiris and his mythology, argued that Osiris originated as a divine ruler of the dead, and his connection with vegetation was a secondary development.[87] Meanwhile, scholars of comparative religion have increasingly criticized Frazer's overarching concept of "dying and rising gods".[86] More recently, the Egyptologist Rosalie David maintains that Osiris originally "personified the annual rebirth of the trees and plants after the [Nile] inundation."


Horus and Set as supporters of the king
Another continuing debate concerns the opposition of Horus and Set, which Egyptologists have often tried to connect with political events early in Egypt's history or prehistory. The cases in which the combatants divide the kingdom, and the frequent association of the paired Horus and Set with the union of Upper and Lower Egypt, suggest that the two deities represent some kind of division within the country. Egyptian tradition and archaeological evidence indicate that Egypt was united at the beginning of its history when an Upper Egyptian kingdom, in the south, conquered Lower Egypt in the north. The Upper Egyptian rulers called themselves "followers of Horus", and Horus became the patron god of the unified nation and its kings. Yet Horus and Set cannot be easily equated with the two halves of the country. Both deities had several cult centers in each region, and Horus is often associated with Lower Egypt and Set with Upper Egypt.[30] One of the better-known explanations for these discrepancies was proposed by Kurt Sethe in 1930. He argued that Osiris was originally the human ruler of a unified Egypt in prehistoric times, before a rebellion of Upper Egyptian Set-worshippers. The Lower Egyptian followers of Horus then forcibly reunified the land, inspiring the myth of Horus' triumph, before Upper Egypt, now led by Horus worshippers, became prominent again at the start of the Early Dynastic Period.[89]
In the late 20th century, Griffiths focused on the inconsistent portrayal of Horus and Set as brothers and as uncle and nephew. He argued that, in the early stages of Egyptian mythology, the struggle between Horus and Set as siblings and equals was originally separate from the murder of Osiris. The two stories were joined into the single Osiris myth sometime before the writing of the Pyramid Texts. With this merging, the genealogy of the deities involved and the characterization of the Horus–Set conflict were altered so that Horus is the son and heir avenging Osiris' death. Traces of the independent traditions remained, in the conflicting characterizations of the combatants' relationship and in texts unrelated to the Osiris myth, which make Horus the son of the goddess Nut or the goddess Hathor rather than of Isis and Osiris. Griffiths therefore rejected the possibility that Osiris' murder was rooted in historical events.[90] This hypothesis has been accepted by more recent scholars such as Jan Assmann[55] and George Hart.[91]
Griffiths sought a historical origin for the Horus–Set rivalry, and he posited two distinct predynastic unifications of Egypt by Horus worshippers, similar to Sethe's theory, to account for it.[92] Yet the issue remains unresolved, partly because other political associations for Horus and Set complicate the picture further.[93] Before even Upper Egypt had a single ruler, two of its major cities were Nekhen, in the far south, and Naqada, many miles to the north. The rulers of Nekhen, where Horus was the patron deity, are generally believed to have unified Upper Egypt, including Naqada, under their sway. Set was associated with Naqada, so it is possible that the divine conflict dimly reflects an enmity between the cities in the distant past. Much later, at the end of the Second Dynasty (c. 2890–2686 BC), King Peribsen used the Set animal in writing his serekh-name, in place of the traditional falcon hieroglyph representing Horus. His successor Khasekhemwy used both Horus and Set in the writing of his serekh. This evidence has prompted conjecture that the Second Dynasty saw a clash between the followers of the Horus-king and the worshippers of Set led by Peribsen. Khasekhemwy's use of the two animal symbols would then represent the reconciliation of the two factions, as does the resolution of the myth.[30]
Noting the uncertainties surrounding events so far back in time, Herman te Velde argues that the historical roots of the conflict are too obscure to be very useful in understanding the myth and are not as significant as its religious meaning. He says that "the origin of the myth of Horus and Seth is lost in the mists of the religious traditions of prehistory."[81]
[edit]Influence

The effect of the Osiris myth on Egyptian culture was greater and more widespread than that of any other myth.[1] In literature, the myth was not only the basis for a retelling such as "Contendings"; it also provided the basis for more distantly related stories. "The Tale of Two Brothers", a folk tale with human protagonists, includes elements similar to the myth of Osiris.[94] One character's penis is eaten by a fish, and he later dies and is resurrected.[95] Another story, "The Tale of Truth and Falsehood", adapts the conflict of Horus and Set into an allegory, in which the characters are direct personifications of truth and lies rather than deities associated with those concepts.[94]


The opening of the mouth ceremony, a key funerary ritual, performed for Tutankhamun by his successor Ay. The deceased king takes on the role of Osiris, upon whom Horus was supposed to have performed the ceremony.[96]
From at least the time of the Pyramid Texts, kings hoped that after their deaths they could emulate Osiris' restoration to life and his rule over the realm of the dead. By the early Middle Kingdom (c. 2055–1650 BC), non-royal Egyptians believed that they, too, could overcome death as Osiris had, by worshipping him and receiving the funerary rites that were partly based on his myth. Osiris thus became Egypt's most important afterlife deity.[97] The myth also influenced the notion, which grew prominent in the New Kingdom, that only virtuous people could reach the afterlife. As the assembled deities judged Osiris and Horus to be righteous, undoing the injustice of Osiris' death, so a deceased soul had to be judged righteous in order for his or her death to be undone.[77]
As the importance of Osiris grew, so did his popularity. By late in the Middle Kingdom, the centuries-old tomb of the First Dynasty ruler Djer, near Osiris' main center of worship in the city of Abydos, was seen as Osiris' tomb. Accordingly, it became a major focus of Osiris worship. For the next 1,500 years, an annual festival procession traveled from Osiris' main temple to the tomb site. This procession made reference to, and may have ritually reenacted, Isis and Nephthys' mourning, restoration, and revival of their murdered brother.[98] Kings and commoners from across Egypt built chapels, which served as cenotaphs, near the processional route. In doing so they sought to strengthen their connection with Osiris in the afterlife.[99] Another major funerary festival, a national event spread over several days in the month of Khoiak in the Egyptian calendar, became linked with Osiris during the Middle Kingdom.[100] During Khoiak the djed pillar, an emblem of Osiris, was ritually raised into an upright position, symbolizing Osiris' restoration. By Ptolemaic times (305–30 BC), Khoiak also included the planting of seeds in an "Osiris bed", a mummy-shaped bed of soil, connecting the resurrection of Osiris with the seasonal growth of plants.[101]
The myth's religious importance extended beyond the funerary sphere. Mortuary offerings, in which family members or hired priests presented food to the deceased, were logically linked with the mythological offering of the Eye of Horus to Osiris. By analogy, this episode of the myth was eventually equated with other interactions between a human and a being in the divine realm. In temple offering rituals, the officiating priest took on the role of Horus, the gifts to the deity became the Eye of Horus, and whichever deity received these gifts was momentarily equated with Osiris.[102]
The ideology surrounding the living king was also affected by the Osiris myth. The Egyptians envisioned the events of the Osiris myth as taking place sometime in Egypt's dim prehistory, and Osiris, Horus, and their divine predecessors were included in Egyptian lists of past kings such as the Turin Royal Canon.[103] Horus, as a past king and as the personification of kingship, was regarded as the predecessor and exemplar for all Egyptian rulers. His assumption of his predecessor's throne and pious actions to sustain that spirit in the afterlife were the model for all pharaonic successions to emulate.[104] Each new king was believed to renew maat after the death of the preceding king, just as Horus had done. In royal coronations, rituals alluded to Osiris' burial, and hymns celebrated the new king's accession as the equivalent of Horus' own.[76]
The myth influenced popular religion as well. One example is the magical healing spells based on Horus' childhood. Another is the use of the Eye of Horus as a protective emblem in personal apotropaic amulets. Its mythological restoration made it appropriate for this purpose, as a general symbol of well-being.[30]
As the antagonist of the myth, Set did not enjoy increased popularity. Although he was credited with positive traits in the Osiris myth, the sinister aspects of his character predominate. Overall he was viewed with ambivalence until, during the first millennium BC, he came to be seen as a totally malevolent deity. This transformation was prompted more by his association with foreign lands than by the Osiris myth.[105] Nevertheless, in these late times, the widespread temple rituals involving the ceremonial annihilation of Set were often connected with the myth.[106]
Both Isis and Nephthys were seen as protectors of the dead in the afterlife because of their protection and restoration of Osiris' body.[107] Isis, as Horus' mother, was also the mother of every king according to royal ideology, and kings were said to have nursed at her breast as a sign of their divine legitimacy.[108] Her appeal to the general populace was based in her protective character, as exemplified by the magical healing spells. In the Late Period, she was credited with ever greater magical power, and her maternal devotion was believed to extend to everyone. By Roman times she was the most important goddess in Egypt.[109] The image of the goddess holding her child was used prominently in her worship—for example, in panel paintings that were used in household shrines dedicated to her. Isis' iconography in these paintings closely resembles and probably influenced the earliest Christian icons of Mary holding Jesus.[110]
In the late centuries BC, the worship of Isis spread from Egypt across the Mediterranean world, and she became one of the most popular deities in the region. Although this new, multicultural form of Isis absorbed characteristics from many other deities, her original mythological nature as a wife and mother was key to her appeal. Horus and Osiris, being central figures in her story, spread along with her.[111] It was to a Greek priestess of Isis that Plutarch wrote his account of the myth of Osiris.[112] Her importance continued into the fourth century AD, when Christianity eclipsed it. But Christianity absorbed many of the traditions surrounding Isis and incorporated them into the veneration of Mary, such as Isis' title "Mother of the God" (referring to Horus), which influenced Mary's title "Mother of God".[113]
Through the work of classical writers such as Plutarch, knowledge of the Osiris myth was preserved even after the middle of the first millennium AD, when Egyptian religion ceased to exist and knowledge of the writing systems that were originally used to record the myth were lost. The myth remained a major part of Western impressions of ancient Egypt. In modern times, when understanding of Egyptian beliefs is informed by the original Egyptian sources, the story continues to influence and inspire new ideas, from works of fiction to scholarly speculation and new religious movements.[114]

Citations
Zie link




 
                

Osiris:




Openbaring 14
En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt.

Openbaring 16
19 En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden der heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven den drinkbeker van den wijn des toorns Zijner gramschap.

Openbaring 17
En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde.

Openbaring 18
En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede der duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte;
10 Van verre staande uit vreze van haar pijniging, zeggende: Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in één ure gekomen.
17 Maar in één uur tijd is heel je grote rijkdom vernietigd.” Alle stuurlui, iedereen die op Babylon vaart, het scheepsvolk en alle anderen die op zee werken, bleven op een afstand
21 En een sterke engel hief een steen op als een groten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden.

Joël 2
Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, zoals van ouds niet geweest is, en na hem niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.


 


Ištar (godin) van vruchtbaarheid.
Poort van Ištar in het Pergamonmuseum, Berlijn




Openbaring 2

Derde brief: aan Pérgamus
12 En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Pérgamus is: Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft:
13 Ik weet uw werken, en waar gij woont; namelijk daar de troon des satans is, en gij houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas, Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden, daar de satan woont.
14 Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lering van Balaäm houden, die Balak leerde den kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren.
15 Alzo hebt ook gij, die de lering der Nikolaïeten houden; hetwelk Ik haat.
16 Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastelijk bijkomen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds.
17 Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam geschreven, welken niemand kent, dan die hem ontvangt.
Het Pergamon-Altaar in Berlijn


Ostara (godin) Pasen - Hemelvaart - Pinksteren (lentegodin)


Exodus 20.
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
4 Gij zult u 
geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
Gij zult u voor die niet buigen, noch (niet) hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, 
6 en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. 

Jesaja 1: 13-14. 

13 Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niethet is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.

14 Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen. 

Deuteronomium 18

20 Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, hetwelk Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven.

 
Bron: http://davidb.mystarband.net/Duduman.html
"Those that live in defilement, that meditate upon evil things, will have no escape. They will not have My protection. I will destroy Babylon," says the Lord, "because of the wickedness and blasphemy of this country. Not only here, but wherever there is sin, I will punish it harshly. Only the righteous will I save; some even out of the midst of the fire."

"The great day, the day of terror, the day of affliction, of pain; the day of the punishment of Babylonprophesied in the Bible, is soon coming, and I will only spare the righteous," says the Lord. "I forgive who I want, I make holy who I want, and I prepare who I want. Judge no one, for Mine is the judgment," says the Lord. "Each of you judge yourself. Pray and draw close to me, and if you will obey I will come to your aid. I will send a chariot of salvation and take each one out in his appointed time."
 

 


Ezechiël 30

Nog twee profetieën tegen Egypte en Faraö
Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
Mensenkind! profeteer, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Huilt: Ach die dag!
Want de dag is nabij, ja, de dag des HEEREN is nabij, een wolkige dag, het zal der heidenen tijd zijn.
En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen derzelver menigte wegnemen, en haar fondamenten zullen verbroken worden.
Morenland, en Put, en Lud, en al de gemengde hoop, en Cub, en de kinderen van het land des verbonds zullen met hen vallen door het zwaard.
6 Zo zegt de HEERE: Ja, zij zullen vallen, die Egypte ondersteunen, en de hovaardij harer sterkte zal nederdalen; van den toren van Syene af zullen zij daarin door het zwaard vallen, spreekt de Heere HEERE.
En zij zullen verwoest worden in het midden der verwoeste landen; en haar steden zullen zijn in het midden der verwoeste steden.
En zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik een vuur in Egypte zal hebben gelegd, en al haar helpers zullen verbroken worden.
Te dien dage zullen er boden van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren, om het zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart bij hen zijn, als in den dag van Egypte; want ziet, het komt aan!
10 Zo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden, door de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel.
11 Hij, en zijn volk met hem, de tirannigste der heidenen zullen aangevoerd worden, om het land te verderven; en zij zullen hun zwaarden tegen Egypte uittrekken, en het land met verslagenen vervullen.
12 En Ik zal de rivieren tot droogte maken, en het land verkopen in de hand der bozen; en Ik zal het land met zijn volheid verwoesten door de hand der vreemden: Ik, de HEERE, heb het gesproken.
13 Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook de drekgoden verdoen, en de nietige afgoden doen ophouden uit Nof; en er zal geen vorst meer zijn uit Egypteland; en Ik zal een vreze in Egypteland stellen.
14 En Ik zal Pathros verwoesten, en een vuur leggen in Zoan; en Ik zal gerichten oefenen in No.
15 En Ik zal Mijn grimmigheid uitgieten over Sin, de sterkte van Egypte; en Ik zal de menigte van No uitroeien.
16 En Ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal zeer grote pijn hebben, en No zal gespleten worden, en Nof zal dagelijks zeer bang zijn.
17 De jongelingen van Aven en Pibeseth zullen door het zwaard vallen, en de dochters zullen gaan in de gevangenis.
18 En te Tachpánhes zal de dag verduisterd worden, als Ik het juk van Egypte aldaar zal verbreken, en de hovaardij harer sterkte in haar zal ophouden; haar zal een wolk bedekken, en haar dochters zullen gaan in de gevangenis.
19 Alzo zal Ik gerichten oefenen in Egypte; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
20 Ook gebeurde het in het elfde jaar, in de eerste maand, op den zevenden der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:
21 Mensenkind! Ik heb den arm van Faraö, den koning van Egypte, verbroken; en ziet, hij zal niet verbonden worden, met pleisters op te leggen, met een windeldoek aan te doen, om dien te verbinden, om dien te sterken, dat hij het zwaard houde.
22 Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Ik wil aan Faraö, den koning van Egypte, en zal zijn armen verbreken, beideden sterken en den verbrokenen; en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen.
23 En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen.
24 En Ik zal de armen des konings van Babel sterken, en Mijn zwaard in zijn hand geven; maar Faraö’s armen zal Ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen, gelijk een dodelijk verwonde kermt.
25 Ja, Ik zal de armen des konings van Babel sterken, maar Faraö’s armen zullen daarhenen vallen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn zwaard in de hand des konings van Babel zal hebben gegeven, en hij datzelve over Egypteland zal hebben uitgestrekt.
26 En Ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen, en zal hen verspreiden in de landen; alzo zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben.




Gen 12,15
Ook zagen haar de vorsten van Faraö, en prezen haar bij Faraö; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Faraö.

Gen 12,17
Maar de HEERE plaagde Faraö met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw.

Gen 12,18
Toen riep Faraö Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is?

Gen 12,20
En Faraö gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had.

Gen 37,36
En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Pótifar, een hoveling van Faraö, overste der trawanten.

Gen 39,1
Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Pótifar, een hoveling van Faraö, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaëlieten, die hem derwaarts afgevoerd hadden.

Gen 40,2
Zodat Faraö zeer toornig werd op zijn twee hovelingen, op den overste der schenkers, en op den overste der bakkers.

Gen 40,7
Toen vraagde hij de hovelingen van Faraö, die bij hem waren in hechtenis van het huis zijns heren, zeggende: Waarom zijn uw aangezichten heden kwalijk gesteld?

Gen 40,11
En Faraö’s beker was in mijn hand; en ik nam die druiven, en drukte ze uit in Faraö’s beker, en ik gaf den beker op Faraö’s hand.

Gen 40,13
Binnen nog drie dagen zal Faraö uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en gij zult Faraö’s beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toen gij zijn schenker waart.

Gen 40,14
Doch gedenk mijner bij uzelven, wanneer het u wel gaan zal, en doe toch weldadigheid aan mij, en doe van mij melding bij Faraö, en maak, dat ik uit dit huis kome.

Gen 40,17
En in den oppersten korf was van alle spijze van Faraö, die bakkerswerk is; en het gevogelte at dezelve uit den korf, van boven mijn hoofd.

Gen 40,19
Binnen nog drie dagen zal Faraö uw hoofd verheffen van boven u, en hij zal u aan een hout hangen, en het gevogelte zal uw vlees van boven u eten.

Gen 40,20
En het geschiedde op den derden dag, den dag van Faraö’s geboorte, dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van den overste der schenkers, en het hoofd van den overste der bakkers, in het midden zijner knechten.

Gen 40,21
En hij deed den overste der schenkers wederkeren tot zijn schenkambt, zodat hij den beker op Faraö’s hand gaf.

Gen 41,1
En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Faraö droomde, en ziet, hij stond aan de rivier.

Gen 41,4
En die koeien, lelijk van aanzien, en dun van vlees, aten op die zeven koeien, schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte Faraö.

Gen 41,7
En de dunne aren verslonden de zeven vette en volle aren. Toen ontwaakte Faraö, en ziet, het was een droom.

Gen 41,8
En het geschiedde in den morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Faraö vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Faraö uitlegde.

Gen 41,9
Toen sprak de overste der schenkers tot Faraö, zeggende: Ik gedenk heden aan mijn zonden.


Gen 41,10
Faraö was zeer vertoornd op zijn dienaars, en leverde mij in bewaring ten huize van den overste der trawanten, mij en den overste der bakkers.

Gen 41,14
Toen zond Faraö en riep Jozef en zij deden hem haastelijk uit den kuil komen; en schoor hem, en men veranderde zijn klederen; en hij kwam tot Faraö.

Gen 41,15
En Faraö sprak tot Jozef: Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge; maar ik heb van u horen zeggen, als gij een droom hoort, dat gij hem uitlegt.

Gen 41,16
En Jozef antwoordde Faraö, zeggende: Het is buiten mij! God zal Faraö’s welstand aanzeggen.

Gen 41,17
Toen sprak Faraö tot Jozef: Zie, in mijn droom stond ik aan den oever der rivier;

Gen 41,25
Toen zeide Jozef tot Faraö: De droom van Faraö is één; hetgeen God is doende, heeft Hij Faraö te kennen gegeven.

Gen 41,28
Dit is het woord, hetwelk ik tot Faraö gesproken heb: hetgeen God is doende, heeft Hij Faraö vertoond.

Gen 41,32
En aangaande, dat die droom aan Faraö ten tweeden maal is herhaald, is, omdat de zaak van God vastbesloten is, en dat God haast, om dezelve te doen.

Gen 41,33
Zo zie nu Faraö naar een verstandigen en wijzen man, en zette hem over het land van Egypte.

Gen 41,34
Faraö doe zo, en bestelle opzieners over het land; en neme het vijfde deel des lands van Egypte in de zeven jaren des overvloeds.

Gen 41,35
En dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen, onder de hand van Faraö, tot spijze in de steden, en bewaren het.

Gen 41,37
En dit woord was goed in de ogen van Faraö, en in de ogen van al zijn knechten.

Gen 41,38
Zo zeide Faraö tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als dezen, in welken Gods Geest is?

Gen 41,39
Daarna zeide Faraö tot Jozef: Naardien God u dit alles heeft verkondigd, zo is er niemand zo verstandig en wijs, als gij.

Gen 41,41
Voorts sprak Faraö tot Jozef: Zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld.

Gen 41,42
En Faraö nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen klederen aantrekken, en legde een gouden keten aan zijn hals;

Gen 41,44
En Faraö zeide tot Jozef: Ik ben Faraö! doch zonder u zal niemand zijn hand of zijn voet opheffen in gans Egypteland.

Gen 41,45
En Faraö noemde Jozefs naam Zafnath Paänéah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potiféra, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.

Gen 41,46
Jozef nu was dertig jaren oud, als hij stond voor het aangezicht van Faraö, koning van Egypte; en Jozef ging uit van Faraö’s aangezicht, en hij toog door gans Egypteland.

Gen 41,55
Als nu gans Egypteland hongerde, riep het volk tot Faraö om brood; en Faraö zeide tot alle Egyptenaren: Gaat tot Jozef, doet wat hij u zegt.

Gen 42,15
Hierin zult gij beproefd worden: zo waarlijk als Faraö leeft! indien gij van hier zult uitgaan, tenzij dan, wanneer uw kleinste broeder herwaarts zal gekomen zijn!

Gen 42,16
Zendt een uit u, die uw broeder hale; maar weest gijlieden gevangen, en uw woorden zullen beproefd worden, of de waarheid bij u zij; en indien niet, zo waarlijk als Faraö leeft, zo zijt gij verspieders!

Gen 44,18
Toen naderde Juda tot hem, en zeide: Och, mijn heer! laat toch uw knecht een woord spreken voor mijns heren oren, en laat uw toorn tegen uw knecht niet ontsteken; want gij zijt even gelijk Faraö!

Gen 45,2
En hij verhief zijn stem met wenen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat het Faraö’s huis hoorde.

Gen 45,8
Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Faraö’s vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het ganse land van Egypte.

Gen 45,16
Als dit gerucht in het huis van Faraö gehoord werd, dat zeide: Jozefs broeders zijn gekomen! was het goed in de ogen van Faraö, en in de ogen van zijn knechten.

Gen 45,17
En Faraö zeide tot Jozef: Zeg tot uw broederen: Doet dit, laadt uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaän;

Gen 45,21
En de zonen van Israël deden alzo. Zo gaf Jozef hun wagenen, naar Faraö’s bevel; ook gaf hij hun teerkost op den weg.

Gen 46,5
Toen maakte zich Jakob op van Ber-séba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Faraö gezonden had, om hem te voeren.

Gen 46,31
Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Faraö boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaän waren, zijn tot mij gekomen.

Gen 46,33
Wanneer het nu geschieden zal, dat Faraö ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uw hantering?

Gen 47,1
Toen kwam Jozef en boodschapte Faraö, en zeide: Mijn vader en mijn broeders, en hun schapen, en hun runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaän; en zie, zij zijn in het land Gosen.

Gen 47,2
En hij nam een deel zijner broederen, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Faraö’s aangezicht.

Gen 47,3
Toen zeide Faraö tot zijn broederen: Wat is uw hantering? En zij zeiden tot Faraö: Uw knechten zijn schaapherders, zo wij als onze vaders.

Gen 47,4
Voorts zeiden zij tot Faraö: Wij zijn gekomen, om als vreemdelingen in dit land te wonen; want er is geen weide voor de schapen, die uw knechten hebben, dewijl de honger zwaar is in het land Kanaän; en nu, laat toch uw knechten in het land Gosen wonen!

Gen 47,5
Toen sprak Faraö tot Jozef, zeggende: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen;

Gen 47,7
En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Faraö’s aangezicht; en Jakob zegende Faraö.

Gen 47,8
En Faraö zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens!

Gen 47,9
En Jakob zeide tot Faraö: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.

Gen 47,10
En Jakob zegende Faraö, en ging uit van Faraö’s aangezicht.

Gen 47,11
En Jozef voor Jakob en zijn broederen woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Raméses, gelijk als Faraö geboden had.

Gen 47,14
Toen verzamelde Jozef al het geld, dat in Egypteland en in het land Kanaän gevonden werd, voor het koren, dat zij kochten; en Jozef bracht dat geld in Faraö’s huis.

Gen 47,19
Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Faraö dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde!

Gen 47,20
Alzo kocht Jozef het gehele land van Egypte voor Faraö; want de Egyptenaars verkochten een ieder zijn akker, dewijl de honger sterk over hen geworden was; zo werd het land Faraö’s eigen.

Gen 47,22
Alleen het land der priesteren kocht hij niet, want de priesters hadden een bescheiden deel van Faraö, en zij aten hun bescheiden deel, hetwelk hun Faraö gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet.

Gen 47,23
Toen zeide Jozef tot het volk: Ziet, ik heb heden u en uw land gekocht voor Faraö; ziet, daar is zaad voor u, opdat gij het land bezaait.

Gen 47,24
Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij aan Faraö het vijfde deel zult geven, en de vier delen zullen voor u zijn, tot zaad des velds, en tot uw spijze en van degenen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderkens.

Gen 47,25
En zij zeiden: Gij hebt ons leven behouden; laat ons genade vinden in de ogen mijns heren, en wij zullen Faraö’s knechten zijn.

Gen 47,26
Jozef dan stelde ditzelve in tot een wet, tot op dezen dag, over het land van Egypte, dat Faraö het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land der priesteren van Faraö niet werd.

Gen 50,4
Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Faraö, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Faraö, zeggende:

Gen 50,6
En Faraö zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren.

Gen 50,7
En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Faraö’s knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van Egypte;

Ex 1,11
En zij zetten oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hun lasten; want men bouwde voor Faraö schatsteden, Pitom en Raämses.

Ex 1,19
En de vroedvrouwen zeiden tot Faraö: Omdat de Hebreïnnen niet zijn gelijk de Egyptische vrouwen; want zij zijn sterk; eer de vroedvrouw tot haar komt, zo hebben zij gebaard.

Ex 1,22
Toen gebood Faraö aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult gij in de rivier werpen, maar al de dochteren in het leven behouden.

Ex 2,5
En de dochter van Faraö ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen.

Ex 2,7
Toen zeide zijn zuster tot Faraö’s dochter: Zal ik heengaan, en u een voedstervrouw uit de Hebreïnnen roepen, die dat knechtje voor u zoge?

Ex 2,8
En de dochter van Faraö zeide tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging, en riep des knechtjes moeder.

Ex 2,9
Toen zeide Faraö’s dochter tot haar: Neem dit knechtje heen, en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het.

Ex 2,10
En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Faraö’s dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.

Ex 2,15
Als nu Faraö deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden; doch Mozes vlood voor Faraö’s aangezicht, en woonde in het land Midian, en hij zat bij een waterput.

Ex 3,10
Zo kom nu, en Ik zal u tot Faraö zenden, opdat gij Mijn volk (de kinderen Israëls) uit Egypte voert.

Ex 3,11

Toen zeide Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Faraö zou gaan; en dat ik de kinderen Israëls uit Egypte zou voeren?

Ex 4,21
En de HEERE zeide tot Mozes: Terwijl gij heentrekt, om weder in Egypte te keren, zie toe, dat gij al de wonderen doet voor Faraö, die Ik in uw hand gesteld heb; doch Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.

Ex 4,22
Dan zult gij tot Faraö zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.

Ex 5,1
En daarna gingen Mozes en Aäron heen, en zeiden tot Faraö: Alzo zegt de HEERE, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn!

Ex 5,2
Maar Faraö zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken.

Ex 5,5
Verder zeide Faraö: Ziet, het volk des lands is alreeds te veel; en zoudt gijlieden hen doen rusten van hun lasten?

Ex 5,6
Daarom beval Faraö, ten zelfden dage, aan de aandrijvers onder het volk, en deszelfs ambtlieden, zeggende:

Ex 5,10
Toen gingen de aandrijvers des volks uit, en deszelfs ambtlieden, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Faraö: Ik zal ulieden geen stro geven.

Ex 5,14
En de ambtlieden der kinderen Israëls, die Faraö’s aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zeide: Waarom hebt gijlieden uw gezette werk niet voleindigd, in het maken der tichelstenen, gelijk te voren, alzo ook gisteren en heden?

Ex 5,15
Derhalve gingen de ambtlieden der kinderen Israëls, en schreeuwden tot Faraö, zeggende: Waarom doet gij uw knechten alzo?

Ex 5,20
En zij ontmoetten Mozes en Aäron, die tegen hen over stonden, toen zij van Faraö uitgingen.

Ex 5,21
En zeiden tot hen: De HEERE zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Faraö, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.

Ex 5,23
Want van toen af, dat ik tot Faraö ben ingegaan, om in Uw Naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt Uw volk geenszins verlost.

Ex 5,24
Toen zeide de HEERE tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Faraö doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven.

Ex 6,10
Ga heen, spreek tot Faraö, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken late.

Ex 6,11
Doch Mozes sprak voor den HEERE, zeggende: Zie, de kinderen Israëls hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Faraö horen? Daartoe ben ik onbesneden van lippen.

Ex 6,12
Evenwel sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israëls, en aan Faraö, den koning van Egypte, om de kinderen Israëls uit Egypteland te leiden.

Ex 6,26
Dezen zijn het, die tot Faraö, den koning van Egypte, spraken, opdat zij de kinderen Israëls uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aäron.

Ex 6,28
Zo sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Ik ben de HEERE! spreek tot Faraö, den koning van Egypte, alles, wat Ik tot u spreek.

Ex 6,29
Toen zeide Mozes voor het aangezicht des HEEREN: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Faraö naar mij horen?

Ex 7,1
Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een god gezet over Faraö; en Aäron, uw broeder, zal uw profeet zijn.

Ex 7,2
Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aäron, uw broeder, zal tot Faraö spreken, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken laat.

Ex 7,3
Doch Ik zal Faraö’s hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderheden in Egypteland vermenigvuldigen.

Ex 7,4
Faraö nu zal naar ulieden niet horen, en Ik zal Mijn hand aan Egypte leggen, en voeren Mijn heiren, Mijn volk, de kinderen Israëls, uit Egypteland, door grote gerichten.
107.
Ex 7,7

En Mozes was tachtig jaar oud, en Aäron was drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Faraö spraken.

Ex 7,9
Wanneer Faraö tot ulieden spreken zal, zeggende: Doet een wonderteken voor ulieden; zo zult gij tot Aäron zeggen: Neem uw staf, en werp hem voor Faraö’s aangezicht neder; hij zal tot een draak worden.

Ex 7,10
Toen ging Mozes en Aäron tot Faraö henen in, en deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en Aäron wierp zijn staf neder voor Faraö’s aangezicht, en voor het aangezicht zijner knechten; en hij werd tot een draak.

Ex 7,11
Faraö nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen.

Ex 7,13
Doch Faraö’s hart verstokte, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.

Ex 7,14
Toen zeide de HEERE tot Mozes: Faraö’s hart is zwaar; hij weigert het volk te laten trekken.

Ex 7,15
Ga heen tot Faraö in den morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het water toe, zo stel u tegen hem over aan den oever der rivier, en den staf, die in een slang is veranderd geweest, zult gij in uw hand nemen.

Ex 7,20
Mozes nu en Aäron deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en hij hief den staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Faraö, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd.

Ex 7,22
Doch de Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen; zodat Faraö’s hart verstokte, en hij hoorde naar hen niet, gelijk als de HEERE gesproken had.

Ex 7,23
En Faraö keerde zich om, en ging naar zijn huis; en hij zette zijn hart daar ook niet op.

Ex 8,1
Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Faraö, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.

Ex 8,8
En Faraö riep Mozes en Aäron, en zeide: Bidt vuriglijk tot den HEERE, dat Hij de vorsen van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij den HEERE offeren.

Ex 8,9
Doch Mozes zeide tot Faraö: Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uw knechten, en voor uw volk, vuriglijk bidden, om deze vorsen van u en van uw huizen te verdelgen, dat zij alleen in de rivier overblijven?

Ex 8,12
Toen ging Mozes en Aäron uit van Faraö; en Mozes riep tot den HEERE, ter oorzake der vorsen, die Hij Faraö had opgelegd.

Ex 8,15
Toen nu Faraö zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk als de HEERE gesproken had.

Ex 8,19
Toen zeiden de tovenaars tot Faraö: Dit is Gods vinger! Doch Faraö’s hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.

Ex 8,20
Verder zeide de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Faraö’s aangezicht; zie, hij zal aan het water uitgaan, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen;

Ex 8,24
En de HEERE deed alzo; en er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Faraö, en in de huizen van zijn knechten, en over het ganse Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging.

Ex 8,25
Toen riep Faraö Mozes en Aäron, en zeide: Gaat heen, en offert uwen God in dit land.

Ex 8,28
Toen zeide Faraö: Ik zal u trekken laten, dat gijlieden den HEERE, uwen God, offert in de woestijn; alleen, dat gijlieden in het gaan geenszins te verre trekt! Bidt vuriglijk voor mij.

Ex 8,29
Mozes nu zeide: Zie, ik ga van u, en zal tot den HEERE vuriglijk bidden, dat deze vermenging van ongedierte van Faraö, van zijn knechten, en van zijn volk morgen wegwijke! Alleen, dat Faraö niet meer bedriegelijk handele, dit volk niet latende gaan, om den HEERE te offeren.

Ex 8,30
Toen ging Mozes uit van Faraö, en bad vuriglijk tot den HEERE.

Ex 8,31
En de HEERE deed naar het woord van Mozes, en de vermenging van ongedierte week van Faraö, van zijn knechten, en van zijn volk; er bleef niet één over.

Ex 8,32
Doch Faraö verzwaarde zijn hart ook op ditmaal, en hij liet het volk niet trekken.

Ex 9,1
Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Faraö, en spreek tot hem: Alzo zegt de HEERE, de God der Hebreeën: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij diene.

Ex 9,7
En Faraö zond er heen, en ziet, van het vee van Israël was niet tot één toe gestorven. Doch het hart van Faraö werd verzwaard, en hij liet het volk niet trekken.

Ex 9,8
Toen zeide de HEERE tot Mozes en tot Aäron: Neemt gijlieden uw vuisten vol as uit den oven; en Mozes strooie die naar den hemel voor de ogen van Faraö.

Ex 9,10
En zij namen as uit den oven, en stonden voor Faraö’s aangezicht; en Mozes strooide die naar den hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan de mensen en aan het vee;

Ex 9,12
Doch de HEERE verstokte Faraö’s hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had.

Ex 9,13
Toen zeide de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Faraö’s aangezicht, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der Hebreeën: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.

Ex 9,20
Wie onder Faraö’s knechten des HEEREN woord vreesde, die deed zijn knechten en zijn vee in de huizen vlieden;

Ex 9,27
Toen schikte Faraö heen, en hij riep Mozes en Aäron, en zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; de HEERE is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen!

Ex 9,33
Zo ging Mozes van Faraö ter stad uit, en breidde zijn handen tot den HEERE; de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet meer uitgegoten op de aarde.

Ex 9,34
Toen Faraö zag, dat de regen en hagel, en de donder ophielden, zo verzondigde hij zich verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijn knechten.

Ex 9,35
Alzo werd Faraö’s hart verstokt, dat hij de kinderen Israëls niet trekken liet, gelijk als de HEERE gesproken had door Mozes.

Ex 10,1
Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Faraö; want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart zijner knechten, opdat Ik deze Mijn tekenen in het midden van hen zette;

Ex 10,3
Zo gingen Mozes en Aäron tot Faraö, en zeiden tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der Hebreeën: Hoe lang weigert gij u voor Mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.

Ex 10,6
En zij zullen vervullen uw huizen, en de huizen van al uw knechten, en de huizen van alle Egyptenaren; dewelke uw vaders, noch de vaderen uwer vaders gezien hebben, van dien dag af, dat zij op den aardbodem geweest zijn, tot op dezen dag. En hij keerde zich om, en ging uit van Faraö.

Ex 10,7
En de knechten van Faraö zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot een strik zijn, laat de mannen trekken, dat zij den HEERE hun God dienen! weet gij nog niet, dat Egypte verdorven is?

Ex 10,8
Toen werden Mozes en Aäron weder tot Faraö gebracht, en hij zeide tot hen: Gaat henen, dient den HEERE, uw God! wie en wie zijn zij, die gaan zullen?

Ex 10,11
Niet alzo gij, mannen, gaat nu heen, en dient den HEERE; want dat hebt gijlieden verzocht! En dreef hen uit van Faraö’s aangezicht.

Ex 10,16
Toen haastte Faraö, om Mozes en Aäron te roepen, en zeide: Ik heb gezondigd tegen den HEERE, uw God, en tegen ulieden.

Ex 10,18
En hij ging uit van Faraö, en bad vuriglijk tot den HEERE.

Ex 10,20
Doch de HEERE verstokte Faraö’s hart, dat hij de kinderen Israëls niet liet trekken.

Ex 10,24
Toen riep Faraö Mozes, en zeide: Gaat heen, dient den HEERE! alleen uw schapen en uw runderen zullen vast blijven; ook zullen uw kinderkens met u gaan.

Ex 10,27
Doch de HEERE verhardde Faraö’s hart; en hij wilde hen niet laten trekken.

Ex 10,28
Maar Faraö zeide tot hem: Ga van mij! wacht u, dat gij niet meer mijn aangezicht ziet; want op welken dag gij mijn aangezicht zult zien, zult gij sterven!

Ex 11,1
(Want de HEERE had tot Mozes gesproken: Ik zal nog één plaag over Faraö, en over Egypte brengen, daarna zal hij ulieden van hier laten trekken; als hij u geheellijk zal laten trekken, zo zal hij u haastelijk van hier uitdrijven.

Ex 11,3
En de HEERE gaf het volk genade in de ogen der Egyptenaren; ook was de man Mozes zeer groot in Egypteland voor de ogen van Faraö’s knechten, en voor de ogen des volks.)

Ex 11,5
En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Faraö’s eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot den eerstgeborene der dienstmaagd, die achter den molen is, en alle eerstgeborenen van het vee.

Ex 11,8
Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, gij en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Faraö in hitte des toorns.

Ex 11,9
De HEERE dan had tot Mozes gesproken: Faraö zal naar ulieden niet horen, opdat Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigd worden.
159.
Ex 11,10

En Mozes en Aäron hebben al deze wonderen gedaan voor Faraö’s aangezicht; doch de HEERE verhardde Faraö’s hart, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land niet trekken liet.

Ex 12,29
En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Faraö af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van den gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten.


Ex 12,30
En Faraö stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was.

Ex 13,15
Want het geschiedde, toen Faraö zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde de HEERE alle eerstgeborenen in Egypteland, van des mensen eerstgeborene af, tot den eerstgeborene der beesten; daarom offer ik den HEERE de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; doch alle eerstgeborenen mijner zonen los ik.

Ex 13,17
En het is geschied, toen Faraö het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op den weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was; want God zeide: Dat het den volke niet rouwe, als zij den strijd zien zouden, en wederkeren naar Egypte.

Ex 14,3
Faraö dan zal zeggen van de kinderen Israëls: Zij zijn verward in het land; die woestijn heeft hen besloten.

Ex 14,4
En Ik zal Faraö’s hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Faraö en aan al zijn heir verheerlijkt worden, alzo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben. En zij deden alzo.

Ex 14,5
Toen nu den koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is het hart van Faraö en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israël hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden?

Ex 14,8
Want de HEERE verstokte het hart van Faraö, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls najaagde; doch de kinderen Israëls waren door een hoge hand uitgegaan.

Ex 14,9
En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Faraö en zijn ruiters, en zijn heir; nevens Pi-Hachirôth, voor Baäl-Zefon.

Ex 14,10
Als Faraö nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israëls hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israëls tot den HEERE.

Ex 14,17
En Ik, zie, Ik zal het hart der Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Faraö en aan al zijn heir, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren.

Ex 14,18
En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Faraö, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren.

Ex 14,23
En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden van Faraö, zijn wagenen en zijn ruiteren, in het midden van de zee.

Ex 14,28
Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagenen en de ruiters van het ganse heir van Faraö, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet één van hen over.

Ex 15,4
Hij heeft Faraö’s wagenen en zijn heir in de zee geworpen; en de keure zijner hoofdlieden zijn verdronken in de Schelfzee.

Ex 15,19
Want Faraö’s paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren der zee over hen doen wederkeren; maar de kinderen Israëls zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.

Ex 18,4
En de naam des anderen was Eliézer, want, zeide hij, de God mijns vaders is tot mijn Hulpe geweest, en heeft mij verlost van Faraö’s zwaard.

Ex 18,8
En Mozes vertelde zijn schoonvader alles, wat de HEERE aan Faraö en aan de Egyptenaren gedaan had, om Israëls wil; al de moeite, die hun op dien weg ontmoet was, en dat hen de HEERE verlost had.

Ex 18,10
En Jethro zeide: Gezegend zij de HEERE, Die ulieden verlost heeft uit de hand der Egyptenaren, en uit Faraö’s hand; Die dit volk van onder de hand der Egyptenaren verlost heeft!

Deut 6,21
Zo zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Faraö in Egypte; maar de HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd.

Deut 6,22
En de HEERE gaf tekenen, en grote en kwade wonderen, in Egypte, aan Faraö en aan zijn ganse huis, voor onze ogen;

Deut 7,8
Maar omdat de HEERE ulieden liefhad, en opdat Hij hield den eed, dien Hij uw vaderen gezworen had, heeft u de HEERE met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Faraö, koning van Egypte.

Deut 7,18
Vreest niet voor hen; gedenkt steeds, wat de HEERE, uw God, aan Faraö en aan alle Egyptenaren gedaan heeft;

Deut 11,3
Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Faraö, den koning van Egypte, en aan zijn ganse land;

Deut 29,2
En Mozes riep gans Israël, en zeide tot hen: Gij hebt gezien al wat de HEERE in Egypteland voor uw ogen gedaan heeft, aan Faraö, en aan al zijn knechten, en aan zijn land;

Deut 34,11
In al de tekenen en de wonderen, waartoe hem de HEERE gezonden heeft, om die in Egypteland te doen aan Faraö, en aan al zijn knechten, en aan al zijn land;

1 Sam 2,27
En er kwam Gods tot Eli, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij klaarlijk geopenbaard aan het huis uws vaders, toen zij in Egypte waren, in het huis van Faraö?

1 Sam 6,6
Waarom toch zoudt gijlieden uw hart verzwaren, gelijk de Egyptenaars en Faraö hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen Hij wonderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken, dat zij heengingen?

1 Kon 3,1
En Sálomo verzwagerde zich met Faraö, den koning van Egypte; en nam de dochter van Faraö, en bracht ze in de stad Davids totdat hij voleind zou hebben het bouwen van zijn huis, en het huis des HEEREN, en den muur van Jeruzalem rondom.

1 Kon 7,8
En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, hetwelk aan hetzelve werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Faraö, die Sálomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk.

1 Kon 9,16
Want Faraö, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gezer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanaänieten, die in de stad woonden, gedood, en had haar aan zijn dochter, de huisvrouw van Sálomo, tot een geschenk gegeven.

1 Kon 9,24
Doch de dochter van Faraö toog van de stad Davids op tot haar huis, hetwelk hij voor haar gebouwd had; toen bouwde hij Millo.

1 Kon 11,1
En de koning Sálomo had veel vreemde vrouwen lief, en dat benevens de dochter van Faraö: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische;

1 Kon 11,18
En zij maakten zich op van Midian, en kwamen tot Paran; en namen met zich mannen van Paran, en kwamen in Egypte tot Faraö, den koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem voeding toezeide, en hem een land gaf.

1 Kon 11,19
En Hadad vond grote genade in de ogen van Faraö, zodat hij hem tot een vrouw gaf de zuster zijner huisvrouw, de zuster van Táchpenes, de koningin.

1 Kon 11,20
En de zuster van Táchpenes baarde hem zijn zoon Genúbath, denwelken Táchpenes optoog in het huis van Faraö; zodat Genúbath in het huis van Faraö was, onder de zonen van Faraö.

1 Kon 11,21
Toen nu Hadad in Egypte hoorde, dat David met zijn vaderen ontslapen, en dat Joab, de krijgsoverste, dood was, zeide Hadad tot Faraö: Laat mij gaan, dat ik in mijn land trekke.

1 Kon 11,22
Doch Faraö zeide: Maar wat ontbreekt u bij mij, dat, zie, gij in uw land zoekt te trekken? En hij zeide: Niets, maar laat mij evenwel gaan.

2 Kon 17,7
Want het was geschied, dat de kinderen Israëls gezondigd hadden tegen den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Faraö, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd;

2 Kon 18,21
Zie, nu vertrouwt gij u op dien gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren; alzo is Faraö, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen.

2 Kon 23,29
In zijn dagen toog Faraö Necho, de koning van Egypte, op tegen den koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josía toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had.

2 Kon 23,33
Doch Faraö Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.

2 Kon 23,34
Ook maakte Faraö Necho Eljákim, den zoon van Josía, koning, in de plaats van zijn vader Josía, en veranderde zijn naam in Jójakim; maar Jóahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar.

2 Kon 23,35
En Jójakim gaf dat zilver en dat goud aan Faraö; doch hij schatte het land, om dat naar het bevel van Faraö te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan Faraö Necho te geven.

1 Kron 4,18
En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jekúthiël, den vader van Zanóah; en die zijn kinderen van Bitja, de dochter van Faraö, die Mered genomen had.

2 Kron 8,11
Sálomo nu deed de dochter van Faraö opkomen uit de stad Davids, tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had; want hij zeide: Mijn vrouw zal in het huis van David, den koning van Israël, niet wonen, omdat de plaatsen heilig zijn, tot dewelke de ark des HEEREN gekomen is.

Neh 9,10
En Gij hebt tekenen en wonderen gedaan aan Faraö, en aan al zijn knechten, en aan al het volk zijns lands; want Gij wist, dat zij trotselijk tegen hen handelden; en Gij hebt U een Naam gemaakt, als het is te dezen dage.

Ps 135,9
Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Faraö en tegen al zijn knechten.

Ps 136,15
Hij heeft Faraö met zijn heir gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Hoogl 1,9
Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Faraö.

Jes 19,11
Gewisselijk, de vorsten van Zoan zijn dwazen, de raad der wijzen, der raadgevers van Faraö, is onvernuftig geworden; hoe kunt gijlieden dan zeggen tot Faraö; Ik ben een zoon der wijzen, een zoon der oude koningen?

Jes 30,2
Die gaan, om af te trekken in Egypte, en vragen Mijn mond niet; om zich te sterken met de macht van Faraö, en om hun toevlucht te nemen onder de schaduw van Egypte.

Jes 30,3
Want de sterkte van Faraö zal ulieden tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande.

Jes 36,6
Zie, gij vertrouwt op dien gebrokenen rietstaf, op Egypte; op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; alzo is Faraö, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen.

Jer 25,19
Faraö, den koning van Egypte, en zijn knechten, en zijn vorsten, en al zijn volk;

Jer 37,5
En Faraö’s heir was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeeën, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen).

Jer 37,7
Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Zo zult gijlieden zeggen tot den koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Faraö’s heir, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal wederkeren in zijn land, in Egypte;

Jer 37,11
Voorts geschiedde het, als het heir der Chaldeeën van Jeruzalem was opgetogen, vanwege Faraö’s heir;

Jer 43,9
Neem grote stenen in uw hand, en verberg ze in de klei in den ticheloven, die bij de deur van Faraö’s huis te Tachpanhes is, voor de ogen der Joodse mannen;

Jer 44,30
Alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal Faraö Hofra, den koning van Egypte, geven in de hand zijner vijanden, en in de hand dergenen, die zijn ziel zoeken, gelijk als Ik Zedekía, den koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrézar, den koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht.

Jer 46,2
Tegen Egypte; tegen het heir van Faraö Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrézar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda.

Jer 46,17
Daar riepen zij: Faraö, de koning van Egypte, is maar een gedruis; hij heeft den gezetten tijd laten voorbijgaan.

Jer 46,25
De HEERE der heirscharen, de God Israëls, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Faraö, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Faraö, en over degenen, die op hem vertrouwen.

Jer 47,1
Het woord des HEEREN, dat tot den profeet Jeremía geschiedde, tegen de Filistijnen; eer dat Faraö Gaza sloeg.

Ez 17,17
Ook zal Faraö, door een groot heir en door menigte van krijgsvergadering, met hem in oorlog niets uitrichten als een wal zal opwerpen, en als men sterkten bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.

Ez 29,2
Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Faraö, den koning van Egypte, en profeteer tegen hem, en tegen het ganse Egypte.

Ez 29,3
Spreek en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Faraö, koning van Egypte! dien groten zeedraak, die in het midden zijner rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.

Ez 30,21
Mensenkind! Ik heb den arm van Faraö, den koning van Egypte, verbroken; en ziet, hij zal niet verbonden worden, met pleisters op te leggen, met een windeldoek aan te doen, om dien te verbinden, om dien te sterken, dat hij het zwaard houde.

Ez 30,22
Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Ik wil aan Faraö, den koning van Egypte, en zal zijn armen verbreken, beide den sterken en den verbrokenen; en Ik zal het zwaard uit zijn hand doen vallen.

Ez 30,24
En Ik zal de armen des konings van Babel sterken, en Mijn zwaard in zijn hand geven; maar Faraö’s armen zal Ik verbreken, dat hij voor zijn aangezicht zal kermen, gelijk een dodelijk verwonde kermt.

Ez 30,25
Ja, Ik zal de armen des konings van Babel sterken, maar Faraö’s armen zullen daarhenen vallen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn zwaard in de hand des konings van Babel zal hebben gegeven, en hij datzelve over Egypteland zal hebben uitgestrekt.

Ez 31,2
Mensenkind! zeg tot Faraö, den koning van Egypte, en tot zijn menigte: Wien zijt gij gelijk in uw grootheid?

Ez 31,18
Wien zijt gij alzo gelijk in heerlijkheid en grootheid, onder de bomen van Eden? Ja, gij zult nedergevoerd worden met de bomen van Eden, tot het onderste der aarde; in het midden der onbesnedenen zult gij liggen, met de verslagenen door het zwaard. Dat is Faraö, en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.

Ez 32,2
Mensenkind! hef een klaaglied op over Faraö, den koning van Egypte, en zeg tot hem: Gij waart een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en gij waart als een zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uw rivieren, en beroerdet het water met uw voeten, en vermodderdet hunlieder rivieren.

Ez 32,31
Faraö zal henlieden zien, en zich troosten over zijn ganse menigte; de verslagenen van het zwaard, Faraö en zijn ganse heir, spreekt de Heere HEERE.

Ez 32,32
Want Ik heb ook Mijn schrik gegeven in het land der levenden; dies zal hij gelegd worden in het midden der onbesnedenen bij de verslagenen van het zwaard, Faraö en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.

Hand 7,10
En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Faraö, den koning van Egypteland; en hij stelde hem tot een overste over Egypte, en zijn gehele huis.

Hand 7,13
En in de tweede reize werd Jozef zijn broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Faraö openbaar.

Hand 7,21
En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Faraö op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.

Rom 9,17
Want de Schrift zegt tot Faraö: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de ganse aarde.

Heb 11,24
Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Faraö’s dochter genoemd te worden;




















Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen