Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Homo's / Lesbiens / Bi-sexueel

Genesis 1

    26 
En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.
27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.
28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!
29 En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de ganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze!
30 Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.
31 En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.

(Zie ook bij het Huwelijk voor de rest).

Genesis 2

20 Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds; maar voor den mens vond hij geen hulpe, die als tegen hem over ware.
21 Toen deed de HEERE God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees.
22 En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam.
23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is.
24 Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot één vlees zijn.
25 En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaamden zich niet.

Genesis 5

Dit is het boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.
Man en vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde hun naam Mens, ten dage als zij geschapen werden.
En Adam leefde honderd en dertig jaren, en gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.
 
Leviticus 20

Straffen tegen verschillende misdaden
Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Gij zult ook tot de kinderen Israëls zeggen: Een ieder uit de kinderen Israëls, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad den Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk des lands zal hem met stenen stenigen.
En Ik zal Mijn aangezicht tegen dien man zetten, en zal hem uit het midden zijns volks uitroeien; want hij heeft van zijn zaad den Molech gegeven, opdat hij Mijn heiligdom ontreinigen, en Mijn heiligen Naam ontheiligen zou.
En indien het volk des lands hun ogen enigszins verbergen zal van dien man, als hij van zijn zaad den Molech zal gegeven hebben, dat het hem niet dode;
Zo zal Ik Mijn aangezicht tegen dien man en tegen zijn huisgezin zetten, en Ik zal hem, en al degenen, die hem nahoereren, om den Molech na te hoereren, uit het midden huns volks uitroeien.
Wanneer er een ziel is, die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereren, zo zal Ik Mijn aangezicht tegen die ziel zetten, en zal ze uit het midden haars volks uitroeien.
Daarom heiligt u, en weest heilig; want Ik ben de HEERE, uw God!
En onderhoudt Mijn inzettingen, en doet dezelve; Ik ben de HEERE, Die u heilige.
Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!
10 Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, dewijl hij met zijns naasten vrouw overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster.
11 En een man, die bij zijns vaders huisvrouw zal gelegen hebben, heeft zijns vaders schaamte ontdekt; zij beiden zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!
12 Insgelijks, als een man bij de vrouw zijns zoons zal gelegen hebben, zij zullen beiden zekerlijk gedood worden; zij hebben een gruwelijke vermenging gedaan; hun bloed is op hen!
13 Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!
14 En wanneer een man een vrouw en haar moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem, en diezelve met vuur verbranden, opdat geen schandelijke daad in het midden van u zij.
15 Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult gijlieden het beest doden.
16 Alzo wanneer een vrouw tot enig beest genaderd zal zijn, om daarmede te doen te hebben, zo zult gij die vrouw en dat beest doden; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!
17 En als een man zijn zuster, de dochter zijns vaders, of de dochter zijner moeder, zal genomen hebben, en hij haar schaamte gezien, en zij zijn schaamte zal gezien hebben, het is een schandvlek; daarom zullen zij voor de ogen van de kinderen huns volks uitgeroeid worden; hij heeft de schaamte zijner zuster ontdekt, hij zal zijn ongerechtigheid dragen.
18 En als een man bij een vrouw, die haar krankheid heeft, zal gelegen en haar schaamte ontdekt, haar fontein ontbloot, en zij zelve de fontein haars bloeds ontdekt zal hebben, zo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden.
19 Daartoe zult gij de schaamte van de zuster uwer moeder, en van de zuster uws vaders niet ontdekken; dewijl hij zijn nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hun ongerechtigheid dragen.
20 Als ook een man bij zijn moei zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte zijns ooms ontdekt; zij zullen hun zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven.
21 En wanneer een man zijns broeders huisvrouw zal genomen hebben, het is onreinigheid; hij heeft de schaamte zijns broeders ontdekt; zij zullen zonder kinderen zijn.
22 Onderhoudt dan al Mijn inzettingen en al Mijn rechten, en doet dezelve; opdat u dat land, waarheen Ik u brenge, om daarin te wonen, niet uitspuwe.
23 En wandelt niet in de inzettingen des volks, hetwelk Ik voor uw aangezicht uitwerp; want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben Ik op hen verdrietig geworden.
24 En Ik heb u gezegd: Gij zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat gij hetzelve erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honig; Ik ben de HEERE, uw God, Die u van de volken afgezonderd heb!
25 Daarom zult gij onderscheid maken tussen reine en onreine beesten, en tussen het onreine en reine gevogelte; en gij zult uw zielen niet verfoeilijk maken aan de beesten en aan het gevogelte, en aan al wat op den aardbodem kruipt, hetwelk Ik voor u afgezonderd heb, opdat gij het onrein houdt.
26 En gij zult Mij heilig zijn, want Ik, de HEERE, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat gij Mijns zoudt zijn.
27 Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggenden geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen.

Deuteronomium 24

Voorrechten van den jonggehuwde
Wanneer een man een nieuwe vrouw zal genomen hebben, die zal in het heir (oorlog) niet uittrekken, en men zal hem geen last opleggen; een jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijn vrouw, die hij genomen heeft, verheugen.

1 Sam 18:17
Derhalve zeide Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleenlijk, wees mij een dapper zoon, en voer den krijg des HEEREN. Want Saul zeide: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand der Filistijnen tegen hem zij.

1 Sam 18:19
Het geschiedde nu ten tijde als men Merab, de dochter van Saul, aan David geven zou, zo is zij aan Adriël, den Meholathiet, ter vrouw gegeven.

1 Sam 18:27
Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze den koning volkomenlijk, opdat hij schoonzoon des konings worden zou. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal ter vrouw.

1 Kon 4:11
De zoon van Abinádab had de ganse landstreek van Dôr; deze had Tafath, de dochter van Sálomo, tot een vrouw.

1 Kon 7:8
En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, hetwelk aan hetzelve werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Faraö, die Sálomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk.

1 Kon 11:19
En Hadad vond grote genade in de ogen van Faraö, zodat hij hem tot een vrouw gaf de zuster zijner huisvrouw, de zuster van Táchpenes, de koningin. 
 
Decision Point - "Gender Confusion" - 06/19/13


Gen 2:24 Man and Woman are one. Not man and man, woman and woman. You YHWH haters and sinners of His laws.

 
Bron:

Richteren 19

20 Toen zeide de oude man: Vrede zij u! al wat u ontbreekt, is toch bij mij; alleenlijk vernacht niet op de straat.
21 En hij bracht hem in zijn huis, en gaf aan de ezelen voeder; en hun voeten gewassen hebbende, zo aten en dronken zij.
22 Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad (mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot den ouden man, den heer des huizes, zeggende: Breng den man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen. (Sex hebben)
23 En de man, de heer des huizes, ging tot hen uit, en zeide tot hen: Niet, mijn broeders, doet toch zo kwalijk niet; naardien deze man in mijn huis gekomen is, zo doet zulke dwaasheid niet.
24 Ziet, mijn dochter, die maagd is, en zijn bijwijf, die zal ik nu uitbrengen, dat gij die schendt, en haar doet, wat goed is in uw ogen;maar doet aan dezen man zulk een dwaas ding niet.
25 Maar de mannen wilden naar hem niet horen. Toen greep de man zijn bijwijf, en bracht haar uit tot hen daarbuiten; en zij bekenden haar, en waren met haar bezig den gansen nacht tot aan den morgen, en lieten haar gaan, als de dageraad oprees.
26 En deze vrouw kwam tegen het aanbreken van den morgenstond, en viel neder voor de deur van het huis des mans, waarin haar heer was, totdat het licht werd.
27 Als nu haar heer des morgens opstond en de deuren van het huis opendeed, en uitging om zijns weegs te gaan, ziet, zo lag de vrouw, zijn bijwijf, aan de deur van het huis, en haar handen op den dorpel.
28 En hij zeide tot haar: Sta op, en laat ons trekken; maar niemand antwoordde. Toen nam hij haar op den ezel, en de man maakte zich op, en toog naar zijn plaats.
29 Als hij nu in zijn huis kwam, zo nam hij een mes, en greep zijn bijwijf, en deelde haar met haar beenderen in twaalf stukken; en hij zond ze in alle landpalen van Israël.
30 En het geschiedde, dat al wie het zag, zeide: Zulks is niet geschied noch gezien, van dien dag af, dat de kinderen Israëls uit Egypteland zijn opgetogen, tot op dezen dag; legt uw hart daarop, geeft raad en spreekt!

Romeinen 1

 Toestanden van het heidendom
18 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, alsdie de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.
19 Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.
20 Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.
21 Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden;
22 Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;
23 En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.
24 Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkander te onteren;
25 Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid, amen.
26 Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature;
27 En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouwzijn verhit geworden in hun lust tegen elkandermannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.
28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;
29 Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;
30 Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam;
31 Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen;
32 Dewelken, daar zij het recht Gods weten, (namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.

1 Korinthiërs 6

Top of Form

1 Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?

2 Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste gerechtzaken?

3 Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?

4 Zo gij dan gerechtzaken hebt, die dit leven aangaan, zet die daarover, die in de Gemeente minst geacht zijn.

5 Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzo onder u geen, die wijs is, ook niet een, die zou kunnen oordelen tussen zijn broeders?

6 Maar de ene broeder gaat met den anderen broeder te recht, en dat voor ongelovigen.

7 Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?

8 Maar gijlieden doet ongelijk, en doet schade, en dat den broederen.

9 Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven?

10 Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen (schandknaap: Jongenshoer, knapenschender: man die jongens seksueel heeft misbruikt) , noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.

11 En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods;

12 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen.

13 De spijzen zijn voor de buik, en de buik is voor de spijzen; maar God zal beide dezen en die te niet doen. Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere en de Heere voor het lichaam.

14 En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door Zijn kracht.

15 Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen, en maken ze leden ener hoer? Dat zij verre.

16 Of weet gij niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen.

17 Maar die den Heere aanhangt, is een geest met Hem.

18 Vliedt de hoererij. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.

19 Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?

20 Want gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke van God zijn.

Galaten 5

19 De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid,

20 Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen,

21 Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.

 

Openbaring 21

7 Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.

8 Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.

 

2 Korinthiërs 12

20 Want ik vrees, dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet enigszins zal vinden zodanigen als ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zodanig als gij niet wilt; dat er niet enigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap, oorblazingen, opgeblazenheden, beroerten;

21 Opdat wederom, als ik zal gekomen zijn, mijn God mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen, die te voren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van de onreinigheid, en hoererij, en ontuchtigheid, die zij gedaan hebben.

 

Efeziërs 5

3 Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt,

4 Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veelmeer dankzegging.

5 Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God.

6 Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.

7 Zo zijt dan hun medegenoten niet.

 

1 Petrus 4

1 Dewijl dan Christus voor ons in het vlees geleden heeft, zo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vlees geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde;

2 Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der mensen, maar naar den wil van God, den tijd, die overig is in het vlees, te leven.

3 Want het is ons genoeg, dat wij den voorgaande tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen;

4 Waarin zij zich vreemd houden, als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren;

5 Dewelke zullen rekenschap geven Dengene, Die bereid staat om te oordelen de levenden en de doden.

6 Want daartoe is ook den doden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mens in het vlees, maar leven zouden naar God in den geest.

7 En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden.



 


 

mo'-lek, mo'-lok (ha-molekh, always with the article, except in 1 Kings 11:7; Septuagint ho Moloch, sometimes also Molchom, Melchol; Vulgate (Jerome's Latin Bible, 390-405 A.D.) Moloch):

1. The Name

2. The Worship in Old Testament History

3. The Worship in the Prophets

4. Nature of the Worship

5. Origin and Extent of the Worship

LITERATURE

1. The Name:

The name of a heathen divinity whose worship figures largely in the later history of the kingdom of Judah. As the national god of the Ammonites, he is known as "Milcom" (1 Kings 11:5,7), or "Malcam" ("Malcan" is an alternative reading in 2 Samuel 12:30,31; compare Jeremiah 49:1,3; Zec 1:5, where the Revised Version margin reads "their king"). The use of basileus, and archon, as a translation of the name by the Septuagint suggests that it may have been originally the Hebrew word for "king," melekh. Molech is obtained from melekh by the substitution of the vowel points of Hebrew bosheth, signifying "shame." From the obscure and difficult passage, Amos 5:26, the Revised Version (British and American) has removed "your Moloch" and given "your king," but Septuagint had here translated "Moloch," and from the Septuagint it found its way into the Ac (7:43), the only occurrence of the name in the New Testament.

2. The Worship in Old Testament History:

In the Levitical ordinances delivered to the Israelites by Moses there are stern prohibitions of Molech-worship (Leviticus 18:21; 20:2-5). Parallel to these prohibitions, although the name of the god is not mentioned, are those of the Deuteronomic Code where the abominations of the Canaanites are forbidden, and the burning of their sons and daughters in the fire (to Molech) is condemned as the climax of their wickedness (Deuteronomy 12:31; 18:10-13). The references to Malcam, and to David's causing the inhabitants of Rabbath Ammon to pass through the brick kiln (2 Samuel 12:30,31), are not sufficiently clear to found upon, because of the uncertainty of the readings. Solomon, under the influence of his idolatrous wives, built high places for Chemosh, the abomination of Moab, and for Milcom, the abomination of the children of Ammon. See CHEMOSH. Because of this apostasy it was intimated by the prophet Ahijah, that the kingdom was to be rent out of the hand of Solomon, and ten tribes given to Jeroboam (1 Kings 11:31-33). These high places survived to the time of Josiah, who, among his other works of religious reformation, destroyed and defiled them, filling their places with the bones of men (2 Kings 23:12-14). Molech-worship had evidently received a great impulse from Ahaz, who, like Ahab of Israel, was a supporter of foreign religions (2 Kings 16:12). He also "made his son to pass through the fire, according to the abominations of the nations, whom Yahweh cast out from before the children of Israel" (2 Kings 16:3). His grandson Manasseh, so far from following in the footsteps of his father Hezekiah, who had made great reforms in the worship, reared altars for Baal, and besides other abominations which he practiced, made his son to pass through the fire (2 Kings 21:6). The chief site of this worship, of which Ahaz and Manasseh were the promoters, was Topheth in the Valley of Hinnom, or, as it is also called, the Valley of the Children, or of the Son of Hinnom, lying to the Southwest of Jerusalem (see GEHENNA). Of Josiah's reformation it is said that "he defiled Topheth .... that no man might make his son or his daughter to pass through the fire to Molech" (2 Kings 23:10).

3. The Worship in the Prophets:

Even Josiah's thorough reformation failed to extirpate the Molech-worship, and it revived and continued till the destruction of Jerusalem, as we learn from the prophets of the time. From the beginning, the prophets maintained against it a loud and persistent protest. The testimony of Amos (1:15; 5:26) is ambiguous, but most of the ancient versions for malkam, "their king," in the former passage, read milkom, the national god of Ammon (see Davidson, in the place cited.). Isaiah was acquainted with Topheth and its abominations (Isaiah 30:33; 57:5). Over against his beautiful and lofty description of spiritual religion, Micah sets the exaggerated zeal of those who ask in the spirit of the Molech-worshipper:

"Shall I give my firstborn for my transgression, the fruit of my body for the sin of my soul?" (Micah 6:6). That Molech-worship had increased in the interval may account for the frequency and the clearness of the references to it in tile later Prophets. In Jeremiah we find the passing of sons and daughters through the fire to Molech associated with the building of "the high places of Baal, which are in the Valley of the Son of Hinnom" (32:35; compare 7:31; 19:5). In his oracle against the children of Ammon, the same prophet, denouncing evil against their land, predicts (almost in the very words of Amos above) that Malcam shall go into captivity, his priests and his princes together (Jeremiah 49:1,3). Ezekiel, speaking to the exiles in Babylon, refers to the practice of causing children to pass through the fire to heathen divinities as long established, and proclaims the wrath of God against it (Ezekiel 16:20; 20:26,31; 23:37). That this prophet regarded the practice as among the "statutes that were not good, and ordinances wherein they should not live" (Ezekiel 20:25) given by God to His people, by way of deception and judicial punishment, as some hold, is highly improbable and inconsistent with the whole prophetic attitude toward it. Zephaniah, who prophesied to the men who saw the overthrow of the kingdom of Judah, denounces God's judgments upon the worshippers of false gods (Zec 1:5 f). He does not directly charge his countrymen with having forsaken Yahweh for Malcam, but blames them, because worshipping Him they also swear to Malcam, like those Assyrian colonists in Samaria who feared Yahweh and served their own gods, or like those of whom Ezekiel elsewhere speaks who, the same day on which they had slain their children to their idols, entered the sanctuary of Yahweh to profane it (Ezekiel 23:39). The captivity in Babylon put an end to Molech-worship, since it weaned the people from all their idolatries. We do not hear of it in the post-exilic Prophets, and, in the great historical psalm of Israel's rebelliousness and God's deliverances (Psalms 106), it is only referred to in retrospect (Psalms 106:37,38).

4. The Nature of the Worship:

When we come to consider the nature of this worship it is remarkable how few details are given regarding it in Scripture. The place where it was practiced from the days of Ahaz and Manasseh was the Valley of Hinnom where Topheth stood, a huge altar-pyre for the burning of the sacrificial victims. There is no evidence connecting the worship with the temple in Jerusalem. Ezekiel's vision of sun-worshippers in the temple is purely ideal (Ezekiel 8). A priesthood is spoken of as attached to the services (Jeremiah 49:3; compare Zechariah 1:4,5). The victims offered to the divinity were not burnt alive, but were killed as sacrifices, and then presented as burnt offerings. "To pass through the fire" has been taken to mean a lustration or purification of the child by fire, not involving death. But the prophets clearly speak of slaughter and sacrifice, and of high places built to burn the children in the fire as burnt offerings (Jeremiah 19:5; Ezekiel 16:20,21).

The popular conception, molded for English readers largely by Milton's "Moloch, horrid king" as described in Paradise Lost, Book I, is derived from the accounts given in late Latin and Greek writers, especially the account which Diodorus Siculus gives in his History of the Carthaginian Kronos or Moloch. The image of Moloch was a human figure with a bull's head and outstretched arms, ready to receive the children destined for sacrifice. The image of metal was heated red hot by a fire kindled within, and the children laid on its arms rolled off into the fiery pit below. In order to drown the cries of the victims, flutes were played, and drums were beaten; and mothers stood by without tears or sobs, to give the impression of the voluntary character of the offering (see Rawlinson's Phoenicia, 113, for fuller details).

On the question of the origin of this worship there is great variety of views. Of a non-Sem origin there is no evidence; and there is no trace of human sacrifices in the old Babylonian religion. That it prevailed widely among Semitic peoples is clear.

5. Origin and Extent of the Worship:

While Milcom or Malcam is peculiarly the national god of the Ammonites, as is Chemosh of the Moabites, the name Molech or Melech was recognized among the Phoenicians, the Philistines, the Arameans, and other Semitic peoples, as a name for the divinity they worshipped from a very early time. That it was common among the Canaanites when the Israelites entered the land is evident from the fact that it was among the abominations from which they were to keep themselves free. That it was identical at first with the worship of Yahweh, or that the prophets and the best men of the nation ever regarded it as the national worship of Israel, is a modern theory which does not appear to the present writer to have been substantiated. It has been inferred from Abraham's readiness to offer up Isaac at the command of God, from the story of Jephthah and his daughter, and even from the sacrifice of Hiel the Bethelite (1 Kings 16:34), that human sacrifice to Yahweh was an original custom in Israel, and that therefore the God of Israel was no other than Moloch, or at all events a deity of similar character. But these incidents are surely too slender a foundation to support such a theory. "The fundamental idea of the heathen rite was the same as that which lay at the foundation of Hebrew ordinance:

the best to God; but by presenting to us this story of the offering of Isaac, and by presenting it in this precise form, the writer simply teaches the truth, taught by all the prophets, that to obey is better than sacrifice--in other words that the God worshipped in Abraham's time was a God who did not delight in destroying life, but in saving and sanctifying it" (Robertson, Early Religion of Israel, 254). While there is no ground for identifying Yahweh with Moloch, there are good grounds for seeing a community of origin between Moloch and Baal. The name, the worship, and the general characteristics are so similar that it is natural to assign them a common place of origin in Phoenicia. The fact that Moloch-worship reached the climax of its abominable cruelty in the Phoenician colonies of which Carthage was the center shows that it had found among that people a soil suited to its peculiar genius.

LITERATURE.

Wolf Baudissin, "Moloch" in PRE3; G. F. Moore, "Moloch" in EB; Robertson, Early Religion of Israel, 241-65; Robertson Smith, Religion of the Semites, 352; Buchanan Gray, Hebrew Proper Names, 138.

T. Nicol.

Copyright Statement
These files are public domain.
Bibliography Information
Orr, James, M.A., D.D. General Editor. "Entry for 'MOLECH; MOLOCH'". "International Standard Bible Encyclopedia". 1915.

 
Symboliek: Christelijk of antichristelijk?




We willen stilstaan bij enkele ‘Christelijke’ symbolen: het kruis en het ichthus-symbool. Tevens bij de Davidster, wat bekend staat als Joods teken, en door Christenen gedragen wordt om hun verbondenheid met de natie Israël tot uiting te brengen. Maar zijn deze symbolen wel zo Joods en Christelijk?

Het kruis in de Bijbel

Het kruis wordt over het algemeen gezien als een Christelijk symbool, zo niet vereerd als een Christelijk symbool. Maar is het van oorsprong ook een Christelijk symbool? In Hebreeën 12 : 2 vinden we ten eerste: “Ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Die, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van de troon van God”. Als gelovigen behoren we dus niet gericht te zijn op een ruw houten kruis, maar op Jezus Christus! Weet u waarom? In Galaten 3 : 13 vinden we in principe het antwoord: “Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt”. Het kruis is een symbool van schande en vervloeking. Het kruis is dan ook een ‘vloekhout’ dat dood en schande vertegenwoordigt. Het werd gebruikt om mensen de doodstraf te geven, Jezus Christus heeft daaraan onze doodstraf gedragen (1 Petr. 2 : 24). In 1 Kor. 1 : 17 en 18 vinden we: “Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld wordt. Want het woord des kruises is wel voor hen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods”. De prediking van het kruis houdt dus in, de prediking van het woord van het kruis. De prediking van de gekruisigde Christus, is een kracht Gods (1 Kor. 1 : 23, 24). Het geloof behoort dus gebaseerd te zijn op hetgeen gebeurd is aan het kruis: ‘Het is volbracht!’ Wanneer er in de brieven gesproken wordt over de prediking van het kruis, wordt daarmee nooit een stuk hout bedoeld dat mensen om hun nek moeten hangen. Een dergelijk gebruik van het kruis ontstond pas veel later. Pas toen het Christendom geïnfiltreerd was met het heidendom, begon het kruis aandacht te krijgen als Christelijk symbool. In 431 na Chr. begonnen er dan ook pas kruisen te verschijnen in kerken en in slaapkamers, terwijl het gebruik van kruisen op kerktorens pas in 586 na Chr. in zwang kwam.

Oorsprong van het kruis
Het teken van het kruis is echter Babylonisch van oorsprong. Het was reeds een religieus symbool voor de bevolking van Babylonië. Het komt van het Tau-teken, wat komt uit de mystiek van de Chaldeeën (Babyloniërs) en de Egyptenaren. Nimrod, de stichter van Babylon, zou van zijn vrouw Semiramis een zoon gekregen hebben: Tammuz. Deze drie personen spelen in het heidendom een zeer belangrijke rol. Het zijn Semiramis en Tammuz, waar de moeder-kind verering onder vele volken vandaan is gekomen, en die uiteindelijk is overgenomen door de Rooms-katholieke Kerk. Vandaar dat de Rooms-katholieke Kerk tegenwoordig een vrouw, Maria, vereert. Het komt regelrecht uit het heidendom. Tau is de eerste letter van Tammuz, en is in die Babylonische religies in vele variaties een hoogheilig symbool geworden: als amulet en op priesterkleding. Via Babylon is het in Egypte terecht gekomen. De monumenten getuigen ervan.Onder de Chinezen wordt het kruis erkend als één van de oudste tekens. In India was het kruis eeuwenlang één van de heilige symbolen onder de niet-Christelijke bevolking. Hindoes hadden het kruis als heilig teken, Boeddhisten gaven hun volgelingen op hun voorhoofd het teken van een kruis. In Afrika gebruikten de verschillende volken het kruis als symbool. De Vestaalse Maagden van het heidense Rome droegen een kruis aan hun halsketting, zoals de nonnen van de Rooms-katholieke Kerk dat nu doen, etc, etc. Er zijn vele voorbeelden meer, maar het kruis was lang voor het Christelijk tijdperk in gebruik!
Uit. lit.nr. 1.

 


Het feit dat Jezus Christus aan het kruis stierf, maakt het kruis niet tot een Christelijk symbool. Het toont slechts dat het kruisigen een strafmaatregel was, die al in gebruik was om zowel te straffen als te doden, en dat onder de heidenen. Naarmate het symbool van het kruis verspreid werd onder de volken van de oudheid, kreeg het in diverse landen verschillende vormen, totdat er uiteindelijk vele vormen waren van het heidense kruis. Het Rooms-katholicisme, dat de heidense gedachte van ‘kruisverering’ overnam, nam ook de verschillende vormen van het kruis over. Daarom komen we vandaag de dag ook zoveel verschillende vormen van het kruis tegen. Het feit dat die verschillende vormen van het kruis allemaal zijn overgenomen door de Roomse Kerk maakt duidelijk, dat die ‘heiligheid’ van het kruis z’n oorsprong niet vond in het kruis van Christus. Immers, Hij stierf slechts aan één kruis!




Over het gebogen of gebroken kruis

Het kruis dat Paus Johannes Paulus II vasthoudt, is niet het traditionele crucifix van de Rooms-katholieke Kerk. Bekijk de afbeeldingen eens goed. Het crucifix dat de Paus vasthoudt, staat bekend als het ‘gebogen kruis’. Nota bene een Rooms-katholieke auteur kan ons opheldering geven. In zijn boek ‘The Broken Cross: Hidden Hand In the Vatican’ (Het Gebroken Kruis: Verborgen Hand in het Vaticaan) zegt Piers Compton dat het gebroken kruis “is een sinister symbool, dat door satanisten in de zesde eeuw werd gebruikt, en opnieuw gebruikt werd in de tijd van Vaticaan II. Het betreft een gebogen of gebroken kruis, waarop een weerzinwekkend en verwrongen figuur van Christus is afgebeeld, wat gebruikt werd door zwarte magiërs en tovenaars in de Middeleeuwen om de Bijbelse term ‘merkteken van het beest’ mee uit te beelden. Paulus VI en zijn twee opvolgers hebben dit symbool gedragen.” Op de afbeelding hierboven ziet u dat Paus Johannes Paulus II de occulte wereld van vrijmetselaars, en noem maar op, openlijk vertelt dat hij niet een traditionele Paus is, maar een Paus die de opdracht heeft om de rol van Wereld Religieus Leider te vervullen, zoals nodig is volgens het Plan van de Nieuwe Wereldorde. Wij weten dat dit volgens de Bijbel de antichrist en zijn profeet zullen zijn!
(Bron: http://www.cuttingedge.org/articles/rc100.html)




De EO en Rome

Maar ziet u het EO-logo? De Evangelische Omroep heeft een hele tijd een gebogen kruis in het logo gedragen! Dit is niet toevallig, het wordt allemaal gestuurd door de geestelijke wereld. Want juist in de tijd dat de EO dit logo ging dragen, probeerde deze omroep niet alleen de dialoog met Rome aan te gaan, maar wil zelfs met Rome samenwerken (zie bijv. ‘Mijn Visie’ van Wim Grandia in Visie nr. 34 1999)! Rome en de Protestanten willen samen, en via Rome komen daar alle andere religies van de wereld bij: de Grote Hoer, de Moeder der Hoererijen (Openbaring 17 en 18) wordt in deze tijd gevormd!






De ichthus
Ook de ichthus wordt gezien als een Christelijk symbool. Het is het Griekse woord voor vis, en de begin letters staan, zo zegt men, voor: Ièsous Christos Theou Huios Sootèr (Jezus Christus, zoon van God, Verlosser). Men verwijst dan altijd naar de vervolging van de eerste Christenen onder de Romeinse keizers. Echter waar komt dit symbool vandaan? Hislop, in zijn werk over de twee Babylons, waarmee hij bewijst dat de Rooms-katholieke eredienst de verering is van de Babylonische Nimrod en zijn vrouw Semiramis, laat zien dat de Verlosser niet eerder Ichthus of Vis werd genoemd, dan dat de Bisschop van Rome de heidense titel Pontifex Maximus, die ook door de heidense keizers gedragen werd, kreeg. Maar hierdoor werd de Verlosser vergeleken met de vissegod Dagon! Zo zien we dat datgene wat doorgaat als verering van Jezus Christus, in feite niets anders is dan de verering van de Babylonische goden.

 

Heeft u wel eens op de mijter van de Paus gelet? Jezus Christus en de apostelen hebben zo’n mijter nooit gedragen! De Joodse mijter, die Aäron en de hogepriesters droegen, was totaal iets anders: een tulband! De mijter die de Paus draagt is onbekend in de Schrift! Waar kwam dit type mijter vandaan? Eén van de afgodsvormen, waarop Babylons Nimrod onder de andere volken bekend is geworden, is de vis. Hij is bekend geworden als Dagon, de vis-god. Vaak afgebeeld als half man, half vis. Een andere afbeelding van Dagon vindt u hieronder:

Het hoofd van de vis vormt een mijter, boven het hoofd van de man. We zien in deze enigszins gepunte vis-kop mijter, de vissebek staat enigszins open, het evenbeeld van de mijter van de Paus (zie de twee figuren, uit literatuur nr. 1). Ook de Chaldeese priesters van Babylon droegen dergelijke  mijters op hun hoofd, die op een vissekop leken. Hislop zegt in zijn boek: “De mijter met de twee horens, die 
de paus draagt als hij op het hoogaltaar in Rome zit en de eerbewijzen van de kardinalen ontvangt, is dezelfde mijter als gedragen werd door Dagon, de vis-god van de Filistijnen en de Babyloniërs”.


Wanneer we dan bedenken dat Jezus Christus niet eerder Ichthus werd genoemd, dan dat de Bisschop van Rome de heidense titel Pontifex Maximus kreeg, dan beseffen we dat dit te maken heeft met zijn kleding. Het Roomse systeem is een Babylonisch systeem dat de Babylonische goden, waaronder Dagon, vereert.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Evangelische Omroep, die in haar logo een gebogen kruis ging voeren, net als de Paus in zijn staf, duidelijke reclame is gaan maken voor het ichthus teken, dat nu wijdverbreid als symbool voor de Christen bekend is. Door middel van nieuwe vertalingen uit Egypte en door middel van Babylonische symbolen wordt het naam-Christendom voorbereid op de Babylonische Moeder der hoererijen van Openbaring 17 en de komst van de antichrist.

De Davidster en de volkeren

Andere namen voor de Davidster: Schild van David, hexagram en Zegel van Salomo. De Ster (of het Schild) van David is eigenlijk de meest recente benaming. Toen het symbool alleen nog maar als hexagram bekend was, had het onder het Joodse volk totaal geen populariteit. Men wist dat het een heidens symbool was, zonder Joodse oorsprong. Het hexagram was onder andere reeds bekend bij de oude Egyptenaren, de Hindoes en de Chinezen. Het werd pas een embleem voor Joodse mensen toen het op een Zionistische Conferentie, in 1897, georganiseerd door Theodoor Herzl, gekozen werd als insigne van hun beweging. Alhoewel elke stam in Israël een eigen symbool had, geen één van die stammen had de ster van David als symbool. De Grote Winkler Prins, Encyclopedie in 20 delen (Elsevier, Amsterdam, Brussel, 7e druk, 1973), zegt in deel 6 onder ‘Davidster’: “of davidschild (Hebr.: Mageen Davied), een teken dat bestaat uit twee in elkaar geschoven driehoeken. Het komt bij vele volkeren (Egyptenaren, Indiërs, Chinezen, en Peruanen) voor. Pas in de 15e eeuw, onder invloed van de mystiek van Izaak Loeria (– een Kabbalist –) begon het als een speciaal  joods teken te gelden. Langzamerhand neemt het dan de plaats in van het meest geliefde joodse symbool tot die tijd: de Menorah, de zevenarmige kandelaar.” De Menorah is een symbool wat we regelrecht in de Bijbel kunnen terugvinden, al moet ook deze niet vereerd worden. De Davidster is in de Bijbel niet te vinden.

 
 
David, Salomo, Astharoth, Melech en Remfan


De eerste keer dat dit symbool in de geschiedenis genoemd wordt is in 922 v. Chr., de tijd waarin Salomo zich keerde tot hekserij en magie. Hij bouwde een altaar voor de heidense god Astharoth (= ster) en voor Melech, alhoewel God hem tweemaal verschenen is, en hem verteld heeft deze dingen niet te doen (1 Kon. 11 : 9 – 10). De verering van Astharoth/Astarte (= ster) en van Kijûn en Remfan (= ster; betekent ook wel ‘ster Saturnus’) is terug te leiden tot de Egyptenaars voor Salomo’s tijd en tot de Kanaänieten (2 Kon. 23 : 13, Sidon is van Kanaän). Daarna is de Davidster gebruikt in Arabische magie en hekserij in de Middeleeuwen, het werd gebruikt door de Druïden gedurende de hoge Sabbat van de heksen, ook wel Halloween (= hallowed evening) genoemd. De familie Rothschild, de Zionisten en Hitler hebben het gebruikt, net zoals de Knesset. Uiteindelijk vinden we de Davidster op de Israëlische vlag.

David had helemaal geen ster. De enige ster die gezien is, en verbonden is aan David, is die ster die liet zien waar Jezus Christus, Davids zoon, geboren was (Bethlehem; Matth. 1 : 1, Luk. 2 : 9). De ster uit Jakob (Num. 24 : 17) is de Heere Jezus Christus, en Die Ster vertegenwoordigt niet de natie Israël! Sterren in de Bijbel zijn engelen (Openb. 1 : 20), of letterlijke, fysieke lichtdragers (Hand. 27 : 20). De Heere heeft nooit enig land bevolen om een ster op een vlag te zetten om ergens een symbool voor te zijn. De engel die Israël vertegenwoordigt is een ‘ster’, maar zijn naam is Michaël (Dan. 12 : 1). En toch neemt Israël nog steeds de “ster van … Remfan” op (Hand. 7 : 43) en showt het publiekelijk, wereldwijd.

Davidster en Egypte

We zagen dat het hexagram reeds bij de oude Egyptenaren bekend was. En waar bevrijdde de Heere het volk Israël uit? Uit de slavernij van Egypte! De Heere waarschuwde het volk: “Gij zult niet doen naar de werken van Egypteland, waarin gij gewoond hebt; en naar de werken van het land Kanaän, waarheen Ik u breng, zult gij niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen” (Lev. 18 : 3, zie ook Ex. 20 : 4, 23). Is het dan niet opmerkelijk dat de Heere de volgende opmerking over een zekere ster maakt? “Ja, gij hebt opgenomen de tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden, en Ik zal u wegvoeren op gene zijde van Babylon” (Hand. 7 : 43). Deze ster werd door sommigen van de Hebreeën door de woestijn meegedragen. In Amos vinden we dit bevestigd (Amos 5 : 25, 26). “Ja, gij droegt de tent van uw Melech, en de Kijûn, uw beelden, de ster van uw god, die gij uzelf hadt gemaakt” (Amos 5 : 26). En dat terwijl de Heere nog zo gewaarschuwd had: “De gesneden beelden van hun goden zult gij met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult gij niet begeren, noch voor u nemen, opdat gij daardoor niet verstrikt wordt; want dat is de Heere, uw God, een gruwel. Gij zult dan de gruwel in uw huis niet brengen, dat gij een ban zoudt worden, gelijk dat is; gij zult het volkomen verfoeien, en te enenmaal een gruwel daarvan hebben, want het is een ban” (Deut. 7 : 25, 26).

Een andere David? Valse messias?

De Heere noemt Zich toch “de Wortel en het geslacht van David, de blinkende Morgenster” (Openb. 22 : 16)? De Heere is uit David (via Maria), en Hij is de blinkende Morgenster, hier staat niet: Hij is de Davidster! In Psalm 3 : 4 vinden we: “Doch Gij, Heere! zijt een Schild voor mij, mijn Eer, en Die mijn hoofd opheft.” David is er duidelijk over, door de Heilige Geest ingegeven: De Heere is zijn Schild! Hetzelfde kunt u ook vinden in teksten als Psalm 28 : 7, Psalm 119 : 114 en Psalm 144 : 2. Na Saul wordt David koning, en na David Salomo. Salomo was de zoon van David. David had fouten, maar, en dat is een groot verschil met Salomo, hij toonde berouw en is nooit een afgodendienaar geweest.

Waarom wordt het hexagram Ster van David genoemd? Is dit een verwijzing naar David de koning van Israël, of is het een verwijzing naar een andere David? Wanneer het koning David is, is dit dan misschien vanwege het feit dat hij Salomo’s vader is? Er is namelijk duidelijk bewijs dat het hexagram het Zegel van Salomo genoemd werd, nadat Salomo de afgoden is gaan vereren, zoals ons verteld wordt in 1 Kon. 11 : 6 – 10. Maar waarom zou die Ster dan iets met David te maken hebben? David was in die tijd immers allang gestorven. Arthur Koestler schrijft dat het hexagram een magisch symbool is, wat terug te voeren is tot de 12e eeuw na Chr. In die tijd leefde er een Azkenazische Jood, Menahem ben Duji, die zijn volgelingen ervan probeerde te overtuigen dat hij de Messias was. Hij veranderde zijn naam in David al-Roy. Hij zou het beloofde land bevrijden, maar werd vermoord. Vanaf de 13e eeuw werd het hexagram aan hem toegeschreven, en het verscheen voor het eerst op een Joodse vlag in 1527 na Chr. [1]. ‘The Encyclopaedia Brittanica’ zegt dat het symbool van het hexagram een magisch teken is. De Joodse Kabbala (mystieke richting binnen het Jodendom) heeft het gebruik van de Magen David (Davidster) aangemoedigd als bescherming tegen boze geesten [2], waarmee het de functie van een talisman heeft. De ‘Universal Jewisch Encyclopedia’ vertelt dat volgens de leer van de Rozenkruisers het hexagram reeds bekend was bij de oude Egyptenaren, Hindoes, Chinezen, etc.  Ook is de ster gevonden op een Hebreeuws zegel dat in de 7e eeuw voor Chr. gedateerd wordt.  Het zijn overigens de Joodse bronnen die het hexagram Schild van David noemen, niet-Joodse bronnen noemen het symbool de Zegel van Salomo [3]. Wat Salomo achterliet was niet alleen een verdeling van het koninkrijk, maar ook bewijs van zijn afgoderij. Zijn vreemde vrouwen zetten hem er toe aan om Astharoth, ook wel Astarte genoemd, te vereren. Deze naam betekent STER. Het hexagram, wat de naam Zegel van Salomo kreeg, toen koning Salomo het op zichzelf ging betrekken, was het hoofdvoorwerp van heidense verering!

   


Heeft Israël een occult symbool in de vlag?


Er is wel eens de opmerking gemaakt: “Zou God het toestaan dat de herstelde natie Israël, waarvan het herstel in Gods Woord geprofeteerd is, een occult symbool in haar vlag zou hebben?” Het is de huidige herstelde staat Israël dat straks een verbond met de antichrist zal sluiten, en de antichrist zal zich in de tempel te Jeruzalem zetten (2 Thess. 2)! Waarom zou die natie geen occult symbool in haar vlag hebben? Per slot van rekening wordt alles pas volgens de wil van Heere in het Duizendjarig Vrederijk, na de Grote Verdrukking en nadat Jezus Christus is teruggekomen. Dan pas heeft Israël haar Messias aangenomen. Dan richt Hij Zijn Koninkrijk Israël op, waarover Hij zal heersen tesamen met de Zijnen, Zijn lichaam, en van daaruit over de hele wereld.



 


 

Literatuur:

1.     De Mysterie Godsdienst van Babylon, verleden en heden’, R. Woodrow, vertaling door H. Wiggers, Stichting Moria, Hilversum, 1991.

2.     The Two Babylons, or the Papal Worship Proved to be the Worship of Nimrod and his Wife’, Rev. Alexander Hislop, Loizeaux Brothers, New Jersey, 1916.

3.     The Six-Pointed Star, Research proves it’s pagan!’ O.J. Graham, New Puritan Library, Fairview, NC, Verenigde Staten van Amerika, 1984.

4.     Circle of Intrigue’, Texe Marrs, Living Truth Publishers, Texas, 1995.

5.     Internet: http://www.cuttingedge.org/articles/rc100.html.

 

[1] Arthur Koestler, ‘The Thirteenth Tribe’, New York, Random House, 1976, pp. 136 – 137. (geciteerd uit literatuur nr. 3).
[2]
 Encyclopedia Brittanica Micropedia, 1974, Vol. VI, p. 966. (geciteerd uit literatuur nr. 3).

[3] Universal Jewish Encyclopedia, p. 597. (geciteerd uit literatuur nr. 3).

Bron:


 

Genesis 26

Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.

Openbaring 14

12 Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden (THORA) Gods bewaren en het geloof van Jezus.

Openbaring 20

4 En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus (Christenen), en om het Woord Gods (Juda), en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.

Openbaring 12

17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.




Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen