Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Poerim
Poerim is niet in het lijstje opgenomen omdat die niet in Leviticus 23 genoemd wordt, maar hieronder toch een kort overzicht van de betekenis van dit feest vanwege het grote belang.

Als gemeente vieren we ook dit feest vanwege de rijke betekenis voor het volk van God. Het is ook een profetisch feest. Zoals God het Joodse volk heeft verlost uit de handen van de demonische Haman, zo zal JHWH Zijn volk verlossen uit 'de verdrukking van Jakob' die in de eindtijd een realiteit zal zijn. (Zach.12-14). Ook zal JHWH Zijn kinderen verlossen uit de handen van de machten der duisternis, hetgeen feitelijk al gerealiseerd is door het volbrachte werk van Jezus de Messias. 
Poerim betekent letterlijk ‘loten’. Het verwijst naar Ester 3: 7, waar het lot (Hebreeuws: pur) werd geworpen om het volk Israël uit te roeien.

‘ In de eerste maand, de maand Nisan, in het twaalfde jaar van koning Ahasveros, wierp men in het bijzijn van Haman het Pur (dat is het lot) voor elke dag en voor elke maand tot de twaalfde, de maand Adar.’ 

De planning was dus (van Haman, de vijand van Israël, een type van de antichrist), om op 13 Adar (de twaalfde maand) het volk uit te roeien. Door Ester, die op God vertrouwde, werd Israël gered en bevrijd van Haman. Daarom wordt deze bevrijding met Poerim op 14 Adar gevierd. Op dit feest wordt het boek Ester gelezen in de synagoge. Iedere keer wanneer de naam ‘Haman’ wordt gelezen, geeft men een klap op tafel of rammelt men met een zgn. ‘Hamanrateltje’.

De centrale boodschap van Poerim is: God zorgt voor Zijn volk, verslaat de tegenstanders (de Haman’s) en gebruikt daarvoor eenvoudige, Godvrezende mensen die zich helemaal op God verlaten.

Celebrate Purim: Jewish Voice with Jonathan Bernis, February 18, 2013
The Maccabeats - Purim Song
Purim 2013 and Episode 5 of the Purim Series: The Making of a King's Bride
Purim 2013 - Passion For Truth Ministries
 



Queen Esther 1 of 4 - Mysteries of the Bible
Queen Esther 2 of 4 - Mysteries of the Bible
Queen Esther 3 of 4 - Mysteries of the Bible
Queen Esther 4 of 4 - Mysteries of the Bible

Esther 1

HET BOEK ESTHER
Koningin Vasthi door Ahasvéros verstoten
Het geschiedde nu in de dagen van Ahasvéros, (hij is die Ahasvéros, dewelke regeerde van Indië af tot aan Morenland toe, honderd zeven en twintig landschappen).
In die dagen, als de koning Ahasvéros op den troon zijns koninkrijks zat, die op den burg Susan was;
In het derde jaar zijner regering maakte hij een maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten; de macht van Perzië en Medië, de grootste heren en de oversten der landschappen waren voor zijn aangezicht;
Als hij vertoonde den rijkdom der heerlijkheid zijns rijks, en de kostelijkheid des sieraads zijner grootheid, vele dagen lang, honderd en tachtig dagen.
Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de koning een maaltijd al den volke, dat gevonden werd op den burg Susan, van den grootste tot den kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van den hof van het koninklijk paleis.
Er waren witte, groene en hemelsblauwe behangselen, gevat aan fijn linnen en purperen banden, in zilveren ringen, enaan marmeren pilaren; de bedsteden waren van goud en zilver, op een vloer van porfiersteen, en van marmer, en albast, en kostelijke stenen.
En men gaf te drinken in vaten van goud, en het ene vat was anders dan het andere vat; en er was veel koninklijke wijn, naar des konings vermogen.
En het drinken geschiedde naar de wet, dat niemand dwong; want alzo had de koning vastelijk bevolen aan alle groten zijns huizes, dat zij doen zouden naar den wil van een iegelijk.
De koningin Vasthi maakte ook een maaltijd voor de vrouwen in het koninklijk huis, hetwelk de koning Ahasvéros had.
10 Op den zevenden dag, toen des konings hart vrolijk was van den wijn, zeide hij tot Mehúman, Biztha, Charbóna, Bigtha en Abagtha, Zethar en Charchas, de zeven kamerlingen, dienende voor het aangezicht van den koning Ahasvéros,
11 Dat zij Vasthi, de koningin, zouden brengen voor het aangezicht des konings, met de koninklijke kroon, om den volken en den vorsten haar schoonheid te tonen; want zij was schoon van aangezicht.
12 Doch de koningin Vasthi weigerde te komen op het woord des konings, hetwelk door den dienst der kamerlingen haar aangezegd was. Toen werd de koning zeer verbolgen, en zijn grimmigheid ontstak in hem.
13 Toen zeide de koning tot de wijzen, die de tijden verstonden (want alzo moest des konings zaak geschieden, in de tegenwoordigheid van al degenen, die de wet en het recht wisten;
14 De naasten nu bij hem waren Cársena, Sethar, Admátha, Tharsis, Meres, Mársena, Memúchan, zeven vorsten der Perzen en der Meden, die het aangezicht des konings zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk),
15 Wat men naar de wet met de koningin Vasthi doen zou, omdat zij niet gedaan had het woord van den koning Ahasvéros, door den dienst der kamerlingen?
16 Toen zeide Memúchan voor het aangezicht des konings en der vorsten: De koningin Vasthi heeft niet alleen tegen den koning misdaan, maar ook tegen al de vorsten, en tegen al de volken, die in al de landschappen van den koning Ahasvéros zijn.
17 Want deze daad der koningin zal uitkomen tot alle vrouwen, zodat zij haar mannen verachten zullen in haar ogen, als men zeggen zal: De koning Ahasvéros zeide, dat men de koningin Vasthi voor zijn aangezicht brengen zou; maar zij kwam niet.
18 Te dezen zelfden dage zullen de vorstinnen van Perzië en Medië ook alzo zeggen tot al de vorsten des konings, als zij deze daad der koningin zullen horen, en er zal verachtens en toorns genoeg wezen.
19 Indien het den koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga, hetwelk geschreven worde in de wetten der Perzen en Meden, en dat men het niet overtrede: dat Vasthi niet inga voor het aangezicht van den koning Ahasvéros, en de koning geve haar koninkrijk aan haar naaste, die beter is dan zij.
20 Als het bevel des konings, hetwelk hij doen zal in zijn ganse koninkrijk, (want het is groot) gehoord zal worden, zo zullen alle vrouwen aan haar mannen eer geven, van de grootste tot de kleinste toe.
21 Dit woord nu was goed in de ogen des konings en der vorsten; en de koning deed naar het woord van Memúchan.
22 En hij zond brieven aan al de landschappen des konings, aan een iegelijk landschap naar zijn schrift, en aan elk volk naar zijn spraak, dat elk man overheer in zijn huis wezen zou, en spreken naar de spraak zijns volks.

Esther 2

Ahasvéros huwt de Jodin Esther
Na deze geschiedenissen, toen de grimmigheid van den koning Ahasvéros gestild was, gedacht hij aan Vasthi, en wat zij gedaan had, en wat over haar besloten was.
Toen zeiden de jongelingen des konings, die hem dienden: Men zoeke voor den koning jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht.
En de koning bestelle toezieners in al de landschappen zijns koninkrijks, dat zij vergaderen alle jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht, tot den burg Susan, tot het huis der vrouwen, onder de hand van Hegai, des konings kamerling, bewaarder der vrouwen; en men geve haar haar versierselen.
En de jonge dochter, die in des konings oog schoon wezen zal, worde koningin in stede van Vasthi. Deze zaak nu was goed in de ogen des konings, en hij deed alzo.
Er was een Joods man op den burg Susan, wiens naam was Mórdechai, een zoon van Jaïr, den zoon van Simeï, den zoon van Kis, een man van Jemini;
Die weggevoerd was van Jeruzalem met de weggevoerden, die weggevoerd waren met Jechónia, den koning van Juda, denwelken Nebukadnézar, de koning van Babel, had weggevoerd.
En hij was het, die opvoedde Hadássa (deze is Esther, de dochter zijns ooms); want zij had geen vader noch moeder; en zij was een jonge dochter, schoon van gedaante, en schoon van aangezicht; en als haar vader en haar moeder stierven, had Mórdechai ze zich tot een dochter aangenomen.
Het geschiedde nu, toen het woord des konings en zijn wet ruchtbaar was, en toen vele jonge dochters samenvergaderd werden op den burg Susan, onder de hand van Hegai, werd Esther ook genomen in des konings huis, onder de hand van Hegai, den bewaarder der vrouwen.
En die jonge dochter was schoon in zijn ogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij met haar versierselen en met haar delen haar te geven, en zeven aanzienlijke jonge dochters haar te geven uit het huis des konings; en hij verplaatste haar en haar jonge dochters naar het beste van het huis der vrouwen.
10 Esther had haar volk en haar maagschap niet te kennen gegeven; want Mórdechai had haar geboden, dat zij het niet zou te kennen geven.
11 Mórdechai nu wandelde allen dag voor het voorhof van het huis der vrouwen, om te vernemen naar den welstand van Esther, en wat met haar geschieden zou.
12 Als nu de beurt van elke jonge dochter naakte, om tot den koning Ahasvéros te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen geschied was; want alzo werden vervuld de dagen harer versieringen, zes maanden met mirre-olie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen der vrouwen;
13 Daarmede kwam dan de jonge dochter tot den koning; al wat zij zeide, werd haar gegeven, dat zij daarmede ging uit het huis der vrouwen tot het huis des konings.
14 Des avonds ging zij daarin, en des morgens ging zij weder naar het tweede huis der vrouwen, onder de hand van Sáäsgaz, den kamerling des konings, bewaarder der bijwijven, zij kwam niet weder tot den koning, ten ware de koning lust tot haar had, en zij bij name geroepen werd.
15 Als de beurt van Esther, de dochter van Abicháïl, den oom van Mórdechai, (die hij zich ter dochter genomen had) naakte, dat zij tot den koning komen zou, begeerde zij niet met al, dan wat Hegai, des konings kamerling, de bewaarder der vrouwen, zeide; en Esther verkreeg genade in de ogen van allen, die haar zagen.
16 Alzo werd Esther genomen tot den koning Ahasvéros, tot zijn koninklijk huis, in de tiende maand, welke is de maand Tebeth, in het zevende jaar zijns rijks.
17 En de koning beminde Esther boven alle vrouwen, en zij verkreeg genade en gunst voor zijn aangezicht, boven alle maagden; en hij zette de koninklijke kroon op haar hoofd, en hij maakte haar koningin in de plaats van Vasthi.
18 Toen maakte de koning een groten maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten, den maaltijd van Esther; en hij gaf den landschappen rust, en hij gaf geschenken naar des konings vermogen.
19 Toen ten anderen male maagden vergaderd werden, zo zat Mórdechai in de poort des konings.
20 Esther nu had haar maagschap en haar volk niet te kennen gegeven, gelijk als Mórdechai haar geboden had; want Esther deed het bevel van Mórdechai, gelijk als toen zij bij hem opgevoed werd.
Samenzwering tegen den koning door Mórdechai ontdekt
21 In die dagen, als Mórdechai in de poort des konings zat, werden Bigthan en Theres, twee kamerlingen des konings van de dorpelwachters, zeer toornig, en zij zochten de hand te slaan aan den koning Ahasvéros.
22 En deze zaak werd Mórdechai bekend gemaakt, en hij gaf ze de koningin Esther te kennen; en Esther zeide het den koning in Mórdechai’s naam.
23 Als men de zaak onderzocht, is het zo bevonden, en zij beiden werden aan een galg gehangen; en het werd in de kronieken geschreven voor het aangezicht des konings.
 

Esther 3

Haman krijgt volmacht van den koning om de Joden uit te roeien
Na deze geschiedenissen maakte de koning Ahasvéros Haman groot, den zoon van Hammedátha, den Agagiet, en hij verhoogde hem, en hij zette zijn stoel boven al de vorsten, die bij hem waren.
En al de knechten des konings, die in de poort des konings waren, neigden en bogen zich neder voor Haman; want de koning had alzo van hem bevolen; maar Mórdechai neigde zich niet, en boog zich niet neder.
Toen zeiden de knechten des konings, die in de poort des konings waren, tot Mórdechai: Waarom overtreedt gij des konings gebod?
Het geschiedde nu, toen zij dit van dag tot dag tot hem zeiden, en hij naar hen niet hoorde, zo gaven zij het Haman te kennen, opdat zij zagen, of de woorden van Mórdechai bestaan zouden; want hij had hun te kennen gegeven, dat hij een Jood was.
Toen Haman zag, dat Mórdechai zich niet neigde, noch zich voor hem nederboog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid.
Doch hij verachtte in zijn ogen, dat hij aan Mórdechai alleen de hand zou slaan (want men had hem het volk van Mórdechai aangewezen); maar Haman zocht al de Joden, die in het ganse koninkrijk van Ahasvéros waren, namelijk het volk van Mórdechai, te verdelgen.
In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van den koning Ahasvéros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot de twaalfde maand toe; deze is de maand Adar.
Want Haman had tot den koning Ahasvéros gezegd: Er is één volk, verstrooid en verdeeld onder de volken in al de landschappen uws koninkrijks; en hun wetten zijn verscheiden van de wetten aller volken; ook doen zij des konings wetten niet; daarom is het den koning niet oorbaar hen te laten blijven.
Indien het den koning goeddunkt, laat er geschreven worden, dat men hen verdoe; zo zal ik tien duizend talenten zilvers opwegen in de handen dergenen, die het werk doen, om in des konings schatten te brengen.
10 Toen trok de koning zijn ring van zijn hand, en hij gaf hem aan Haman, den zoon van Hammedátha, den Agagiet, der Joden tegenpartijder.
11 En de koning zeide tot Haman: Dat zilver zij u geschonken, ook dat volk, om daarmede te doen, naar dat het goed is in uw ogen.
12 Toen werden de schrijvers des konings geroepen, in de eerste maand, op den dertienden dag derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Haman beval, aan de stadhouders des konings, en aan de landvoogden, die over elk landschap waren, en aan de vorsten van elk volk, elk landschap naar zijn schrift, en elk volk naar zijn spraak; er werd geschreven in den naam van den koning Ahasvéros, en het werd met des konings ring verzegeld.
13 De brieven nu werden gezonden door de hand der lopers tot al de landschappen des konings, dat men zou verdelgen, doden en verdoen al de Joden, van den jonge tot den oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, op den dertienden der twaalfde maand (deze is de maand Adar), en dat men hun buit zou roven.
14 De inhoud van het schrift was, dat er een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken, dat zij tegen denzelfden dag zouden gereed zijn.
15 De lopers gingen uit, voortgedrongen zijnde door het woord des konings, en de wet werd uitgegeven in den burg Susan. En de koning en Haman zaten en dronken, doch de stad Susan was verward.

Esther 4

Esther tracht de Joden te redden
Als Mórdechai wist al wat er geschied was, zo verscheurde Mórdechai zijn klederen, en hij trok een zak aan met as; en hij ging uit door het midden der stad, en hij riep met een groot en bitter geroep.
En hij kwam tot voor de poort des konings; want niemand mocht in des konings poort inkomen, bekleed met een zak.
En in alle en een ieder landschap en plaats, waar het woord des konings en zijn wet aankwam, was een grote rouw onder de Joden, met vasten, en geween, en misbaar; vele lagen in zakken en as.
Toen kwamen Esthers jonge dochters en haar kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; en het deed de koningin zeer wee; en zij zond klederen om Mórdechai aan te doen, en zijn zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan.
Toen riep Esther Hatach, een van de kamerlingen des konings, welke hij voor haar gesteld had, en zij gaf hem bevel aan Mórdechai, om te weten wat dit, en waarom dit ware.
Als Hatach uitging tot Mórdechai, op de straat der stad, die voor de poort des konings was,
Zo gaf Mórdechai hem te kennen al wat hem wedervaren was, en de verklaring van het zilver, hetwelk Haman gezegd had te zullen wegen in de schatten des konings, voor de Joden, om dezelve om te brengen.
En hij gaf hem het afschrift der geschrevene wet, die te Susan gegeven was, om hen te verdelgen, dat hij het Esther liet zien, en haar te kennen gaf, en haar gebood, dat zij tot den koning ging, om hem te smeken, en van hem te verzoeken voor haar volk.
Hatach nu kwam, en gaf Esther de woorden van Mórdechai te kennen.
10 Toen zeide Esther tot Hatach, en gaf hem bevel aan Mórdechai:
11 Alle knechten des konings, en het volk, der landschappen des konings, weten wel dat al wie tot den koning ingaat, in het binnenste voorhof, die niet geroepen is, hij zij man of vrouw, zijn enig vonnis zij, dat men hem dode, tenzij dat de koning den gouden scepter hem toereike, opdat hij levend blijve; ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot den koning in te komen.
12 En zij gaven de woorden van Esther aan Mórdechai te kennen.
13 Zo zeide Mórdechai, dat men Esther wederom zeggen zou: Beeld u niet in, in uw ziel, dat gij zult ontkomen in het huis des konings, meer dan al de andere Joden.
14 Want indien gij enigszins zwijgen zult te dezer tijd, zo zal den Joden verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan; maar gij en uws vaders huis zult omkomen; en wie weet, of gij niet om zulken tijd als deze is, tot dit koninkrijk geraakt zijt.
15 Toen zeide Esther, dat men Mórdechai weder aanzeggen zou:
16 Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet, in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijn jonge dochters zullen ook alzo vasten, en alzo zal ik tot den koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om.
17 Toen ging Mórdechai henen, en hij deed naar alles, wat Esther aan hem geboden had.

Esther 5

Esther gaat tot den koning
Het geschiedde nu aan den derden dag, dat Esther een koninklijk kleed aantrok, en stond in het binnenste voorhof van des konings huis, tegenover het huis des konings; de koning nu zat op zijn koninklijken troon, in het koninklijke huis, tegenover de deur van het huis.
En het geschiedde, toen de koning de koningin Esther zag, staande in het voorhof, verkreeg zij genade in zijn ogen, zodat de koning den gouden scepter, die in zijn hand was, Esther toereikte; en Esther naderde, en roerde de spits des scepters aan.
Toen zeide de koning tot haar: Wat is u, koningin Esther! of wat is uw verzoek? Het zal u gegeven worden, ook tot de helft des koninkrijks.
Esther nu zeide: Indien het den koning goeddunkt, zo kome de koning met Haman heden tot den maaltijd, dien ik hem bereid heb.
Toen zeide de koning: Doet Haman spoeden, dat hij het bevel van Esther doe. Als nu de koning met Haman tot den maaltijd, dien Esther bereid had, gekomen was,
Zo zeide de koning tot Esther op den maaltijd des wijns: Wat is uw bede? en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? Het zal geschieden, ook tot de helft des koninkrijks.
Toen antwoordde Esther, en zeide: Mijn bede en verzoek is:
Indien ik genade gevonden heb in de ogen des konings, en indien het den koning goeddunkt, mij te geven mijn bede, en mijn verzoek te doen, zo kome de koning met Haman tot den maaltijd, dien ik hem bereiden zal; zo zal ik morgen doen naar het bevel des konings.
Toen ging Haman ten zelfden dage uit, vrolijk en goedsmoeds; maar toen Haman Mórdechai zag in de poort des konings, en dat hij niet opstond, noch zich voor hem bewoog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid op Mórdechai.
10 Doch Haman bedwong zich, en hij kwam tot zijn huis; en hij zond henen, en liet zijn vrienden komen, en Zeres, zijn huisvrouw.
11 En Haman vertelde hun de heerlijkheid zijns rijkdoms, en de veelheid zijner zonen, en alles, waarin de koning hem groot gemaakt had, en waarin hij hem verheven had boven de vorsten en knechten des konings.
12 Verder zeide Haman: Ook heeft de koningin Esther niemand met den koning doen komen tot den maaltijd, dien zij bereid heeft, dan mij; en ik ben ook tegen morgen van haar met den koning genodigd.
13 Doch dit alles baat mij niet, zo langen tijd als ik den Jood Mórdechai zie zitten in de poort des konings.
Haman richt een galg voor Mórdechai op
14 Toen zeide zijn huisvrouw Zeres tot hem, mitsgaders al zijn vrienden: Men make een galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen aan den koning, dat men Mórdechai daaraan hange; ga dan vrolijk met den koning tot dien maaltijd. Deze raad nu dacht Haman goed, en hij deed de galg maken.

וַתֹּאמֶר אֶסְתֵּר אִם־עַל־הַמֶּלֶךְ טֹוב יָבֹוא
הַמֶּלֶךְ וְהָמָן הַיֹּום אֶל־הַמִּשְׁתֶּה אֲשֶׁר־עָשִׂיתִי לֹֽו׃

יָהַוְהַ = Jehova

Esther 6

Haman vernederd
In denzelfden nacht was de slaap van den koning geweken, en hij zeide, dat men het boek der gedachtenissen, de kronieken, brengen zou; en zij werden in de tegenwoordigheid des konings gelezen.
En men vond geschreven, dat Mórdechai had te kennen gegeven van Bigthána en Theres, twee kamerlingen des konings, uit de dorpelwachters, die de hand zochten te leggen aan den koning Ahasvéros.
Toen zeide de koning: Wat eer en verhoging is Mórdechai hierover gedaan? En de jongelingen des konings, zijn dienaars, zeiden: Aan hem is niets gedaan.
Toen zeide de koning: Wie is in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis des konings, om den koning te zeggen, dat men Mórdechai zou hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.)
En des konings jongelingen zeiden tot hem: Zie, Haman staat in het voorhof. Toen zeide de koning: Dat hij inkome.
Als Haman ingekomen was, zo zeide de koning tot hem: Wat zal men met dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft? Toen zeide Haman in zijn hart: Tot wien heeft de koning een welbehagen, om hem eer te doen, meer dan tot mij?
Daarom zeide Haman tot den koning: Den man, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft,
Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde.
En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van een uit de vorsten des konings, van de grootste heren, en men zal het dien man aantrekken, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft; en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten der stad, en men zal voor hem roepen: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!
10 Toen zeide de koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed, en dat paard, gelijk als gij gesproken hebt, en doe alzo aan Mórdechai, den Jood, die aan de poort des konings zit; en laat niet één woord vallen van alles, wat gij gesproken hebt.
11 En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mórdechai aan, en deed hem rijden door de straten der stad, en hij riep voor hem: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!
12 Daarna keerde Mórdechai wederom tot de poort des konings; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde.
13 En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem zijn wijzen, en Zeres, zijn huisvrouw: Indien Mórdechai, voor wiens aangezicht gij hebt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zo zult gij tegen hem niet vermogen; maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezicht vallen.
14 Toen zij nog met hem spraken, zo kwamen des konings kamerlingen nabij, en zij haastten Haman tot den maaltijd te brengen, dien Esther bereid had.

Esther 7

Het plan van Haman ontdekt
Toen de koning met Haman gekomen was, om te drinken met de koningin Esther;
Zo zeide de koning tot Esther, ook op den tweeden dag, op den maaltijd des wijns: Wat is uw bede, koningin Esther? en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? Het zal geschieden, ook tot de helft des koninkrijks.
Toen antwoordde de koningin Esther, en zeide: Indien ik, o koning, genade in uw ogen gevonden heb, en indien het den koning goeddunkt, men geve mij mijn leven, om mijner bede wil, en mijn volk, om mijns verzoeks wil.
Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, dat men ons verdelge, dode en ombrenge. Indien wij nog tot knechten en tot dienstmaagden waren verkocht geweest, ik zou gezwegen hebben, ofschoon de onderdrukker de schade des konings geenszins zou kunnen vergoeden.
Haman gehangen
Toen sprak de koning Ahasvéros, en zeide tot de koningin Esther: Wie is die, en waar is diezelve, die zijn hart vervuld heeft, om alzo te doen?
En Esther zeide: De man, de onderdrukker en vijand, is deze boze Haman! Toen verschrikte Haman voor het aangezicht des konings en der koningin.
En de koning stond op in zijn grimmigheid van den maaltijd des wijns, en ging naar den hof van het paleis. En Haman bleef staan, om van de koningin Esther, aangaande zijn leven verzoek te doen; want hij zag, dat het kwaad van de koning over hem ten volle besloten was.
Toen de koning wederkwam uit den hof van het paleis in het huis van den maaltijd des wijns, zo was Haman gevallen op het bed, waarop Esther was. Toen zeide de koning: Zou hij ook wel de koningin verkrachten bij mij in het huis? Het woord ging uit des konings mond, en zij bedekten Hamans aangezicht.
En Charbóna, een van de kamerlingen, voor het aanschijn des konings staande, zeide: Ook zie, de galg, welke Haman gemaakt heeft voor Mórdechai, die goed voor den koning gesproken heeft, staat bij Hamans huis, vijftig ellen hoog. Toen zeide de koning: Hang hem daaraan.
10 Alzo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mórdechai had doen bereiden; en de grimmigheid des konings werd gestild.

Esther 8

Mórdechai beloond
Te dienzelfden dage gaf de koning Ahasvéros aan de koningin Esther het huis van Haman, den vijand der Joden; en Mórdechai kwam voor het aangezicht des konings, want Esther had te kennen gegeven, wat hij voor haar was.
En de koning toog zijn ring af, dien hij van Haman genomen had, en gaf hem aan Mórdechai; en Esther stelde Mórdechai over het huis van Haman.
En Esther sprak verder voor het aangezicht des konings, en zij viel voor zijn voeten, en zij weende, en zij smeekte hem, dat hij de boosheid van Haman, den Agagiet, en zijn gedachte, die hij tegen de Joden gedacht had, zou wegnemen.
De koning nu reikte den gouden scepter Esther toe. Toen rees Esther op, en zij stond voor het aangezicht des konings.
En zij zeide: Indien het den koning goeddunkt, en indien ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb en deze zaak voor den koning recht is, en ik in zijn ogen aangenaam ben, dat er geschreven worde, dat de brieven en de gedachte van Haman, den zoon van Hammedátha, den Agagiet, wederroepen worden, welke hij geschreven heeft, om de Joden om te brengen, die in al de landschappen des konings zijn.
Want hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het kwaad, dat mijn volk treffen zal? En hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht?
Toen zeide de koning Ahasvéros tot de koningin Esther en tot Mórdechai, den Jood: Ziet, het huis van Haman heb ik Esther gegeven, en hem heeft men aan de galg gehangen, omdat hij zijn hand aan de Joden geslagen had.
Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, in des konings naam, en verzegelt het met des konings ring; want het schrift, dat in des konings naam geschreven, en met des konings ring verzegeld is, is niet te wederroepen.
Toen werden des konings schrijvers geroepen, ter zelfder tijd, in de derde maand (zij is de maand Sivan), op den drie en twintigsten derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Mórdechai gebood, aan de Joden, en aan de stadhouders, en landvoogden, en oversten der landschappen, die van Indië af tot aan Morenland strekken, honderd zeven en twintig landschappen, een ieder landschap naar zijn schrift, een ieder volk naar zijn spraak; ook aan de Joden naar hun schrift en naar hun spraak.
10 En men schreef in den naam van den koning Ahasvéros, en men verzegelde het met des konings ring; en men zond de brieven door de hand der lopers te paard, rijdende op snelle kemelen, op muildieren, van merriën geteeld;
11 Dat de koning den Joden toeliet, die in elke stad waren, zich te vergaderen, en voor hun leven te staan, om te verdelgen, om te doden en om om te brengen alle macht des volks en des landschaps, die hen benauwen zou, de kleine kinderen en de vrouwen, en hun buit te roven;
12 Op één dag in al de landschappen van den koning Ahasvéros, op den dertienden der twaalfde maand; deze is de maand Adar.
13 De inhoud van dit schrift was: dat een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken; en dat de Joden gereed zouden zijn tegen dien dag, om zich te wreken aan hun vijanden.
14 De lopers, die op snelle kemelen reden en op muildieren, togen snellijk uit, aangedreven zijnde door het woord des konings. Deze wet nu werd gegeven op den burg Susan.
15 En Mórdechai ging uit van voor het aangezicht des konings in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vrolijk.
16 Bij de Joden was licht, en blijdschap, en vreugde, en eer;
17 Ook in alle en een ieder landschap, en in alle en een iedere stad, ter plaatse, waar des konings woord en zijn wet aankwam, daar was bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en vrolijke dagen; en velen uit de volken des lands werden Joden, want de vreze der Joden was op hen gevallen.

Esther 9

De Joden wreken zich
In de twaalfde maand nu (dezelve is de maand Adar), op den dertienden dag derzelve, toen des konings woord en zijn wet nabij gekomen was, dat men het doen zou, ten dage, als de vijanden der Joden hoopten over hen te heersen, zo is het omgekeerd, want de Joden heersten over hun haters.
Want de Joden vergaderden zich in hun steden, in al de landschappen van den koning Ahasvéros, om de hand te slaan aan degenen, die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hunlieder schrik was op al die volken gevallen.
En al de oversten der landschappen, en de stadhouders, en landvoogden, en die het werk des konings deden, verhieven de Joden; want de vreze van Mórdechai was op hen gevallen.
Want Mórdechai was groot in het huis des konings, en zijn gerucht ging uit door alle landschappen; want die man, Mórdechai, werd doorgaans groter.
De Joden nu sloegen op al hun vijanden, met den slag des zwaards, en der doding, en der verderving; en zij deden met hun haters naar hun welbehagen.
En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen.
En Parsandátha, en Dalfon, en Asfáta,
En Porátha, en Adália, en Aridátha,
En Parmástha, en Arísai, en Arídai, en Vaizátha,
10 De tien zonen van Haman, den zoon van Hammedátha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan den roof.
11 Ten zelfden dage kwam voor den koning het getal der gedoden op den burg Susan.
12 En de koning zeide tot de koningin Esther: Te Susan op den burg hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen en de tien zonen van Haman; wat hebben zij in al de andere landschappen des konings gedaan? Wat is nu uw bede? en het zal u gegeven worden; of wat is verder uw verzoek? het zal geschieden.
13 Toen zeide Esther: Dunkt het den koning goed, men late ook morgen den Joden, die te Susan zijn, toe, te doen naar het gebod van heden; en men hange de tien zonen van Haman aan de galg.
14 Toen zeide de koning, dat men alzo doen zou; en er werd een gebod gegeven te Susan, en men hing de tien zonen van Haman op.
15 En de Joden, die te Susan waren, vergaderden ook op den veertienden dag der maand Adar, en zij doodden te Susan driehonderd mannen; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.
16 De overige Joden nu, die in de landschappen des konings waren, vergaderden, opdat zij stonden voor hun leven, en rust hadden van hun vijanden, en zij doodden onder hun haters vijf en zeventig duizend; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.
17 Dit geschiedde op den dertienden dag der maand Adar; en op den veertienden derzelve rustten zij, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.
18 En de Joden, die te Susan waren, vergaderden op den dertienden derzelve, en op den veertienden derzelve; en zij rustten op den vijftienden derzelve, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.
19 Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden, den veertienden dag der maand Adar ter vreugde en maaltijden, en een vrolijken dag, en der zending van delen aan elkander.
Instelling van het Purimfeest
20 En Mórdechai beschreef deze geschiedenissen; en hij zond brieven aan al de Joden, die in al de landschappen van den koning Ahasvéros waren, dien, die nabij, en dien, die verre waren,
21 Om over hen te bevestigen, dat zij zouden onderhouden den veertienden dag der maand Adar, en den vijftienden dag derzelve, in alle en in ieder jaar;
22 Naar de dagen, in dewelke de Joden tot rust gekomen waren van hun vijanden, en de maand, die hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in een vrolijken dag; dat zij dezelve dagen maken zouden tot dagen der maaltijden, en der vreugde, en der zending van delen aan elkander, en der gaven aan de armen.
23 En de Joden namen aan te doen, wat zij begonnen hadden, en dat Mórdechai aan hen geschreven had.
24 Omdat Haman, de zoon van Hammedátha, den Agagiet, aller Joden vijand, tegen de Joden gedacht had hen om te brengen; en dat hij het Pur, dat is, het lot had geworpen, om hen te verslaan, en om hen om te brengen.
25 Maar als zij voor den koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen, dat zijn boze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou wederkeren; en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen.
26 Daarom noemt men die dagen Purim, van den naam van dat Pur. Hierom, vanwege al de woorden van dien brief, en hetgeen zij zelven daarvan gezien hadden, en wat tot hen overgekomen was,
27 Bevestigden de Joden, en namen op zich en op hun zaad, en op allen, die zich tot hen vervoegen zouden, dat men het niet overtrade, dat zij deze twee dagen zouden houden, naar het voorschrift derzelve, en naar den bestemden tijd derzelve, in alle en ieder jaar;
28 Dat deze dagen gedacht zouden worden en onderhouden, in alle en elk geslacht, elk huisgezin, elk landschap en elke stad; en dat deze dagen van Purim niet zouden overtreden worden onder de Joden, en dat de gedachtenis derzelve geen einde nemen zou bij hun zaad.
29 Daarna schreef de koningin Esther, de dochter van Abicháïl, en Mórdechai, de Jood, met alle macht, om dezen brief van Purim ten tweeden male te bevestigen.
30 En hij zond de brieven aan al de Joden, in de honderd zeven en twintig landschappen van het koninkrijk van Ahasvéros, met woorden van vrede en trouw;
31 Dat zij deze dagen van Purim bevestigen zouden op hun bestemde tijden, gelijk als Mórdechai, de Jood, over hen bevestigd had, en Esther, de koningin, en gelijk als zij het bevestigd hadden voor zichzelven en voor hun zaad; de zaken van het vasten en hunlieder geroep.
32 En het bevel van Esther bevestigde de geschiedenissen van deze Purim, en het werd in een boek (Bijbel) geschreven.

Esther 10

Mórdechai bevordert het welzijn der Joden
Daarna legde de koning Ahasvéros schatting op het land, en de eilanden der zee.
Al de werken nu zijner macht en zijns gewelds, en de verklaring der grootheid van Mórdechai, denwelken de koning groot gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Medië en Perzië?
Want de Jood Mórdechai was de tweede bij den koning Ahasvéros, en groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte zijner broederen, zoekende het beste voor zijn volk, en sprekende voor den welstand van zijn ganse zaad.

Daniël 11 (Chanoeka) Tempelreiniging

31 En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen.

Matthéüs 24

15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)

Genesis 15

18 Ten zelfden dage maakte de HEERE (YHVH) een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:

Daniël 11

32 En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.
33 En de leraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen.
34 Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; doch velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen.
35 En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot den tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemden tijd.
36 En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen god, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden.
37 En op de goden zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen; hij zal ook op geen god acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken.

2 Thessalonicenzen 2

  Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs;
Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.

Daniël 11

38 En hij zal den god Maüzzim in zijn standplaats eren; namelijk den god, welken zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen.
39 En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god; dengenen, die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen om prijs. (Joden moesten wijken van Gaza na 30 jaar uit hun huizen met loze beloftes van USA en New Orleans-orkaan Katrina 1 biljoen dollars die beloofd was is nooit betaald)
40 En op den tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken.
41 En hij zal komen in het land des sieraads, en vele landen zullen ter nedergeworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen der kinderen Ammons.
42 En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen.
43 En hij zal heersen over de verborgen schatten des gouds en des zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Líbye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen.
44 Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen.
45 En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeën aan den berg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben.

Daniël 12

En te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.

Openbaring12

En er werd krijg in den hemel: Michaël en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.
En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in den hemel.
En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.
10 En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: 

Daniël 12

En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.
De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.
En gij, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden. Bijbel (Thora)

Matthéüs 24

21 Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.
22 En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.

Openbaring12

 6 En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.

Daniël 12

En gij, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.
En ik, Daniël, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze zijde van den oever der rivier, en de ander aan gene zijde van den oever der rivier.
En hij zeide tot den Man, bekleed met linnen, Die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen?
En ik hoorde dien Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechter- en Zijn linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij Dien, Die eeuwiglijk leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleind hebben te verstrooien de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen worden.
Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen?
En Hij zeide: Ga henen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde.
  10 Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.
  11 En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.
(Van Poerim tot Shukoth (Shavuot) 3,5 jaar 1290 dagen). 
 

Daniël 12

12 Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.
(vanaf aviv 10 de dag van de Pascha lam, Messias komt Jeruzalem binnen op een ezel, en 1335 dagen later is Chanoeka)
13 Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.

Tibeth 3  eind van de 8e dag van chanoeka toewijding tot purim is 2300 morgen en nachten en
van purim tot shukoth is 1290 
aviv 10 desolation tot chanoeka 1335 dagen
Tishri 10  Yom kipur tot aviv 10 pascha is 42 maanden = 1260 dagen time time and half a time
aviv 10 desolation tot tishri 10 is Yom Kipur 42 maanden

Ezra 2,2
Dewelken kwamen met Zerubbábel, Jésua, Nehemía, Serája, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Báëna. Dit is het getal der mannen d
es volks van Israël.

Neh 7,7
Dewelke kwamen met Zerubbábel, Jésua, Nehemía, Azária, Raämja, Nahamáni, Mórdechai, Bilsan, Mispéreth, Bigvai, Nehim en Báëna. Dit is het getal der mannen van het volk van Israël.

Est 4,6
Als Hatach uitging tot Mórdechai, op de straat der stad, die voor de poort des konings was,
EstGr 2,1
\cp [11] IN het vierde jaer als Ptolomeus ende Cleopatra regeerden, bracht Dositheus (die seyde dat hy een Priester ende Levijt was) ende sijn soon Ptolomeus desen tegenwoordigen brief der Purim: ende seyden dat hy desen was, ende dat Lysimachus de sone Ptolomei te Ierusalem dien overgeset hadde:



Ezra 6,15
In het zesde regeringsjaar van koning Darius, op de derde dag van de maand adar, was de tempel gereed.

Ester 3,7
In de eerste maand van het twaalfde regeringsjaar van koning Ahasveros, de maand nisan, liet Haman in zijn persoonlijke aanwezigheid het poer werpen, dat wil zeggen het lot, over alle dagen en over alle maanden, een voor een, tot en met de twaalfde maand, de maand adar.

Ester 3,13
En er werden door boden in alle provincies van het koninkrijk brieven verspreid waarin stond dat op één bepaalde dag, en wel op de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar, alle Joden moesten worden gedood en volledig uitgeroeid, jong en oud, vrouwen en kinderen inbegrepen, en dat hun bezittingen mochten worden buitgemaakt.

Ester 8,12
In alle provincies van koning Ahasveros zou dit recht gelden voor één bepaalde dag, en wel de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar.

Ester 9,1
De dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar, brak aan, de dag waarop het bevel en de wet van de koning zouden worden uitgevoerd, de dag waarop de vijanden van de Joden hen in hun macht hoopten te krijgen. Maar het omgekeerde gebeurde: het waren juist de Joden die hun belagers in hun macht kregen.

Ester 9,15
De Joden in Susa sloten zich dus ook op de veertiende dag van de maand adar aaneen en ze doodden in Susa nog eens driehonderd man. Maar hun bezittingen raakten ze met geen vinger aan.

Ester 9,16
Ook de andere Joden, elders in de provincies van het koninkrijk, hadden zich aaneengesloten en hun leven verdedigd. Op de dertiende dag van de maand adar verzekerden zij zich van rust door vijfenzeventigduizend van hun belagers te doden; hun bezittingen echter raakten ze met geen vinger aan. Op de veertiende van die maand hadden ze rust, en ze maakten van die dag een dag van feestmalen en feestvreugde.

Ester 9,19
Zo komt het dat de Joden van het platteland, die in niet-ommuurde steden wonen, de veertiende dag van de maand adar vieren met feestvreugde en feestmalen en elkaar op die dag lekkernijen sturen.

Ester 9,21
Daarin verplichtte hij hen ertoe om elk jaar opnieuw zowel de veertiende als de vijftiende dag van de maand adar te vieren,

Ester_(Grieks) 3,16
Zo ging Ester bij koning Artaxerxes binnen, in het zevende jaar van zijn regering, in de twaalfde maand, de maand adar.

Ester_(Grieks) 4,7
In het twaalfde regeringsjaar van Artaxerxes stelde Haman een decreet op, en hij wierp het lot over alle dagen en over alle maanden, een voor een, om een dag vast te stellen waarop heel Mordechais volk zou omkomen. Het lot viel op de veertiende dag van de maand adar.

Ester_(Grieks) 4,13
Afschriften van deze brief werden door boden overal in het rijk verspreid. Er werd in bevolen om op één bepaalde dag van de twaalfde maand, de maand adar, het Joodse volk uit te roeien; hun bezittingen mochten worden buitgemaakt.

Ester_(Grieks) 5,6
verordenen wij dat degenen die worden aangeduid in het bevelschrift van Haman, onze gevolmachtigde en onze tweede vader, radicaal en onverbiddelijk moeten worden uitgeroeid, vrouwen en kinderen inbegrepen, zonder dat ook maar iemand wordt ontzien, en wel nog in het huidige jaar, op de veertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar.

Ester_(Grieks) 13,12
dit gold in heel Artaxerxes’ rijk voor één dag, en wel voor de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar.

Ester_(Grieks) 14,20
en sta hun terzijde, zodat ze zich tegen hun belagers kunnen verweren wanneer de tijd van de verdrukking aanbreekt, de u bekende dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar.

Ester_(Grieks) 16,1
[9] Op de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar, was de brief van de koning overal ontvangen.

Ester_(Grieks) 16,15
Zo sloten de Joden in Susa zich ook op 14 adar aaneen. Ze doodden driehonderd man, maar plunderen deden ze niet.

Ester_(Grieks) 16,16
Ook de overige Joden, elders in het koninkrijk, sloten zich aaneen en verdedigden zich als één man. Zij verzekerden zich van rust door op 13 adar vijftienduizend van hun belagers om te brengen. Plunderen deden ze niet.

Ester_(Grieks) 16,19
Dat is de reden waarom voor de Joden die verspreid over de buitenlandse provincies wonen 14 adar een vrolijke feestdag is, waarop iedereen lekkernijen stuurt aan zijn bekenden, en waarom voor de inwoners van de steden in het moederland daarnaast ook 15 adar een blijde feestdag is, waarop ze elkaar lekkernijen sturen.

Ester_(Grieks) 16,21
Hij wilde dat 14 en 15 adar vaste feestdagen werden,


Poerimfeest 
Het Poerimfeest wordt als een soort carnaval gevierd. De mensen verkleden zich en vieren uitbundig feest. Poerim is een tijd van vreugde. Men geeft elkaar cadeaus. Ook worden er voedselpakketten uitgereikt aan de armen dichtbij en ver weg. De favoriete en speciale lekkerneij die tijdens het feest volop genuttigd wordt, zijn de zogenaamde Hamansoren. Dat is een koekje in de vorm van een oor, met daarop veel zoete jam. Zo smaakt het zoet der overwinning op Haman.
Mesiasbelijdende Joden vieren doorgaans ook Poerim, maar dan meer omdat ze tot het volk Israël horen. Er is wel een verbinding te leggen met het verlossingwerk van Jezus, maar deze ligt niet zo voor de hand. 
Wanneer gelovigen uit de volken Poerim mee vieren, zal het accent vooral komen te liggen op hun solidariteit met het Joodse volk.  Ze mogen dan blij zijn met de blijden. Bovendien mogen ze zich bezinnen op wat zij kunnen doen in de strijd tegen het antisemitisme en het onderkennen van krachten en gedachten die zich tegen Gods plan met Istaël verzetten.

Hamansoren

Ingrediënten
4 eieren
1 kop suiker
1/2 kop olie
Citroensap en citroenschil
1 theelepel vanille
5 koppen meel
2 theelepels bakpoeder
1 ei
gelei voor het opvullen

Bereiding
Voorverwarm de oven tot 350 graden. Breek de eieren en pak het suiker. Voeg de vijf volgende ingrediënten toe en meng het goed. Verdeel het deeg in vier stukken. 
Rol het uit op een bemeelde oppervlakte tot een halve centimeter dikte en snijdt met een kopje cirkel uit. Vul elke deel op het gelei en stop ze in een oliepan. Smeer ze in met de eieren. Bak ze voor 20 minuten.

Purim
Hamantaschen of Hamansoren recept:


Je hebt nodig:

½ kopje suiker
½ kop zachte boter, en wat extra om mee in te vetten
1 ei, gecontroleerd op bloed, losgeklopt
1 eetlepel rozenwater of oranjebloesemwater
2 kopen bloem, gezeefd
½ theelepel bakpoeder
¼ kop maanzaad

Roer de suiker en de boter romig in een grote kom, voeg het ei en rozenwater toe. Meng de bloem met het bakpoeder. Strooi meel en maanzaad in de kom en kneed alles tot een stevig deeg. 
Maak van het deeg een rol van ongeveer 5 cm doorsnee, wikkel de rol in folie en leg hem een paar uur in de koelkast. Verwarm de oven voor op 180°C (of stand 4). Snijd plakken van ongeveer 1 cm dik van de rol deeg. 
Leg de koekjes op een ingevette bakplaat en bak ze in 10 á 15 minuten goudbruin.

Het joodse poeriem feest

 

Dit feest is gebaseerd op het verhaal en de voorschriften uit het boek Esther, en is dus een gedenk feest. Het verhaal gaat dat koning Achasjverosj zijn vrouw verstoot en een nieuw joods meisje (Esther) trouwt. Zij houd echter haar joodse afkomst, op advies van haar neef Mordechai, geheim. Op het hof heeft echter Haman, verre afstammeling van Amelek erfvijand van het joodse volk, een belangrijke functie. Voor Haman moet iedereen op het hof buigen. Mordechai weigert dit echter omdat joden alleen voor god buigen. Haman krijgt de koning dan zover om een bevel uit te mogen voeren om elke jood aan te vallen of te laten vermoorden. Esther nodigt de koning en Haman dan twee keer uit om bij haar in het vertrek te komen eten. De tweede avond vertelt zij de koning dat er iemand is die haar en haar volk naar het leven staat. Dit blijkt dus Haman te zijn. Haman wordt samen met zijn zoons opgehangen aan de galg die bedoeld was voor Mordechai. De koning vaardigt dan een nieuw bevel die bepaalt dat alle joden iedereen die hen haat of naar het leven staat mogen doden. Het verhaal eindigd dan met de zin: "en zij kregen rust op de viertiende en maakten die tot een dag van maaltijd en vreugden".

Het poeriem feest is een uitbundig feest. Er zijn vier punten die belangrijk zijn op het poeriem feest.

  • Men luistert of vertelt uit de megilla, de rol van Esther. Als in het verhaal de naam Haman valt word er gestampt met de voeten of gerateld met ratels om zoveel mogelijk de afkeer van Haman te laten blijken.
  • Kinderen maar vaak ook volwassenen verkleden zich. 
  • Men brengt vrienden en kennissen eten en iets te drinken, en geeft geld aan de armen of aan goede doelen.
  • ‘s Avonds word er een feestelijke maaltijd aangericht.

De dag hiervoor is echter een dag van vasten, om te herdenken dat Esther een dag vasten, voordat zij de koning en Haman uit durfden te nodigen.

Het eten op deze dag zijn over het algemeen zoete gerechten. Bevrijding smaakt zoet.

Poeriem zelf betekent lotenfeest.

Het woord is afgeleid van het akkadisch woord ‘lot’. De betekenis in dit geval, is een lot als in de loterij, maar dan wel een datum loterij. 
Het noodlot voor de joden wordt door het lot bepaald: de dag die Haman uitkiest valt op de 13 adar (maand februari/ maart). Het feest wordt dus de 14 adar gevierd.

Sociale achtergrond van het feest Poeriem

Op het poeriem feest komt in de loop van de tijd steeds meer accent te liggen. Het is het feest van de overwinning op het antisemitisme.

Doordat de joden in de loop van de tijd vaak zijn vervolgd krijgt het feest steeds meer betekenis. Het is de overwinning op Haman maar ook op andere onderdrukkers of vervolgers zoals de paus of Hitler. 
Het is een triomffeest.

Tegelijkertijd is het poeriem feest een erg sociale aangelegenheid.

Men viert de overwinning van het goede, in dit geval dus het jodendom, tegelijkertijd wil men de vijand niet haten. Hiervoor gebruikt men de alcoholische dranken. 

Over het algemeen is het onjoods om dronken te worden. Op dit feest is het echter eerder een gebod om zoveel te drinken dat ‘men niet meer weet’. 
Deze uitspraak is in de geschiedenis vaak verkeerd begrepen. Het ‘niet meer weten’, komt van de uitspraak ‘drink zoveel totdat men niet meer het verschil weet tussen Mordechai en Haman’, oftewel,
tot men niet meer het verschil weet tussen de vijand en henzelf/ je eigen volk. Hierdoor kan men dus niet tot hoogmoed, haat of geweld uitvallen jegens de vijand. 
Het feest van de overwinning is dus ook een feest van verzoening of vergeving. Men zegt ook wel ‘drink tot men het verschil niet meer weet tussen rechts en links’.
Dit slaat meer op de verzoening tussen de joden zelf, om de eenheid in de gemeenschap (jodendom) te vergroten. Door de drank zouden barrières worden afgebroken en het gevoel van éénheid, 
contact, wordt versterkt.

Op dit punt word het poeriem feest ook wel vergeleken met Jom Kippoer (de grote verzoendag). Jom kippoer wordt ook wel Jom- Ha-Kippoeriem genoemd.

Verder is het poeriem feest de dag bij uitstek om de mitswa (het zenden van geschenken) te vervullen. Men geeft aan armen of goede doelen en brengt vrienden en kennissen ‘iets te eten en te drinken’. 

Het poeriem feest gebeurt groeten deels op straat, men houd optochten in de vorm van een carnaval. In Israël, en vast ook in andere delen van de wereld, zie je dat ook veel niet joden mee feesten.

Het carnaval, zich verkleden, komt van de ‘verborgen wonderen’ van het poeriem feest. Jongens en meisjes verkleden zich vaak als Esther en Mordechai.

Dit heeft de achtergrond dat god zelf in het verhaal van Esther niet voorkomt, maar, volgens de joden, verborgen zeker wel aanwezig is.

Dit heeft ook de betekenis gekregen dat de ‘dingen niet altijd zijn wat ze lijken’. Op het ene moment lijkt Haman te winnen, het andere moment zijn de joden de winnaars.

Zo zijn er velen maskers die gedragen worden op het poeriem feest.

Dit is ook mede om nader tot elkaar te komen. Verkleed kan men elkaar niet herkennen en is ieder gelijk, men moet elkaar ‘opnieuw’ bekijken. Dit is nogmaals om de eenheid in het jodendom te vergroten.

De avond word besloten met een gezamenlijke maaltijd.

Economische achtergrond van het poerimfeest

Het poerimfeest is wel het meest uitbundige en toegankelijke joodse feest.
Het heeft in de loop van de tijd het zogenaamde ‘kerstmis’ effect gekregen. Men viert het volop, zelfs als men niet meer gelovig is, en men gebruikt op poerim een enorm uitgebreid dineer.

Winkels maken hier, net zoals tijdens het kerstfeest of paasfeest, goed gebruik van. Zij liggen vol met ‘Hamansoren’ en de schappen liggen vol met (ritueelgeslacht) vlees.

Het poerim feest is ook niet het feest om zuinig te doen, men moet rijkelijk geven aan vrienden en armen of liefdadigheidsinstanties, om aan de mitswa te voldoen.

Ook de slijterijen moeten extra inslaan voor het poerim feest, aangezien de joden zich op deze dag zich allen goed lam drinken.

De feestwinkels lopen ook goed rond deze tijd. Poerim maskers en verkleed kleren gaan als warme broodjes. Gaan de kinderen veelal verkleed als Esther en Mordechai, 

vandaag de dag zijn ninja turtels of teletubies ook van de partij.

De carnavals optochten zijn vol met vrolijke, bonte feestgangers, die ook veelal niet joods zijn en niet de historische redenen van het feest kennen. Wel drinken zij net zo goed mee.

Het poerim feest trekt vele toeristen en de restaurants, hotels en hostels stijgen met hun prijzen rond deze tijd met zo’n 10 %.


 

Poerim

Een Hamanratel wordt door kinderen op Poerim gebruikt om kabaal te maken als de naam van Haman valt bij het voorlezen in de synagoge van de boekrol van Ester 
Poerim (Hebreeuws: פורים), Poeriem of Poerem (Nederlands-Jiddisch/Asjkenazisch) is een joods feest. Het uit de Oudperzische taal afkomstige woord 'poer' betekent 'lot', reden waarom Poerim ook wel het Lotenfeest wordt genoemd. Het wordt gevierd op 14 adar in de joodse kalender en valt daarmee in het vroege voorjaar. In steden die in de tijd van de Tweede Tempel ommuurd waren viert men Poerim een dag later, op 15 adar, het zogeheten Sjoesjan Poerim; heden ten dage is dit enkel in Jeruzalem het geval. In de Tenach is de inzetting van dit feest terug te vinden in het boek Ester hoofdstuk 9:20-23.

Op dit feest herdenkt men in het jodendom dat op deze dag(en) het lot van het Joodse volk, dat in de vijfde eeuw v.Chr. in ballingschap leefde in het Perzische Rijk, een wending nam en het van uitroeiing werd gered. Dit wordt beschreven in het verhaal van Est(h)er dat in het gelijknamige boek uit de Tenach staat beschreven. Koning Achasjveros (Xerxes) had de Jodin Ester (haar Hebreeuwse naam was Hadassa) tot vrouw genomen en daarmee werd zij ook koningin. Haar neef en pleegvader Mordechai was ter ore gekomen dat de Perzische antisemitische hoveling Haman een complot aan het smeden was om de Joden uit te roeien. Haman had daarvoor naar Perzisch gebruik door middel van een lot bepaald op welke dag hij dit wilde doen. Mordechai deelde dit aan Ester mee en dankzij haar hoge positie wist zij dit aan haar gemaal de Perzische koning over te brengen zodat er op tijd tegenmaatregelen konden worden genomen. Het resultaat was dat Haman met zijn zoons en verdere trawanten zelf ter dood werd gebracht en deze potentiële doemdag voor de Joden veranderde in een feestdag.

Verloop

Aan Poerim gaat een vastendag vooraf (13 adar), de zogenoemde Ta'aniet Esther dat letterlijk het 'vasten van Esther' betekent. Deze vastendag begint in de ochtend van 13 adar en eindigt bij het donker, dus tijdens de avonddienst en de lezing van het boek Esther. Na ma'ariew (de avonddienst) wordt de 'megilla', de rol, voorgelezen door een voorzanger die goed bekend is met de melodie daarvoor, wat de volgende dag aan het einde van sjachariet (de ochtenddienst) nog eens wordt herhaald. 
De megilla is een rol van perkament waarop de tekst met een veer is geschreven en die om en om wordt gevouwen, voordat het lezen eruit begint.

De aanwezigen in de synagoge lezen uit een eigen rol of uit een boek de tekst mee. Ook vrouwen en zelfs kleine kinderen zijn verplicht zowel 's avonds als 's ochtends de voorlezing te horen. Vaak wordt voor huisvrouwen later op de avond en de volgende dag tijdens de (na)middag nog een lezing gehouden, zodat er op ieder moment iemand thuis is voor de (kleine) kinderen. Zelf lezen telt niet; de megilla moet door iemand anders worden voorgelezen. Of de voorlezing voor vrouwen door een vrouw gedaan kan worden is (binnen het orthodoxe jodendom) een punt van discussie. De traditioneel-Joodse vrouwengroep Deborah houdt jaarlijks een megilla-lezing door en voor vrouwen in Amsterdam.

Telkens als tijdens de voorlezing de naam van Haman valt maakt men veel kabaal (de kinderen draaien met zogeheten Hamanratels) om te vieren dat deze slechterik niet heeft gezegevierd maar zelf het onderspit heeft moeten delven. 
Ook bidt men een speciaal dankgebed tot God.

De Joden uit de toenmalige Perzische hoofdstad Susa hadden dit namelijk zo gedaan alvorens Ester naar de Perzische koning had durven toe te gaan om hem te informeren over de boosaardige plannen van Haman. Het was namelijk gebruik in het Perzische Rijk dat men niet zomaar uit zichzelf naar de koning mocht gaan en als men dat wel deed, liep men het risico ter dood te worden gebracht. Vandaar die voorbereiding door middel van het vasten, een algemeen gebruik bij de Joden waardoor men de hulp van God tracht(te) af te smeken.

Data in de gregoriaanse kalender

Externe Links


VERKLEDE MENSEN MET HAMANS OREN



Afbeelding uit 1657


Een Hamanratelwordt door kinderen op Poerim gebruikt om kabaal te maken als de naam van Haman valt bij het voorlezen in de synagoge van de boekrol van Ester



Het feest heeft verder een uitbundig en vreugdevol karakter, en is vol met vrolijke liedjes en verkleedpartijen. Er bestaat de verplichting een feestmaaltijd te consumeren. Men eet speciale gerechten zoals Hamansoren (driehoekige koekjes gevuld met chocoladepasta/dadelpasta met/zonder nootjes, of maanzaad) en men geeft vrienden minimaal twee eetbare gerechten (misjloach manos/manot), in het Nederlands verbasterd naar sjlachmones) en er wordt geld gegeven aan arme mensen, dit laatste uit een oogpunt van "tsedaka", dat wil zeggen rechtvaardigheid in combinatie met liefdadigheid.

Terwijl het jodendom de rest van het jaar, behoudens voor het heiligen van sjabbat en feestdagen, het gebruik van alcoholische dranken niet aanmoedigt, bestaat het gebruik onder sommigen om op Poerim zoveel alcohol te consumeren dat men geen onderscheid meer kan maken tussen de slechte Haman en de gezegende Mordechai. Anderen bereiken dit door even te slapen - een slapend persoon kan dit onderscheid immers net zo min maken als iemand die dronken is. Anderen doen geen van beiden.

Zie ook het volksverhaal Geld voor de armen.

Data in de gregoriaanse kalender
2011: 20 maart ('s avonds) en 21 maart (overdag)
2012: 8 maart ('s avonds) en 9 maart (overdag)

Externe links
Megillat Ester gezongen, online als mp3-bestanden
Boek Ester uit de (Hebreeuwse) Bijbel
Joods Historisch Museum
Webspecial van de Joodse Omroep over Poerim

Poeriem (deel 1)

Purimfeest
Het Purimfeest komt van het woord Pur, wat lot betekent. Het Purimfeest is ingesteld ten tijde van de Ballingschap.Ten tijde van koningin Esther wilde Haman het volk vernietigen, maar God greep in (Esther 9). Haman was een Agagiet, afstammeling van Agag, de koning van de Amalekieten en Amalek was een afstammeling van Ezau. God heeft een eeuwigdurende strijd tegen Amalek, omdat Amalek Israël van achteren had aangevallen toen zij door de woestijn trokken. Ooit had Saul in de strijd tegen de Amalekieten koning Agag moeten doden, maar dat heeft hij niet gedaan, waarop Samuel Agag doodde. 

Haman was hooggeplaatst aan het hof van Ahasverus, de koning van Perzië. Hij wilde de Joden uitroeien. Maar Mordechai, de oom van koningin Esther, was niet van plan te buigen voor het plan van Haman. Haman wiep het lot over de Joden in de 1e maand, Nisan, de maand van Pesach, elke dag tot aan de 12e maand, Adar (Esther 3:7). Zijn plan was om de Joden uit te roeien op de 13e van de maand Adar. God beschikte het lot echter anders zodat Haman uitgeroeid werd (Esther 7:9-10). Het volk van Israël mocht door een nieuwe wet van de koning zich verdedigen tegen iedereen die hen iets wilde aandoen (Esther 8:3-14). Dit Purimfeest werd vervolgens gevierd van de 13e tot de 15e Adar (Esther 10). Dit jaar wordt het op 26 februari in Israël gevierd, buiten Israël 1 dag langer.

Het is wonderlijk dat de naam van God niet wordt genoemd in het bijbelboek Esther. Toch is Gods beschermende hand duidelijk waarneembaar in de geschiedenis van Esther en het volk. Het Purimfeest zal een feest zijn waarin er rust is van de vijanden en dat verdriet zal veranderen in vreugde (Esther 9:17-22).

Het lotenfeest of poeriem (; poer = lot, zie Ester 3:7, 9:24) wordt gevierd in het voorjaar (maart).

Op dit feest wordt gevierd dat het joodse volk verlost is van de jodenhater Haman, de Agagiet. Haman was bepaald niet de laatste antisemiet - dat maakt(e) het feest steeds weer actueel.

Na eerst een vastendag (ta’aniet Ester, ‘vasten van Ester’) komt het feest: een wel bijzonder vrolijk, uitbundig en carnaval-achtig feest. Compleet met optochten, verkleedpartijen en toneelstukjes. Er mag gedronken worden ‘ad-ló-jada’ - ‘tot­dat men niet meer weet’ (nl.: het verschil tussen ‘gezegend zij Mordechai’ en ‘vervloekt zij Haman’). Er worden zoete koekjes met maanzaad, zgn. ‘Hamans-flappen’ of ‘Hamansoren’ gegeten. Bij Poeriem horen ook de sjlachmones, geschenken voor vrienden, en het tsedaqa (‘aalmoes’) geven aan de armen (Ester 9:22).

(N.B.: wij zeggen ‘aalmoes’, dat komt van het Griekse woord voor ‘barmhartigheid’; de joden spreken van: tsedaqá = ‘gerechtigheid, gerechte daad’!)

Ester-rol
Op het poeriem-feest wordt het boek Ester gelezen. In de megillat Ester, de Ester-rol, komt Gods naam - of zelfs maar het woord ‘God’ - niet voor. Maar elke nieuwe kolom begint met het woord hammèlèch, ‘de koning’. Achter deze koning ziet men God als dé Koning.
Hij is het die - verborgen - de geschiedenis leidt.

De rol van Ester wordt gelezen als poeriem begint, ’s avonds. En de volgende dag ’s morgens weer. Het lezen moet worden gehoord in de sjoel. Zo mogelijk moet je ook zelf een ‘koosjere’, handgeschreven rol (een soort kleine tora-rol, maar dan om één stok gewonden) hebben om mee te lezen met de voorzanger. Maar in elk geval moet je ook horen. Als je meeleest lees je de namen van de zonen van Haman niet zelf; dan luister je naar de voorlezer.

Na de lezing zegt de gemeente:

Gezegend Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld,
die voor ons de strijd voert,
die voor onze rechten opkomt,
voor ons wraak neemt,
onze aartsvijanden straft.
Gezegend Gij, Eeuwige,
die alle tegenstanders van Zijn volk straft,
de reddende God.

Ratel, ‘Hamandraaier’
Van oudsher is het gewoonte om bij het lezen van de Ester-rol elke keer als de naam ‘Haman’ klinkt, op de vloer te stampen en kabaal te maken. De kinderen nemen daarvoor een ratel mee, of speciale hamertjes om mee op de banken te slaan. ‘Moge de naam van Haman uitgeroeid worden!’

Poerim (deel 2)

Een gok op de toekomst

Ongeveer een maand voor Pasen, aan het begin van de lente, vieren de joden overal Poeriem, het Lotenfeest. Uiterlijk is het een soort combinatie van het sinterklaasfeest en carnaval. Men wisselt geschenken uit, verorbert speciaal gebak, en houdt verkleedpartijen. 
Het is een zeer uitbundig feest, waarbij men niet vies is van een drankje, en waarbij de autoriteiten, de rabbi's incluis, het voor één keer moeten ontgelden. Zelfs de synagoge ontkomt niet aan het feestgedruis. Wanneer daar namelijk op deze dag de Ester-rol voorgelezen wordt, klinkt er, telkens wanneer de naam van de booswicht Harnan valt, een luid boegeroep, liefst nog ondersteund door enorm geratel.

De meeste feestelijkheden van Poeriern vinden hun verklaring ergens in het boek Ester. Zonder dit boek is het feest ondenkbaar. In dit boek, dat in de meest letterlijke zin het ongewisse lot van de joden in ballingschap aan de orde stelt, komt het tot een bijna sprookjesachtig happy-end. De uitbundige vreugde van toen herinnert men zich nog steeds. Het is dan echter niet alleen een herinnering aan Perzische tijden. De problematiek van het boek Ester heeft zich voor de joden in de diaspora al talloze malen herhaald. Alle progroms ten spijt heeft men al een paar duizend jaar anti-semitisme aan de kaak kunnen stellen, en het overleven kunnen vieren. Het boek Ester heeft bewezen tijdloos te zijn.

Het Ester-verhaal

Het verhaal van het boek Ester, dat uit slechts tien hoofdstukken bestaat, speelt zich af aan het hof van de Perzische koning Ahasveros, die maar liefst over 127 provincies regeerde. Deze koning, die al zijn belangrijke beslissingen blijkbaar placht te nemen tijdens drinkgelagen en braspartijen, verstoot zijn echtgenote Wasti. De jood Mordekai, de voogd van de wees Ester, zorgt ervoor dat zijn beeldschone protégée de plaats van die koningin kan innemen. Intussen voorkomt Mordekai tussen de bedrijven door ook nog even een aanslag op de koning.
De koning wist van dit alles niets, maar het gaf, toen Ester dit tijdens het zoveelste gelag openbaarde, Mordekai zoveel krediet, dat de strijd met Haman, beschreven in het centrale gedeelte van het verhaal, in zijn voordeel beslist kon worden. Mordekai wenste niet te buigen voor de hovaardige grootvizier Haman, en de laatste wilde vervolgens op een door het lot ('poer') bepaalde dag niet alleen Mordekai, maar tegelijkertijd de hele joodse culturele minderheid laten hangen. Wanneer Ester op het allerlaatste moment klaarheid brengt, komt er de ommekeer in het verhaal. Mordekai neemt, in een soort hogepriesterlijk gewaad gehuld, Hamans plaats als grootvizier in, terwijl Haman in zak en as aan de voor Mordekai bestemde galg belandt. Hamans volgelingen in de stad Susa en in de provincies ondergaan vervolgens hetzelfde lot dat eerst aan de joodse minderheid toegedacht was. De dag die door het lot voor de ondergang van de joden bepaald was, werd er een van overleven en vreugde. Deze dag wordt tenslotte door Ester en Mordekai tot officiële joodse feestdag in de diaspora van Perzië uitgeroepen. Aan het einde van het verhaal, waarvan de spanning grotendeels wordt bepaald door subtiel vertragende herhalingen en zorgvuldig uitgewerkte contrasten, hebben de joden ongeveer alle macht in handen.

De historische achtergrond

Wanneer het boek Ester geschreven is, weten we niet precies. Voor het eerst wordt er rond 60 v. Chr. in 2 Makkabeeën 15,36 naar verwezen. Taalgebruik en stijl suggereren een datum omtrent 150 v. Chr., dezelfde tijd als waarin vergelijkbare boeken als Daniël en Judit ontstaan moeten zijn. Dat wil zeggen dat het boek Ester ongeveer driehonderd jaar na de erin beschreven gebeurtenissen het licht zag. Zuiver historisch klopt er van het verhaal dan ook weinig of niets. Alleen de algemene achtergrond waartegen de gebeurtenissen zich afspelen, is enigszins wetenschappelijk verantwoord. Men kan het boek Ester dan ook hooguit als een historiserende novelle betitelen. Het zal de auteur overigens een zorg geweest zijn. Hij is niet geïnteresseerd in een wetenschappelijk verantwoorde historische verhandeling. 
Hij probeert een geschiedenis te schrijven die hopelijk niet te mooi is om waar te zijn. Net als zijn collega-schrijvers van de boeken Daniël en Judit transponeert onze auteur de eigen actuele situatie van onderdrukking van het joodse volk naar een vergelijkbaar verleden. 
De bijna sprookjesachtige afloop van het verhaal in het verleden heeft tot doel het volk in de diaspora een hart onder de riem steken, en het enig perspectief te bieden. Door elementen van het reeds lang bestaande Poeriemachtige nieuwjaarsfeest in te bouwen in dit verhaal, kreeg het nog extra gewicht, en werden de festiviteiten in een vast kader geplaatst.

Volgens veel wetenschappers is de legitimatie van het poeriemfeest zelfs de belangrijkste ontstaansreden van het Esterverhaal geweest. Het is echter duidelijk dat het boek Ester meer is dan alleen maar een leuk etiologisch verhaaltje. Om in de officiële joodse canon terecht te komen was enige toegevoegde waarde wel het minste dat noodzakelijk geacht werd.

Het boek Ester als algemene geschiedenis

Als men het Ester-verhaal goed leest, ziet men al snel dat het niet zomaar een losse geschiedenis is. Het is wat men een 'typologisch' verhaal zou kunnen noemen. Bij alle personen en situaties krijgt men de indruk deze al eens eerder gezien te hebben. Zo heeft Haman, de grote boosdoener, in het verhaal niet alleen trekjes van de notoire anti-joodse farao meegekregen, maar vooral ook van de klassieke volksvijand nummer één, de Amalekieten. Volgens Exodus 17,8-14 had dit volk onder aanvoering van Amelek tijdens de woestijntocht de joden het leven al zuur gemaakt. Onder hun nieuwe leider Agag brachten ze vervolgens in 1 Samuël 15 Saul en zijn leger in grote verlegenheid. Wanneer een goede verstaander hoort dat Haman een Agagiet is, zal er bij hem ergens een belletje gaan rinkelen. Niet alleen echter door Haman wordt 1 Samuël 15 opgeroepen, ook door zijn tegenspeler Mordekai. Net als Saul blijkt Mordekai immers een Benjaminiet, en dan nog een zoon van Kis ook.

De Naam Mordekai zelf lijkt een toespeling op de Perzische godennaam Marduk te zijn. Er is sprake van een mengelmoes van associaties. Zoals men in de naam Mordekai die van de godheid Marduk kan horen, klinkt in de naam van zijn pleegdochter Ester die van de godin Istar 'ster' mee. Het ligt dan ook voor de hand dat bij het joodse koppel Mordekai/Ester de gedachte aan de godenbruiloft van Marduk en Istar, die bij elk Nieuwjaar door de koning en de hogepriesters ritueel herhaald werd, op de achtergrond meespeelt.
Het is net zo iets mythisch als het verhaal van Simson en Delila, de 'zon' en de 'nacht'.

Naast de vergelijking met de 'ster' van ons verhaal met Istar dringt zich ook de vergelijking met Jozef uit Genesis 37-40 op. Het is zeer waarschijnlijk dat het verhaal over Jozefs succesvolle loopbaan aan het hof van de farao de schrijver van het Ester-verhaal direct geïnspireerd heeft. Niet alleen de personen, de motieven en intriges vertonen overeenkomsten. Er zijn zelfs duidelijke parallellen in taalgebruik aan te wijzen.

Als Ester inderdaad als een soort tweede Jozef beschouwd kan worden, ligt het voor de hand koning Ahasveros, de laatste van de vier hoofdrolspelers, te vergelijken met de farao. Hem vervolgens dan ook nog eens als een verpersoonlijking van JHWH te beschouwen - die opvallend genoeg nergens in het Ester-verhaal wordt genoemd - gaat iets te ver. Hij bepaalt weliswaar net als JHWH met onherroepelijke besluiten wat goed en kwaad is, maar onder invloed van drank en list en bedrog. Ahasveros is op z'n best een afhankelijk, sullig type.

Een globale typologische beschrijving zoals hierboven gegeven, is meer dan alleen een leuk associatief tijdverdrijf. Het laat zien in welk historisch perspectief een verhaal zou kunnen of moeten worden gelezen. Het feit dat Ester, Mordekai, Haman en Ahasveros zelf waarschijnlijk nooit geleefd hebben, wil nog niet zeggen dat ze niet historisch zijn. Achter hun persoon verbergt zich een combinatie van figuren die in de geschiedenis een rol gespeeld hebben. Het verhaal krijgt daardoor een supra-historisch, bijna mythisch karakter. Men krijgt de indruk dat het Ester-verhaal zich in het verleden al veel vaker afgespeeld heeft, en zich ook in de toekomst steeds zal kunnen herhalen. Dit laatste is tegelijkertijd zowel hoopgevend als diep tragisch.

Hoe volmaakt was Ester?

De joodse rabbijnen die het boek Ester in de canon hebben opgenomen, voelden blijkbaar het typologische karakter van het verhaal feilloos aan. Het moet voor hen duidelijk meer geweest zijn dan de zoveelste variant op sprookjes uit duizend en één nacht. Dit lag minder voor de hand dan men misschien op het eerste gezicht zou denken. Er waren theoretisch voldoende argumenten voorhanden om het verhaal uit de canon te weren. Oppervlakkig bezien kan men het bijvoorbeeld nauwelijks een religieus verhaal noemen. Net als in het op Pasen gelezen Hooglied, valt nergens de naam JHWH. Bovendien zouden er morele vragen gesteld kunnen worden bij Esters gedrag, en merkt men - anders dan in andere verhalen die in de ballingschap spelen - niets van enig verlangen terug naar het vaderland Israël, Jeruzalem of de tempel.
Het is echter al gauw duidelijk dat het boek Ester geschreven is voor joden die al vast in de diaspora geworteld zijn en het niet in hun hoofd kregen om nog terug te keren. Bovendien had dit boek als een seculiere variant op het uittocht-verhaal toch een onderliggende religieuze dimensie. Hoewel dit voldoende was om in de canon opgenomen te worden, bleef de behoefte aan meer duidelijkheid te bieden en eventuele bezwaren weg te werken bestaan. Het resultaat was dat er in de loop der eeuwen telkens aanvullingen op de tekst bleven verschijnen.
De Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament, is hier een typisch voorbeeld van. We zien daarin de tekst zelfs bijna tweemaal zo lang worden. JHWH gaat er, als Heer over de geschiedenis, nu een uitdrukkelijke rol op de achtergrond meespelen.
Dit gebeurt onder meer in een droom van Mordekai en in gebeden van hem en zijn pleegdochter. Het gebed van Ester wordt tegelijkertijd gebruikt om duidelijk te maken dat haar gedrag zo veel mogelijk in overeenstemming was met de Wet. De auteur beperkt zich echter niet alleen tot morele verontschuldigingen en lofprijzingen. Net zoals dat in Genesis Apocryphon het geval is bij Sara en Rebekka, wordt ook de gelegenheid te baat genomen om meer te zeggen over Esters fysieke kwaliteiten dan alleen de constatering dat ze een schoonheid was. 
Zelfs in dit opzicht past Ester dus keurig in de spiraalvormige lijn van de bijbelse geschiedenis.

Christendom en Ester

Het christendom heeft nooit veel opgehad met het boek Ester, laat staan met het Poeriem-feest. Beide waren waarschijnlijk net iets te veel toegesneden op het joodse volk alleen. In het Nieuwe Testament vinden we zelfs geen enkele uitdrukkelijke verwijzing naar Ester, hoogstens een paar toespelingen (vergelijk Mc.6,23 met Est.5,3 en Apok.11,10 met Est.9,19). De oude kerkvaders noemen het boek slechts incidenteel, en juist hun sterke kanten, de typologie en de allegorie, komen hier aanvankelijk nauwelijks uit de verf.
Waar die typologie dan uiteindelijk toch doorzet, zoals bijvoorbeeld bij de vroege theoloog Maurus, wordt Ester het symbool van de christelijke kerk, terwijl het joodse volk, dat eigenlijk gered werd, zich tevreden moet stellen met de rol van de verstoten koningin Wasti.
Haman levert geen enkel probleem op: hij is de duivel. Of in de praktijk deze rolverdeling wel zo geslaagd was, is natuurlijk de vraag. Alleen de marginale positie waarin de joden in de diaspora binnen de vergelijking worden gedrongen, lijkt van enige realiteitszin te getuigen.

Als men de geschiedenis bekijkt, blijkt het christendom zijn vermeende Ester-rol zelden of nooit te hebben kunnen waarmaken. In tegendeel. In de dagelijkse praktijk trad men vaak als een griezelig echte kopie van de duivel Haman op. Met nagenoeg dezelfde argumenten als Haman richtten de christenen van Alexandrië reeds in de vijfde eeuw een slachting aan onder de daar in de diaspora wonende joden. Dat ging her en der eeuwen zo door, onder instemmend toezicht van de officiële kerkelijke instanties. 
Uit het boek Ester trok men geen enkele lering. Alsof men feilloos aanvoelde dat men in dat geval onvermijdelijk de weinig aantrekkelijke rol van Haman op zich moest nemen, kritiseerde men voor het gemak het boek in plaats van het eigen gedrag. 
Het boek zou niet alleen a-religieus en a-moralistisch zijn, maar bovendien nog eng nationalistisch. Luther is in zijn 'Tischreden' wel erg duidelijk. Naar aanleiding van 2 Makkabeeën zegt hij: 'Ich bin dem Buch und Ester so feind, dass ich wollte sie waren gar nicht vorhanden.
Denn sie judenzen zu sehr und haben viel heidnische Unart'. Eeuwenoude antisemitische tendenzen konden ongestoord welig blijven tieren, tot men na de zoveelste variant op Haman, nu Hitler genaamd, enigszins tot bezinning kwam. Dat er nu nog iets als een joodse diaspora bestaat, is in ieder geval niet aan het christendom te danken, maar hooguit aan een groot aantal individuele mensen, onder wie gelukkig ook vele christenen.

Een feest voor de toekomst

Poeriem is een typisch joods feest, en de geschiedenis heeft het alleen maar joodser kunnen maken. Overal in de diaspora was er voor joden wel overleven te vieren. Ondanks het feit dat het christendom uit het jodendom voortkwam, en eveneens her en der met vervolging te maken kreeg, heeft het altijd nagelaten zich bij de poeriem-feestelijkheden aan te sluiten. Gezien de geschiedenis zou het van weinig werkelijkheidszin en vooral van weinig smaak getuigen dat alsnog te doen. Als het christendom heden ten dage zijn joodse wortels serieus wil nemen, kan het zich op Poeriem misschien het best bezinnen op zijn dubieuze rol in het verleden. Het is een dag die bij uitstek geschikt zou zijn als dag tegen racisme en antisemitisme. Als christenen zich actief zouden inzetten om te verhinderen dat er in de toekomst nog eens een Haman opstaat, kan misschien iets van het verleden worden goedgemaakt. Als dat lukt, zou het ideaal van een messiaanse eindtijd een stuk dichterbij zijn. Dat zou dan alsnog een aanleiding kunnen zijn om samen met de joden Poeriem te vieren.  Alle mogelijkheden daartoe zijn aanwezig. Poeriem is volgens de joodse Midrasch-traditie namelijk het enige feest dat ook in de eindtijd nog gevierd zal worden.

Dag van het blazen op de ramshoorn (Jom Hasjofar)

De sjofar (ramshoorn) wordt geblazen om het volk op te roepen tot bezinning. Later wordt dit ook het moment waarop men het Joodse nieuwjaar viert (Rosj Hasjana).

Lev. 23:24 en Num. 29:1



The fourteenth and fifteenth of Adar are celebrated as Purim. The specific day on which Purim is celebrated depends on the location; in places where Purim is celebrated on the fourteenth, it is not celebrated on the fifteenth, and vice versa.

The original observance of Purim as a festival was established by the sages and the prophets, who decreed that it be observed in every generation, as we read in the Megillah: “To establish these days of Purim at their appropriate times” (9:31). The Talmud (Megillah 2b) explains: “these days . . . at their appropriate times—i.e., the time appropriate for one [city] is not appropriate for the other [city].”

Why were different days established as Purim in different cities? Why wasn’t one day chosen as Purim in all cities, just as other festivals are celebrated on the same day in every city?

We find that even in the times of Mordechai and Esther, Purim was celebrated on a different day in Shushan than in the other cities. In all other cities, the battle against the enemies of the Jews took place on the thirteenth of Adar, and the people rested and celebrated on the fourteenth of Adar. In Shushan, however, the battle took place on the thirteenth and fourteenth of Adar, and the people rested and celebrated only on the fifteenth.

In principle, then, only the city of Shushan should celebrate on the fifteenth of Adar, for it was only there that Purim was celebrated on that day. The sages of that era, however, wished to accord honor to Jerusalem and to the Land of Israel which was desolate at the time.

They therefore issued the following ruling: Shushan, where the miracle occurred, has an importance of its own and celebrates Purim on the fifteenth, even though it was not settled and thus did not have a surrounding wall at the time when Yehoshua (Joshua) bin 
 
Nun conquered the Land of Israel. Other cities which were settled and had walls at the time of Yehoshua bin Nun, even if they are in a state of ruin and are no longer surrounded by walls, are considered to be important, and their present state of destruction (when the sages established the holiday of Purim) is considered to be temporary. They are therefore accorded the status of Shushan and celebrate Purim on the fifteenth. Cities which did not have surrounding walls at the time of Yehoshua bin Nun, even if they have walls surrounding them today, are to celebrate Purim on the fourteenth of Adar.

All of the above applies to cities both in the Land of Israel and outside it.

Hence, the Purim which is celebrated on the fourteenth of Adar is referred to as Purim of the “open” [i.e., unwalled, or less important] cities, whereas the Purim which is celebrated on the fifteenth is referred to as Purim of the “walled,” major, cities.

Today, the only city in which Purim is celebrated on the fifteenth of Adar (besides Shushan) is Jerusalem. Although the Megillah is also read on the fifteenth of Adar in a number of other cities in the Land of Israel, including Acre, Jaffa, and Tiberias, this is only a custom based on the possibility that they may have been surrounded by walls at the time of Joshua. In these places, the Megillah reading on the fifteenth is done without reciting the blessings. For all other purposes, these cities celebrate Purim on the fourteenth.


Het Poeriemverhaal van Esther

Een verhaal over het joodse Poerimfeest (Lotenfeest)
Meer dan tweeduizend jaar geleden vernielde Nebukadnezar, de wrede koning van Babylonië, de Heilige Tempel van de joden in Jeruzalem. De joden werden uit hun land weggejaagd en gedwongen om in Babylonië te gaan wonen.

Maar vijftig jaar later werd Babylonië veroverd door de Perzen. De koning van de Perzen was Ahasveros en zijn koninkrijk reikte van India tot Afrika. De joden, die nog steeds in Babylonië woonden, waren nu dus onderdanen van de Perzische koning geworden.

Om zijn koningschap te vieren organiseerde Ahasveros een groot feest in de hoofdstad van Perzië: Shushan. Het feest zou zeven dagen duren en er was eten en drinken voor alle inwoners. Iedereen in de stad mocht komen, zelfs de joden.

Maar de leider van de joden, Mordechai, waarschuwde zijn volk om niet naar het feest te gaan. Het was een heidens feest, waar je dingen moest eten die joden niet mogen eten, er werd geen rekening gehouden met de sjabbat - de joodse heilige zaterdag - en bovendien gebruikte de koning de zilveren en gouden schalen uit de Tempel in Jeruzalem voor zijn schranspartijen, iets dat God sterk zou afkeuren.

Maar het joodse volk was bang dat ze de koning voor het hoofd zouden stoten als ze niet kwamen; bovendien hadden ze wel zin in een feest, want vaak werden joden niet eens uitgenodigd voor een feest. Dus gingen ze allemaal naar het feest en aten en dronken ze zeven dagen lang.

Koning Ahasveros was ook op het feest. Ook de koningin was er. Zij heette Vasjti, ze was een kleindochter van de Babylonische koning Nebukadnezar. Toen de koning dronken was van de wijn, begon hij op te scheppen dat Vasjti de mooiste vrouw op aarde was en hij riep haar bij zich en beval haar te dansen voor het publiek. Maar de vrouw antwoordde trots: "Ik ben je dienaar niet, zoek maar een ander om voor je te dansen!" Dat maakte de koning zo kwaad, dat hij haar in een vlaag van woede onmiddellijk liet doden.

Maar nu had de koning een nieuwe koningin nodig. Ahasveros wilde een koningin die nóg mooier was dan Vasjti en hij liet zijn mannen heel Perzië afzoeken en beval hen de mooiste meisjes naar Shushan te brengen.

Nu woonde in Shushan een joods weesmeisje dat Hadassah heette. Zij woonde bij haar oom Mordechai, die haar had opgevoed. Toen de mannen van de koning haar kwamen halen, zei Mordechai tegen zijn nichtje: "Ga maar, wees maar niet bang; maar vertel ze niet dat je een joodse bent. Zeg maar dat je Esther heet, dat is een Perzische naam. God zal je behoeden!"

Esther was een heel lief en zacht meisje en bovendien was ze erg mooi. Toen Ahasveros haar zag, koos hij haar meteen als nieuwe koningin. Esther mocht zeven hofdames uitzoeken, een voor iedere dag, zodat ze precies wist wanneer het sjabbat was. Ze liet haar maaltijden bereiden met koosjer voedsel, zonder dat haar geheim uitlekte: niemand wist dat zij een joodse was.

Mordechai kwam iedere dag naar de poort van het paleis om te horen of er nieuws was van zijn nichtje. Op een dag hoorde hij buiten de poort twee mannen een plan beramen om de koning om te brengen. Hij waarschuwde Esther, die het doorgaf aan de koning. Deze liet de twee mannen doden. Hoewel de goede daad van Mordechai in het Koninklijke Journaal werd genoteerd, werd het geval al snel vergeten en ging men over tot de orde van de dag.

Niet lang daarna benoemde de koning een nieuwe Eerste Minister; het was Haman, de rijkste man van de stad. Alle onderdanen werden geacht om de nieuwe minister eer te betonen en voor hem te buigen. Iedereen deed het braaf, behalve Mordechai. Niet dat Mordechai niet wilde buigen voor de Eerste Minister, maar Haman droeg een groot medaillon met de beeltenis van een heidense god; Mordechai zei dat het joden verboden was om te knielen of buigen voor heidense beeltenissen. Haman, die toch al een hekel aan joden had, werd zo kwaad dat hij zich rechtstreeks richtte tot de koning: "Er bevindt zich onder uw onderdanen een volk," brieste hij, "dat anders is dan alle andere volken in uw koninkrijk. Ze eten niet ons voedsel, drinken niet onze wijn en trouwen niet onze dochters! Ze houden zich niet aan uw wetten en ze zijn lui! Elke zevende dag van de week weigeren ze te werken en verder hebben ze allerlei vrije dagen vanwege hun God! Met uw toestemming zal ik er voor zorgen dat dit volk wordt uitgeroeid! Al moet ik de kosten daarvan zelf betalen!"

Achasjeverosj, die een groot vertrouwen had in zijn Eerste Minister, gaf Haman het koninklijke zegel, om de koninklijke orders door het hele rijk te verspreiden. Haman wilde het hele joodse volk op één en dezelfde dag uitroeien. Het leek hem het beste om deze dag door de goden en de sterren te laten bepalen, dus gebruikte hij 'poeriem' - een soort lootjes - om deze dag te bepalen. Daarna stuurde hij verzegelde rollen naar alle 127 provincies van het koninkrijk: 'Op de 13e van de maand Adar', stond er op de rollen, 'zullen alle joden - jong en oud, vrouwen en kinderen - moeten worden gedood. Hun geld en bezittingen mogen worden verdeeld.' Toen Mordechai van de brief hoorde werd hij heel verdrietig. Hij scheurde zijn kleed en wreef as over zijn gezicht ten teken van rouw. Hij zei tegen Esther dat ze naar de koning moest gaan en hem te vragen om het joodse volk te redden. Maar Esther durfde dat niet, want het was streng verboden om de koning ongevraagd te benaderen. Maar Mordechai zei dat ze wel moest gaan: "Wie weet heeft God je daarom ooit koningin gemaakt in dit paleis! Als je het niet doet, zal je een eerloze dood sterven!"

"Goed," zei Esther. "Maar dan moet je het joodse volk vragen om drie dagen lang voor mij te vasten en te bidden."

Mordechai deed zoals hem was gevraagd en ook alle joodse kinderen in Shushan droeg hij op om te bidden. Het joodse volk besefte nu dat het verkeerd was geweest om naar het feest van de koning te gaan en zich daar vol te proppen met wijn en voedsel en de schalen uit de Tempel te misbruiken. Ze begrepen dat dit hun straf was voor het feit dat ze de koning meer vreesden dan God.

Toen de drie dagen van vasten en bidden voorbij waren, stapte Esther naar de koning. "Wat kan ik voor je doen, mijn koningin?" vroeg deze. Maar Esther zei nog niets en vroeg de koning alleen maar of hij met Haman te gast wilde zijn op een privé-banket. Tijdens het etentje vroeg Ahasveros nogmaals waarmee hij haar van dienst kon zijn: "Vraag het me en je krijgt het!" drong de koning aan. Maar Esther zei niets en nodigde hem en Haman alleen maar uit voor een volgend banket. "Vreemd," dacht de koning, maar Haman was in zijn nopjes. Bij de uitgang van het paleis zag hij echter Mordechai staan en dat veranderde zijn humeur op slag. "Ik ben zo belangrijk dat ik word uitgenodigd door de koningin, maar deze jood weigert voor mij te buigen!" riep hij kwaad en hij wilde Mordechai onmiddellijk vermoorden, zonder te wachten op de 13e van de maand Adar. Hij liet nog dezelfde avond een galg bouwen om Mordechai de volgende morgen aan op te hangen.

Die nacht kon koning Ahasveros niet slapen. Hij liet een bediende komen met het Koninklijke Journaal, om hem in slaap te lezen. Deze opende het boek, precies op de bladzijde waar werd beschreven hoe Mordechai de moord op de koning had verijdeld.

"Wat voor beloning heeft de jood daarvoor gekregen?" vroeg de koning.

"Niets, sire," was het antwoord.

"Wat? Hij redde mijn leven en kreeg niets?" baste de koning.

Op dat moment werd er op de deur van het slaapvertrek geklopt. Het was Haman, die om permissie kwam vragen om de jood Mordechai op te hangen.

"Haman," donderde de koning. "Zeg me, wat is de beste manier om een man die de koning toegewijd is te belonen?"

Haman, die dacht dat de koning hém bedoelde, dacht slim te zijn en antwoordde: "Laat hem uw koninklijke mantel dragen, en uw koninklijke kroon, en Iaat hem op het koninklijke paard rijden! En laat een dienaar voor het paard uitlopen en verkondigen: 'Op deze wijze eert de koning zijn trouwste onderdaan!'"

"Een geweldig idee!" riep de koning uit. "Zorg onmiddellijk dat het voor elkaar komt. Probeer Mordechai de jood te vinden en behandel hem precies zo als je daarnet hebt beschreven!"

Haman moest wel gehoorzamen. En Mordechai werd op koninklijke wijze door de straten van Shushan gevoerd, toegejuicht door het volk.

Haman zag het knarsetandend aan. Daarna toog hij naar het paleis, voor het tweede banket van de koningin. Daar richtte de koning zich wederom tot Esther: "Wat is het dat je verlangt, mijn koningin? Waarom heb je ons hier uitgenodigd? Zeg het en het zal gebeuren!"

Deze keer sprak Esther wel. "Red mijn leven!" huilde ze, "en de levens van mijn volk; we zijn ter dood veroordeeld!"

"Ter dood veroordeeld?" vroeg de koning verbaasd. "Jouw volk? Door wie?"

"Door een sluwe en gemene man, door jouw Eerste Minister Haman!"

De koning was verbluft en beende de kamer uit om na te denken. Haman begon hevig te bibberen en wierp zich op de koningin en smeekte om genade. Juist op dat moment kwam de koning weer de kamer inlopen.

"Wat?" riep hij uit, "durf jij in mijn paleis de koningin aan te vallen? Wachters, grijp hem en hang hem onmiddellijk op!"

Haman werd aan de galg gehangen die hij zelf had laten bouwen voor Mordechai. En Mordechai werd nu Eerste Minister van de koning in plaats van Haman!

Maar hiermee waren de problemen nog niet opgelost. Volgens de Perzische wetten van toen was het niet mogelijk om een eenmaal uitgesproken vonnis, bevestigd door het zegel van de koning, terug te nemen. Dus de koning kon het doodsvonnis tegen de joden niet ongedaan maken. Maar Mordechai kreeg nu de beschikking over het koningszegel, zodat hij nieuwe vonnissen kon uitvaardigen om de joden te helpen. Zo beval hij dat voor de 13e van de maand Adar alle joden zich moesten organiseren om zich tegen aanvallen te verdedigen.

Op de 13e van Adar vochten de joden voor hun voortbestaan. Ze verdedigden zich op heldhaftige wijze. Duizenden vijanden werden gedood, inclusief de tien kwaadaardige zonen van Haman, die stuk voor stuk werden opgehangen aan een boom. Anders dan de Perzen, die uit waren op geld en goederen van de joden, lieten de joden de bezittingen van de Perzen ongemoeid.

Na de viering van de overwinning vroeg Esther aan de rabbijnen om het verhaal van de dag van de 'poeriem' op te nemen in de bijbel. De rabbijnen schreven het verhaal op rollen van perkament, en stuurden die door het hele koninkrijk. En ze droegen het joodse volk op om het Poeriemfeest voortaan ieder jaar te vieren, als een dag van dankbaarheid en vreugde, een dag om gezamenlijk te eten, en een dag om een cadeautje te geven aan een vriend en geld aan de armen.


* * * EINDE * * *

Samenvatting: Het verhaal van Esther uit de bijbel. Dit verhaal vertelt wat de joden is overkomen ten tijde van de Babylonische overheersing. Esther redt het hele joodse volk dat ter dood veroordeeld werd. Naar aanleiding hiervan vieren de joden nog altijd jaarlijks Poerim.
Toelichting: Meer verhalen uit Israël:
,
Feest/viering:

Bron: "En dat vieren wij! Feesten en vieringen van kinderen in kleurrijk Nederland" samengesteld door Pim van Schaik. PlanPlan, Nederlands Centrum voor Volkscultuur, Amsterdam, 2004. ISBN: 90-76092-10-9



Je kunt ze om de beurt tevoorschijn laten komen om het poerim verhaal te vertellen!
 
Wat heb je nodig: 
4 kartonnen bekertjes 
4 dikke limonaderietjes Wit en gekleurd knutselpapier 
1 kartonnen eierdoos 
Viltstiften, een schaar, lijm, gekleurde wol ( voor haren), (schilders)plakband 

Hoe maak je het:
Trek op een stevig  vel wit papier de bodem van de bekertjes 8 keer om. Knip deze cirkels uit voor de poppengezichtjes 1 voor de voorkant en 1 voor de achterkant. 
Maak met behulp van de viltstiften en gekleurd papier er 4 echte poerim gezichten van. Denk aan koningin Esthers kroon en de driekantige hoed van Haman. Plak op de achterhoofden eventueel wol als haren. 
Plak de voor en achterkant tegen elkaar met het rietje ertussen, ieder gezicht op een rietje, gebruik plakband als het met lijm niet lukt. 
Plak de vier bekertjes op de deksel van de eierdoos. Als het goed gedroogd is kun je met een priem of dikke naald een gaatje onderin prikken zodat het rietje erdoorheen past. 
Steek het rietje door het gat, zo dat de poppenkop in het bekertje zit. 
Zo kun je ze om de beurt tevoorschijn laten komen om het poerim verhaal te vertellen! 
Chag sameach!

Voor meer informatie voor kinderen over Poerim: Kinderpleinen.




Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen