Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Stambomen Bijbel
Flavius Josephus
Scientific Evidence for a Young Earth

 

Sirach 44

Laat ons de beroemde mannen prijzen,
onze voorvaders, generatie na generatie.
De Heer heeft hun veel luister toebedeeld, hen vanaf het begin groot gemaakt.
Er waren heersers over koninkrijken, mannen vermaard om hun kracht, raadgevers vol inzicht, verkondigers van profetieën,
leiders van het volk door hun raad en door hun verstandige onderricht van het volk – wijs waren hun woorden bij hun onderwijs.
Er waren mensen die melodieën bedachten, en mensen die spreuken te boek stelden,
rijke mensen met invloed, vredestichters in hun woonplaatsen.
Ze werden allen door hun tijdgenoten geroemd, ze waren de trots van hun tijd.
Sommigen van hen lieten een naam na, zodat hun lof nog steeds verkondigd wordt.
Aan anderen wordt niet meer gedacht, ze zijn verdwenen alsof ze nooit hadden bestaan, alsof ze nooit waren geboren; en zo verging het ook hun kinderen.
10 Maar de eersten waren barmhartig, hun rechtvaardigheid werd niet vergeten.
11 Hun naam blijft met hun nageslacht, hun nakomelingen zijn hun goede erfenis.
12 Hun nageslacht houdt zich aan de verbonden, hun nakomelingen doen dat dankzij hen.
13 Hun nageslacht blijft tot in eeuwigheid, hun roem zal niet worden uitgewist.
14 Ze werden in vrede begraven, hun naam leeft voort van generatie op generatie.
15 Over hun wijsheid zullen de volken vertellen, de gemeenschap zal hun lof verkondigen.
Henoch en Noach
16 Henoch was de Heer welgevallig en hij werd weggenomen, een toonbeeld van inkeer voor alle generaties.
17 Noach werd voorbeeldig en rechtschapen bevonden, ten tijde van Gods toorn was hij het losgeld. Toen de zondvloed kwam bleef dankzij hem een rest van de aarde behouden.
18 Met hem werd een eeuwig verbond gesloten, zodat niet nog eens alle leven door een vloed zou worden weggevaagd.
Abraham, Isaak en Jakob
19 Abraham is de aartsvader van een menigte volken, er kleeft geen smet aan zijn roem.
20 Hij hield zich aan de wet van de Allerhoogste en had met hem een verbond. Dat verbond heeft hij in zijn lichaam gesneden, en toen hij werd beproefd, bleek zijn trouw.
21 Daarom heeft de Heer hem onder ede beloofd dat door zijn nageslacht de volken gezegend zouden zijn. Hij zou het zo talrijk maken als het stof van de aarde, zijn nageslacht als sterren verheffen, het een gebied geven van zee tot zee, van de Rivier tot aan de einden der aarde.
22 Aan Isaak beloofde hij hetzelfde, vanwege zijn vader Abraham. Ook liet hij het verbond en de zegen voor alle mensen
23 op het hoofd van Jakob rusten. Door zijn zegen erkende hij hem en gaf hij hem een gebied, dat hij verdeelde onder de twaalf stammen.
Mozes
Hij bracht uit Jakob een barmhartig man voort, die ieders genegenheid won,

 

Psalmen 90

10 Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren (70), of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren (80); en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.


1 Koningen 2

 En neem waar de wacht des HEEREN, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult;
Opdat de HEERE bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Indien uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun ganse hart en met hun ganse ziel te wandelen, zo zal geen man, zeide Hij, u afgesneden worden van den troon Israëls.

2 Kronieken 25

Doch hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven.

Jeremía 15

De ondergang des volks is onvermijdelijk
Maar de HEERE zeide tot mij: Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan.
En het zal geschieden, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat gij tot hen zult zeggen: Zo zegt de HEERE: Wie ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde; en wie tot den honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis!

 

Genesis 3

20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.

Genesis 4

En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kaïn werd een landbouwer.

 

Genesis 4

Kaïn en Habel
En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kaïn, en zeide: Ik heb een man van den HEERE verkregen!
En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kaïn werd een landbouwer.
En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kaïn van de vrucht des lands den HEERE offer bracht.
En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan;
Maar Kaïn en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kaïn zeer, en zijn aangezicht verviel.
En de HEERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?
Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.
En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.
En de HEERE zeide tot Kaïn: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?
10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.
11 En nu zijt gij vervloekt; van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen.
12 Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.
13 En Kaïn zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.
14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.
15 Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kaïn; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.
16 En Kaïn ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.
17 En Kaïn bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons, Henoch.
18 En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechújaël; en Mechújaël gewon Methúsaël; en Methúsaël gewon Lamech.
19 En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.
   20 En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.
   21 En de naam zijns broeders was Jubal; deze was de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.
22 En Zilla baarde ook Túbal-Kaïn, een leermeester van allen werker in koper en ijzer; en de zuster van Túbal-Kaïn was Naëma.
23 En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!
24 Want Kaïn zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.
25 En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel; want Kaïn heeft hem doodgeslagen.
26 En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den Naam des HEEREN aan te roepen.

Genesis 5

Van Adam tot Noach
Dit is het boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.
Man en vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde hun naam Mens, ten dage als zij geschapen werden.
En Adam leefde honderd en dertig jaren (130), en gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.
En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf.
En Seth leefde honderd en vijf jaren (105), en hij gewon Enos.
En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, achthonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Zo waren al de dagen van Seth negenhonderd en twaalf jaren; en hij stierf.
En Enos leefde negentig jaren (90), en hij gewon Kenan.
10 En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
11 Zo waren al de dagen van Enos negenhonderd en vijf jaren; en hij stierf.
12 En Kenan leefde zeventig jaren (70), en hij gewon Mahalal-el.
13 En Kenan leefde, nadat hij Mahalal-el gewonnen had, achthonderd en veertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
14 Zo waren al de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf.
15 En Mahalal-el leefde vijf en zestig jaren (65), en hij gewon Jered.
16 En Mahalal-el leefde, nadat hij Jered gewonnen had, achthonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
17 Zo waren al de dagen van Mahalal-el achthonderd vijf en negentig jaren; en hij stierf.
18 En Jered leefde honderd twee en zestig jaren (162), en hij gewon Henoch.
19 En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
20 Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd twee en zestig jaren; en hij stierf.
21 En Henoch leefde vijf en zestig jaren (65), en hij gewon Methúsalach.
22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Methúsalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
23 Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren.
24 Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.
25 En Methúsalach leefde honderd zeven en tachtig jaren (187), en hij gewon Lamech.
26 En Methúsalach leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd twee en tachtig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
27 Zo waren al de dagen van Methúsalach negenhonderd negen en zestig jaren; en hij stierf.
28 En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren (182), en hij gewon een zoon.
29 En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft!
30 En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
31 Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaren; en hij stierf.
32 En Noach was vijfhonderd jaren oud (500); en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.


Genesis 7

Noach nu was zeshonderd jaren oud (600), als de vloed der wateren op de aarde was.

The book of Jasher Chapter 13
9. At that time, at the end of three years of Abram's dwelling in the land of Canaan, in that
year Noah died, which was the fifty-eighth year of the life of Abram; and all the days
that Noah lived were nine hundred and fifty years (950) and he died.
  

Adam 130 130 Seth (Gelijkenis naar evenbeeld van Adam)
Seth 105 235 Enos
Enos 90 325 Kenan
Kenan 70 395 Mahalal-el
Mahalal-el 65 460 Jered
Jered 162 622 Henoch (Hij stierf niet, want God nam hem weg)
Henoch 65 687 Methúsalach
Methúsalach 187 874 Lamech
Lamech 182 1056 Noach
Noach (500,502 Sem,?) 502 1558 Cham, Jafeth, Sem (1558)
   
 
Vloed Noach 600 jaar oud 1656
 
Sem (vloed 98/vader 100) 1658
Arfachsad

Genesis 10

Nakomelingschap van Noachs zonen
Dit zijn de afstammelingen van de zonen van Noach, Sem, Cham en Jafeth. Bij hen werden na de vloed zonen geboren.
De zonen van Jafeth zijn: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.
De zonen van Gomer zijn: Askenaz, Rifath en Togarma.
De zonen van Javan zijn: Elisa en Tarsis, de Kittiërs en de Dodanieten.
Van hen stammen de mensen af die zich over de kustlanden van de volken verspreid hebben, in hun landen, elk overeenkomstig zijn taal, overeenkomstig hun geslachten, onder hun volken.

    6 
De zonen van Cham zijn: Cusj, Mitsraïm, Put en Kanaän.
De zonen van Cusj zijn: Seba, Havila, Sabta, Raëma en Sabtecha. De zonen van Raëma zijn: Sjeba en Dedan.
En Cusj verwekte Nimrod; die begon een geweldenaar op de aarde te worden.
Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE; daarom wordt gezegd: Als Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE.
10 Het begin van zijn koninkrijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.
11 Uit dit land is Assur weggegaan en hij bouwde Ninevé, Rehoboth-Ir, Kalach
12 en Resen, tussen Ninevé en Kalach; dat is de grote stad.
13 Mitsraïm verwekte de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten,
14 de Pathrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen voortgekomen zijn – en de Kaftorieten.
15 Kanaän verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, Heth,
16 en de Jebusiet, de Amoriet, de Girgasiet,
17 de Heviet, de Arkiet, de Siniet,
18 de Arvadiet, de Zemariet en de Hamathiet; daarna zijn de geslachten van de Kanaänieten verspreid.
19 En de grens van de Kanaänieten reikte van Sidon in de richting van Gerar tot aan Gaza, en in de richting van Sodom, Gomorra, Adama en Zeboïm, tot aan Lasa.
20 Dit waren de zonen van Cham, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun talen, met hun landen en hun volken.
21 Ook bij Sem zijn zonen geboren; hij is de voorvader van alle zonen van Heber, en de broer van Jafeth, de oudste.
22 Sems zonen waren: Elam, Assur, Arfachsad, Lud en Aram.
23 De zonen van Aram waren: Uz, Hul, Gether en Mas.
24 Arfachsad verwekte Selah, en Selah verwekte Heber.
25 Bij Heber werden twee zonen geboren; de naam van de ene was Peleg, omdat in zijn dagen de aarde verdeeld is, en de naam van zijn broer was Joktan.
26 Joktan verwekte Almodad, Selef, Hazarmavet, Jerah,
27 Hadoram, Uzal, Dikla,
28 Obal, Abimaël, Sjeba,
29 Ofir, Havila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan.
30 Hun woongebied reikte van Mesja tot in de richting van Sefar, het bergland in het oosten.
31 Dit waren de zonen van Sem, ingedeeld naar hun geslachten en naar hun talen, met hun landen en hun volken.
32 Dit waren de geslachten van de zonen van Noach, ingedeeld naar hun afstamming, met hun volken; van hen stammende volken af die zich na de vloed over de aarde hebben verspreid.

Genesis 11

Nakomelingschap van Sem (De gekozen mensen van Israel door YHWH)
10 Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud (100), en gewon Arfachsadtwee jaren na den vloed.
11 En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
12 En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren (35), en hij gewon Selah.
13 En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
14 En Selah leefde dertig jaren (30), en hij gewon Heber.
15 En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hij gewon zonen en dochteren.
16 En Heber leefde vier en dertig jaren (34), en gewon Peleg. (Mensen werden op de aarde verdeeld door de stad Babel)
17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
18 En Peleg leefde dertig jaren (30), en hij gewon Rehu.
19 En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
20 En Rehu leefde twee en dertig jaren (32), en hij gewon Serug.
21 En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
22 En Serug leefde dertig jaren (30), en gewon Nahor.
23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
24 En Nahor leefde negen en twintig jaren (29), en gewon Terah.
25 En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Nakomelingschap van Terah
26 En Terah leefde zeventig jaren (70), en gewon AbramNahor en Haran.
27 En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot.
28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeeën.
29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.
30 En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind.
31 En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar.
32 En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren (205), en Terah stierf te Haran.

Genesis 12

Abrams roeping
De HEERE (YHWY) nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.
En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!
En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.
En Abram toog heen, gelijk de HEERE (YHWY) tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren (75) oud, toen hij uit Haran ging.
Aankomst in Kanaän
En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.
En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.
Zo verscheen de HEERE (YHWY) aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE (YHWY), Die hem verschenen was.
En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-El tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde daar den HEERE (YHWY) een altaar, en riep den Naam des HEEREN (YHWY) aan.
Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden.
10 En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land.
11 En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht.
12 En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden.
13 Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.
In Egypte
14 En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was.
15 Ook zagen haar de vorsten van Faraö, en prezen haar bij Faraö; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Faraö.
16 En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.
17 Maar de HEERE (YHWY) plaagde Faraö met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw.
18 Toen riep Faraö Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is?
19 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zoude genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga henen!
20 En Faraö gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had.

Handelingen 7
Rede van Stéfanus
  En de hogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzo?
  2 En hij zeide: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, nog zijnde in Mesopotámië, eer hij woonde in Charran;
  3 En zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal.
  4 Toen ging hij uit het land der Chaldeeën, en woonde in Charran (Haran). En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar gij nu in woont.

 
Naam Leeftijd Jaar Opvolger
Sem 100 1658 Arfachsad
Arfachsad 35 1693 Selah
Selah 30 1723 Heber
Heber 34 1757 Peleg
Peleg 30 1787 Rehu
Rehu 32 1819 Serug
Serug 30 1849 Nahor
Nahor 29 1878 Terah
Terah (Stierf op een leeftijd van 205) 2153 Abram, Nahor, Haran 70 1948 Abram 
Abraham (Abram) (Stierf op een leeftijd van 175) 2123 (430) 400 jaren (Abraham was 75 toen zijn vader 205 overleed) 100 2048 Izak (Israel)
Izak (Stierf op een leeftijd van 180) 2228 60  2108 Jakob
Jakob (Stierf op een leefijd van 147) (Israël) 12 stammen Hij is 17 jaar in Egypte tijdens zijn overlijden 130 2238 Aankomst Egypte
Uittocht van de kinderen van Israël na 430 jaar in Egypte 430  2668 Uittocht Egypte
Tempel bouw na 480 jaar na de uittocht van de kinderen van Israël 480 3148 Tempelbouw (1e)



430 2668 Uittocht
Mozus (Stierf op een leefijd van 120) Hij was 80 toen hij de Farao voor het eerst sprak met Aäron (83) 40 2708 Woestijn
Salomo lied de tempel bouwen in het 4e jaar van zijn regering in Israël (1Kon 6: 1)
480 3148 Tempelbouw
Salomo 4 jaren al Koning over Israël en heeft 40 jaar geregeerd over Israël 36 3184 Rehábeam
Rehábeam Hij was 41 jaar oud toen hij Koning werd over Jeruzalem
17 3201 Abía
Abía
 3 3204 Asa
Asa 41
3245
Jósafat
Jósafat (35 jaar oud toen hij Koning werd over Jeruzalem en regeerde 25 jaar) 25 3270 Joram
 Joram  8 3278  Ahazia
  

Genesis 21

En Abraham was honderd jaren oud (100), als hem Izak zijn zoon geboren werd.

Genesis 25

20 En Izak was veertig jaren oud (40), als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, den Syriër, uit Paddan-Aram, de zuster van Laban, den Syriër, zich ter vrouw nam.

Genesis 25

Ezau en Jakob
19 Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak.
20 En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuël, den Syriër, uit Paddan-Aram, de zuster van Laban, den Syriër, zich ter vrouw nam.
21 En Izak bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en de HEERE liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd.
22 En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om den HEERE te vragen.
23 En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.
24 Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.
25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau.
26 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau’s verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren (60) oud, als hij hen gewon.
27 Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht, een veldman; maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten.
28 En Izak had Ezau lief; want het wildbraad was naar zijn mond; maar Rebekka had Jakob lief.
29 En Jakob had een kooksel gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moede.
30 En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom.
31 Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte.
32 En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?
33 Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte.
34 En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.

Genesis 35

Dood van Izak
27 En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-Arba, hetwelk is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak.
28 En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren.
29 En Izak gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem. (Jakob is dan 120 jaar)

Genesis 18

God verschijnt aan Abraham bij Mamre
Daarna verscheen hem de HEERE aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur der tent zat, toen de dag heet werd.
En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur der tent, en boog zich ter aarde.
En hij zeide: Heere (YHWH)! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet van Uw knecht voorbij.
Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder dezen boom.
En ik zal een bete broods langen, dat Gij Uw hart sterkt; daarna zult Gij voortgaan, daarom omdat Gij tot Uw knecht overgekomen zijt. En zij zeiden: Doe zo als gij gesproken hebt.
En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zeide: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.
En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teder en goed, en hij gaf het aan den knecht, die haastte, om dat toe te maken.
En hij nam boter en melk, en het kalf, dat hij toegemaakt had, en hij zette het hun voor, en stond bij hen onder dien boom, en zij aten.
Toen zeiden zij tot hem: Waar is Sara, uw huisvrouw? En hij zeide: Ziet, in de tent.
10 En Hij zeide: Ik zal voorzeker weder tot u komen, omtrent dezen tijd des levens; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur der tent, welke achter Hem was.
11 Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze der vrouwen.
12 Zo lachte Sara bij zichzelve, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is?
13 En de HEERE zeide tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zou ik ook waarlijk baren, nu ik oud geworden ben?
14 Zou iets voor den HEERE te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara zal een zoon hebben!
15 En Sara loochende het, zeggende: Ik heb niet gelachen; want zij vreesde. En Hij zeide: Neen! maar gij hebt gelachen.
Verwoesting van Sódom en Gomórra aangekondigd 
(In het jaar 2108 is dit geweest Izak was in dat jaar geboren en dat was in dat jaar van de belofte dat dit plaatsvond)
16 Toen stonden die mannen op van daar, en zagen naar Sódom toe; en Abraham ging met hen, om hen te geleiden.
17 En de HEERE zeide: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?
18 Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden?
19 Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des HEEREN houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de HEERE over Abraham brenge, hetgeen Hij over hem gesproken heeft.
20 Voorts zeide de HEERE: Dewijl het geroep van Sódom en Gomórra groot is, en dewijl haar zonde zeer zwaar is,
21 Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.
22 Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sódom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des HEEREN.
Abraham bidt voor Sódom
23 En Abraham trad toe, en zeide: Zult Gij ook den rechtvaardige met den goddeloze ombrengen?
24 Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult Gij hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn?
25 Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met den goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?
26 Toen zeide de HEERE: Zo Ik te Sódom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zo zal Ik de ganse plaats sparen om hunnentwil.
27 En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben!
28 Misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult Gij dan om vijf de ganse stad verderven? En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven, zo Ik er vijf en veertig zal vinden.
29 En hij voer voort nog tot Hem te spreken, en zeide: Misschien zullen aldaar veertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal het niet doen om der veertigen wil.
30 Voorts zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik spreke; misschien zullen aldaar dertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal het niet doen, zo Ik aldaar dertig zal vinden.
31 En hij zeide: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere; misschien zullen er twintig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der twintigen wil.
32 Nog zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik alleenlijk ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der tienen wil.
33 Toen ging de HEERE weg, als Hij geëindigd had tot Abraham te spreken; en Abraham keerde weder naar zijn plaats.
 

2 Kronieken 8:1

Sálomo bouwt steden
1 Het geschiedde nu ten einde van twintig jaren, in dewelke Sálomo het huis des HEEREN en zijn huis gebouwd had,

Ezechiël 24
Gelijkenis van den ziedenden pot
1 Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, in het negende jaar, in de tiende maand, op den tienden der maand, zeggende:
2 Mensenkind! schrijf u den naam van den dag op, even van dezen zelfden dag; de koning van Babel legt zich voor Jeruzalem, even op dezen zelfden dag.

2 Koningen 25
Nebukadnézar verwoest Jeruzalem
1 En het geschiedde in het negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op den tienden der maand, dat Nebukadnézar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn ganse heir, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.

Jeremia 52
4 En het geschiedde in het negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op den tienden der maand, dat Nebukadrézar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn ganse heir, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.

Daniël 1
Daniël aan het Babylonische hof
1 In het derde jaar des koninkrijks van Jójakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnézar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar.
En de Heere gaf Jójakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods.


Genesis 37

Jozef door zijn broeders verkocht
En Jakob woonde in het land der vreemdelingschappen zijns vaders, in het land Kanaän.
Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren (17), weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader.

Genesis 47

28 En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar (17); zodat de dagen van Jakob, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren.

Genesis 50

Dood van Jozef
22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren (110).
23 En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren.
24 En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk Hij Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.
25 En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren!
26 En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men legde hem in een kist in Egypte.

 

Exodus 13

Bevel tot heiliging der eerstgeborenen
Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen Israëls, van mensen en van beesten, dat is Mijn.
Verder zeide Mozes tot het volk: Gedenkt aan dezen zelfden dag, op welken gijlieden uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want de HEERE heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden.
Heden gaat gijlieden uit, in de maand Abib.
En het zal geschieden, als u de HEERE zal gebracht hebben in het land der Kanaänieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Hevieten, en der Jebusieten, hetwelk Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land vloeiende van melk en honig; zo zult gij dezen dienst houden in deze maand.
Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, en aan den zevenden dag zal den HEERE een feest zijn.
Zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden, en het gedesemde zal bij u niet gezien worden, ja, er zal geen zuurdeeg bij u gezien worden, in al uw palen.
En gij zult uw zoon te kennen geven te dienzelven dage, zeggende: Dit is om hetgeen de HEERE mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte uittoog.
En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet des HEEREN in uw mond zij, omdat u de HEERE door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft.
10 Daarom onderhoudt deze inzetting ter bestemder tijd, van jaar tot jaar.
11 Het zal ook geschieden, wanneer u de HEERE in het land der Kanaänieten zal gebracht hebben, gelijk Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en Hij het u zal gegeven hebben;
12 Zo zult gij tot den HEERE doen overgaan alles, wat de baarmoeder opent; ook alles, wat de baarmoeder opent van de vrucht der beesten, die gij hebben zult; de mannetjes zullen des HEEREN zijn.
13 Doch al wat de baarmoeder der ezelin opent, zult gij lossen met een lam; wanneer gij het nu niet lost, zo zult gij het den nek breken; maar alle eerstgeborenen des mensen onder uw zonen zult gij lossen.
14 Wanneer het geschieden zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat? zo zult gij tot hem zeggen: De HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd.
15 Want het geschiedde, toen Faraö zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde de HEERE alle eerstgeborenen in Egypteland, van des mensen eerstgeborene af, tot den eerstgeborene der beesten; daarom offer ik den HEERE de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; doch alle eerstgeborenen mijner zonen los ik.
16 En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot voorhoofdspanselen tussen uw ogen; want de HEERE heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd.
Tocht naar de Schelfzee
17 En het is geschied, toen Faraö het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op den weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was; want God zeide: Dat het den volke niet rouwe, als zij den strijd zien zouden, en wederkeren naar Egypte.
18 Maar God leidde het volk om, langs den weg van de woestijn der Schelfzee. De kinderen Israëls nu togen bij vijven uit Egypteland.
19 En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen Israëls bezworen, zeggende: God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met ulieden op van hier!
20 Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.
De wolkkolom en de vuurkolom
21 En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.
22 Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht des volks.

Genesis 29

Jakobs dienst bij Laban
Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land der kinderen van het Oosten.
En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende; want uit dien put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op den mond van dien put.
En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den mond des puts, en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mond van dien put, op zijn plaats.
Toen zeide Jakob tot hen: Mijn broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.
En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, den zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.
Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.
En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.
Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen verzameld zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken.
Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vader toebehoorden; want zij was een herderin.
10 En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijner moeders broeder, en de schapen van Laban, zijner moeders broeder, dat Jakob toetrad, en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban, zijner moeders broeder.
11 En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.
12 En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een broeder van haar vader, en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen.
Rachel en Lea (14 Jaren dienen )
13 En het geschiedde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijner zusters zoon, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen.
14 Toen zeide Laban tot hem: Voorwaar, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.
15 Daarna zeide Laban tot Jakob: Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij derhalve om niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn?
16 En Laban had twee dochters: de naam der grootste was Lea; en de naam der kleinste was Rachel.
17 Doch Lea had tedere ogen; maar Rachel was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.
18 En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uw kleinste dochter.
19 Toen zeide Laban: Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een anderen man geve; blijf bij mij.
20 Alzo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enige dagen, omdat hij haar liefhad.
21 Toen zeide Jakob tot Laban: Geef mijn huisvrouw, want mijn dagen zijn vervuld, dat ik tot haar inga.
22 Zo verzamelde Laban al de mannen dier plaats, en maakte een maaltijd.
23 En het geschiedde des avonds, dat hij zijn dochter Lea nam, en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in.
24 En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, tot een dienstmaagd.
25 En het geschiedde des morgens, en ziet, het was Lea. Daarom zeide hij tot Laban: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt; heb ik niet bij u gediend om Rachel? waarom hebt gij mij dan bedrogen?
26 En Laban zeide: Men doet alzo niet te dezer onzer plaatse, dat men de kleinste uitgeve vóór de eerstgeborene.
27 Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor den dienst, dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.
28 En Jakob deed alzo; en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw.
29 En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd.
30 En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren.
Lea's zonen
31 Toen nu de HEERE zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar.
32 En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zeide: Omdat de HEERE mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben.
33 En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Dewijl de HEERE gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook dezen gegeven; en zij noemde zijn naam Simeon.
34 En zij werd nog bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijn naam Levi.
35 En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.

Genesis 30

Rachel benijdt Lea
Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zo ben ik dood.
Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft?
En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde.
Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in.
En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon.
Toen zeide Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan.
En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon.
Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.
Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw.
10 En Zilpa, Lea’s dienstmaagd, baarde Jakob een zoon.
11 Toen zeide Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad.
12 Daarna baarde Zilpa, Lea’s dienstmaagd, Jakob een tweeden zoon.
13 Toen zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser.
14 En Ruben ging in de dagen van den tarweoogst, en hij vond Dûdaïm in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dûdaïm.
15 En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dûdaïm nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dûdaïm bij u liggen.
16 Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dûdaïm; en hij lag dien nacht bij haar.
17 En God verhoorde Lea; en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon.
18 Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar.
19 En Lea werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon.
20 En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam Zebulon.
21 En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam Dina.
22 God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder.
23 En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn smaadheid weggenomen!
24 En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe.
25 En het geschiedde, als Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land.
26 Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om welke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want gij weet mijn dienst, dien ik u gediend heb.
27 Toen zeide Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat de HEERE mij om uwentwil gezegend heeft.
28 Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal.
29 Toen zeide hij tot hem: Gij weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is.
30 Want het weinige, dat gij vóór mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en de HEERE heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis?
31 En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet met al geven, indien gij mij deze zaak doen zult; ik zal wederom uw kudden weiden, en bewaren.
32 Ik zal heden door uw ganse kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn.
33 Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van morgen met mij betuigen, als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.
34 Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord!
35 En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf dezelve in de hand zijner zonen.
36 En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban.
37 Toen nam zich Jakob roeden van groen populierenhout, en van hazelaar, en van kastanjen; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit, hetwelk aan die roeden was.
38 En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken.
39 Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte.
40 Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban.
41 En het geschiedde, telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden.
42 Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen.
43 En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.

Handelingen 7

Rede van Stéfanus
En de hogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzo?
En hij zeide: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abrahamnog zijnde in Mesopotámië, eer hij woonde in Charran;
En zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal.
Toen ging hij uit het land der Chaldeeën, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar gij nu in woont.
En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem hetzelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.
En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, vierhonderd jaren (400).
En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.
8 En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzo gewon hij Izak, en besneed hem op den achtsten dag; en Izak gewon Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen.
En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,
10 En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Faraö, den koning van Egypteland; en hij stelde hem tot een overste over Egypte, en zijn gehele huis.
11 En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en Kanaän, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs.
12 Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit.
13 En in de tweede reize werd Jozef zijn broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Faraö openbaar.
14 En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.
15 En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.
16 En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, den vader van Sichem.
17 Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte;
18 Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had.
19 Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.
20 In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.
21 En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Faraö op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.
22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.
23 Als hem nu de tijd van veertig jaren (40) vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israëls, te bezoeken.
24 En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.
25 En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.
26 En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk?
27 En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?
28 Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt?
29 En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.
30 En als veertig jaren (40) vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornenbos.
31 Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem,
32 Zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.
33 En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land.
34 Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.
35 Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.
36 Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren.
37 Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israëls gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen.
38 Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven.
39 Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte;
40 Zeggende tot Aäron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is.
41 En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.
42 En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israëls?
43 Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon.
44 De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide, dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had.
45 Welken ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe;
46 Dewelke voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.
47 En Sálomo bouwde Hem een huis.
48 Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:
49 De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats Mijner ruste?
50 Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?
51 Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.
52 Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van Welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt.
53 Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt ze niet gehouden!
Stéfanus' dood
54 Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten, en zij knersten de tanden tegen hem.
55 Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de ogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechterhand Gods.

 

Nota bene:
Biblija.net hanteert een limiet m.b.t. de hoeveelheid tekst (inclusief eventuele noten) uit deze bijbelversie die in één keer mag worden opgevraagd. De opgevraagde passage is groter dan deze limiet, en daarom wordt de passage niet geheel weergegeven. U kunt het resterende deel van de passage bekijken d.m.v. één of meer aangepaste zoekopdrachten.


Genesis 46

Jakob naar Egypte
En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-séba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak.
En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik!
En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten.
Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen wederoptrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.
Toen maakte zich Jakob op van Ber-séba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Faraö gezonden had, om hem te voeren.
En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land Kanaän geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem;
Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.
En dit zijn de namen der zonen van Israël, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.
En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.
10 En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische vrouw.
11 En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merári.
12 En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaän; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
13 En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.
14 En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleël.
15 Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina zijn dochter; al de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig.
16 En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Aródi, en Aréli.
17 En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiël.
18 Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen.
19 De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.
20 En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath, de dochter van Potiféra, den overste te On, baarde.
21 En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naäman, Echi en Rôs, Muppim en Huppim, en Ard.
22 Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen.
23 En de zonen van Dan: Chusim.
24 En de zonen van Nafthali: Jáhzeël, en Guni, en Jezer, en Sillem.
25 Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve Jakob, zij waren allen zeven zielen.
26 Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.
27 En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig.
28 En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.
29 Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals.
30 En Israël zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!
31 Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Faraö boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaän waren, zijn tot mij gekomen.
32 En die mannen zijn schaapherders; want het zijn mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht.
33 Wanneer het nu geschieden zal, dat Faraö ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uw hantering?
34 Zo zult gij zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen; want alle schaapherder is den Egyptenaren een gruwel.


Genesis 47

28 En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zodat de dagen van Jakob, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren.

Exodus 7

En Mozes was tachtig jaar oud, en Aäron was drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Faraö spraken.

Numeri 33

38 Toen ging de priester Aäron op den berg Hor, naar den mond des HEEREN, en stierf aldaar, in het veertigste jaar na den uittocht van de kinderen Israëls uit Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten der maand.
39 Aäron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op den berg Hor.
 

Exodus 6

Gods bevelen aan Mozes (4 generaties)
Verder sprak God tot Mozes, en zeide tot hem: Ik ben de HEERE,
En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als God de Almachtige; doch met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest.
En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land Kanaän, het land hunner vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn.
En ook heb Ik gehoord het gekerm der kinderen Israëls, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.
Derhalve zeg tot de kinderen Israëls: Ik ben de HEERE! en Ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten der Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;
En Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en gijlieden zult bekennen, dat Ik de HEERE uw God ben, Die u uitleide van onder de lasten der Egyptenaren.
En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot een erfdeel, Ik, de HEERE!
En Mozes sprak alzo tot de kinderen Israëls; doch zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid des geestes, en vanwege de harde dienstbaarheid.
Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
10 Ga heen, spreek tot Faraö, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken late.
11 Doch Mozes sprak voor den HEERE, zeggende: Zie, de kinderen Israëls hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Faraö horen? Daartoe ben ik onbesneden van lippen.
12 Evenwel sprak de HEERE tot Mozes en tot Aäron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israëls, en aan Faraö, den koning van Egypte, om de kinderen Israëls uit Egypteland te leiden.
Geslachtsregister van Mozes en Aäron
13 Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen: de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben.
14 En de zonen van Simeon: Jemuël, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaänietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon.
15 Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merári. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.
16 De zonen van Gerson: Libni en Simeï, naar hun huisgezinnen.
17 En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziël, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.
18 En de zonen van Merári: Machli en Mûsi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten.
19 En Amram nam Jochébed, zijn moei, zich tot een huisvrouw, en zij baarde hem Aäron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.
20 En de zonen van Jizhar: Korah, en Nefeg, en Zichri.
21 En de zonen van Uzziël: Mísaël, en Elzafan, en Sithri.
22 En Aäron nam zich tot een vrouw Eliséba, dochter van Amminádab, zuster van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abíhu, Eleázar en Ithamar.
23 En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkana, en Abiásaf; dat zijn de huisgezinnen der Korachieten.
24 En Eleázar, de zoon van Aäron, nam voor zich een van de dochteren van Putiël tot een vrouw; en zij baarde hem Pínehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.
25 Dit is Aäron en Mozes, tot welke de HEERE zeide: Leidt de kinderen Israëls uit Egypteland, naar hun heiren.
26 Dezen zijn het, die tot Faraö, den koning van Egypte, spraken, opdat zij de kinderen Israëls uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aäron.
Wonderen
27 En het geschiedde te dien dage, als de HEERE tot Mozes sprak in Egypteland;
28 Zo sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Ik ben de HEERE! spreek tot Faraö, den koning van Egypte, alles, wat Ik tot u spreek.
29 Toen zeide Mozes voor het aangezicht des HEEREN: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Faraö naar mij horen?

2 Samuël 5 (30 jaar oud en regeerde 40 jaren nr.14)

David door alle stammen als koning erkend
Toen kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij.
Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, waart gij Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft de HEERE tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israël weiden, en gij zult tot een voorganger zijn over Israël.
Alzo kwamen alle oudsten van Israël tot den koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David tot koning over Israël.
Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd.
Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over gans Israël en Juda.

2 Samuël 12

Geboorte van Sálomo
24 Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathséba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, wiens naam zij noemde Sálomo; en de HEERE (YHWH) had hem lief.
25 En zond heen door de hand van den profeet Nathan, en noemde zijn naam Jedid-Jah, om des HEEREN (YHWH) wil.

2 Kronieken 9

26 En hij heerste over alle koningen, van de rivier tot aan het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte.
26 Salomo had de heerschappij over alle koningen tussen de Eufraat en het land van de Filistijnen, en tot aan de grens met Egypte. 

Khirbet-Qeiyafa (Neta'Im)


Genesis 15

 18 Die dag sloot de HEER een verbond met Abram. ‘Dit land,’ zei hij, ‘geef ik aan jouw nakomelingen, van de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat
 19 het gebied van de Kenieten, Kenizzieten en Kadmonieten, 
 20 de Hethieten, Perizzieten en Refaïeten, 
 21 de Amorieten, Kanaänieten, Girgasieten en Jebusieten.’

Andere vertaling:
18 Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:
19 Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,
20 En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaïeten,
21 En den Amoriet, en den Kanaäniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.

2 Kronieken 12

Dood van Rehábeam
15 De geschiedenissen nu van Rehábeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semája, den profeet, en Iddo, den ziener, verhalende de geslachtsregisteren; daartoe de krijgen van Rehábeam en Jeróbeam in al hun dagen?
16 En Rehábeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids; en zijn zoon Abía werd koning in zijn plaats.

Exodus 12

37 Alzo reisden de kinderen Israëls uit van Raméses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.
38 En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee.
39 En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden.
   40 
De tijd nu der woning, dien de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren (430 jaren).
41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn.
40 
De tijd nu der woning, dien de kinderen Israëls in Egypte gewoond hebben, is  vierhonderd jaren en dertig jaren (430).
41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren (430), zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn.

1 Koningen 22:42
Jósafat was vijf en dertig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Azúba, de dochter van Silchi.
 

1 Koningen 2 (30 jaar oud en regeerde 40 jaren nr.14)

10 En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids.
11 De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israël, zijn veertig jaren (40); zeven jaren (7) heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren (33) geregeerd.


1 Koningen 6
 (7 jaren tempel bouw 11e jaar van het Koningschap van Salomo)

De tempelbouw
Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar (480), na den uitgang der kinderen Israëls uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Sálomo over Israël, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis des HEEREN bouwde.
37 In het vierde jaar werd de grond van het huis des HEEREN gelegd, in de maand Ziv;
38 En in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; alzo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd.

1 Koningen 7

Maar aan zijn huis bouwde Sálomo dertien jaren, en hij volmaakte zijn ganse huis.

1 Koningen 9

Sálomo schenkt aan koning Hiram twintig steden
10 En het geschiedde ten einde van twintig jaren, in dewelke Sálomo die twee huizen gebouwd had, het huis des HEEREN en het huis des konings;

  Naam Leeftijd Regering Overlijden Jaar Plaats

Mozus (Stierf op een leefijd van 120) Hij was 80 toen hij de Farao voor het eerst sprak met Aäron (83) 80 40 120 2708 Woestijn

Salomo lied de tempel bouwen in het 4e jaar van zijn regering in Israël (1 Kon 6:1) (480 jaar na de uittocht) 480

3148 Tempelbouw (1e)
1 Salomo 4 jaren al Koning over Israël en heeft 40 jaar geregeeerd over Israël (1 Kon 11:42) 36 40
3284 Jeruzalem (Juda)
2 Rehábeam/Róboam Hij was 41 jaar oud toen hij Koning werd over Jeruzalem
41 17 58 3201 Jeruzalem (Juda)
3 Abía(m)
  3
3204 Jeruzalem (Juda)
4 Asa
41
3245 Jeruzalem (Juda)
5 Jósafat  35 25 60 3270 Jeruzalem (Juda)
6 Joram (1 Kron 13:11, 2 Kon 8:16-17) 32 8 40 3278 Jeruzalem (Juda)
7 Aházia
1
3279
8 Athália (moeder van Aházia)
7
3286
9 Joas (42 jaar, de koning van Juda) 7 40
3326
10 Amazia
29
3355  
11

Uzzia/Azária/Ozias (1 Kron 13:11, 2 kron 25:1)

16 52 68 3407 Jeruzalem (Juda)
12 Joatham/Jotham (1 Kron 13:11, 2 kon 12:18, 16:1) 25 16 41 3423 Jeruzalem (Juda)
13 Achaz (2 kon 16:2) Jósafat, en Joram, en Aházia, 20 16 36 3439 Jeruzalem (Juda)
14 Ezekias/Jehizkia/Hiskia 25 29 54 3468 Jeruzalem (Juda)
15 Manasse (2 kon 21:1) 12 55 67 3523 Jeruzalem (Juda)
16 Amon (Jeremia 1)
22 2 24 3525 Jeruzalem (Juda)
17 Josia (Jeremia 1) 8 31 39 3556 Jeruzalem (Juda)
18 Jechonias/Jóahaz 23 3 mnd
3556 Jeruzalem (Juda)
19 Eljákim=Jójakim (Jeremia 1)
2 kings 23:36
25 11 36 3567 Jeruzalem (Juda)
20
Nebukadnézar Koning van de Babyloniërs (4jr van Jojakim)   70   3627- 4 +70=3578  585-70=515
      490    3627 + 490 =4117  
      420    3627 + 420 = 4047  
      515    515+3697  
21 70 X 7 = 490 jaar (Jeremia 1:1)
  490   4191  
Jóachin
18 3 mnd + 10 d    3567 Jeruzalem (Juda)
Zedekia (Broer van Jóachin) 10 jaar  Nebudkandnézar 18e jaar) (Jeremia 1: 3) 2 kings 24:18
21 11 32  3578+70=3648
  Babel invasie tot 1 BC
585
4227  
  Nebukadnézar Koning van de Babyloniërs (70 jaar Sabbatten) (Jeremia 1 en 25)
70
 
  Start Tempelbouw 2 jaar na aankomst vanuit Babel
2
3650 Kores/Darius
Kores Koning van Perzië (Alle koninkrijken der aarde) bouw tempel start 1e regeringsjaar van Kores tot het zesde regeringsjaar van Daríus. (6 jaar) (de bouw duurde 46 jaar)(Ezra 1) (Daniele 9:1, Johannes 2: 20, Ezra 6:15)

46 (Bouw)

 

3696 Tempelbouw (2e) 
   Alexander de Grote
    490 420      
  Arthahsasta   32    3954+32=3986  
24a The domination of the Persians, 34 years;   34   3696+34=3730  
 25 Alexander van Macedonië (de Grote) 33 jr Koning 12 jaar in Jeruzalem, de zoon van Filippus 23 jr Koning (332-305 BC=VC?)
12
3986+12=3998 Antiochus Epifanes
26 Antiochus Epifanes: zoon van koning Antiochus.
Hij werd koning in het jaar 137 van de Griekse overheersing. (137 = 175 v Chr) Overl 163 v Chr (jaar 149)
(Ptolemeüs Egypte 305-283 BC=VC?)

6/-175vc

3748 Tempel schending
25a Hij werd koning in het jaar 137 van de Griekse overheersing (312 vc) (137 = 175 v Chr)
      3744+180=3924  
26a of the Maccabees, 103 years;   103   3748+103=3851  
27a of the Herods, 103 years.    103   3851+103=3954  
  Filippus opvoeder van Antiochus=Eupator.          
  Koning Alexander Epifanes huwt Cleopatra dr v koning Ptolemeüs van Egypte (1 Makkabeeën 10)
(162 = 150 v Chr)
         
  In het jaar 167 kwam Demetrius aan de macht.
(1 Makk 11)
         
  Tot Yeshua (info Makkabeeën)   175
3998 (3998+2015=6013)  
  Tot nu 2013 (Ik mis nog 44 jaar)   2013   5956  

Naam Leeftijd regering Overlijden Jaar Plaats
     


David (regering 7 jr en 6 mnd + 33 jaar Jeruzalem) 30 40 70
Jeruzalem
Sálomon in Jeruzalem geboren (ongeveer 33+40=73)
40

Jeruzalem
Asa
42

Juda
           



(1:10) het jaar 137 – Dit staat gelijk aan het jaar 175 v.Chr. Alle jaartallen in dit boek zijn gerekend vanaf de troonsbestijging van de Griekse vorst Seleukus I, najaar 312 v.Chr. (312-175=137)
                                             Alexander (de Grote) van Macedonië                             Filippus van Macedonië                                                                           Darius

1 Makkabeeën 1
1 Alexander van Macedonië, de zoon van Filippus, was vanuit zijn land opgetrokken tegen Darius, de koning van de Perzen en de Meden. Hij versloeg hem en werd in zijn plaats koning; hij heerste toen al over Griekenland.
7 Twaalf (12) jaar had Alexander geregeerd toen hij stierf. 8 Na zijn dood namen de bevelhebbers het bestuur over, ieder in hun eigen gebied,
 9 waarna zij zichzelf tot koning kroonden. Hun bewind en dat van hun nakomelingen bracht nog lange tijd veel onheil op aarde.
10 Een van hun afstammelingen was de schurk Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus, die gijzelaar geweest was in Rome. Hij werd koning in het jaar 137 van de Griekse overheersing.

 
                Antiochus Epifanes                                                 Antiochus

The 420 years of the Second Temple are divided into the following periods: the domination of the Persians, 34 years; of the Greeks, 180 years; of the Maccabees, 103 years; of the Herods, 103 years. It will be seen that the allowance, contrary to historical facts, of only thirty-four years for the Persian domination is necessary if agreement with the Biblical text is to be insisted upon; for it is stated (Dan. ix. 24) that the second exile was to take place after seventy Sabbaths of years (= 490 years). If from this number the seventy years of the first Captivity be deducted, and the beginning of Alexander's domination over Palestine be placed, in accordance with Talmudical evidence, at 386 years before the destruction of the Second Temple, there remain only thirty-four for the Persian rule. From the destruction of the Second Temple, which, according to the "Seder 'Olam," occurred at the end of the last week of the Sabbatical year, to the suppression of Bar Kokba's revolt, or the destruction of Bethar, was a period of fifty-two years. But the text here is very confused, and gave rise to various emendations and interpretations (comp. Salzer in Berliner's "Magazin," iv. 141 et seq.).
Bron:

Brief van Jeremia 1 (1 generatie is 70 jaar 7 X 70=490 jaar)

Omdat jullie gezondigd hebben tegen God, zullen jullie in ballingschap naar Babylonië worden weggevoerd door Nebukadnessar, de koning van de Babyloniërs.
Als jullie eenmaal in Babylonië zijn, zullen jullie daar geruime tijd moeten blijven, vele jaren, zeven generaties lang; daarna zal ik jullie veilig en wel van daar terugbrengen.


1 Makkabeeën 6:16
16 Koning Antiochus stierf in Perzië, in het jaar 149.

1 Makkabeeën 10:1
Rivaliteit tussen Demetrius I en Alexander Epifanes
1 In het jaar 160 zette Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, koers naar Ptolemaïs en nam de stad in. De inwoners onthaalden hem en hij werd daar koning.

1 Makkabeeën 15:10
10 In het jaar 174 trok Antiochus het land van zijn voorouders binnen. Bijna alle strijdkrachten sloten zich bij hem aan, zodat Tryfon slechts enkele troepen overhield.

2 Makkabeeën 13:1
De dood van Menelaüs
1 In het jaar 149 kwam Judas en zijn mannen ter ore dat Antiochus Eupator met een groot leger onderweg was naar Judea,

1 Makkabeeën 10
57 In het jaar 162 vertrok Ptolemeüs uit Egypte, samen met zijn dochter Cleopatra, en ging naar Ptolemaïs.
58 Koning Alexander ontmoette hem daar, en Ptolemeüs gaf hem zijn dochter Cleopatra tot bruid. In Ptolemaïs werd een huwelijksfeest voor hen aangericht met veel koninklijk vertoon van weelde.
2 Koningen 23:34
34Hij stelde Eljakim, een andere zoon van Josia, als opvolger van zijn vader aan en veranderde zijn naam in Jojakim. Joachaz werd door de farao meegevoerd naar Egypte, en daar is hij gestorven.

The Second Temple is Built
Before the destruction of the First Temple, Jeremiah had famously prophesized (Jeremiah 29:10), "For so said G‑d: For at the completion of seventy years of Babylon I will remember you, and I will fulfill My good word toward you, to restore you to this place."

And indeed, that is what happened. A little more than fifty years after the destruction of the First Temple, the Babylonians, who had destroyed the First Temple, were vanquished by the rising Persian Empire. The Persian king, Cyrus the Great, soon authorized the Jews to rebuild the Temple, but construction ground to a halt due to interference by the Samaritans. In 353 BCE, exactly seventy years after the destruction of the First Temple, the Jews began building again—at first independently, but King Darius soon ratified their effort. The Second Temple was completed in 349 BCE. Under the leadership of Ezra and Nehemiah, the community in Judea became vibrant and secure.

The Second Temple era spanned 420 years, ending with the Romans' destruction of the Holy Temple in 70 CE.1 For much of this period, Judea was under foreign domination. First the Jews were ruled by the Persians, and then, after the conquests of Alexander the Great, they were ruled by the Greeks. The Hasmonean revolt in 140 BCE brought about a period of Jewish monarchy. But the Hasmoneans did not rule for long.



1 Koningen 11
 (regeerde 40 jaar nr. 1)

Dood van Sálomo
41 Het overige nu der geschiedenissen van Sálomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet geschreven in het boek der geschiedenissen van Sálomo?
42 De tijd nu, dien Sálomo te Jeruzalem over het ganse Israël regeerde, was veertig jaar.
43 Daarna ontsliep Sálomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehábeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

2 Koningen 23:34

34 Hij stelde Eljakim, een andere zoon van Josia, als opvolger van zijn vader aan en veranderde zijn naam in Jojakim. Joachaz werd door de farao meegevoerd naar Egypte, en daar is hij gestorven.

2 Kronieken 36
4 De koning van Egypte stelde Joachaz’ broer Eljakim als koning van Juda en Jeruzalem aan...

2 Makkabeeën 10

11 Nadat Antiochus het koningschap van zijn vader had overgenomen, benoemde hij Lysias, gouverneur-generaal van Cele-Syrië en Fenicië, tot regent.

1 Makkabeeën 4

Judas verslaat Lysias en reinigt de tempel
26 De vreemdelingen die zich hadden weten te redden, meldden zich bij Lysias om hem te vertellen wat er was gebeurd.

1 Makkabeeën 3
38 Ptolemeüs, de zoon van Dorymenes, en Nikanor en Gorgias, dappere mannen uit de kring van vertrouwelingen van de koning, werden door Lysias uitgekozen

1 Koningen 14 

Ahía voorzegt de ondergang van Jeróbeam
In diezelfde tijd was Abía(m), de zoon van Jeróbeam, krank.
En Jeróbeam zeide tot zijn vrouw: Maak u nu op, en vermom u, dat men niet merkt, dat gij Jeróbeams vrouw zijt, en ga heen naar Silo; zie, daar is de profeet Ahía, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk.
En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honing, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat deze jongen geschieden zal.
En Jeróbeams vrouw deed alzo, en maakte zich op, en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahía. Ahía nu kon niet zien, want zijn ogen stonden stijf vanwege zijn ouderdom.
Maar de HEERE zeide tot Ahía: Zie, Jeróbeams vrouw komt, om een zaak van u te vragen, aangaande haar zoon, want hij is krank; zo en zo zult gij tot haar spreken, en het zal zijn, als zij inkomt, dat zij zich vreemd aanstellen zal.
En het geschiedde, toen Ahía het geruis van haar voeten hoorde, toen zij de deur inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij vrouw van Jeróbeam! Waarom stelt gij u zo vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap.
Ga heen, zeg Jeróbeam: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden van het volk, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb;
En het koninkrijk van het huis van David gescheurd, en dat u gegeven heb, en gij niet geweest zijt, gelijk Mijn knecht David, die Mijn geboden hield, en die Mij met zijn ganse hart navolgde, om te doen alleen wat recht is in Mijn ogen;
Maar kwaad gedaan hebt, doende meer dan allen, die voor u geweest zijn, en heengegaan zijt, en hebt u andere goden en gegoten beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen;
10 Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jeróbeam brengen, en van Jeróbeam uitroeien, wat mannelijk is, de beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jeróbeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het volkomen vergaan is.
11 Die van Jeróbeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten; want de HEERE heeft het gesproken.
12 Gij dan maak u op, ga naar uw huis; als uw voeten in de stad zullen gekomen zijn, zo zal het kind sterven.
13 En gans Israël zal hem beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jeróbeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor de HEERE, de God van Israël, in het huis van Jeróbeam gevonden is.
14 Doch de HEERE zal Zich een koning verwekken over Israël, die het huis van Jeróbeam ten zelfden dage uitroeien zal; maar wat zal het ook nu zijn?
15 De HEERE  zal ook Israël slaan, gelijk een riet in het water omgedreven wordt, en zal Israël uitrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaderen gegeven heeft, en zal hen verstrooien op gene zijde der rivier; omdat zij hun bossen gemaakt hebben, de HEERE tot toorn verwekkende.
16 En Hij zal Israël overgeven, om de zonden van Jeróbeam, die gezondigd heeft, en die Israël heeft doen zondigen.
17 Toen maakte zich Jeróbeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; toen zij nu op de dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling.
18 En zij begroeven hem, en gans Israël beklaagde hem; naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahía, de profeet.
19 Het overige nu van de geschiedenissen van Jeróbeam, hoe hij krijg gevoerd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël.
20 De dagen nu, die Jeróbeam heeft geregeerd, zijn twee en twintig jaren; en hij ontsliep met zijn vaderen, en Nadab, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
Afgoderij van Juda onder Rehábeam (Hij was 41 jaar oud en regeerde 17 jaar nr.2)
21 Rehábeam nu, de zoon van Sálomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehábeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die de HEERE verkoren had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Náäma, de Ammonietische.
22 En Juda deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij verwekten Hem tot naijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden.
23 Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op alle hoge heuvel, en onder alle groene boom.
24 Er waren ook schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelen der heidenen, die de HEERE van het aangezicht van de kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had.
25 Het geschiedde nu in het vijfde jaar van de koning Rehábeam,  dat Sisak, de koning van Egypte, optrok tegen Jeruzalem.
26 En hij nam de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Sálomo gemaakt had.
27 En de koning Rehábeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der lijfwachten, die de deur van het huis des konings bewaarden.
28 En het geschiedde, zo wanneer de koning in het huis des HEEREN ging, dat de lijfwachten die droegen, en die terugbrachten in de wachtkamer der lijfwachten.
29 Het overige nu van de geschiedenissen van Rehábeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda?
30 En er was krijg tussen Rehábeam en tussen Jeróbeam, al hun dagen.
31 En Rehábeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en de naam van zijn moeder was Náäma, de Ammonietische; en zijn zoon Abíam regeerde in zijn plaats.

1 Koningen 6:1
De bouw van de tempel
De bouw van de tempel begint
1 Toen begon Salomo met de bouw van de tempel voor de Heer. Salomo was op dat moment drie jaar en twee maanden koning van Israël. En het was 480 jaar geleden dat de Israëlieten uit Egypte weggegaan waren.

Hos 1:1
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hoséa, den zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkía, koningen van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël.

1 Kron 5:17
Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, den koning van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, den koning van Israël.

1 Koningen 15 (? jaar oud en regeerde 3 jaren nr.3)

Abíam koning van Juda
In het achttiende jaar nu van de koning Jeróbeam, de zoon van Nebat, werd Abía(m) koning over Juda.
Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Máächa, een dochter van Abísalom.
En hij wandelde in al de zonden van zijn vader, die hij vóór hem gedaan had; en zijn hart was niet volkomen met de HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.
Maar om Davids wil, gaf de HEERE, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem, verwekkende zijn zoon na hem, en bevestigende Jeruzalem.
Omdat David gedaan had wat recht was in de ogen des HEEREN, en niet geweken was van alles, wat Hij hem geboden had, al de dagen van zijn leven, dan alleen in de zaak van Uria, de Hethiet.
En er was krijg (oorlog) geweest tussen Rehábeam en tussen Jeróbeam, al de dagen van zijn leven.
Het overige nu van de geschiedenissen van Abíam, en alles, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda? Er was ook krijg tussen Abíam en tussen Jeróbeam.
En Abíam ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
Asa koning van Juda (? jaar oud en regeerde 41 jaren nr.4)
In het twintigste jaar van Jeróbeam, de koning van Israël, werd Asa koning over Juda.
10 En hij regeerde een en veertig jaren te Jeruzalem, en de naam van zijn moeder was Máächa, een dochter van Abísalom.
11 En Asa deed wat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David.
12 Want hij nam weg de schandjongens uit het land, en deed weg al de drekgoden, die zijn vaders gemaakt hadden.
13 Ja, zelfs zijn moeder Máächa zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijke afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijke afgod uit, en verbrandde hem aan de beek Kidron.
14 De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa volkomen met de HEERE, al zijn dagen.
15 En hij bracht in het huis des HEEREN de geheiligde dingen van zijn vader, en zijn geheiligde dingen, zilver, en goud, en vaten.
16 En er was krijg tussen Asa en tussen Báësa, de koning van Israël, al hun dagen.
17 Want Báësa, de koning van Israël, trok op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, de koning van Juda.
18 Toen nam Asa al het zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings, en gaf ze in de hand van zijn knechten; en de koning Asa zond ze tot Benhadad, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Hézion, de koning van Syrië, die te Damaskus woonde, zeggende:
19 Er is een verbond tussen mij en tussen u, tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u een geschenk, zilver en goud; ga heen, maak uw verbond te niet met Báësa, de koning van Israël, dat hij aftrekke van tegen mij.
20 En Benhadad hoorde naar de koning Asa, en zond de legeroversten, die hij had, tegen de steden van Israël; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Máächa, en het ganse Kinnerôth, met het ganse land Nafthali.
21 En het geschiedde, toen Báësa dat hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en hij bleef te Thirza.
22 Toen liet de koning Asa door gans Juda uitroepen [niemand was vrij], dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmee Báësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmee Geba-Benjamins, en Mizpa.
23 Het overige nu van alle geschiedenissen van Asa, en al zijn macht, en al wat hij gedaan heeft, en de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda? Doch in de tijd van zijn ouderdom werd hij krank aan zijn voeten.
24 En Asa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven met zijn vaderen, in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Jósafat werd koning in zijn plaats.
Báësa koning van Israël
25 Nadab nu, de zoon van Jeróbeam, werd koning over Israël, in het tweede jaar van Asa, de koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over Israël.
26 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de weg van zijn vader, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.
27 En Báësa, de zoon van Ahía, van het huis van Issaschar, maakte een samenzwering tegen hem, en Báësa sloeg hem te Gíbbethon, dat van de Filistijnen is, toen Nadab en gans Israël Gíbbethon belegerden.
28 En Báësa doodde hem, in het derde jaar van Asa, de koning van Juda, en werd koning in zijn plaats.
29 Het geschiedde nu, toen hij regeerde, dat hij het ganse huis van Jeróbeam sloeg; hij liet niets over van Jeróbeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door de dienst van Zijn knecht Ahía, de Siloniet;
30 Om de zonden van Jeróbeam, die zondigde, en die Israël zondigen deed, en om zijn terging, waarmee hij de HEERE, de God van Israël, getergd had.
31 Het overige nu van de geschiedenissen van Nadab, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?
32 En er was oorlog tussen Asa en tussen Báësa, de koning van Israël, al hun dagen.
33 In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Báësa, de zoon van Ahía, koning over gans Israël, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren.
34 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de weg van Jeróbeam, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.

 

1 Koningen 16

Profetie tegen het huis van Báësa
Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jehu, de zoon van Hanáni, tegen Báësa, zeggende:
Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israël gesteld heb, en gij gewandeld hebt in de weg van Jeróbeam, en Mijn volk Israël hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;
Zie, zo zal Ik de nakomelingen van Báësa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jeróbeam, de zoon van Nebat.
Die van Báësa in de stad sterft, zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten.
Het overige nu van de geschiedenissen van Báësa, en wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?
En Báësa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Thirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats.
Alzo geschiedde ook het woord des HEEREN, door de dienst van de profeet Jehu, de zoon van Hanáni, tegen Báësa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen des HEEREN, Hem tot toorn verwekkende door het werk zijner handen, omdat hij was gelijk het huis van Jeróbeam, en omdat hij het verslagen had.
Ela koning van Israël
In het zes en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Ela, de zoon van Báësa, koning over Israël, te Thirza en regeerde twee jaren.
En Zimri, zijn knecht, overste van de helft der wagens, maakte een samenzwering tegen hem, toen hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, de hofmeester te Thirza;
10 Zo kwam Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in het zeven en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats.
11 En het geschiedde, toen hij regeerde, toen hij op zijn troon zat, dat hij het ganse huis van Báësa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden.
12 Alzo verdelgde Zimri het ganse huis van Báësa, naar het woord des HEEREN, dat Hij over Báësa gesproken had, door de dienst van de profeet Jehu;
13 Om al de zonden van Báësa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmee zij gezondigd hadden, en waarmee zij Israël hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende de HEERE, de God Israëls, door hun ijdelheden.
14 Het overige nu van de geschiedenissen van Ela, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?
Zimri koning van Israël
15 In het zeven en twintigste jaar van Asa, de koning van Juda, regeerde Zimri, zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gíbbethon, dat van de Filistijnen is.
16 Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een samenzwering gemaakt, ja, heeft ook de koning doodgeslagen; daarom maakte het ganse Israël op dezelfde dag Omri, de krijgsoverste, koning over Israël, in het leger.
17 En Omri trok op, en gans Israël met hem van Gíbbethon, en belegerde Thirza.
18 En het geschiedde, toen Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij in het paleis van het huis des konings ging, en boven zich het huis des konings met vuur verbrandde, en stierf;
19 Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN, wandelende in de weg van Jeróbeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israël zondigen.
20 Het overige nu van de geschiedenissen van Zimri, en zijn samenzwering, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?
21 Toen werd het volk van Israël verdeeld in twee helften; de helft van het volk volgde Tibni, de zoon van Ginath, om hem koning te maken; en de helft volgde Omri.
22 Maar het volk, dat Omri volgde, was sterker dan het volk, dat Tibni, de zoon van Ginath, volgde; en Tibni stierf, en Omri regeerde.
Omri koning van Israël (achab zijn zoon volgt hem op)
23 In het een en dertigste jaar van Asa, de koning van Juda, werd Omri koning over Israël, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren.
24 En hij kocht de berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilver, en bebouwde de berg; en noemde de naam van de stad, die hij bouwde, naar de naam van Semer, de heer van de berg, Samaria.
25 En Omri deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN; ja, hij deed erger dan allen, die vóór hem geweest waren.
26 En hij wandelde in alle wegen van Jeróbeam, de zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmee hij Israël had doen zondigen, verwekkende de HEERE, de God Israëls, tot toorn, door hun ijdelheden.
27 Het overige nu van de geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijn macht die hij uitgeoefend heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?
28 En Omri ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Samaria; en zijn zoon Achab regeerde in zijn plaats.
Achab koning van Israël
29 En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël, in het acht en dertigste jaar van Asa, de koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël, te Samaria, twee en twintig jaren.
30 En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, meer dan allen, die vóór hem geweest waren.
31 En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jeróbeam, de zoon van Nebat?), dat hij nog tot vrouw nam Izébel, de dochter van Eth-Baäl, de koning der Sidoniërs, en heenging, en Baäl diende, en zich voor hem boog.
32 En hij richtte voor Baäl een altaar op, in het huis van Baäl, dat hij te Samaria gebouwd had.
33 Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om de HEERE, de God Israëls, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israël, die vóór hem geweest waren.
34 In zijn dagen bouwde Hiël, de Betheliet, Jericho; op Abíram, zijn eerstgeboren zoon, heeft hij het gegrondvest, en op Segub, zijn jongste zoon, heeft hij zijn poorten gesteld; naar het woord des HEEREN, dat Hij door de dienst van Jozua, de zoon van Nun, gesproken had.


1 Koningen 22
 (35 jaar oud en regeerde 25 jaren nr.5)

Jósafat koning van Juda
41 Jósafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, den koning van Israël.
42 Jósafat was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azúba, de dochter van Silchi.
43 En hij wandelde in al den weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende dat recht was in de ogen des HEEREN.
44 Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.
45 En Jósafat maakte vrede met den koning van Israël.
46 Het overige nu der geschiedenissen van Jósafat, en zijn macht, die hij bewezen heeft, en hoe hij geoorloogd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
47 Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren.
48 Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder des konings.
49 En Jósafat maakte schepen van Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-Geber.
50 Toen zeide Aházia, de zoon van Achab, tot Jósafat: Laat mijn knechten met uw knechten op de schepen varen; maar Jósafat wilde niet.
51 En Jósafat ontsliep met zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.
Aházia koning van Israël
52 Aházia, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het zeventiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, en regeerde twee jaren over Israël.
53 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde in den weg van zijn vader, en in den weg van zijn moeder, en in den weg van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.
54 En hij diende Baäl, en boog zich voor hem, en vertoornde den HEERE, den God Israëls, naar alles, wat zijn vader gedaan had.

2 Koningen 1

17 Alzo stierf hij, naar het woord des HEEREN, dat Elía gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, de zoon van Jósafat, de koning van Juda; want hij had geen zoon.
18 Het overige nu van de zaken van Aházia, die hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?

2 Koningen 8 (32 jaar oud en regeerde 8 jaren nr.6)

Jehóram koning van Juda
16 In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, toen Jósafat koning was van Juda, begon Jehóram, de zoon van Jósafat, den koning van Juda, te regeren.
17 Hij was twee en dertig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.
18 En hij wandelde op den weg der koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem ter vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.
19 Doch de HEERE wilde Juda niet verderven, om Davids Zijns knechts wil; gelijk als Hij hem gezegd had, dat Hij hem te allen tijde voor zijn zonen een lamp zou geven.
20 In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich.
21 Daarom toog Joram over naar Zaïr, en al de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten der wagenen; en het volk vlood in zijn hutten.
22 De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op dezen dag; toen viel Libna af in denzelfden tijd.
23 Het overige nu der geschiedenissen van Joram, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
24 En Joram ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad Davids; en Aházia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
Aházia koning van Juda 
25 In het twaalfde jaar van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, begon Aházia, de zoon van Jehóram, den koning van Juda, te regeren.
26 Twee en twintig jaren was Aházia oud, als hij koning werd, en regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athália, de dochter van Omri, den koning van Israël.
27 En hij wandelde in den weg van het huis van Achab, en deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want hij was een schoonzoon van het huis van Achab.
28 En hij toog met Joram, den zoon van Achab, naar den strijd, te Ramoth in Gilead, tegen Házaël, den koning van Syrië; en de Syriërs sloegen Joram.
29 Toen keerde Joram, de koning wederom, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Házaël, den koning van Syrië; en Aházia, de zoon van Jehóram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was krank.

2 Kronieken 22 (42 jaar oud en regeerde 1 jaren nr.7)

Aházia koning van Juda
En de inwoners van Jeruzalem maakten Aházia, zijn jongste zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de oudsten gedood. Aházia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde.
Twee en veertig jaar was Aházia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Athália, een dochter van Omri.
Hij wandelde ook in de wegen van het huis van Achab; want zijn moeder was zijn raadgeefster, om goddeloos te handelen.
En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want zij waren zijn raadgevers, na de dood van zijn vader, hem ten verderve.
Hij wandelde ook in hun raad, en trok heen met Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, tot de strijd tegen Házaël, de koning van Syrië, bij Ramoth in Gilead; en de Syriërs versloegen Joram.
En hij keerde weer om zich te laten genezen te Jizreël; want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, toen hij streed tegen Házaël, de koning van Syrië; en Azárja, de zoon van Joram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was krank.
De vertreding nu van Aházia, dat hij tot Joram kwam, was van God; want toen hij gekomen was, trok hij met Joram uit tot Jehu, de zoon van Nimsi, die de HEERE gezalfd had, om het huis van Achab uit te roeien.
Zo geschiedde het, toen Jehu het oordeel uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen van de broeders van Aházia, die Aházia dienden, vond, en die doodde.
Aházia gedood
 Daarna zocht hij Aházia, en zij kregen hem (want hij was verstoken in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Jósafat, die de HEERE met zijn ganse hart gezocht heeft. Zo had het huis van Aházia niemand, die kracht behield tot het koninkrijk.
Athália regeert
10 Toen Athália, de moeder van Aházia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad van het huis van Juda om.
11 Maar Józabath, de dochter van de koning, nam Joas, de zoon van Aházia, en stal hem uit het midden van de zonen van de koning, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Józabath, de dochter van de koning Joram, de vrouw van de priester Jójada (want zij was de zuster van Aházia), voor Athália, dat zij hem niet doodde.
12 En hij was bij hen verstoken in het huis Gods zes jaren; en Athália regeerde over het land.

2 Kronieken 24

Joas laat de tempel herstellen
Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zibja, van Ber-Séba.
En Joas deed wat recht was in de ogen des HEEREN, al de dagen van de priester Jójada.
En Jójada nam voor hem twee vrouwen; en hij gewon zonen en dochters.
Het geschiedde nu na dezen, dat het in het hart van Joas was, het huis des HEEREN te vernieuwen.
 

2 Koningen 12 (7 jaar oud en regeerde 40 jaren nr.8)

Joas koning van Juda
In het  zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zibja van Ber-séba.
 18 Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Jósafat, en Joram, en Aházia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis des HEEREN, en van het huis des konings, en zond het tot Házaël, de koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.
Dood van Joas
19 Het overige nu van de geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda?
20   En zijn knechten stonden op, en maakten een samenzwering, en sloegen Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla;
    21 Want Józacar, de zoon van Símeath, en Józabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de stad Davids; en Amázia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats. 
 

2 Kronieken 25 (25 jaar oud en regeerde 29 jaren nr.9)

Amázia koning van Juda
Amázia, vijf en twintig jaren oud zijnde, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jóaddan, van Jeruzalem.

2 Kronieken 26 (16 jaar oud en regeerde 52 jaren nr.10)

Uzzia koning van Juda
Toen nam het ganse volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amázia.
Deze bouwde Eloth, en bracht het terug aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.
3 Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jechólia, van Jeruzalem.

2 Kronieken 26

Uzzia sterft
23 En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: Hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.

2 Kronieken 27 (25 jaar oud en regeerde 16 jaren nr.11)

Jotham koning van Juda
Jotham was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Jerusa, een dochter van Zadok.
En hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij in de tempel des HEEREN niet ging; en het volk verdierf zich nog.
Deze bouwde de hoge poorten aan het huis des HEEREN; hij bouwde ook veel aan de muur van Ofel.
Daartoe bouwde hij steden op het gebergte van Juda; en in de wouden bouwde hij burchten en torens.
Hij voerde ook krijg tegen de koning van de kinderen Ammons, en had de overhand over hen, zodat de kinderen Ammons in datzelfde jaar hem gaven honderd talenten zilver, en tien duizend kor tarwe, en tien duizend gerst; dit brachten de kinderen Ammons hem weer, ook in het tweede en in het derde jaar.
Alzo versterkte Jotham zich; want hij richtte zijn wegen voor het aangezicht van de HEERE, zijn God.
Het overige nu van de geschiedenissen van Jotham, en al zijn krijgen, en zijn wegen, ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda.
Hij was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd; en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem.
En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.

2 Koningen 16 (20 jaar oud en regeerde 16 jaren nr.12)

Achaz koning van Juda
In het zeventiende jaar van Pekah, de zoon van Remália, werd Achaz koning, de zoon van Jotham, de koning van Juda.
Twintig jaren was Achaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet wat recht was in de ogen van de HEERE zijn God, als zijn vader David.
19 Het overige nu van de geschiedenissen van Achaz, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda?
20 En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad Davids; en Hizkía, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

2 Koningen 18 (25 jaar oud en regeerde 29 jaren nr.13)

Hizkía koning van Juda
Het geschiedde nu in het derde jaar van Hoséa, de zoon van Ela, de koning van Israël, dat Hizkía koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda.
Vijf en twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en hij regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem, en de naam van zijn moeder was Abi, een dochter van Zacharía.
 

2 Koningen 20

20 Het overige nu van de geschiedenissen van Hizkía, en al zijn macht, en hoe hij de vijver en de watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda?
Hizkía’s dood
21 En Hizkía ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.

2 Koningen 21 (12 jaar oud en regeerde 55 jaren nr.14)

Manasse koning van Juda
Manasse was twaalf jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hefzi-bah.
 

2 Koningen 21 (22 jaar oud en regeerde 2 jaren nr.15)

Amon koning van Juda
19 Amon was twee en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Mesullémet, een dochter van Haruz van Jotba.
20 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; gelijk als zijn vader Manasse gedaan had.
21 Want hij wandelde in al den weg, dien zijn vader gewandeld had, en hij diende de drekgoden, die zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neder.
22 Zo verliet hij den HEERE, den God zijner vaderen, en hij wandelde niet in den weg des HEEREN.
23 En de knechten van Amon maakten een verbintenis tegen hem, en zij doodden den koning in zijn huis.
24 Maar het volk des lands versloeg allen, die tegen den koning Amon een verbintenis gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josía koning in zijn plaats.
25 Het overige nu der geschiedenissen van Amon, die hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
26 En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en zijn zoon Josía werd koning in zijn plaats.

 

 

2 Koningen 22 (8 jaar oud en regeerde 31 jaren nr.16)

Josía koning van Juda
Josía was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jedída, een dochter van Adája, van Bozkath.
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; en hij wandelde in al den weg van zijn vader David, en week niet af ter rechter- noch ter linkerhand.
Het wetboek in den tempel teruggevonden
Het geschiedde nu in het achttiende jaar van den koning Josía, dat de koning den schrijver Safan, den zoon van Azália, den zoon van Mesullam, zond in het huis des HEEREN, zeggende:

Naam Leeftijd regering Overlijden Jaar +508 Plaats
Salathiël/Sealthiël



 
Zorobabel/Zerubbábel 30 40 70
Jeruzalem
Abiud
40

Jeruzalem
Eljakim
41 17 58

Azor





Sadok
42

Juda
Achim 35 25 60
Jeruzalem (Juda)
Elihud




Eleazar




Matthan




Jakob




Jozef




Maria




Yeshua


+2013

Matthéüs 1

11 En Josías gewon Jechónias, en zijn broeders, omtrent de Babylonische overvoering.
12 En na de Babylonische overvoering gewon Jechónias Saláthiël, en Saláthiël gewon Zorobábel;
13 En Zorobábel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor;
14 En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Eliud;
15 En Eliud gewon Eleázar, en Eleázar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob;
16 En Jakob gewon Jozef, den man (vader) van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus.
17 Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, zijn veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, zijn veertien geslachten.

2 Koningen 23 (25 jaar oud en regeerde 11 jaren nr.19)

28 Het overige nu van de geschiedenissen van Josía, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken van de koningen van Juda?
Josía’s dood
29 In zijn dagen trok Faraö Necho, de koning van Egypte, op tegen de koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josía trok hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, toen hij hem gezien had.
30 En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Jóahaz, de zoon van Josía, en zalfden hem, en maakten hem koning in de plaats van zijn vader.
Jóahaz en Jójakim koningen van Juda (23 jaar oud en regeerde 3 mnd nr.18)
31 Drie en twintig jaren was Jóahaz (de broer van de Farao) oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Hamútal, de dochter van Jeremía, van Libna.
32 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaderen gedaan hadden.
33 Doch Faraö Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud.
34 Ook maakte Faraö Necho Eljákim, de zoon van Josía, koning, in de plaats van zijn vader Josía, en veranderde zijn naam in Jójakim; maar Jóahaz nam hij mee, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar.
35 En Jójakim gaf dat zilver en dat goud aan Faraö; doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Faraö te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan Faraö Necho te geven.
36 Vijf en twintig jaren was Jójakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam van zijn moeder was Zebudda, een dochter van Pedája, van Ruma.
37 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaderen gedaan hadden.


Jójakim

 

Jeremía 25 (25 jaar oud en regeerde 11 jaren nr.19)

De zeventigjarige ballingschap der Joden
Het woord, dat tot Jeremía geschied is over het ganse volk van Juda, in het vierde jaar van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda (dat was het eerste jaar van Nebukadrézar, koning van Babel);
Hetwelk de profeet Jeremía gesproken heeft tot het ganse volk van Juda, en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende:
Van het dertiende jaar van Josía, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des HEEREN tot mij geschied; en ik heb tot u gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord.
Ook heeft de HEERE tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende (maar gij hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen);
Zeggende: Bekeert u toch, een ieder van zijn boze weg, en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land, dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft, van eeuw tot eeuw;
En wandelt andere goden niet na, om die te dienen, en u voor die neer te buigen; en vertoornt Mij niet door het werk uwer handen, opdat Ik u geen kwaad doe.
Maar gij hebt naar Mij niet gehoord, spreekt de HEERE; opdat gij Mij vertoornde door het werk uwer handen, uzelf ten kwade.
Daarom, zo zegt de HEERE der heerscharen: Omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoord;
Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt de HEERE; en tot Nebukadrézar, de koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners daarvan, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.
10 En Ik zal van hen doen vergaan de stem der vrolijkheid en de stem der vreugde, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, het geluid der molens en het licht der lamp.
11 En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen de koning van Babel dienen zeventig jaren.
12 Maar het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over de koning van Babel, en over dat volk, spreekt de HEERE, hun ongerechtigheid bezoeken, alsook over het land der Chaldeeën, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen.
13 En Ik zal over dat land brengen al Mijn woorden, die Ik daarover gesproken heb; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremía geprofeteerd heeft over al deze volken.
14 Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; alzo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk hunner handen.
De beker van de toorn des Heeren aan alle volken toegediend
15 Want alzo heeft de HEERE, de God Israëls, tot mij gezegd: Neem deze beker van de wijn der grimmigheid van Mijn hand, en geef die te drinken aan al de volken, tot welke Ik u zend;
16 Dat zij drinken, en beven, en dol worden, vanwege het zwaard, dat Ik onder hen zal zenden.
17 En ik nam de beker van de hand des HEEREN, en ik gaf te drinken al de volken, tot welke de HEERE mij gezonden had;
18 Namelijk Jeruzalem en de steden van Juda, en hun koningen, en hun vorsten; om die te stellen tot een woestheid, tot een ontzetting, tot een aanfluiting en tot een vloek, gelijk het is te dezen dage;
19 Faraö, de koning van Egypte, en zijn knechten, en zijn vorsten, en al zijn volk;
20 En de ganse gemengde menigte, en alle koningen van het land van Uz; en alle koningen van het land der Filistijnen; en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod;
21 Edom, en Moab, en de kinderen Ammons;
22 En alle koningen van Tyrus, en alle koningen van Sidon; en de koningen der eilanden, die aan gene zijde der zee zijn.
23 Dedan, en Thema, en Buz, en allen, die aan de hoeken afgekort zijn;
24 En alle koningen van Arabië; en alle koningen van de gemengde menigte, die in de woestijn wonen;
25 En alle koningen van Zimri, en alle koningen van Elam, en alle koningen van Medië;
26 En alle koningen van het noorden, die nabij en die ver zijn, de een met de ander; ja, alle koninkrijken der aarde, die op de aardbodem zijn. En de koning van Sesach zal na hen drinken.
27 Gij zult dan tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE der heerscharen, de God Israëls: Drinkt, en wordt dronken, en spuwt, en valt neer, dat gij niet weer opstaat, vanwege het zwaard, dat Ik onder u zal zenden.
28 En het zal geschieden, wanneer zij weigeren zullen de beker van uw hand te nemen om te drinken, dat gij tot hen zeggen zult: Zo zegt de HEERE der heerscharen: Gij zult voorzeker drinken!
29 Want ziet, in de stad, die naar Mijn Naam genoemd is, begin Ik te plagen, en zoudt gij enigszins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig worden gehouden; want Ik roep het zwaard over alle inwoners der aarde, spreekt de HEEREder heerscharen.
30 Gij zult dan al deze woorden tot hen profeteren, en gij zult tot hen zeggen: De HEERE zal brullen uit de hoogte, en Zijn stem verheffen uit de woning Zijner heiligheid; Hij zal schrikkelijk brullen over Zijn woonstede; Hij zal een vreugdegeschrei, als de druiventreders, uitroepen tegen alle inwoners der aarde.
31 Het geschal zal komen tot aan het einde der aarde; want de HEERE heeft een twist met de volken, Hij zal gericht houden met alle vlees; de goddelozen heeft Hij aan het zwaard overgegeven, spreekt de HEERE
32 Zo zegt de HEERE der heerscharen: Ziet, een kwaad gaat er uit van volk tot volk en een groot onweder zal er verwekt worden van de zijden der aarde.
33 En de verslagenen des HEEREN zullen te dien dage liggen van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; zij zullen niet beklaagd, noch opgenomen, noch begraven worden; tot mest op de aardbodem zullen zij zijn.
34 Huilt, gij herders! en schreeuwt, en wentelt u in de as, gij heerlijken van de kudde! want uw dagen zijn vervuld, dat men slachten zal, en van uw verstrooiingen, dan zult gij vervallen als een kostbaar vat.
35 En de vlucht zal vergaan van de herders, en de ontkoming van de heerlijken der kudde.
36 Er zal zijn een stem van het geroep der herders, en een gehuil der heerlijken van de kudde, omdat de HEERE hun weide verstoort.
37 Want de landouwen des vredes zullen uitgeroeid worden, vanwege de hittigheid van de toorn des HEEREN.
38 Hij heeft, als een jonge leeuw, Zijn hut verlaten; want hun land is geworden tot een verwoesting, vanwege de hittigheid van de verdrukker, ja, vanwege de hittigheid van Zijn toorn.


2 Kronieken 36

Jóahaz koning van Juda (23 jaar oud en regeerde 3 mnd nr.18)
Toen nam het volk des lands Jóahaz, de zoon van Josía, en zij maakten hem koning, in de plaats van zijn vader, te Jeruzalem.
Drie en twintig jaren was Jóahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem.
Want de koning van Egypte zette hem af te Jeruzalem; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud.
En de koning van Egypte maakte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jójakim; maar Necho nam zijn broeder Jóahaz, en bracht hem in Egypte.
Jójakim koning van Juda ( 25 jaar oud en regeerde 11 jaren nr.19)
Vijf en twintig jaren was Jójakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE, zijn God.
Nebukadnézar, de koning van Babel, trok tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren.
Nebukadnézar bracht ook van de vaten van het huis des HEEREN naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel.
Het overige nu van de geschiedenissen van Jójakim, en zijn gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda; en Jójachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
Jójachin koning van Juda (8 jaar oud en regeerde 3 mnd 10 dagen nr.19)
Acht jaren was Jójachin oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN.
  10 En met de wederkomst van het jaar zond de koning Nebukadnézar heen, en liet hem naar Babel halen, met de kostbaarste vaten van het huis des HEEREN; en hij maakte zijn broeder Zedekía koning over Juda en Jeruzalem.
Zedekía koning van Juda (21 jaar oud en regeerde 11 jaren nr.20)
11 Een en twintig jaren was Zedekía oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem.
12 En hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE, zijn God; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van de profeet Jeremía, die uit de mond des HEEREN sprak.
13 Daartoe werd hij ook afvallig tegen de koning Nebukadnézar, die hem beëdigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot de HEERE, de God Israëls.
14 Ook maakten alle oversten der priesters, en het volk, de overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der heidenen; en zij verontreinigden het huis des HEEREN, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem.
15 En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand van Zijn boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij spaarde Zijn volk en Zijn woning.
16 Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelf tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.
Nebukadnézar verwoest Jeruzalem
17 Want Hij deed tegen hen opkomen de koning der Chaldeeën, die hun jongelingen met het zwaard in het huis van hun heiligdom doodde, en hij spaarde de jongelingen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand.
18 En alle vaten van het huis Gods, de grote en de kleine, en de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van de koning en van zijn vorsten, dit alles voerde hij naar Babel.
19 En zij verbrandden het huis Gods, en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostbaarste vaten ervan.
20 En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot aan de regering van het koninkrijk van Perzië;
21 Opdat het woord des HEEREN vervuld zou worden, door de mond van Jeremía, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen van de verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.
Kores geeft de Joden vrijheid naar hun land terug te keren
22 Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht zou worden het woord des HEEREN, door de mond van Jeremía, verwekte de HEERE de geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
23 Zo zegt Kores, koning van Perzië: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, dat in Juda is; wie is onder u van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.  




Daniël 10

Nieuwe openbaring aan Daniël door een hemelse verschijning
In het derde jaar van Kores, den koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd Béltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, doch in een gezetten groten tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het gezicht.


2 Koningen 25

Nebukadnézar verwoest Jeruzalem
En het geschiedde in het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand op de tiende van de maand, dat Nebukadnézar, de koning van Babel, tegen Jeruzalem kwam, hij en zijn ganse heer, en legerde zich er tegen; en zij bouwden er sterkten rondom tegen.
Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van de koning Zedekía.
Op de negende van de vierde maand,  toen de honger in de stad sterk werd, en het volk des lands geen brood had,
Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vluchtten des nachts door de weg der poort, tussen de twee muren, die aan de hof des konings waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door de weg van het vlakke veld.
Doch het heer der Chaldeeën joeg de koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jéricho, en al zijn heer werd bij hem vandaan verstrooid.
Zij dan grepen de koning, en voerden hem opwaarts tot de koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem.
En zij slachtten de zonen van Zedekía voor zijn ogen, en men verblindde Zedekía’s ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
Daarna in de vijfde maand, op de zevende van de maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnézar, de koning van Babel) kwam Nebuzáradan, de overste der lijfwachten, de knecht van de koning van Babel, te Jeruzalem.
En hij verbrandde het huis des HEEREN, en het huis des konings, alsook alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen van de groten verbrandde hij met vuur.
10 En het ganse heer der Chaldeeën, dat met de overste der lijfwachten was, brak de muren van Jeruzalem rondom af.
11 Het overige nu van het volk, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot de koning van Babel afgevallen waren, en het overige van de menigte, voerde Nebuzáradan, de overste der lijfwachten, gevankelijk weg.
12 Maar van de armsten des lands liet de overste der lijfwachten enigen over tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.
13 Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis des HEEREN waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis des HEEREN was; en zij voerden het koper daarvan naar Babel.
14 Zij namen ook de potten, en de schoffels, en de gaffels, en de rookschalen, en al de koperen vaten, waar men de dienst mee deed.
15 En de overste der lijfwachten nam weg de wierookvaten en de sprengbekkens, wat geheel goud en wat geheel zilver was.
16 De twee pilaren, de ene zee, en de stellingen, die Sálomo voor het huis des HEEREN gemaakt had; het koper van al deze vaten was niet te wegen.
17 De hoogte van de ene pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte van het kapiteel was drie ellen; en het net, en de granaatappelen op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en aan deze gelijk was de andere pilaar, met het net.
18 Ook nam de overste der lijfwachten Serája, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, en de drie dorpelbewaarders.
19 En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en vijf mannen uit hen, die het aangezicht van de koning zagen, die in de stad gevonden werden, alsook de overste schrijver van het heer, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands, die in de stad gevonden werden.
20 Toen Nebuzáradan, de overste der lijfwachten, dezen genomen had, zo bracht hij hen tot de koning van Babel, naar Ribla.
21 En de koning van Babel sloeg hen, en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Alzo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd.




430 2728 Uittocht
Mozus (Stierf op een leefijd van 120) Hij was 80 toen hij de Farao voor het eerst sprak met Aäron (83) 40 2768 Woestijn
Salomo lied de tempel bouwen in het 4e jaar van zijn regering in Israël 480 3208 Tempelbouw (1e)
Salomo 4 jaren al Koning over Israël en heeft 40 jaar geregeeerd over Israël 36 3244 Rehábeam
Rehábeam Hij was 41 jaar oud toen hij Koning werd over Jeruzalem
17 3261 Abía(m)
Abía(m)
3 3264 Asa
Asa 41 3305 Jósafat
Jósafat Hij was 35 jaar oud toen hij Koning werd van Juda 25 3330 Joram
Joram/Jejóram Hij was 32 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem 8 3338 Aházia
Aházia Hij was 22 jaar toen hij Koning werd van Jeruzalem 1 3339 Athália
Athália Zij heeft 6 jaar geregeerd (Ze heeft Aházia's zoon opgevoed tot hij 7 werd) 6 3345 Joas
Joas Hij was 7 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 40 jaar geregeerd 40 3385 Amázia
Amázia Hij was 25 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 29 jaar geregeerd 29 3414 Uzzia
Uzzia Hij was 16 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 52 jaar geregeerd 52 3466 Jotham
Jotham Hij was 25 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 16 jaar geregeerd 16 3482 Achaz
Achaz Hij was 20 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 16 jaar geregeerd 16 3498 Hizkía
Hizkía Hij was 25 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 29 jaar geregeerd 29 3527 Manasse
Manasse Hij was 12 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 55 jaar geregeerd 55 3582 Amon
Amon Hij was 22 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 2 jaren geregeerd 2 3584 Josía
Josía Hij was 8 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 30 jaar geregeerd 31 3616 Jójakim
Jóahaz 3 maanden      
Eljákim/Jójakim Hij was 25 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 11 jaar geregeerd 11 3627 Jójachin
4e jaar van Jójakim (1e jaar van Nebukadrézar koning van Babel) Jójachin 3 maanden 10 dagen (Jeremia 52) 37 jaar Ewil-Merodach/Evilmeródach
    Zedekia
5e jaar van wegvoering Koning Jojachin 390 + 40 jaar 420    
Zedekía (Jeremia 32) (10 jaar 18e jaar voor Nebukadnézar)
11 3638
70 jaar ballingschap van de Joden 70 3708
Arthahsasta (Ezra is in het 7e jaar van deze Koning uit Babel gekomen) 32   Koning van Perzië
Nehemia      
  490    
Start Tempelbouw 2 jaar na aankomst vanuit Babel 2 3710 Kores/Darius
Kores Koning van Perzië (Alle koninkrijken der aarde) bouw tempel start 1e regeringsjaar van Kores tot het zesde regeringsjaar van Daríus. (6 jaar)
(de bouw duurde 46 jaar)
44 3754 Tempelbouw (2e) 
   Alexander de Grote
Alexander van Macedonië (de Grote) 33 jr Koning 12 jaar in Jeruzalem, de zoon van Filippus 23 jr Koning (332-305 BC=VC?) 12 3766 Antiochus Epifanes
Antiochus Epifanes (Ptolemeüs Egypte 305-283 BC=VC?) 6/-175 3771 Tempel schending
Tot Yeshua (info Makkabeeën) 175 3946
Van Yeshua tot nu 2013 2013 5959  
Ik mis nog 41 jaar 41    
       
Arthahsasta (457 BC) Hij was Koning van Perzie 32 jaar na Darius, (is nog niet zeker om te gebruiken als tijdlijn hij valt net voor Darius) Ezra is in het 7e jaar van deze Koning uit Babel gekomen. 32/7 3788/3763  
49+434=483 jaar 7e jaar van Arthahsasta 483   4246
  /27 AD
 
Alexander van Macedonië (de Grote) 33 jr Koning 12 jaar in Jeruzalem, de zoon van Filippus 23 jr Koning (332-305 BC=VC) 12 3768  
Antiochus Epifanes (Ptolemeüs Egypte 305-283 BC=VC) 137
-175
 1 Makkabeeën 10
Rivaliteit tussen Demetrius I en Alexander Epifanes
1 In het jaar 160 zette Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, koers naar Ptolemaïs en nam de stad in. De inwoners onthaalden hem en hij werd daar koning.

145   -167 Tempel schending

1 Makkabeeën 10

57 In het jaar 162 (=-148) vertrok Ptolemeüs uit Egypte, samen met zijn dochter Cleopatra, en ging naar Ptolemaïs. 
58 Koning Alexander ontmoette hem daar, en Ptolemeüs gaf hem zijn dochter Cleopatra tot bruid. In Ptolemaïs werd een huwelijksfeest voor hen aangericht met veel koninklijk vertoon van weelde.
In de herfst van 63 v.C. slaagde de Romeinse generaal Pompeius erin om Judea te veroveren.
     
Ik mis nog 199 jaar 199  
Ptolemaic Kingdom   2014 Dit jaar

http://www.hemels-brood.nl
http://www.home.zonnet.nl/gemeente.van.god/nieuwemaan.html

Nehemia 13
6 Doch in dit alles was ik niet te Jeruzalem; want in het twee en dertigste jaar van Arthahsasta, koning van Babel, kwam ik tot den koning; maar ten einde van sommige dagen verkreeg ik weder verlof van den koning.



Ezra 2

Register der eerste Joden, die met Zerubbábel in Juda zijn teruggekomen
Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnézar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijn stad;
   2 Dewelken kwamen met Zerubbábel, Jésua, Nehemía, Serája, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Báëna.

Jeremia 52
Gratie voor Jojachin
31 In het zevenendertigste jaar van de ballingschap van koning Jojachin van Juda, op de vijfentwintigste dag van de twaalfde maand, verleende koning Ewil-Merodach van Babylonië hem gratie ter gelegenheid van zijn troonsbestijging en ontsloeg hij hem uit de gevangenis.
32 Koning Ewil-Merodach verzekerde hem van zijn welwillendheid en bevoorrechtte hem boven de andere koningen die gedwongen in Babel verbleven.

Jeremia 52
Jojachin gaat naar het koninklijk paleis
31 Koning Jojachin van Juda zat 37 jaar gevangen in Babel. Toen werd Ewil-Merodach koning van Babylonië. Op de 25ste dag van de twaalfde maand liet hij Jojachin vrij uit de gevangenis.





 
 

Ezra 6

In het eerste jaar van de koning Kores (Cyres), gaf de koning Kores dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fundamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;

  



Darius met Ahasvéros zijn vader

Persian Coins:
The chief Persian coin was the golden stater or daric (δαρεικὸς στατήρ), first struck by King Darius I., Hystaspes (522-485 B.C.). See plate, Fig. 1. It was 1/3000 of a light talent of rather more than 25 kilograms, its normal weight being 8.40 grams (130 grains), or precisely the half of a Babylonian shekel. 

Esther 1 Ahasvéros is de vader van Darius

Koningin Vasthi door Ahasvéros verstoten
Het geschiedde nu in de dagen van Ahasvéros, (hij is die Ahasvéros, dewelke regeerde van Indië af tot aan Morenland toe, honderd zeven en twintig landschappen).
In die dagen, als de koning Ahasvéros op den troon zijns koninkrijks zat, die op den burg Susan was;
In het derde jaar zijner regering maakte hij een maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten; de macht van Perzië en Medië, de grootste heren en de oversten der landschappen waren voor zijn aangezicht;

 
  
Mausoleum Esther en Mordechai.

Ezra 6

Antwoord van koning Daríus
Toen gaf de koning Daríus bevel; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel.
En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medië is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS:
In het eerste jaar van den koning Kores, gaf den koning Kores dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fondamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;
Met drie rijen van groten steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit des konings huis gegeven worden.
Daartoe zal men ook de gouden en zilveren vaten van het huis Gods, die Nebukadnézar uit den tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar den tempel, die te Jeruzalem is, aan zijn plaats, en men zal ze afvoeren ten huize Gods.
Nu, gij Thathnai, landvoogd aan gene zijde der rivier, gij Sthar-Boznai, met ulieder gezelschap, gij Afarsechaïeten, die aan gene zijde der rivier zijt, weest verre van daar!
Laat hen aan den arbeid van dit huis Gods; dat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods bouwen aan zijn plaats.
Ook wordt van mij bevel gegeven, wat gijlieden doen zult aan de oudsten dezer Joden, om dit huis Gods te bouwen; te weten, dat uit des konings goederen, van den cijns aan gene zijde der rivier, de onkosten dezen mannen spoediglijk gegeven worden, opdat men hen niet belette.
En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan den God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der priesteren, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen feil zij;
10 Opdat zij offeranden van liefelijken reuk aan den God des hemels offeren, en bidden voor het leven des konings en zijner kinderen.
11 Voorts wordt bevel van mij gegeven, dat al dengene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een drekhoop gemaakt worden.
12 De God nu, die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neder alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. Ik, Daríus, heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde.
13 Toen deden Thathnai, de landvoogd aan gene zijde der rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoediglijk alzo, naar hetgeen de koning Daríus gezonden had.
14 En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggaï en Zacharía, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God Israëls, en naar het bevel van Kores, en Daríus, en Arthahsasta, koning van Perzië.
15 En dit huis werd volbracht op den derden dag der maand Adar; datzelve was het zesde jaar van het koninkrijk van den koning Daríus.
De tempel ingewijd
16 En de kinderen Israëls, de priesteren en Levieten, en de overige kinderen der gevangenis deden de inwijding van dit huis Gods met vreugde.
17 En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israël, naar het getal der stammen Israëls.
18 En zij stelden de priesteren in hun onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot den dienst Gods, Die te Jeruzalem is, naar het voorschrift des boeks van Mozes.
Viering van het paasfeest
19 Ook hielden de kinderen der gevangenis het pascha, op den veertienden der eerste maand.
20 Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een enig man; zij waren allen rein; en zij slachtten het pascha voor alle kinderen der gevangenis, en voor hun broederen, de priesteren, en voor zichzelven.
21 Alzo aten de kinderen Israëls, die uit de gevangenis wedergekomen waren, mitsgaders al wie zich van de onreinigheid der heidenen des lands tot hen afgezonderd had, om den HEERE, den God Israëls, te zoeken.
22 En zij hielden het feest der ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap; want de HEERE had hen verblijd, en het hart des konings van Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het werk van het huis Gods, des Gods van Israël.

 

Ezra 7

Koning Arthahsasta stuurt Ezra naar Jeruzalem
    1 Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzië: Ezra, de zoon van Serája, den zoon van Azárja, den zoon van Hilkía,
Den zoon van Sallum, den zoon van Zadok, den zoon van Ahítub,
Den zoon van Amárja, den zoon van Azárja, den zoon van Merájoth,
Den zoon van Zeráhja, den zoon van Uzzi, den zoon van Bukki,
Den zoon van Abísua, den zoon van Pínehas, den zoon van Eleázar, den zoon van Aäron, den hoofdpriester.
Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die de HEERE, de God Israëls, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand des HEEREN, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek.
Ook sommigen van de kinderen Israëls, en van de priesteren en de Levieten, en de zangers, en de poortiers, en de Nethínim, togen op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van den koning Arthahsasta.
En hij kwam te Jeruzalem in de vijfde maand; dat was het zevende jaar dezes konings.
Want op den eersten der eerste maand was het begin des optochts uit Babel, en op den eersten der vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand zijns Gods over hem.
10 Want Ezra had zijn hart gericht, om de wet des HEEREN te zoeken en te doen, en om in Israël te leren de inzettingen en de rechten.
Volmacht aan Ezra
11 Dit is nu het afschrift des briefs, dien de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde; den schriftgeleerde van de woorden der geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen over Israël:
12 Arthahsasta koning der koningen, aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde der wet van den God des hemels, volkomen vrede en op zulken tijd.
13 Van mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israël, en van deszelfs priesteren en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga.
14 Dewijl gij van voor den koning en zijn zeven raadsheren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Judéa, en te Jeruzalem, naar de wet uws Gods, die in uw hand is;
15 En om henen te brengen het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwilliglijk gegeven hebben aan den God Israëls, Wiens woning te Jeruzalem is;
16 Mitsgaders al het zilver en goud, dat gij vinden zult in het ganse landschap van Babel, met de vrijwillige gave des volks en der priesteren, die vrijwilliglijk geven, ten huize huns Gods, dat te Jeruzalem is;
17 Opdat gij spoediglijk voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hun spijsofferen, en hun drankofferen, en die offert op het altaar van het huis van ulieder God, dat te Jeruzalem is.
18 Daartoe, wat u en uw broederen goeddunken zal, met het overige zilver en goud te doen, zult gijlieden doen naar het welgevallen uws Gods.
19 En geef de vaten, die u gegeven zijn tot den dienst van het huis uws Gods, weder voor den God van Jeruzalem.
20 Het overige nu, dat van node zal zijn voor het huis uws Gods, dat u voorvallen zal uit te geven, zult gij geven uit het schathuis des konings.
21 En van mij, mij, koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan gene zijde der rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde der wet van den God des hemels, van u zal begeren, spoediglijk gedaan worde;
22 Tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift.
23 Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde, voor het huis van den God des hemels; want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk des konings en zijner kinderen?
24 Ook laten wij ulieden weten, aangaande alle priesteren en Levieten, zangers, poortiers, Nethínim en dienaars van het huis dezes Gods, dat men den cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen.
25 En gij, Ezra, naar de wijsheid uws Gods, die in uw hand is, stel regeerders en richters, die al het volk richten, dat aan gene zijde der rivier is, allen, die de wetten uws Gods weten, en die ze niet weet, zult gijlieden die bekend maken.
26 En al wie de wet uws Gods en de wet des konings niet zal doen, over dien laat spoediglijk recht worden gedaan, hetzij ter dood, of tot uitbanning, of tot boete van goederen, of tot de banden.
Ezra dankt God
27 Geloofd zij de HEERE, de God onzer vaderen, Die alzulks in het hart des konings gegeven heeft, om te versieren het huis des HEEREN, dat te Jeruzalem is.
28 En heeft tot mij weldadigheid geneigd, voor het aangezicht des konings en zijner raadsheren, en aller geweldige vorsten des konings! Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand des HEEREN, mijns Gods, over mij, en de hoofden uit Israël vergaderd, om met mij op te trekken.
 

Nehemía 1

Nehemía's gebed voor de kinderen Israëls
De geschiedenissen van Nehemía, zoon van Hachálja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was;
Zo kwam Hanáni, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.
 

Nehemía 5

Nehemía's ontbaatzuchtigheid
14 Ook van dien dag af, dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar af, tot het twee en dertigste jaar van den koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijn broederen, het brood des landvoogds niet gegeten.

Nehemía 7

Register van hen, die onder Zerubbábel terugkeerden
Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:
Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nebukadnézar, koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk tot zijn stad;
Dewelke kwamen met Zerubbábel, Jésua, Nehemía, Azária, Raämja, Nahamáni, Mórdechai, Bilsan, Mispéreth, Bigvai, Nehim en Báëna. Dit is het getal der mannen van het volk van Israël.

 

Antiochus IV Epiphanes


1 Makkabeeën 1

1 Makkabeeën
Voorgeschiedenis
1 Alexander van Macedonië, de zoon van Filippus, was vanuit zijn land opgetrokken tegen Darius, de koning van de Perzen en de Meden. Hij versloeg hem en werd in zijn plaats koning; hij heerste toen al over Griekenland. 
Hij voerde vele oorlogen, veroverde vestingen en liet koningen doden. 
Hij trok op tot aan de uiteinden van de aarde en nam van tal van volken oorlogsbuit mee; de hele wereld had hij in zijn macht. Dit maakte hem overmoedig en hooghartig. 
Hij bouwde een kolossale troepenmacht op, hij heerste over gebieden, volken en vorsten en maakte ze schatplichtig. 
Maar toen werd hij ziek en hij wist dat hij zou sterven. 
Hij riep zijn hoogste bevelhebbers, die van jongs af aan met hem waren opgegroeid, bij zich en verdeelde nog tijdens zijn leven zijn koninkrijk onder hen. 
7 Twaalf jaar had Alexander geregeerd toen hij stierf. 
Na zijn dood namen de bevelhebbers het bestuur over, ieder in hun eigen gebied, 
waarna zij zichzelf tot koning kroonden. Hun bewind en dat van hun nakomelingen bracht nog lange tijd veel onheil op aarde. 
10 Een van hun afstammelingen was de schurk Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus, die gijzelaar geweest was in Rome. Hij werd koning in het jaar 137 (=-175) van de Griekse overheersing. (Griekse overheersing begon in 312 vc).
Antiochus Epifanes aan de macht
11 In die tijd begon zich in Israël een groep afvalligen te roeren die de wet niet meer wilde navolgen, en zij kregen veel aanhangers. Ze zeiden: ‘Kom, laten we een verdrag sluiten met de volken om ons heen, want vanaf het moment dat we ons van hen hebben afgescheiden is ons veel ellende overkomen.’ 
12 Hun woorden werden met instemming begroet, 
13 en enkelen uit het volk verklaarden zich bereid naar de koning te gaan. Deze gaf hun toestemming vreemde wetten en gebruiken in te voeren. 
14 Zo bouwden zij in Jeruzalem een sportschool zoals dat bij de heidense volken gebruikelijk was
15 en lieten zij zich weer een voorhuid maken. Zij hielden zich verre van het heilige verbond, vermengden zich met de heidenen en gaven zich over aan kwalijke praktijken.
16 Toen Antiochus zijn heerschappij gevestigd zag, wilde hij ook nog koning van Egypte worden, zodat hij over twee koninkrijken zou heersen. 
17 Hij viel Egypte met een groot leger binnen, met strijdwagens en olifanten en met een grote vloot, 
18 en trok ten strijde tegen Ptolemeüs, (90-168?) de koning van dat land. Na zware verliezen werd Ptolemeüs verslagen en op de vlucht gejaagd. 
19 De versterkte steden van Egypte werden ingenomen en het land werd geplunderd. 
20 Na zijn overwinning op Egypte trok Antiochus in het jaar 143 (=-169) met een groot leger naar Israël, naar Jeruzalem. 
21 In zijn hoogmoed drong hij de tempel binnen, roofde het gouden altaar, de lampenstandaard met alle toebehoren, 
22 de tafel van het toonbrood, de plengschalen, de offerschalen, de gouden wierookschalen, het voorhangsel en de kransen, en haalde de gouden versieringen van de voorgevel. 
23 Hij roofde het zilver, het goud, de kostbare voorwerpen en de verborgen schatten die hij er vond 
24 en liet alles naar zijn land voeren. Hij richtte een bloedbad aan en liet zich daar schaamteloos op voorstaan. 
25 Heel Israël was in rouw gedompeld.
26 Vorsten en leiders zuchtten, meisjes en jongens kwijnden, vrouwen verloren hun schoonheid.
27 De bruidegom hief een klaagzang aan, de bruid zat treurend in haar kamer.
28 Het land beefde om zijn bewoners, het volk van Jakob was met schaamte overladen.
29 Na twee jaar  (=-167) stuurde de koning het hoofd van de belastingen naar de steden van Judea. Met een grote legermacht trok hij naar Jeruzalem. 
30 Hij wendde voor vrede te willen sluiten, maar zodra hij het vertrouwen van de inwoners had gewonnen deed hij onverhoeds een aanval op de stad. Hij richtte grote vernielingen aan en doodde vele Israëlieten. 
31 De stad werd geplunderd en in brand gestoken, de huizen en stadsmuren werden neergehaald, 
32 de vrouwen en kinderen krijgsgevangen gemaakt, het vee werd in beslag genomen. 
33 De Davidsburcht werd versterkt met een hoge, dikke muur en stevige torens. 
34 Er werd een groep overlopers in garnizoen gelegd, mannen die de wet verachtten; zij verschansten zich in de citadel. 
35 Ze sloegen er wapens en voedsel op, bewaarden er de oorlogsbuit uit Jeruzalem en lagen voortdurend op de loer.
36 Ze waren een bedreiging voor het heiligdom, een voortdurende plaag voor Israël.
37 Rondom de tempel vergoten ze onschuldig bloed, ze ontwijdden de heilige plaats.
38 Jeruzalems inwoners vluchtten voor hen, de stad werd tot woonplaats van vreemdelingen, tot een vreemdeling voor haar nageslacht, ze werd door haar kinderen verlaten.
39 Haar heiligdom was leeg als de woestijn, haar feesten werden dagen van rouw, haar sabbatten werden bespot, haar eer werd door het slijk gehaald.
40 Zo groot als ooit haar eer was, zo diep werd nu haar schande, haar trots sloeg om in rouw.
41 Toen gelastte de koning per brief zijn hele rijk om één volk te vormen 
42 en de eigen gebruiken op te geven. En alle volken voegden zich naar het woord van de koning. 
43 Zelfs veel Israëlieten gingen over tot zijn godsdienst, offerden aan afgodsbeelden en ontwijdden de sabbat. 
44 Per bode stuurde de koning brieven naar Jeruzalem en de steden van Judea waarin hij de naleving gelastte van gebruiken die het land vreemd waren. 
45 In de tempel mochten geen brandoffers, graanoffers en wijnoffers meer worden gebracht en sabbat en feestdagen moesten worden afgeschaft. 
46 De tempel en de priesters werden ontwijd. 
47 Er werden altaren gebouwd en heiligdommen en tempeltjes ingericht voor afgodsbeelden, en er werd vlees van varkens en andere onreine dieren geofferd. 
48 Ze mochten hun zonen niet meer besnijden en moesten zich verlagen tot allerlei onreine en onheilige praktijken. 
49 Zo zouden de wetten vergeten worden en alle voorschriften in onbruik raken. 
50 Iedereen die het gebod van de koning negeerde, zou worden gedood. 
51 Dergelijke bepalingen kondigde hij in heel zijn rijk af. Ook stelde hij inspecteurs aan die erop moesten toezien dat het volk in elke stad van Judea offers bracht. 
52 Veel Israëlieten die de wet maar al te graag naast zich neer wilden leggen, voegden zich naar de voorschriften van de inspecteurs, en ze richtten zo veel verschrikkingen aan in het land 
53 dat de overige Israëlieten zich in alle mogelijke schuilplaatsen moesten verbergen.
54 Op 15 kislew van het jaar 145 liet de koning een verwoestende gruwel op het altaar bouwen en in de andere steden van Judea liet hij altaren neerzetten. 
55 Voor de huisdeuren en op straat werd wierook gebrand. 
56 Werden er wetsrollen gevonden, dan werden deze verscheurd en verbrand. 
57 Wie in het bezit van zo’n verbondsrol bleek te zijn of volgens de wet leefde, werd op last van de koning ter dood gebracht. 
58 Maand na maand lieten de inspecteurs in Israël hun macht voelen door overtreders die ze in de steden aantroffen ter dood te brengen. 
59 En op de vijfentwintigste van de maand offerden ze op het afgodsaltaar dat boven op het oude altaar stond. 
60 De vrouwen die hun kinderen hadden laten besnijden, werden op grond van de verordening gedood, 
61 en zuigelingen werden opgehangen aan de hals van hun moeder. Ook hun huisgenoten en degenen die de besnijdenis hadden verricht werden gedood. 
62 Toch vonden velen in Israël de kracht zich te verzetten en geen onrein vlees te eten. 
63 Zij stierven nog liever dan dat zij zich door voedsel zouden verontreinigen en het heilige verbond zouden schenden, en ze werden dan ook ter dood gebracht. 
64 De toorn drukte zwaar op Israël.

                        
                    Ptolemeüs                                                                                Filippus           
 

Ezra 4

De Samaritanen verhinderen den bouw des tempels
Toen nu de wederpartijders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen der gevangenis den HEERE, den God Israëls, den tempel bouwden;
Zo kwamen zij aan tot Zerubbábel, en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gijlieden; ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-Haddon, den koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken.
Maar Zerubbábel, en Jésua, en de overige hoofden der vaderen van Israël zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gijlieden en wij onzen God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het den HEERE, den God Israëls, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft.
Evenwel maakte het volk des lands de handen des volks van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen;
En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van Daríus, den koning van Perzië.
En onder het koninkrijk van Ahasvéros, in het begin zijns koninkrijks, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.
En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tábeël, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzië; en de schrift des briefs was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd.
Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan den koning Arthahsasta, op deze manier:
Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaïeten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniërs, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten,
10 En de overige volkeren, die de grote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.
11 Dit is een afschrift des briefs, dien zij aan hem, aan den koning Arthahsasta, (32 of 41 jaar geregeerd) zonden: Uw knechten, de mannen aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.
12 Den koning zij bekend, dat de Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bouwende die rebelle en die boze stad, waarvan zij de muren voltrekken, en de fondamenten samenvoegen.
13 Zo zij nu den koning bekend, indien dezelve stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij den cijns, ouden impost, en tol niet zullen geven, en gij zult aan de inkomst der koningen schade aanbrengen.
14 Nu, omdat wij salaris uit het paleis trekken, en het ons niet betaamt des konings oneer te zien, daarom hebben wij gezonden, en dit den koning bekend gemaakt;
15 Opdat men zoeke in het boek der kronieken uwer vaderen, zo zult gij vinden in het boek der kronieken, en weten, dat dezelve stad een rebelle stad geweest is, en den koningen en landschappen schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijden af; daarom is dezelve stad verwoest.
16 Wij maken dan den koning bekend, dat, zo dezelve stad zal worden opgebouwd, en haar muren voltrokken, gij daardoor geen deel zult hebben aan deze zijde der rivier.
17 De koning zond antwoord aan Rehum, den kanselier, en Simsai, den schrijver, en de overigen van hun gezelschappen, die te Samaria woonden; mitsgaders aan de overigen van deze zijde der rivier aldus: Vrede, en op zulken tijd.
18 De brief, dien gij aan ons geschikt hebt, is duidelijk voor mij gelezen.
19 En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat dezelve stad zich van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is.
20 Ook zijn er machtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerst hebben overal aan gene zijde der rivier; en hun is cijns, oude impost en tol gegeven.
21 Geeft dan nu bevel, om diezelve mannen te beletten, dat diezelve stad niet opgebouwd worde, totdat van mij bevel zal worden gegeven.
22 Weest gewaarschuwd, van feil in dezen te begaan; waarom zou het verderf tot schade der koningen aanwassen?
23 Toen, van dat het afschrift des briefs van den koning Arthahsasta voor Rehum, en Simsai, den schrijver, en hun gezelschappen gelezen was, togen zij in haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hen met arm en geweld.
24 Toen hield het werk op van het huis Gods, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Daríus, den koning van Perzië.

Ezra 5

De bouw van den tempel hervat en voltooid onder Daríus
Haggaï nu, de profeet, en Zacharía, de zoon van Iddo, profeten, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in den naam des Gods van Israël profeteerden zij tot hen.
Toen maakten zich op Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en Jésua, de zoon van Józadak, en begonnen te bouwen het huis Gods, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten Gods, die hen ondersteunden.
Te dier tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?
Toen zeiden wij aldus tot hen, en welke de namen waren der mannen, die dit gebouw bouwden.
Doch het oog huns Gods was over de oudsten der Joden, dat zij hun niet beletten, totdat de zaak aan Daríus kwam, en zij alsdan daarover een brief wederbrachten.
Afschrift des briefs, dien Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, met Sthar-Boznai, en zijn gezelschap, de Afarsechaïeten, die aan deze zijde der rivier waren, aan den koning Daríus zond.
Zij zonden een verhaal aan hem; en daarin was aldus geschreven: Den koning Daríus zij alle vrede.
Den koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar het landschap Juda, ten huize des groten Gods, hetwelk gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt gelegd in de wanden; en datzelve werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoediglijk door hun handen voort.
Toen hebben wij denzelven oudsten gevraagd, en aldus tot hen gezegd: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?
10 Wijders hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mochten overschrijven de namen der mannen, die hoofden onder hen zijn.
11 En zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde, en bouwen het huis, dat vele jaren vóór dezen is gebouwd geweest; want een groot koning van Israël had het gebouwd en voltrokken.
12 Maar nadat onze vaders den God des hemels hadden vertoornd, heeft Hij hen gegeven in de hand van Nebukadnézar, den koning van Babel, den Chaldeeër; dewelke dat huis heeft vernield, en het volk naar Babel weggevoerd.
13 Doch in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis Gods te bouwen.
14 Ja, de vaten van Gods huis, welke van goud en zilver waren, die Nebukadnézar uit den tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en dezelve gebracht in den tempel van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit den tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was Sesbazar, dien hij tot landvoogd had gesteld.
15 En hij zeide tot hem: Neem deze vaten, ga ze afvoeren in den tempel, die te Jeruzalem is, en laat het huis Gods gebouwd worden op zijn plaats.
16 Toen kwam dezelve Sesbazar; hij legde de fondamenten van het huis Gods, Die te Jeruzalem woont; en er is van toen af tot nu toe gebouwd, doch niet volbracht.
17 Zo het dan nu den koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis des konings aldaar, dat te Babel is, of het zij, dat een bevel van den koning Kores gegeven zij, om dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men des konings believen hiervan tot ons zende.

1 Kronieken 3

Nakomelingen van David
Dezen nu waren de kinderen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinóam, de Jizreëlietische; de tweede Daniël, van Abigáïl, de Karmelietische;
De derde Absalom, de zoon van Máächa, de dochter van Thalmai, den koning te Gesur; de vierde Adónia, de zoon van Haggith;
De vijfde Sefatja, van Abítal; de zesde Jíthream, van zijn huisvrouw Egla.
Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem.
Dezen nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Símea, en Sobab, en Nathan, en Sálomo; deze vier zijn van Bath-Sua, de dochter van Ammiël;
Daartoe Jibchar, en Elisáma, en Elifélet,
En Nogah, en Nefeg, en Jafía,
En Elísama, en Eljáda, en Elifélet, negen.
Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen der bijwijven, en Thamar hun zuster.
10 Sálomo’s zoon nu was Rehábeam; zijn zoon was Abía; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Jósafat;
11 Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Aházia; zijn zoon was Joas;
12 Zijn zoon was Amázia; zijn zoon was Azária; zijn zoon was Jotham;
13 Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkía; zijn zoon was Manasse;
14 Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josía.
15 De zonen van Josía nu waren dezen: de eerstgeborene Jóhanan, de tweede Jójakim, de derde Zedekía, de vierde Sallum.
16 De kinderen van Jójakim nu waren: Jechónia zijn zoon, Zedekía zijn zoon.
17 En de kinderen van Jechónia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël; (zijn zoon was Zerubbábel)
18 Dezes zonen waren Malchíram, en Pedája, en Senázar, Jekámja, Hósama en Nedábja.
19 De kinderen van Pedája nu waren Zerubbábel en Simeï; en de kinderen van Zerubbábel waren Mesullam en Hanánja; en Selomith was hunlieder zuster;
20 En Hasúba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhésed; vijf.
21 De kinderen van Hanánja nu waren Pelatja en Jesája. De kinderen van Refája, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja.
22 De kinderen nu van Sechanja waren Semája; en de kinderen van Semája waren Hattus, en Jígeal, en Baríah, en Neárja, en Safat; zes.
23 En de kinderen van Neárja waren Eljoënai, en Hizkía, en Azríkam; drie.
24 En de kinderen van Eljoënai waren Hodájeva, en Eljasib, en Pelája, en Akkub, en Jóhanan, en Delája, en Anáni; zeven.


Daniël 9

Gebed van Daniël
In het eerste jaar van Daríus, den zoon van Ahasvéros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën;
In het eerste jaar zijner regering, merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het woord des HEEREN tot den profeet Jeremía geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was.
En ik stelde mijn aangezicht tot God, den Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as.
Ik bad dan tot den HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.
Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten.
En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands.
Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, om hun overtreding, waarmede zij tegen U overtreden hebben.
O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben.
Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben.
10 En wij hebben der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten.
11 Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uwer stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben.
12 En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.
13 Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, alzo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandelijk acht gevende op Uw waarheid.
14 Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijner stem niet gehoorzaamden.
15 En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, gelijk hij is te dezen dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.
16 O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heiligen berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.
17 En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; om des Heeren wil.
18 Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.
19 O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd.
20 Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns volks van Israël, en mijn smeking nederwierp voor het aangezicht des HEEREN, mijns Gods, om des heiligen bergs wil mijns Gods;
21 Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriël, dien ik in het begin in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende, omtrent den tijd des avondoffers.
22 En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zeide: Daniël! nu ben ik uitgegaan, om u den zin te doen verstaan.
23 In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want gij zijt een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.
De zeventig weken
24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.
25 Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.
26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.

    27 En Hij zal velen het verbond versterken één week; en in de helft der week zal Hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste.


 

Lukas 3
Prediking van Johannes den Doper (Tiberius 27 AD)
En in het vijftiende jaar der regering van den keizer Tibérius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judéa, en Heródes een viervorst over Galiléa, en Filippus, zijn broeder, een viervorst over Ituréa en over het land Trachónitis, en Lysánias een viervorst over Abiléne;
Onder de hogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde het woord Gods tot Johannes, den zoon van Zacharías, in de woestijn.
En hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.
Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesája, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!
Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme wegen zullen tot een rechten wegworden, en de oneffen tot effen wegen.
En alle vlees zal de zaligheid Gods zien.
Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?
Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.
En de bijl ligt ook alrede aan den wortel der bomen; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen.
10 En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen?
11 En hij, antwoordende, zeide tot hen: Die twee rokken heeft, dele hem mede, die geen heeft; en die spijze heeft, doe desgelijks.
12 En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester! wat zullen wij doen?
13 En hij zeide tot hen: Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is.
14 En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen.
15 En als het volk verwachtte, en allen in hun harten overlegden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware;
16 Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben den riem van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur;
17 Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en de tarwe zal Hij in Zijn schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij met onuitblusselijk vuur verbranden.
18 Hij dan, ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den volke het Evangelie.
Johannes en Heródes
19 Maar als Heródes, de viervorst van hem bestraft werd, om Heródias’ wil, de vrouw van Filippus, zijn broeder, en over alle boze stukken, die Heródes deed,
20 Zo heeft hij ook dit nog boven alles daar toegedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft.
Jezus gedoopt
21 En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus ook gedoopt was, en bad, dat de hemel geopend werd;
22 En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante, gelijk een duif; en dat er een stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!


1 Makkabeeën 10

Rivaliteit tussen Demetrius I en Alexander Epifanes
In het jaar 160 zette Alexander Epifanes, de zoon van Antiochus, koers naar Ptolemaïs en nam de stad in. De inwoners onthaalden hem en hij werd daar koning. Toen koning Demetrius dit hoorde, mobiliseerde hij een grote troepenmacht en trok tegen hem ten strijde. Ook stuurde Demetrius een brief aan Jonatan, waarin hij hem in vriendelijke bewoordingen meer macht beloofde, want hij dacht: Wij moeten snel vrede met hem sluiten, voordat hij met Alexander een verbond sluit tegen ons, want hij zal het kwaad dat wij hem, zijn broers en zijn volk berokkend hebben niet zijn vergeten. Hij machtigde Jonatan om strijdkrachten te mobiliseren en wapens te vervaardigen, en verklaarde dat zij bondgenoten waren. Bovendien gaf hij opdracht de gijzelaars in de citadel aan Jonatan over te dragen. Jonatan ging naar Jeruzalem en las de brief voor aan heel het volk en aan de bezetters van de citadel. Die schrokken hevig toen ze hoorden dat de koning hem gemachtigd had om strijdkrachten te mobiliseren. De bezetters van de citadel droegen de gijzelaars aan Jonatan over, en hij gaf ze terug aan hun ouders. 10 Jonatan ging in Jeruzalem wonen en begon met de wederopbouw van de stad. 11 Hij gaf werklieden opdracht de stadsmuur weer op te trekken en de Sion ter versterking met gehouwen stenen te omgeven. En zo gebeurde het. 12 De vreemdelingen die in de door Bakchides gebouwde vestingen gelegerd waren, vluchtten. 13 Ze verlieten hun post en keerden terug naar hun land. 14 Alleen in Bet-Sur bleven nog wat mensen achter die de wet en de voorschriften verloochend hadden; zij hadden daar hun toevluchtsoord gevonden.
15 Koning Alexander hoorde van de toezeggingen die Demetrius Jonatan had gedaan. En toen men hem vertelde van de veldslagen en heldendaden van Jonatan en zijn broers, en van de ontberingen die ze hadden geleden, 16 zei hij: ‘Zo is er geen tweede! We moeten hem onmiddellijk tot onze vriend en bondgenoot maken.’ 17 Hij stuurde een brief aan Jonatan met deze woorden:
18 ‘Koning Alexander groet zijn broeder Jonatan. 19 Naar wij hebben vernomen bent u een machtig man en bent u het waard onze bondgenoot te zijn. 20 Daarom benoemen wij u vandaag tot hogepriester van uw volk en verlenen u de titel Vriend van de koning. Bekommer u om onze zaak en wees trouw aan onze vriendschap.’
Met de brief stuurde hij hem een purperen mantel en een gouden krans. 21 In de zevende maand van het jaar 160, tijdens het Loofhuttenfeest, trok Jonatan het hogepriestergewaad aan. Hij bracht strijdkrachten bijeen en liet veel wapens maken.
22 Toen Demetrius hiervan hoorde, was hij danig ontstemd. Hij zei: 23 ‘Hoe hebben we kunnen laten gebeuren dat Alexander ons voor is geweest! Hij heeft vriendschap gesloten met de Joden en zo zijn positie versterkt. 24 Maar ook ik zal hartelijke woorden tot hen richten en hun hoge ambten en geschenken beloven, zodat ze mijn zijde kiezen.’ 25 En hij stuurde hun dit bericht:
‘Koning Demetrius groet het Joodse volk. 26 Naar wij hebben vernomen hebt u zich gehouden aan de met ons gesloten verdragen en bent u onze vriendschap trouw gebleven. U hebt zich niet aangesloten bij onze vijanden, en dit verheugt ons zeer. 27 Als u ons trouw blijft, zullen wij u rijkelijk belonen voor uw diensten. 28 Wij zullen u van de meeste verplichtingen ontslaan en u geschenken geven. 29 Hierbij verklaar ik u vrij en onthef ik alle Joden van schatting, zoutheffing en kroongelden. 30 Ook het derde van de veldoogst en de helft van de boomvruchten die mij rechtens toekomen, hoeft u niet meer af te dragen. Met ingang van heden zijn Judea en de drie districten van Samaria en Galilea, die ik bij dezen tot Judees grondgebied verklaar, daarvan voor altijd vrijgesteld. 31 Jeruzalem en zijn grondgebied zullen heilig zijn en ontheven van tienden en tolgelden. 32 Verder doe ik afstand van mijn bevoegdheden in de citadel van Jeruzalem en verleen ik de hogepriester het recht er naar believen mannen in garnizoen te leggen. 33 Alle Joden die als krijgsgevangene uit Judea zijn weggevoerd naar een plaats elders in mijn rijk, zal ik zonder losgeld vrijlaten. Over het vee mag geen belasting worden geheven. 34 Op feesten, sabbat, nieuwemaan en andere hoogtijdagen, evenals de drie dagen voor en de drie dagen na een feest zullen alle Joden in mijn rijk van belastingen zijn vrijgesteld, 35 en niemand heeft het recht op die dagen iets van hen te vorderen of hen om wat voor reden dan ook lastig te vallen. 36 Ongeveer dertigduizend Joden zullen als strijdkrachten van de koning worden ingeschreven; zij ontvangen dezelfde soldij als de overige koninklijke strijdkrachten. 37 Een deel van hen zal worden gelegerd in de grote burchten van de koning en een deel zal in het koninkrijk vertrouwensposten vervullen. Hun bevelhebbers en leiders zullen uit hun eigen gelederen worden gekozen en zij mogen volgens hun eigen wetten leven, zoals de koning dat voor het land Judea heeft bepaald. 38 De drie gebieden van Samaria die nu bij Judea zijn ingelijfd, zullen voortaan ook in bestuurlijk opzicht één zijn met Judea en onder het gezag van de hogepriester staan. 39 Ptolemaïs en bijhorend gebied schenk ik aan het heiligdom in Jeruzalem, zodat uit de opbrengst de kosten van de tempeldienst kunnen worden gedekt. 40 Zelf zal ik jaarlijks vijftienduizend sjekel zilver schenken van de inkomsten uit mijn domeinen. 41 Alle toelagen ten bate van de tempeldienst die door ambtenaren de laatste jaren niet zijn uitgekeerd, zullen vanaf heden weer worden betaald. 42 Ook de vijfduizend sjekel zilver die jaarlijks uit de inkomsten van de tempel gevorderd werden zal ik teruggeven, want ze komen toe aan de dienstdoende priesters. 43 Ieder die vanwege schulden bij de koning of om een andere reden in de tempel van Jeruzalem of het tempelgebied zijn toevlucht heeft gezocht, is met alles wat hij in mijn rijk bezit onschendbaar. 44 De kosten van de herbouw en vernieuwing van het heiligdom zijn voor rekening van de koning.45 Ook de kosten van de bouw van de muren en verdedigingswerken rond Jeruzalem zijn voor rekening van de koning, evenals de kosten voor de vestingen in Judea.’
Jonatan blijft trouw aan Alexander
46 Jonatan en het volk hoorden Demetrius’ beloften vol ongeloof aan en ze gingen er niet op in. Ze herinnerden zich het grote onheil dat hij in Israël had aangericht en hoezeer hij hen had onderdrukt. 47 Zij hielden het bij Alexander, hij was tenslotte de eerste geweest die hun vrede had aangeboden, en ze bleven tot het einde toe zijn bondgenoot. 48 Koning Alexander bracht een grote strijdmacht op de been en stelde zich op tegenover Demetrius. 49 De twee koningen openden de strijd, en het leger van Alexander werd op de vlucht gedreven. Demetrius achtervolgde hem en kreeg de overhand. 50 Maar Alexander bood tot zonsondergang hardnekkig verzet, en diezelfde dag nog sneuvelde Demetrius.
51 Daarop stuurde Alexander gezanten naar koning Ptolemeüs van Egypte met de volgende boodschap: 52 ‘Ik ben in mijn koninkrijk teruggekeerd, ik heb de troon van mijn voorouders bestegen en heb het bestuur op me genomen. Demetrius heb ik verslagen, en de macht over het land is nu in mijn handen. 53 In de strijd die ik met hem aanbond is zijn leger door ons verslagen. Nu zetel ik op de troon van zijn rijk. 54 Laten wij vriendschap met elkaar sluiten: maak mij uw schoonzoon door mij uw dochter tot vrouw te geven. Ik zal u en haar geschenken geven die u beiden waardig zijn.’ 55 En koning Ptolemeüs antwoordde: ‘Ik prijs de dag waarop u bent teruggekeerd in het land van uw voorouders en de troon van hun koninkrijk hebt bestegen. 56 Ik ga graag op uw voorstel in. Maar laten wij elkaar eerst in Ptolemaïs ontmoeten. Dan zal ik uw schoonvader worden, zoals u hebt voorgesteld.’
57 In het jaar 162 (=-148) vertrok Ptolemeüs uit Egypte, samen met zijn dochter Cleopatra, en ging naar Ptolemaïs. 58 Koning Alexander ontmoette hem daar, en Ptolemeüs gaf hem zijn dochter Cleopatra tot bruid. In Ptolemaïs werd een huwelijksfeest voor hen aangericht met veel koninklijk vertoon van weelde. 59 Bij die gelegenheid schreef koning Alexander Jonatan om hem uit te nodigen hem te bezoeken. 60 Jonatan reisde met een schitterend gevolg naar Ptolemaïs, waar hij de twee koningen ontmoette. Hij gaf hun en hun vertrouwelingen zilver, goud en vele andere geschenken, en won zo hun gunst. 61 Maar Israëlieten met kwaad in de zin, mannen die de wet verloochenden, kwamen een aanklacht tegen hem indienen. De koning schonk echter geen aandacht aan hen. 62 Integendeel, hij gaf bevel Jonatans gewone kleren te verruilen voor purperen kleding. En zo gebeurde het. 63 De koning liet hem naast zich plaatsnemen en zei tegen zijn bevelhebbers: ‘Neem hem mee naar het midden van de stad en roep om dat niemand een aanklacht tegen hem mag indienen of hem mag lastigvallen, om wat voor reden dan ook.’ 64 Toen de aanklagers de heraut hoorden en zagen dat Jonatan gehuldigd werd en in purper was gekleed, vluchtten ze. 65 De koning verleende hem de eervolle titel Vriend van de koning, en hij stelde hem aan als veldheer en districtsbestuurder. 66 Daarna keerde Jonatan in vrede en vreugde terug naar Jeruzalem.
Jonatan verslaat Apollonius
67 In het jaar 165 (=-145) kwam Demetrius, de zoon van Demetrius, vanuit Kreta naar het land van zijn voorouders. 68 Toen koning Alexander dit hoorde, keerde hij diep verontrust naar Antiochië terug. 69 Demetrius bevestigde Apollonius in zijn functie als districtsbestuurder over Cele-Syrië. Deze bracht een grote strijdmacht op de been en sloeg zijn kamp op in de buurt van Jamnia. Van daaruit stuurde hij deze boodschap naar hogepriester Jonatan: 70 ‘U bent de enige die zich tegen ons verzet, en daarom word ik uitgelachen en bespot. Daar in de bergen durft u ons wel te tarten.


1 Kronieken 1
Stamboom van Adam tot Izak
Adam, Seth, Enos,
Kenan, Mahalal-el, Jered,
Henoch, Methúsalah, Lamech,
Noach, Sem, Cham en Jafeth.
De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogárma.
En de kinderen van Javan waren Elísa en Tharsísa, de Chittieten en Dodanieten.
De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraïm, Put, en Kanaän.
En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havíla, en Sabta, en Ráëma, en Sábtecha; en de kinderen van Ráëma waren Scheba en Dedan.
10 Cusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.
11 En Mitsraïm gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,
12 En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van welke de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten.
13 Kanaän nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
14 En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,
15 En den Heviet, en den Arkiet, en den Siniet,
16 En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.
17 De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
18 Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.
19 Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam des enen was Peleg, omdat in zijn dagen het aardrijk verdeeld is, en de naam zijns broeders was Joktan.
20 En Joktan gewon Almódad, en Selef, en Hazarmáveth, en Jerah,
21 En Hadóram, en Uzal, en Dikla,
22 En Ebal, en Abímaël, en Scheba,
23 En Ofir, en Havíla, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.
24 Sem, Arfachsad, Selah,
25 Heber, Peleg, Rehu,
26 Serug, Nahor, Terah,
27 Abram; die is Abraham.
28 De kinderen van Abraham waren Izak en Ismaël.
29 Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van Ismaël was Nebájoth, en Kedar, en Adbeël, en Mibsam,
30 Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema,
31 Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismaël.
32 De kinderen nu van Ketûra, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Mídian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.
33 De kinderen van Mídian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abída, en Eldáä. Die allen waren zonen van Ketûra.
34 Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israël (Jakob).
Stamboom der Edomieten
35 En de kinderen van Ezau: Elífaz, Rehuël, en Jehus, en Jáëlam, en Korah.
36 De kinderen van Elífaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gáëtham, Kenaz, en Timna, en Amalek.
37 De kinderen van Rehuël waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
38 De kinderen van Seïr nu waren Lotan, en Sobal, en Zíbeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.
39 De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zuster van Lotan was Timna.
40 De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manáhath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zíbeon waren Aja en Ana.
41 De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.
42 De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Záävan, en Jáäkan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.
43 Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israëls: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijner stad was Dinhába.
44 En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.
45 En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats.
46 En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en de naam zijner stad was Avith.
47 En Hadad stierf, en Samla, van Masréka, regeerde in zijn plaats.
48 En Samla stierf, en Saul, van Rehobôth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
49 En Saul stierf, en Baäl-Hánan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
50 Als Baäl-Hánan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetábeël, de dochter van Matred, dochter van Mee-sahab.
51 Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth,
52 De vorst Aholi-báma, de vorst Ela, de vorst Pinon,
53 De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar,
54 De vorst Magdiël, de vorst Iram. Dezen waren de vorsten van Edom.

1 Kronieken 2

De kinderen van Israël en nakomelingen van Juda
Dezen zijn de kinderen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaänietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEEREN; daarom doodde Hij hem.
Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.
De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.
En de kinderen van Charmi waren Achan, de beroerder van Israël, die zich aan het verbannene vergreep.
De kinderen van Ethan nu waren Azária.
En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jeráhmeël, en Ram, en Chelúbai.
10 Ram nu gewon Amminádab, en Amminádab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;
11 En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz.
12 En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isaï,
13 En Isaï gewon Elíab, zijn eerstgeborene, en Abinádab, den tweede, en Simea, den derde,
14 Nethaneël, den vierde, Raddai, den vijfde,
15 Ozem, den zesde, David, den zevende.
16 En hun zusters waren Zerúja en Abigáïl. De kinderen nu van Zerúja waren Abísai, en Joab en Asa-El; drie.
17 En Abigáïl baarde Amása; en de vader van Amása was Jether, een Ismaëliet.
Nakomelingen van Kaleb
18 Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azúba, zijn vrouw, en uit Jeríoth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.
19 Als nu Azúba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.
20 En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezáleël.
21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.
22 Segub nu gewon Jaïr; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.
23 En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken van Jaïr, van dezelve, met Kenath, en haar onderhorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader van Gilead.
24 En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abía, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekóa.
25 De kinderen van Jeráhmeël nu, den eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahía.
26 Jeráhmeël had nog een andere vrouw, welker naam was Atára; zij was de moeder van Onam.
27 En de kinderen van Ram, den eerstgeborene van Jeráhmeël waren Maäz, en Jamin, en Eker.
28 En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abísur.
29 De naam nu der huisvrouw van Abísur was Abíháïl: die baarde hem Achban en Molid.
30 En de kinderen van Nadab waren Seled en Appáïm; en Seled stierf zonder kinderen.
31 En de kinderen van Appáïm waren Jiseï; en de kinderen van Jiseï waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.
32 En de kinderen van Jada, den broeder van Sammai, waren Jether en Jónathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.
33 De kinderen van Jónathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jeráhmeël.
34 En Sesan had geen zonen, maar dochteren. En Sesan had een Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha.
35 Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai.
36 Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad,
37 En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,
38 En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azária,
39 En Azária gewon Helez, en Helez gewon Elása,
40 En Elása gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,
41 En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisáma.
42 De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jeráhmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Marésa, den vader van Hebron.
43 De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappúah, en Rekem, en Sema.
44 Sema nu gewon Raham, den vader van Jórkeam, en Rekem gewon Sammai.
45 De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.
46 En Efa, het bijwijf van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.
47 De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saäf.
48 Uit het bijwijf Máächa gewon Kaleb: Seber en Tirhana.
49 En de huisvrouw van Saäf, den vader van Madmánna, baarde Seva, den vader van Machbéna, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.
50 Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jeárim;
51 Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.
52 De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jeárim, waren Haroë en Hazihammenúchoth.
53 En de geslachten van Kirjath-Jeárim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraïeten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraïeten en de Esthaolieten.
54 De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft der Manathieten,en de Zorieten.
55 En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.

1 Kronieken 3

Nakomelingen van David
Dezen nu waren de kinderen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinóam, de Jizreëlietische; de tweede Daniël, van Abigáïl, de Karmelietische;
De derde Absalom, de zoon van Máächa, de dochter van Thalmai, den koning te Gesur; de vierde Adónia, de zoon van Haggith;
De vijfde Sefatja, van Abítal; de zesde Jíthream, van zijn huisvrouw Egla.
Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem.
Dezen nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Símea, en Sobab, en Nathan, en Sálomodeze vier zijn van Bath-Sua, de dochter van Ammiël;
Daartoe Jibchar, en Elisáma, en Elifélet,
En Nogah, en Nefeg, en Jafía,
En Elísama, en Eljáda, en Elifélet, negen.
Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen der bijwijven, en Thamar hun zuster.
10 Sálomo’s zoon nu was Rehábeam; zijn zoon was Abía; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Jósafat;
11 Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Aházia; zijn zoon was Joas;
12 Zijn zoon was Amázia; zijn zoon was Azária; zijn zoon was Jotham;
13 Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkía; zijn zoon was Manasse;
14 Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josía.
15 De zonen van Josía nu waren dezen: de eerstgeborene Jóhanan, de tweede Jójakim, de derde Zedekía, de vierde Sallum.
16 De kinderen van Jójakim nu waren: Jechónia zijn zoon, Zedekía zijn zoon.
17 En de kinderen van Jechónia waren Assir; zijn zoon was Sealthiël;
18 Dezes zonen waren Malchíram, en Pedája, en Senázar, Jekámja, Hósama en Nedábja.
19 De kinderen van Pedája nu waren Zerubbábel en Simeï; en de kinderen van Zerubbábel waren Mesullam en Hanánja; en Selomith was hunlieder zuster;
20 En Hasúba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhésed; vijf.
21 De kinderen van Hanánja nu waren Pelatja en Jesája. De kinderen van Refája, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja.
22 De kinderen nu van Sechanja waren Semája; en de kinderen van Semája waren Hattus, en Jígeal, en Baríah, en Neárja, en Safat; zes.
23 En de kinderen van Neárja waren Eljoënai, en Hizkía, en Azríkam; drie.
24 En de kinderen van Eljoënai waren Hodájeva, en Eljasib, en Pelája, en Akkub, en Jóhanan, en Delája, en Anáni; zeven.

1 Kronieken 4

Het geslacht Juda en Simeon
De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.
En Reája, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahúmai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;
En dezen zijn van den vader Etam: Jizreël, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelpóni.
En Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.
Asschur nu, de vader van Thekóa, had twee vrouwen, Hela en Náära.
En Náära baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Témeni, en Haähástari. Dit zijn de kinderen van Náära.
En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezóhar, en Ethnan.
En Koz gewon Anub en Hazobéba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.
Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard.
10 Want Jabez riep den God Israëls aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde.
11 En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.
12 Eston nu gewon Beth-rafa, en Paséa, en Tehinna, den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha.
13 En de kinderen van Kenaz waren Othniël en Serája; en de kinderen van Othniël, Hathath.
14 En Meónothai gewon Ofra; en Serája gewon Joab, den vader des dals der werkmeesters; want zij waren werkmeesters.
15 De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.
16 En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thírea en Asáreël.
17 En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Efer, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sammai, en Isbah, den vader van Esthemóa.
18 En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jekúthiël, den vader van Zanóah; en die zijn kinderen van Bitja, de dochter van Faraö, die Mered genomen had.
19 En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehíla, de Garmiet, en Esthemóa, de Maächathiet.
20 En de kinderen van Simon nu waren Ammon en Rinna, Ben-hanan en Tilon; en de kinderen van Iseï waren Zoheth en Ben-Zoheth.
21 De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Marésa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbéa.
22 Daartoe Jokim, en de mannen van Chozéba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasúbiléhem; doch deze dingen zijn oud.
23 Dezen waren pottenbakkers, wonende bij plantages en tuinen; zij zijn daar gebleven bij den koning in zijn werk.
24 De kinderen van Simeon waren Nenúël en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
25 Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.
26 De kinderen van Misma waren dezen: Hammúël zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simeï zijn zoon.
27 Simeï nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.
28 En zij woonden te Ber-séba, en te Mólada, en te Hazar-Sual,
29 En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,
30 En te Bethúël, en te Horma, en te Ziklag,
31 En te Beth-markabôth, en te Hazar-Susim, en te Beth-bíri, en te Saäráïm. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.
32 En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.
33 En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baäl toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.
34 Doch Mesóbab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amázia,
35 En Joël, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Seraja, den zoon van Asiël,
36 En Eljoënai, en Jaäkóba, en Jesóhaja, en Asája, en Adíël, en Jesiméël, en Benája,
37 En Ziza, de zoon van Sifeï, den zoon van Allon, den zoon van Jedája, den zoon van Simri, den zoon van Semája;
38 Dezen kwamen tot namen, zijnde vorsten in hun huisgezinnen, en de huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte.
39 En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hun schapen.
40 En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar te voren.
41 Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkía, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.
42 Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Símeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seïr; en Pelatja, en Nearja, en Refája, en Izziël, de zonen van Iseï, waren hun tot hoofden.
43 En zij sloegen de overigen der ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden aldaar tot op dezen dag.


1 Kronieken 5

Nakomelingen van Ruben
De kinderen van Ruben nu, den eerstgeborene van Israël; (want hij was de eerstgeborene; maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israël; doch niet alzo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;
Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef.)
De kinderen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi.
De kinderen van Joël: zijn zoon Semája; zijn zoon Gog; zijn zoon Simeï;
Zijn zoon Micha; zijn zoon Reája; zijn zoon Baäl;
Zijn zoon Béëra, welken Tiglath-Pilnéser, de koning van Assyrië, gevankelijk wegvoerde; hij was de vorst der Rubenieten.
Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiël en Zecharja,
En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joël, die woonde te Aroër, en tot aan Nebo, en Baäl-Meon,
En hij woonde tegen het oosten, tot den ingang der woestijn, van de rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in het land van Gilead.
10 En in de dagen van Saul voerden zij krijg tegen de Hagarenen, die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de gehele oostzijde van Gilead.
Nakomelingen van Gad
11 De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in het land van Basan, tot Salcha toe.
12 Joël was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jáënai en Safat bleven in Basan.
13 Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michaël, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.
14 Dezen zijn de kinderen van Abiháïl, den zoon van Huri, den zoon van Jaróah, den zoon van Gilead, den zoon van Michaël, den zoon van Jesísai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.
15 Ahi, de zoon van Abdiël, den zoon van Guni, was het hoofd van het huis hunner vaderen.
16 En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen.
17 Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, den koning van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, den koning van Israël.
18 Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.
19 En zij voerden krijg tegen de Hagarenen, en tegen Jethur, en Nafis, en Nodab.
20 Doch zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven, en allen, die met hen waren; omdat zij tot God riepen in den krijg, zo liet Hij Zich van hen verbidden, dewijl zij op Hem vertrouwden.
21 En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kemelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, en honderd duizend zielen der mensen.
22 Want er vielen vele verwonden, dewijl de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden.
Nakomelingen van den halven stam van Manasse
23 De kinderen nu van den halven stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baäl-Hermon, en Senir, en den berg Hermon.
24 Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jiseï, en Elíël, en Azriël, en Jeremía, en Hodávja, en Jahdíël; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.
25 Maar zij hebben tegen den God hunner vaderen overtreden, en de goden der volken des lands nagehoereerd, welke God voor hun aangezichten had verdelgd.
26 Zo verwekte de God Israëls den geest van Pul, den koning van Assyrië, en den geest van Tiglath-Pilnéser, den koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag.

1 Kronieken 6

Nakomelingen van Levi. Dienst en woningen der Levieten
De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merári.
De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziël.
En de kinderen van Amram waren Aäron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aäron waren Nadab en Abíhu, Eleázar en Ithamar.
En Eleázar gewon Pínehas, Pínehas gewon Abisúa;
En Abisúa gewon Bukki, en Bukki gewon Uzzi;
En Uzzi gewon Zeráhja, en Zeráhja gewon Merajôth;
En Merajôth gewon Amarja, en Amarja gewon Ahítub;
En Ahítub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimáäz;
En Ahimáäz gewon Azarja, en Azarja gewon Jóhanan;
10 En Jóhanan gewon Azarja. Hij is het, die het priesterambt bediende in het huis, dat Sálomo te Jeruzalem gebouwd had.
11 En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahítub;
12 En Ahítub gewon Zadok, en Zadok gewon Sallum;
13 En Sallum gewon Hilkía, en Hilkía gewon Azarja;
14 En Azarja gewon Serája, en Serája gewon Józadak;
15 En Józadak ging mede, als de HEERE Juda en Jeruzalem gevankelijk wegvoerde door de hand van Nebukadnézar.
16 Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merári.
17 En dit zijn de namen der zonen van Gerson: Libni en Simeï.
18 En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzzíël.
19 De kinderen van Merári waren Máheli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Levieten, naar hun vaderen.
20 Van Gerson: zijn zoon was Libni; zijn zoon Jahath; zijn zoon Zimma;
21 Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeáthrai.
22 De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminádab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;
23 Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjásaf; en zijn zoon Assir;
24 Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uríël; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.
25 De kinderen van Elkana nu waren Amásia en Ahimôth.
26 Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;
27 Zijn zoon Elíab; zijn zoon Jeróham; zijn zoon Elkana.
28 De zonen van Samuël nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abía.
29 De kinderen van Merári waren Máheli; zijn zoon Libni; zijn zoon Simeï; zijn zoon Uzza;
30 Zijn zoon Símea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asája.
31 Dezen nu zijn het, die David gesteld heeft tot het ambt des gezangs in het huis des HEEREN, nadat de ark tot rustgekomen was.
32 En zij dienden voor den tabernakel van de tent der samenkomst met gezangen, totdat Sálomo het huis des HEEREN te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hun wijze in hun ambt.
33 Dezen nu zijn ze, die daar stonden met hun zonen; van de zonen der Kahathieten, Heman de zanger, de zoon van Joël, den zoon van Samuël,
34 Den zoon van Elkana, den zoon van Jeróham, den zoon van Elíël, den zoon van Toah,
35 Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amásai,
36 Den zoon van Elkana, den zoon van Joël, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
37 Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjásaf, den zoon van Korah,
38 Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israël.
39 En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechterzijde; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Símea,
40 Den zoon van Michaël, den zoon van Baëseja, den zoon van Malchija,
41 Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adája,
42 Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simeï,
43 Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.
44 Hunne broeders nu, de kinderen van Merári, stonden aan de linkerzijdenamelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch,
45 Den zoon van Hasabja, den zoon van Amázia, den zoon van Hilkía,
46 Den zoon van Amzi, den zoon van Bani, den zoon van Semer,
47 Den zoon van Máheli, den zoon van Musi, den zoon van Merári, den zoon van Levi.
48 Hun broeders nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst des tabernakels van het huis Gods.
49 Aäron nu en zijn zonen rookten op het altaar des brandoffers, en op het reukaltaar, zijnde besteld tot al het werk van het heilige der heiligen, en om over Israël verzoening te doen, naar alles wat Mozes, de knecht Gods, geboden had.
Nakomelingen van Aäron
50 Dit nu zijn de kinderen van Aäron: Eleázar, was zijn zoon; Pínehas zijn zoon; Abisúa zijn zoon;
51 Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon Seráhja zijn zoon;
52 Merajôth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Ahítub zijn zoon;
53 Zadok zijn zoon; Ahimáäz zijn zoon.
54 En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun landpalen, namelijk van de zonen van Aäron, van het huisgezin der Kahathieten, want dat lot was voor hen.
55 En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en haar voorsteden rondom dezelve.
56 Maar het veld der stad, en haar dorpen, gaven zij Kaleb, den zoon van Jefunne.
57 En den kinderen van Aäron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en Esthemóa, en haar voorsteden,
58 En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,
59 En Asan en haar voorsteden, en Beth-Sémes en haar voorsteden.
60 Van den stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allémeth en haar voorsteden, en Anáthoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.
61 Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit den halven stam van half Manasse, bij het lot, tien steden.
62 En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden.
63 De kinderen van Merári, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, bij het lot, twaalf steden.
64 Alzo gaven de kinderen Israëls aan de Levieten deze steden en haar voorsteden.
65 En zij gaven ze bij het lot, van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, en van den stam der kinderen van Benjamin, deze steden, dewelke zij bij namen noemden.
66 Aan de overigen nu, uit de huisgezinnen der kinderen van Kahath, dien gewerden steden hunner landpale, van den stam van Efraïm.
67 Want zij gaven hun van de vrijsteden, Sichem en haar voorsteden op het gebergte van Efraïm, en Gezer en haar voorsteden,
68 En Jokmeam en haar voorsteden, en Beth-hóron en haar voorsteden,
69 En Ajálon en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden.
70 En uit den halven stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bíleam en haar voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen van Kahath hadden deze steden.
71 De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van den halven stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharôth, en haar voorsteden.
72 En van den stam van Issaschar: Kedes en haar voorsteden, Dobrath en haar voorsteden,
73 En Ramoth en haar voorsteden, en Anem en haar voorsteden.
74 En van den stam van Aser: Masal en haar voorsteden, en Abdon en haar voorsteden,
75 En Hukok en haar voorsteden, en Rehob en haar voorsteden.
76 En van den stam van Nafthali: Kedes in Galiléa, en haar voorsteden, en Hammon en haar voorsteden, en Kirjatháïm en haar voorsteden.
77 De overige kinderen van Merári hadden van den stam van Zebulon: Rimmóno en haar voorsteden, Thabor en haar voorsteden;
78 En aan gene zijde van de Jordaan tegen Jericho, tegen het oosten aan de Jordaan, van den stam van Ruben: Bezer in de woestijn, en haar voorsteden, en Jahza en haar voorsteden,
79 En Kedémoth en haar voorsteden, en Méfaäth en haar voorsteden;
80 En van den stam van Gad: Ramoth in Gilead, en haar voorsteden, en Mahanáïm en haar voorsteden,
81 En Hesbon en haar voorsteden, en Jáëzer en haar voorsteden.
 

1 Kronieken 7

Nakomelingen van Issaschar
De kinderen van Issaschar waren Thola en Pua, Jasib en Simron; vier.
De kinderen van Thola nu waren Uzzi, en Refája, en Jeriël, en Jachmai, en Jibsam, en Samuël; hoofden van de huizen hunner vaderen, van Thola, kloeke helden in hun geslachten; hun getal was in de dagen van David twee en twintig duizend en zeshonderd.
En de kinderen van Uzzi waren Jizráhja; en de kinderen van Jizráhja waren Michaël, en Obadja, en Joël, en Jisía; deze vijf waren al te zamen hoofden.
En met hen naar hun geslachten, naar hun vaderlijke huizen, waren de hopen des krijgsheirs zes en dertig duizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.
En hun broeders, in alle huisgezinnen van Issaschar, kloeke helden, waren zeven en tachtig duizend, al dezelve in geslachtsregisters gesteld zijnde.
Nakomelingen van Benjamin en Nafthali
De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jedíaël; drie.
En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzzíël, en Jerimôth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig.
De kinderen van Becher nu waren Zemíra, en Joas, en Eliëzer, en Eljoënai, en Omri, en Jerémoth, en Abíja, en Anáthoth, en Alémeth; deze allen waren kinderen van Becher.
Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.
10 De kinderen van Jedíaël nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeüs en Benjamin, en Ehud, en Chenáäna, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
11 Alle dezen waren kinderen van Jedíaël, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventien duizend en tweehonderd, uitgaande in het heir ten strijde.
12 Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
13 De kinderen van Nafthali waren Jahziël, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
Nakomelingen van Manasse
14 De kinderen van Manasse waren Asriël, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead.
15 Machir nu nam tot een vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Máächa; en de naam des tweeden was Zeláfead. Zeláfead nu had dochters.
16 En Máächa, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naams zijns broeders was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem.
17 De kinderen van Ulam nu waren Bedan; dezen zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.
18 Belangende nu zijn zuster Molécheth, zij baarde Ishod, en Abiézer, en Máhela.
19 De kinderen van Semída nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aníam.
Nakomelingen van Efraïm
20 En de kinderen van Efraïm waren Suthélah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Eláda; en zijn zoon Tahath;
21 En zijn zoon was Zabad; en zijn zoon Suthélah, en Ezer, en Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen.
22 Daarom droeg Efraïm, hun vader, vele dagen leed; en zijn broeders kwamen om hem te troosten.
23 Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Bería, omdat zij in ellende was in zijn huis.
24 Zijn dochter nu was Séëra, die bouwde het lage en het hoge Beth-hóron, en Uzzen-Séëra.
25 En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan;
26 Zijn zoon was Ladan; zijn zoon Ammíhud; zijn zoon Elisáma;
27 Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.
28 En hun bezitting en hun woning was Beth-El, en haar onderhorige plaatsen; en tegen het oosten Náäran, en tegen het westen Gezer en haar onderhorige plaatsen; en Sichem en haar onderhorige plaatsen, tot Gaza toe, en haar onderhorige plaatsen.
29 En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, Tháänach en haar onderhorige plaatsen, Megiddo en haar onderhorige plaatsen, Dor en haar onderhorige plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, den zoon van Israël, gewoond.
Nakomelingen van Aser
30 De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Bería, en Sera, hunlieder zuster.
31 De kinderen van Bería nu waren Heber en Málchiël; hij is de vader van Birzávith.
32 En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.
33 De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet.
34 En de zonen van Semer waren Ahi en Róhega, Jehubba en Aram.
35 En de kinderen van zijn broeder Helem waren Zofah, en Jimna, en Seles, en Amal.
36 De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnéfer, en Sual, en Beri, en Jimra,
37 Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beëra.
38 De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.
39 En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanníël, en Rizja.
40 Deze allen waren kinderen van Aser, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezene kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtsregisters geteld ten heire in den krijg; hun getal was zes en twintig duizend mannen.

1 Kronieken 8

Nakomelingen van Benjamin
Benjamin nu gewon Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, den tweede, en Ahrah, den derde,
Naho, den vierde, en Rafa, den vijfde.
Bela nu had deze kinderen: Addar, en Gera, en Abíhud,
En Abisúa, en Náäman, en Ahóah,
En Gera, en Sefúfan, en Huram.
Dezen nu zijn de kinderen van Ehud; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Geba, en hij voerde hen over naar Manáhath;
En Náäman, en Ahía, en Gera; dezen voerde hij weg; en hij gewon Uzza en Ahíhud.
En Saharáïm gewon kinderen in het land van Moab (nadat hij dezelve weggezonden had) uit Husim en Báära, zijn vrouwen;
En uit Hodes, zijn huisvrouw, gewon hij Joab, en Zibja, en Mesa, en Malcham,
10 En Jeüz, en Sochja, en Mirma; dezen zijn zijne zonen, hoofden der vaderen.
11 En uit Husim gewon hij Abítub en Elpáäl.
12 De kinderen van Elpáäl nu waren Eber, en Misam, en Semed; deze heeft Ono gebouwd, en Lod en haar onderhorige plaatsen;
13 En Bería, en Sema; dezen waren hoofden der vaderen van de inwoners te Ajálon; dezen hebben de inwoners van Gath verdreven.
14 En Ahjo, Sasak en Jerémoth,
15 En Zebádja, en Arad, en Eder,
16 En Míchaël, en Jispa, en Joha waren kinderen van Bería.
17 En Zebádja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
18 En Jismerai, en Jizlía en Jobab, de kinderen van Elpáäl.
19 En Jakim, en Zichri, en Zabdi,
20 En Eljoënai, en Zillethai, en Elíël,
21 En Adája, en Berája, en Simrath waren kinderen van Simeï.
22 En Jispan, en Eber, en Elíël,
23 En Abdon, en Zichri, en Hanan,
24 En Hananja, en Elam, en Antothija,
25 En Jífdeja, en Pnuël waren zonen van Sasak.
26 En Sámserai, en Seharja, en Athalja,
27 En Jaäresja, en Elía, en Zichri waren zonen van Jeróham.
28 Dezen waren de hoofden der vaderen, hoofden naar hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.
29 En te Gíbeon woonde de vader van Gíbeon; en de naam zijner huisvrouw was Máächa.
30 En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Baäl, en Nadab,
31 En Gedor, en Ahío, en Zecher.
32 En Mikloth gewon Símea; en dezen woonden ook tegenover hun broederen te Jeruzalem, met hun broederen.
33 Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jónathan, en Malchi-sua, Abinádab, en Esbáäl.
34 En Jónathans zoon was Merib-baäl, en Merib-baäl gewon Micha.
35 De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaäréa, en Achaz.
36 En Achaz gewon Jehóadda, en Jehóadda gewon Alémeth, en Azmáveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza;
37 En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elása; zijn zoon was Azel.
38 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen; Azríkam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.
39 En de zonen van Esek, zijn broeder, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeüs, de tweede, en Elifélet, de derde.
40 En de zonen van Ulam waren mannen, kloeke helden, den boog spannende, en zij hadden vele zonen, en zoons zonen, honderd en vijftig. Al dezen waren van de kinderen van Benjamin.
 

1 Kronieken 9

Voornaamsten uit den stam van Juda te Jeruzalem
En gans Israël werd in geslachtsregisters geteld, en ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israël. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel, om hunner overtredingen wil.
De eerste inwoners nu, die in hun bezitting, in hun steden kwamen, waren de Israëlieten, de priesters, de Levieten, en de Nethínim.
Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse;
Uthai, de zoon van Ammíhud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van de kinderen van Perez, den zoon van Juda.
En van de Silonieten was Asája, de eerstgeborene, en zijn kinderen.
En van de kinderen van Zerah was Jeúël, en van hun broederen waren zeshonderd en negentig.
En van de kinderen van Benjamin waren Sallu, de zoon van Mesullam, den zoon van Hodávja, den zoon van Hassenúa;
En Jibnéa, de zoon van Jeróham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reúël, den zoon van Jibnija;
En hun broederen naar hun geslachten, negenhonderd zes en vijftig; al deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen hunner vaderen.
10 Van de priesteren nu, Jedája, en Jojárib, en Jachin,
11 En Azarja, de zoon van Hilkija, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merajôth, den zoon van Ahítub, overste van het huis Gods;
12 En Adája, de zoon van Jeróham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiël, den zoon van Jahzéra, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillémith, den zoon van Immer.
13 Daartoe hun broeders, hoofden in de huizen hunner vaderen, duizend zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het huis Gods.
14 Van de Levieten nu waren Semája, de zoon van Hasub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merári;
15 En Bakbakkar, Heres, en Galal, en Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;
16 En Obadja, de zoon van Semája, den zoon van Galal, den zoon van Jedûthun; en Berechja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, woonachtig in de dorpen der Netofathieten.
17 De poortiers nu waren: Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahíman, en hun broeders; Sallum was het hoofd.
18 Ook tot nog toe, aan de poort des konings oostwaarts, waren dezen de poortiers onder de legers der kinderen van Levi.
19 En Sallum, de zoon van Koré, den zoon van Ebjásaf, den zoon van Korah, en zijn broeders van het huis zijns vaders, de Korahieten, waren over het werk van den dienst, wachters der dorpelen des tabernakels; gelijk hun vaders in het leger des HEEREN (YHVH) geweest waren bewaarders van den ingang;
20 Als Pínehas, de zoon van Eleázar, te voren voorganger bij hen was, met welken de HEERE (YHVH) was.
21 Zacharja, de zoon van Meselemja, was poortier aan de deur van de tent der samenkomst.
22 Allen, die uitgelezen waren tot poortiers aan de dorpelen, waren tweehonderd en twaalf. Dezen waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen. David en Samuël, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd.
23 Zij dan en hun zonen waren aan de poorten van het huis des HEEREN (YHVH), in het huis der tent, aan de wachten.
24 Die poortiers waren aan de vier winden, tegen het oosten, tegen het westen, tegen het noorden, en tegen het zuiden.
25 En hun broeders waren op hun dorpen, inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd, om met hen te dienen;
26 Want in dat ambt waren vier overste poortiers, die Levieten waren; en zij waren over de kameren en over de schatten van het huis Gods.
27 En zij bleven over nacht rondom het huis Gods; want op hen was de wacht, en zij waren over de opening, en dat allen morgen.
28 En enigen van hen waren over de vaten van den dienst; want bij getal droegen zij ze in, en bij getal droegen zij ze uit.
29 Want uit dezelve zijn er besteld over de vaten, en over al de heilige vaten, en over de meelbloem, en wijn, en olie, en wierook, en specerijen.
30 En uit de zonen der priesteren waren de bereiders van het reukwerk der specerijen.
31 En Mattithja uit de Levieten, dewelke was de eerstgeborene van Sallum, den Korahiet, was in het ambt over het werk, dat in pannen gekookt wordt.
32 En uit de kinderen der Kahathieten, uit hun broederen, waren enigen over de broden der toerichting, om die alle sabbatten te bereiden.
33 Uit dezen zijn ook de zangers, hoofden der vaderen onder de Levieten in de kameren, dienstvrij; want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn.
34 Dit zijn de hoofden der vaderen onder de Levieten, hoofden in hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.
Het geslacht van Saul en Jónathan
35 Maar te Gíbeon hadden gewoond Jeïel, de vader van Gíbeon; de naam zijner zuster nu was Máächa.
36 En Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baäl, en Ner, en Nadab.
37 En Gedor, en Ahío, en Zacharja, en Mikloth.
38 Mikloth nu gewon Símeam; dezen woonden ook te Jeruzalem, tegenover hun broederen, met hun broederen.
39 En Ner gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jónathan, en Malchi-sua, en Abinádab, en Esbaäl.
40 En Jónathans zoon was Merib-baäl, en Merib-baäl gewon Micha.
41 De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaëréa.
42 En Achaz gewon Jáëra, en Jáëra gewon Alémeth, en Azmáveth, en Zimri; en Zimri gewon Moza;
43 En Moza gewon Bina; wiens zoon was Refája; wiens zoon was Elása; wiens zoon was Azel.
44 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azríkam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan; dezen zijn Azels zonen.

2 Kronieken 13

Abía koning van Juda; hij overwint Jeróbeam
In het achttiende jaar van den koning Jeróbeam, zo werd Abía(m) koning over Juda.
Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Michája, de dochter van Uríël, van Gíbea; en er was krijg tussen Abía en tussen Jeróbeam.
En Abía bond den strijd aan met een heir van strijdbare helden, vierhonderd duizend uitgelezen mannen; en Jeróbeam stelde tegen hem de slagorde, met achthonderd duizend uitgelezen mannen, kloeke helden.
En Abía maakte zich op van boven den berg Zemaráïm, dewelke is in het gebergte van Efraïm; en hij zeide: Hoort mij toe, Jeróbeam, en gans Israël!
Staat het u niet toe te weten, dat de HEERE, de God Israëls, het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een zoutverbond?
Evenwel is Jeróbeam, de zoon van Nebat, de knecht van Sálomo, den zoon van David, opgestaan, en heeft gerebelleerd tegen zijn heer.
Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials, tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehábeam, den zoon van Sálomo, als Rehábeam jong was en teder van hart, dat hij zich tegen hen niet kon versterken.
En nu, gij denkt u te versterken tegen het koninkrijk des HEEREN, hetwelk in de hand is der zonen van David; gij zijt wel een grote menigte, maar gij hebt gouden kalveren bij u, die u Jeróbeam tot goden gemaakt heeft.
Hebt gij niet de priesteren des HEEREN, de zonen van Aäron, en de Levieten uitgedreven, en hebt u priesteren gemaakt, gelijk de volken der landen? Een iegelijk, die komt om zijn hand te vullen met een jong rund en zeven rammen, die wordt priester dergenen, die geen goden zijn.
10 Maar ons aangaande, de HEERE is onze God, en wij hebben Hem niet verlaten; en de priesters, die den HEERE dienen, zijn de zonen van Aäron, en de Levieten zijn in het werk.
11 En zij steken aan voor den HEERE brandofferen, op elken morgen en op elken avond, ook reukwerk van welriekende specerijen, nevens de toerichting des broods op de reine tafel, en den gouden kandelaar en zijn lampen, om die op elken avond te doen branden; want wij nemen waar de wacht des HEEREN, onzes Gods; maar gij hebt Hem verlaten.
12 Daarom ziet, God is met ons aan de spitse, en Zijn priesteren met de trompetten des geklanks, om tegen u alarmgeklank te maken; o kinderen Israëls, strijdt niet tegen den HEERE, den God uwer vaderen, want gij zult geen voorspoed hebben.
13 Maar Jeróbeam deed een achterlage omwenden, om van achter hen te komen; zo waren zij voor het aangezicht van Juda, en de achterlage was achter hen.
14 Toen nu Juda omzag, ziet, zo hadden zij den strijd voor en achter; en zij riepen tot den HEERE, en de priesters trompetten met de trompetten.
15 En de mannen van Juda maakten een alarmgeschrei; en het geschiedde, als de mannen van Juda een alarmgeschrei maakten, dat God Jeróbeam en het ganse Israël sloeg voor Abía en Juda.
16 En de kinderen Israëls vloden voor het aangezicht van Juda; en God gaf hen in hun hand.
17 Abía dan, en zijn volk, sloeg hen met een groten slag; want uit Israël vielen verslagen vijfhonderd duizend uitgelezen mannen.
18 Alzo werden de kinderen Israëls vernederd te dier tijd; maar de kinderen van Juda werden machtig, dewijl zij op den HEERE, hunner vaderen God, gesteund hadden.
19 En Abía jaagde Jeróbeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-El met haar onderhorige plaatsen, en Jesána met haar onderhorige plaatsen, en Efron met haar onderhorige plaatsen.
20 En Jeróbeam behield geen kracht meer in de dagen van Abía; maar de HEERE sloeg hem, dat hij stierf.
21 Zo versterkte zich Abía; en hij nam zich veertien vrouwen, en gewon twee en twintig zonen en zestien dochteren.
22 Het overige nu der geschiedenissen van Abía, zo zijn wegen als zijn woorden, zijn beschreven in de historie van den profeet Iddo.

2 Kronieken 21 (32 jaar oud en regeerde 8 jaren)

Twee en dertig jaar was Joram oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.


2 Kronieken 25 (25 jaar oud en regeerde 29 jaren)

Amázia koning van Juda
Amázia, vijf en twintig jaren oud zijnde, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jóaddan, van Jeruzalem.
Amázia door Israël geslagen
22 En Juda werd geslagen voor het aangezicht van Israël; en zij vluchtten een ieder in zijn tenten.
23 En Joas, de koning van Israël, greep Amázia, de koning van Juda, de zoon van Joas, de zoon van Jóahaz, te Beth-Sémes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak aan de muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.
24 Daartoe nam hij al het goud, en het zilver, en al de vaten, die in het huis Gods gevonden werden, bij Obed-Edom, en de schatten van het huis des konings, alsook gijzelaars, en hij keerde weer naar Samaria.
25 Amázia nu, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na de dood van Joas, de zoon van Jóahaz, de koning van Israël, vijftien jaren.
26 Het overige nu van de geschiedenissen van Amázia, de eerste en de laatste, ziet, zijn die niet geschreven in het boek der koningen van Juda en Israël?
Amázia gedood
27 Van de tijd nu af, dat Amázia afgeweken was van achter de HEERE, zo maakten zij in Jeruzalem een samenzwering tegen hem; doch hij vluchtte naar Lachis. Toen zonden zij achter hem aan tot Lachis, en doodden hem aldaar.
28 En zij brachten hem op paarden, en begroeven hem bij zijn vaderen in de stad van Juda.


2 Kronieken 26 (16 jaar oud en regeerde 52 jaren nr.7)

Uzzia koning van Juda
Toen nam het ganse volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amázia.
Dezelve bouwde Eloth, en bracht ze weder aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.
Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jechólia, van Jeruzalem.
Uzzia sterft
23 En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.


2 Kronieken 27 (25 jaar oud en regeerde 16 jaren nr.8)

Jotham koning van Juda
Jotham was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, een dochter van Zadok.
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij in den tempel des HEEREN niet ging; en het volk verdierf zich nog.
Dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN; hij bouwde ook veel aan den muur van Ofel.
Daartoe bouwde hij steden op het gebergte van Juda; en in de wouden bouwde hij burchten en torens.
Hij krijgde ook tegen den koning der kinderen Ammons, en had de overhand over hen, zodat de kinderen Ammons in datzelfde jaar hem gaven honderd talenten zilvers, en tien duizend kor tarwe, en tien duizend gerst; dit brachten hem de kinderen Ammons wederom, ook in het tweede en in het derde jaar.
Alzo versterkte zich Jotham; want hij richtte zijn wegen voor het aangezicht des HEEREN, zijns Gods.
Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al zijn krijgen, en zijn wegen, ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda.
Hij was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd; en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem.
En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.

2 Kronieken 28 (20 jaar oud en regeerde 16 jaren nr.9)

Achaz koning van Juda
Achaz was twintig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David;
27 En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven der koningen van Israël; en zijn zoon Jehizkía werd koning in zijn plaats.


2 Kronieken 29 (25 jaar oud en regeerde 29 jaren nr.10)

Hiskía, koning van Juda, herstelt den godsdienst
Jehizkía werd koning, vijf en twintig jaren oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Abía, een dochter van Zacharía.
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader David gedaan had.
Dezelve deed in het eerste jaar zijner regering, in de eerste maand, de deuren van het huis des HEEREN open, en beterde ze.

2 Kronieken 32

33 En Jehizkía ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven der zonen van David; daartoe deden gans Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijn dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.


2 Kronieken 33 (12 jaar oud en regeerde 55 jaren nr.11)

Manasse koning van Juda. Hij herstelt den afgodendienst en wordt door God gestraft
Manasse was twaalf jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem.
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had.

2 Kronieken 33 (22 jaar oud en regeerde 2 jaren nr.12)

De goddeloze Amon koning van Juda
21 Amon was twee en twintig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem.
22 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al den gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze.
23 Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEEREN, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld.
24 En zijn knechten maakten een verbintenis tegen hem, en doodden hem in zijn huis.
25 Maar het volk des lands sloeg hen allen, die de verbintenis tegen den koning Amon gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josía koning in zijn plaats.

 

2 Kronieken 34 (8 jaar oud en regeerde 31 jaren nr.13)

Josía, koning van Juda, roeit de afgoderij uit
Josía was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.

2 Kronieken 36 (23 jaar oud en regeerde 3 mnd nr.14)

Jóahaz koning van Juda
Toen nam het volk des lands Jóahaz, den zoon van Josía, en zij maakten hem koning, in zijns vaders plaats, te Jeruzalem.
Drie en twintig jaren was Jóahaz oud, als hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem.
Want de koning van Egypte zette hem af te Jeruzalem; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.
En de koning van Egypte maakte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jójakim; maar zijn broeder Jóahaz nam Necho, en bracht hem in Egypte.
Jójakim koning van Juda (25 jaar oud en regeerde 11 jaren nr.15)
Vijf en twintig jaren was Jójakim oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods.
Nebukadnézar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel.
Nebukadnézar bracht ook van de vaten van het huis des HEEREN naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel.
Het overige nu van de geschiedenissen van Jójakim, en zijn gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda; en Jójachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
Jójachin koning van Juda (8 jaar oud en regeerde 3 mnd en 10 dagen nr.16)
Acht jaren was Jójachin oud, als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.
10 En met de wederkomst des jaars zond de koning Nebukadnézar henen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis des HEEREN; en hij maakte zijn broeder Zedekía koning over Juda en Jeruzalem.
Zedekía koning van Juda (21 jaar oud en regeerde 11 jaren nr.17)
11 Eén en twintig jaren was Zedekía oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem.
12 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van den profeet Jeremía, sprekende uit den mond des HEEREN.
13 Daartoe werd hij ook afvallig tegen den koning Nebukadnézar, die hem beëdigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot den HEERE, den God Israëls.
14 Ook maakten alle oversten der priesteren, en het volk, der overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der heidenen; en zij verontreinigden het huis des HEEREN, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem.
15 En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.
16 Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.
Nebukadnézar verwoest Jeruzalem
17 Want Hij deed tegen hen opkomen den koning der Chaldeeën, die hun jongelingen met het zwaard in het huis huns heiligdoms doodde, en hij verschoonde de jongelingen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand.
18 En alle vaten van het huis Gods, de grote en de kleine, en de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten des konings en zijner vorsten, dit alles voerde hij naar Babel.
19 En zij verbrandden het huis Gods, en zij braken den muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten derzelve.
20 En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot het regeren des koninkrijks van Perzië;
21 Opdat het woord des HEEREN vervuld wierd, door den mond van Jeremía, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.
Kores geeft den Joden vrijheid naar hun land terug te keren
22 Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, door den mond van Jeremía, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
23 Zo zegt Kores, koning van Perzië: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is; wie is onder ulieden van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.

Jeremía 28

Ook zal Ik Jechónia, den zoon van Jójakim, koning van Juda, en allen, die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats wederbrengen, spreekt de HEERE; want Ik zal het juk des konings van Babel verbreken.

Jeremía 32

Jeremía koopt een akker ten teken van waarborg van Israëls herstel
Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, in het tiende jaar van Zedekía, koning van Juda; dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadrézar.
(Het heir nu des konings van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremía was besloten in het voorhof der bewaring, dat in het huis des konings van Juda is.
Want Zedekía, de koning van Juda, had hem besloten, zeggende: Waarom profeteert gij, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik geef deze stad in de hand des konings van Babel, en hij zal ze innemen;
En Zedekía, de koning van Juda, zal van de hand der Chaldeeën niet ontkomen; maar hij zal zekerlijk gegeven worden in de hand des konings van Babel, en zijn mond zal tot deszelfs mond spreken, en zijn ogen zullen deszelfs ogen zien;
En hij zal Zedekía naar Babel voeren, en aldaar zal hij zijn, totdat Ik hem bezoek, spreekt de HEERE; ofschoon gijlieden tegen de Chaldeeën strijdt, gij zult toch geen geluk hebben.)



Ezra 3

Aanvang van den herbouw des tempels
In  het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en Jésua, de zoon van Józadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis.
  10 Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israël.

Ezra 6 (2e Tempel)

12 De God nu, die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neder alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. Ik, Daríus, heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde.
13 Toen deden Thathnai, de landvoogd aan gene zijde der rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoediglijk alzo, naar hetgeen de koning Daríus gezonden had.
14 En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggaï en Zacharía, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God Israëls, en naar het bevel van Kores, en Daríus, en Arthahsasta, koning van Perzië.
15 En dit huis werd volbracht op den derden dag der maand Adar; datzelve was het zesde jaar van het koninkrijk van den koning Daríus.

Johannes 2

20 De Joden zeiden dan: Zes en veertig jaren is over dezen tempel gebouwd, en Gij, zult Gij dien in drie dagen oprichten?
21 Maar Hij zeide dit van den tempel Zijns lichaams.
  
Graf van Esther en Mordechai                                    Jechónia
 


Esther 2

Ahasvéros huwt de Jodin Esther
Na deze geschiedenissen, toen de grimmigheid van den koning Ahasvéros gestild was, gedacht hij aan Vasthi, en wat zij gedaan had, en wat over haar besloten was.
Toen zeiden de jongelingen des konings, die hem dienden: Men zoeke voor den koning jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht.
En de koning bestelle toezieners in al de landschappen zijns koninkrijks, dat zij vergaderen alle jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht, tot den burg Susan, tot het huis der vrouwen, onder de hand van Hegai, des konings kamerling, bewaarder der vrouwen; en men geve haar haar versierselen.
En de jonge dochter, die in des konings oog schoon wezen zal, worde koningin in stede van Vasthi. Deze zaak nu was goed in de ogen des konings, en hij deed alzo.
Er was een Joods man op den burg Susan, wiens naam was Mórdechai, een zoon van Jaïr, den zoon van Simeï, den zoon van Kis, een man van Jemini;
Die weggevoerd was van Jeruzalem met de weggevoerden, die weggevoerd waren met Jechónia, den koning van Juda, denwelken Nebukadnézar, de koning van Babel, had weggevoerd.
En hij was het, die opvoedde Hadássa (deze is Esther, de dochter zijns ooms); want zij had geen vader noch moeder; en zij was een jonge dochter, schoon van gedaante, en schoon van aangezicht; en als haar vader en haar moeder stierven, had Mórdechai ze zich tot een dochter aangenomen.
Het geschiedde nu, toen het woord des konings en zijn wet ruchtbaar was, en toen vele jonge dochters samenvergaderd werden op den burg Susan, onder de hand van Hegai, werd Esther ook genomen in des konings huis, onder de hand van Hegai, den bewaarder der vrouwen.
En die jonge dochter was schoon in zijn ogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij met haar versierselen en met haar delen haar te geven, en zeven aanzienlijke jonge dochters haar te geven uit het huis des konings; en hij verplaatste haar en haar jonge dochters naar het beste van het huis der vrouwen.
10 Esther had haar volk en haar maagschap niet te kennen gegeven; want Mórdechai had haar geboden, dat zij het niet zou te kennen geven.
11 Mórdechai nu wandelde allen dag voor het voorhof van het huis der vrouwen, om te vernemen naar den welstand van Esther, en wat met haar geschieden zou.
12 Als nu de beurt van elke jonge dochter naakte, om tot den koning Ahasvéros te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen geschied was; want alzo werden vervuld de dagen harer versieringen, zes maanden met mirre-olie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen der vrouwen;
13 Daarmede kwam dan de jonge dochter tot den koning; al wat zij zeide, werd haar gegeven, dat zij daarmede ging uit het huis der vrouwen tot het huis des konings.
14 Des avonds ging zij daarin, en des morgens ging zij weder naar het tweede huis der vrouwen, onder de hand van Sáäsgaz, den kamerling des konings, bewaarder der bijwijven, zij kwam niet weder tot den koning, ten ware de koning lust tot haar had, en zij bij name geroepen werd.
15 Als de beurt van Esther, de dochter van Abicháïl, den oom van Mórdechai, (die hij zich ter dochter genomen had) naakte, dat zij tot den koning komen zou, begeerde zij niet met al, dan wat Hegai, des konings kamerling, de bewaarder der vrouwen, zeide; en Esther verkreeg genade in de ogen van allen, die haar zagen.
16 Alzo werd Esther genomen tot den koning Ahasvéros, tot zijn koninklijk huis, in de tiende maand, welke is de maand Tebeth, in het zevende jaar zijns rijks.
17 En de koning beminde Esther boven alle vrouwen, en zij verkreeg genade en gunst voor zijn aangezicht, boven alle maagden; en hij zette de koninklijke kroon op haar hoofd, en hij maakte haar koningin in de plaats van Vasthi.
18 Toen maakte de koning een groten maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten, den maaltijd van Esther; en hij gaf den landschappen rust, en hij gaf geschenken naar des konings vermogen.
19 Toen ten anderen male maagden vergaderd werden, zo zat Mórdechai in de poort des konings.
20 Esther nu had haar maagschap en haar volk niet te kennen gegeven, gelijk als Mórdechai haar geboden had; want Esther deed het bevel van Mórdechai, gelijk als toen zij bij hem opgevoed werd.
Samenzwering tegen den koning door Mórdechai ontdekt
21 In die dagen, als Mórdechai in de poort des konings zat, werden Bigthan en Theres, twee kamerlingen des konings van de dorpelwachters, zeer toornig, en zij zochten de hand te slaan aan den koning Ahasvéros.
22 En deze zaak werd Mórdechai bekend gemaakt, en hij gaf ze de koningin Esther te kennen; en Esther zeide het den koning in Mórdechai’s naam.
23 Als men de zaak onderzocht, is het zo bevonden, en zij beiden werden aan een galg gehangen; en het werd in de kronieken geschreven voor het aangezicht des konings.
 

Nebukadnézar

 

Esther 3

Haman krijgt volmacht van den koning om de Joden uit te roeien
Na deze geschiedenissen maakte de koning Ahasvéros Haman groot, den zoon van Hammedátha, den Agagiet, en hij verhoogde hem, en hij zette zijn stoel boven al de vorsten, die bij hem waren.
En al de knechten des konings, die in de poort des konings waren, neigden en bogen zich neder voor Haman; want de koning had alzo van hem bevolen; maar Mórdechai neigde zich niet, en boog zich niet neder.
Toen zeiden de knechten des konings, die in de poort des konings waren, tot Mórdechai: Waarom overtreedt gij des konings gebod?
Het geschiedde nu, toen zij dit van dag tot dag tot hem zeiden, en hij naar hen niet hoorde, zo gaven zij het Haman te kennen, opdat zij zagen, of de woorden van Mórdechai bestaan zouden; want hij had hun te kennen gegeven, dat hij een Jood was.
Toen Haman zag, dat Mórdechai zich niet neigde, noch zich voor hem nederboog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid.
Doch hij verachtte in zijn ogen, dat hij aan Mórdechai alleen de hand zou slaan (want men had hem het volk van Mórdechai aangewezen); maar Haman zocht al de Joden, die in het ganse koninkrijk van Ahasvéros waren, namelijk het volk van Mórdechai, te verdelgen.
In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van den koning Ahasvéros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot de twaalfde maand toe; deze is de maand Adar.
Want Haman had tot den koning Ahasvéros gezegd: Er is één volk, verstrooid en verdeeld onder de volken in al de landschappen uws koninkrijks; en hun wetten zijn verscheiden van de wetten aller volken; ook doen zij des konings wetten niet; daarom is het den koning niet oorbaar hen te laten blijven.
Indien het den koning goeddunkt, laat er geschreven worden, dat men hen verdoe; zo zal ik tien duizend talenten zilvers opwegen in de handen dergenen, die het werk doen, om in des konings schatten te brengen.
10 Toen trok de koning zijn ring van zijn hand, en hij gaf hem aan Haman, den zoon van Hammedátha, den Agagiet, der Joden tegenpartijder.
11 En de koning zeide tot Haman: Dat zilver zij u geschonken, ook dat volk, om daarmede te doen, naar dat het goed is in uw ogen.
12 Toen werden de schrijvers des konings geroepen, in de eerste maand, op den dertienden dag derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Haman beval, aan de stadhouders des konings, en aan de landvoogden, die over elk landschap waren, en aan de vorsten van elk volk, elk landschap naar zijn schrift, en elk volk naar zijn spraak; er werd geschreven in den naam van den koning Ahasvéros, en het werd met des konings ring verzegeld.
13 De brieven nu werden gezonden door de hand der lopers tot al de landschappen des konings, dat men zou verdelgen, doden en verdoen al de Joden, van den jonge tot den oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op één dag, op den dertienden der twaalfde maand (deze is de maand Adar), en dat men hun buit zou roven.
14 De inhoud van het schrift was, dat er een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken, dat zij tegen denzelfden dag zouden gereed zijn.
15 De lopers gingen uit, voortgedrongen zijnde door het woord des konings, en de wet werd uitgegeven in den burg Susan. En de koning en Haman zaten en dronken, doch de stad Susan was verward.
 

 http://www.windowview.org/hmny/pgs/talmuds.30ce.html

Chronologie van de Perzische Periode

Perzische koning

Datering

Bijbelse correlatie

Griekse correlatie

Cyrus/Kores

539 - 530

Terugkeer van Zerubbabel en Jesua

 

Cambyses

530 - 522

Herbouw van tempel gestopt (Ezra 4)

 

Darius I

522 – 486

Haggaï en Zacharia profeteren (520) Tempel klaar (516)
(Ezra 5 & 6)

Grieken verslaan Perzen bij Marathon (490)

Xerxes

486 – 464

Verhaal van Esther  
(Esther 1-9)

Grieken verslaan Perzen bij Thermopylae (480) en Salamis (479) Herodotus (485-425)

Artaxerxes I

(Arthahsasta)

464 – 423

Terugkeer onder Ezra (458) 
(Ezra 7-10) Terugkeer onder Nehemia (445) (Neh 1-2) 
Profetie van Maleachi (433)

Gouden Eeuw (461–431)

Pericles (460–429)

Athene regeert

Darius II

423 – 404

 

400

Stille

Jaren

 

 

 

Peloponnesische oorlogen

Artaxerxes II

404 – 359

Socrates (470-399) Plato (428-348) Aristoteles (384-322)

Artaxerxes III

359 – 338

Filippus II van Macedonië verslaat Grieken bij Chaeronea  (338)

Arses

338 – 335

 

Darius III

335 – 331

Alexander de Grote werpt het Perzische Rijk omver

Alexander

336 – 323

Vestiging van het Griekse rijk

Bron:





Opgraving kan bestaan koning David bewijzen

Geschreven op 09 mei 2012 om 15:48 uur door Marleen de Roode


In Israël hebben archeologen een schat aan voorwerpen ontdekt die mogelijk bewijst dat koning David echt heeft bestaan.

Zo zijn er verschillende soorten potten gevonden, gereedschap van metaal en steen en vele kunst- en rituele voorwerpen van zo’n 3000 jaar oud. Hiertoe behoren ook drie grote kamers, die deel uitmaken van een groter complex. De architectuur komt nauw overeen met die van beschrijvingen in de Bijbel van een cultus in de tijd van koning David. “Ook geven ze ons een beeld van hoe de Tempel van Salomo eruit kan hebben gezien, omdat de kamers 30 tot 40 jaar voor de bouw van de tempel tot stand kwamen,” vertelt Yosef Garfinkel, één van de archeologen in een interview met Scientias.nl.
 

Khirbet Queiyafa
De vondst werd gedaan in Khirbet Qeiyafa, een oude stad op 30 kilometer afstand van Jeruzalem in de Elah-vallei. Vijf jaar geleden, in 2007, ontdekten archeologen de ruïnes van de stad, waarvan wordt gedacht dat het een grensstad uit de tijd van het koninkrijk Juda is. Sinds de ontdekking heeft er veel onderzoek plaatsgevonden, waarvan Yedioth Ahronoth nu de resultaten publiceert in een boek genaamd ‘Footsteps of King David in the Valley of Elah’. Volgens Garfinkel is het de eerste keer dat archeologen een stad vinden met daaromheen een stadsmuur uit de tijd van koning David. “Zelfs in Jeruzalem hebben we geen duidelijk voorbeeld van een stad uit die tijd.”
Bijbel
Volgens de Bijbelse traditie onderscheidde het volk van Israël zich van andere naties door een monotheistisch geloof te voeren en afbeeldingen van menselijke en dierlijke figuren te verbieden. De drie gevonden kamers, die werden gebruikt voor het uitvoeren van rituelen, tonen ook geen dergelijke figuren. Daarnaast maken de kamers deel uit van grotere complexen, dit maakt de ruimten anders dan die van de Filistijnse en Kanaänitische bevolking. Zij voerden hun rituelen uit in aparte gebouwen. De Bijbel beschrijft het gebruik van deze kamers in de tijd van koning David. In 2 Samuël 6 is namelijk te lezen hoe David de ark van God uit een woning in Kyriat Yearim haalde en deze naar Jeruzalem bracht. Daarnaast laat de vondst een zeer gedetailleerde architecturale stijl zien, die zich al rond de tijd van koning David had ontwikkeld. De constructie is typisch voor een koninklijke levensstijl en indiceert daarom de vestiging van een elite. De vondst versterkt de geloofwaardigheid van de Bijbel en de beschrijving van het paleis en de tempel van Salomo.


De twee gevonden schrijnen. Foto gemaakt door Yosef Garfinkel.

Schrijnen
Ook op de gevonden voorwerpen zijn geen afgebeelde mensen of dieren te zien. In totaal vonden de archeologen vijf rechtopstaande stenen, twee altaren, twee vazen en twee schrijnen; kistjes waar men kostbare spullen in opbergt. Het ene kistje is gemaakt van steen en het andere van aardewerk. De kistjes hebben de vorm van een tempel en konden gesloten worden door middel van een deur. Ook zijn zij prachtig versierd. Zo is de schrijn van aardewerk versierd met een gedetailleerde voorgevel, twee pilaren, een deur, een gordijn en drie vogels op het dak. Twee van de elementen, de twee pilaren (Yachin en Boaz) en het gordijn (Parochet) komen ook voor in de beschrijving van Salomo’s tempel. De stenen schrijn is gemaakt van kalksteen en rood geverfd. Het dak bevat een triglief: een met twee hele en twee halve verticale sleuven versierde stenen plaat als onderdeel van een Dorisch fries. Een element dat veel gezien wordt bij Griekse tempels, zoals het Parthenon in Athene. Bijzonder is dat de in steen gegraveerde triglief op het kistje het vroegst bekende voorbeeld is. Volgens Garfinkel een landmerk in de wereldarchitectuur. Een ander element op het stenen kistje is de driedubbele verschuifbare deur, een teken van vorstelijkheid en goddelijkheid in die tijd.

WIST U DAT…
…Khirbet Qeiyafa mogelijk het Bijbelse stadje Neta’Im was?

Bewijs
Sommige mensen geloven dat koning David een mythisch figuur was of slechts een leider van een kleine stam. Volgens Garfinkel is er nu bewijs om aan te tonen dat dit niet waar is. “Op de plek van Khirbet Queiyafa hebben wij door de jaren heen duizenden dierenbotten gevonden. Deze botten kwamen van schapen, geiten en rundvee, maar geen varkens. De voorwerpen die we hebben ontdekt, tonen ook geen menselijke of dierlijke figuren. Dit suggereert dat de bevolking van de oude stad geen varkensvlees at en ook een verbod naleefde voor het maken van gesneden beelden van mensen of dieren. Deze mensen bestudeerden dus een andere cultus dan bijvoorbeeld de Filistijnse en de Kanaänitische bevolking.”

Khirbet-Qeiyafa (Neta'Im) Foto: Yosef Garfinkel.

De vondst helpt onderzoekers ook Bijbelse termen beter te begrijpen zoals de beschrijvingen van Salomo’s paleis. In de tekst staat de term Slaot, waarvan men eerst dacht dat hier de pilaren mee werden bedoeld. Nu blijkt de term eigenlijk triglief te betekenen. Ook de betekenis van het woord Sequfim is nu bekend: een driedubbele verschuifbare deur. Garfinkel is blij met de ontdekking: “Het is de eerste keer in de geschiedenis dat wij werkelijk voorwerpen hebben uit de tijd van David, die gerelateerd kunnen worden aan teksten uit de Bijbel”. In de maanden juni en juli zal het team van archeologen verder graven in Khirbet Queiyafa.


Naam Regeringsjaar Periode Land Naam Regeringsjaar Periode Land
Obed






Isaï






Saul       David 7,6 + 33 40 Juda
Isbóseth 40 jr oud 1 2 Israel David  1  7,6  Juda
Jonatan     Israel
     
David
33 Israel



Salomo zn v David
40 Israel Salomo zn v David 
40 Juda




Rehábeam zn v Salomo 40 jr oud 1 17 Juda
Jeróbeam 20 21 Israel Asa jaar 3305 1
Juda
Nadab 1
2 Israel Asa 2
Juda
Báësa






Ela zn v Báësa 1 2 Israel Asa 26
Juda
Omri 1 6/12 Israel Asa 31
Juda
Achab zn v Omri 1 22 Israel Asa 38 41 Juda
Achab  4
Israel Jósafat zn v Asa 1
Juda
Aházia zn v Achab 1 2 Israel Jósafat 17 25 Juda
Joram zn v Achab 5
Israel Jehóram 1
Juda
Joram 12
Israel Aházia zn v Jehóram 1
Juda
Joas zn v Jóahaz 1 16 Israel Joas  37
Juda
Joas zn v Jóahaz 2
Israel Amázia zn v Joas (Juda) 1
Juda
Jeróbeam zn v Joas 1 41 Israel Amázia zn v Joas (Juda) 15+15 31 Juda
Jeróbeam 27
Israel Azária zn v Amázia 1
Juda
Zacharía zn v Jeróbeam 6 mnd 6 mnd Israel Azária/Uzzia/Ozias
(1 Kron 13:11, 2 kron 25:1)
38
Juda
Menáhem zn v Gadi 1 10 Israel Azária 39
Juda
Pekáhia zn v Menáhem 1 2 Israel Azária 50
Juda
Pekah zn v Remália 1 20 Israel Azária 52
Juda
Pekah zn v Remália 2
Israel Jotham zn v Uzzia 1 16 Juda
Hoséa zn v Ela 1



Juda  
        Achaz      
        Sedekia/Zedekia    11 Juda
koning Ahasvéros, Esther, Mórdechai, Haman


Jechónia zn v Jójakim (11 jaar)


Juda
Darius 62 jr zn van Ahasvéros/Artaxerxes       Kores      
Alexander van Macedonië, de zoon van Filippus    12   Zerubbábel, zn v Sealthiël     Juda
Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus 137* / 175 v.Chr.            

4 Asa
41
3305 Jeruzalem (Juda)
Noot (137*)
(1:10) het jaar 137 – Dit staat gelijk aan het jaar 175 v.Chr. Alle jaartallen in dit boek zijn gerekend vanaf de troonsbestijging van de Griekse vorst Seleukus I, najaar 312 v.Chr.


1 Kon 6:1
.

In het vierhonderdtachtigste (480) jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, in het vierde jaar van zijn regering, in de tweede maand van het jaar, de maand Ziw, begon Salomo met de bouw van de tempel.


2 Samuël 5 (30 jaar oud en regeerde 40 jaren nr.14)

David door alle stammen als koning erkend
Toen kwamen alle stammen van Israël tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij.
Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, waart gij Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft de HEERE tot u gezegd:Gij zult Mijn volk Israël weiden, en gij zult tot een voorganger zijn over Israël.
Alzo kwamen alle oudsten van Israël tot den koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David tot koning over Israël.
Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd.
Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over gans Israël en Juda.


Ruth 4:22. En Obed gewon Isaï; en Isaï gewon David.
2 Samuel 12:24. Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathséba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, wiens naam zij noemde Sálomo; en de HEERE (YHWH) had hem lief.
2 Sam 2:10. Veertig jaren was Isbóseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israël; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na.
2 Sam 2:11Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.
1 Kon 15:9.  In het twintigste jaar van Jeróbeam, den koning van Israël, werd Asa koning over Juda.
1 Kon 15:25Nadab nu, de zoon van Jeróbeam, werd koning over Israël, in het tweede jaar van Asa, den koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over Israël.
1 Kon 14:21. Rehábeam nu, de zoon van Sálomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehábeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die de HEERE verkoren had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Náäma, de Ammonietische.
1 Kon 16:8. In het zes en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Ela, de zoon van Báësa, koning over Israël, te Thirza, en regeerde twee jaren.
1 Kon 16:23. In het een en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Omri koning over Israël, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren.
1 Kon 16:29. En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël, in het acht en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël, te Samaria, twee en twintig jaren.
1 Kon 22:41. Jósafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, den koning van Israël.
1 Kon 22:52. Aházia, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het zeventiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, en regeerde twee jaren over Israël.
2 Kon 8:16. In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, toen Jósafat koning was van Juda, begon Jehóram, de zoon van Jósafat, den koning van Juda, te regeren.
2 Kron 20:31. Zo regeerde Jósafat over Juda; hij was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azúba, een dochter van Silhi.
2 Kon 8:25. In het twaalfde jaar van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, begon Aházia, de zoon van Jehóram, den koning van Juda, te regeren.
2 Kon 13:10. In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Jóahaz, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zestien jaren.
2 Kon 14:1. In het tweede jaar van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, werd Amázia koning, de zoon van Joas, den koning van Juda.
2 Kon 14:17. Amázia nu, de zoon van Joas, koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien jaren.
2 Kon 14:23. In het vijftiende jaar van Amázia, den zoon van Joas, den koning van Juda, werd te Samaria koning, Jeróbeam, de zoon van Joas, koning over Israël, en regeerde een en veertig jaren.
2 Kon 14:29. En Jeróbeam ontsliep met zijn vaderen, met de koningen van Israël; en zijn zoon Zacharía werd koning in zijn plaats.
2 Kon 15:1. In het zeven en twintigste jaar van Jeróbeam, den koning van Israël, werd koning Azária, de zoon van Amázia, den koning van Juda.
2 Kon 15:8. In het acht en dertigste jaar van Azária, den koning van Juda, regeerde Zacharía, de zoon van Jeróbeam, over Israël te Samaria, zes maanden.
2 Kon 15:17. In het negen en dertigste jaar van Azária, den koning van Juda, werd Menáhem, de zoon van Gadi, koning over Israël, en regeerde tien jaren te Samaria.
2 Kon 15:23. In het vijftigste jaar van Azária, den koning van Juda, werd Pekáhia, de zoon van Menáhem, koning over Israël, en regeerde twee jaren te Samaria.
2 Kon 15:27. In het twee en vijftigste jaar van Azária, den koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remália, koning over Israël, en regeerde twintig jaren te Samaria.
2 Kon 15:32. In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remália, den koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda.

2 Koningen 15

Azária koning van Juda
In het zeven en twintigste jaar van Jeróbeam, den koning van Israël, werd koning Azária, de zoon van Amázia, den koning van Juda.
Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jechólia, van Jeruzalem.
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amázia gedaan had.
Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.
En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.
Het overige nu der geschiedenissen van Azária, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
En Azária ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
Zacharía koning van Israël
In het acht en dertigste jaar (38) van Azária, den koning van Juda, regeerde Zacharía, de zoon van Jeróbeam, over Israël te Samaria, zes maanden.
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.
10 En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.
11 Het overige nu der geschiedenissen van Zacharía, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.
12 Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israël zitten; en het is alzo geschied.
Sallum koning van Israël
13 Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.
14 Want Menáhem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats.
15 Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.
16 Toen sloeg Menáhem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.
Menáhem koning van Israël
17 In het negen en dertigste jaar van Azária, den koning van Juda, werd Menáhem, de zoon van Gadi, koning over Israël, en regeerde tien jaren (10) te Samaria.
18 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.
19 Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, tegen het land; en Menáhem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.
20 Menáhem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrië weder, en bleef daar niet in het land.
21 Het overige nu der geschiedenissen van Menáhem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?
22 Daarna ontsliep Menáhem met zijn vaderen; en zijn zoon Pekáhia werd koning in zijn plaats.
Pekáhia koning van Israël
23 In het vijftigste jaar van Azária, den koning van Juda, werd Pekáhia, de zoon van Menáhem, koning over Israël, en regeerde twee jaren te Samaria.
24 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.
25 En Pekah, de zoon van Remália, zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis des konings, met Argob en met Arjé, en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileadieten; alzo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats.
26 Het overige nu der geschiedenissen van Pekáhia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.
Pekah koning van Israël
27 In het twee en vijftigste jaar (52) van Azária, den koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remália, koning over Israël, en regeerde twintig jaren (20) te Samaria.
28 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed.
29 In de dagen van Pekah, den koning van Israël, kwam Tiglath-Pilézer, de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel-Beth-Máächa, en Janóah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galiléa, het ganse land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrië.
30 En Hoséa, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remália, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.
31 Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël.
Jotham koning van Juda
32 In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remália, den koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda.
33 Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerûsa, de dochter van Zadok.
34 En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.
35 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN.
36 Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
37 In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrië, en Pekah, den zoon van Remália.
38 En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.

2 Kon 14,18
Het overige nu der geschiedenissen van Amázia, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

2 Kon 14,21
En het ganse volk van Juda nam Azária (die nu zestien jaren oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amázia.

2 Kon 14,23
In het vijftiende jaar van Amázia, den zoon van Joas, den koning van Juda, werd te Samaria koning, Jeróbeam, de zoon van Joas, koning over Israël, en regeerde een en veertig jaren.

2 Kon 15,1
In het zeven en twintigste jaar van Jeróbeam, den koning van Israël, werd koning Azária, de zoon van Amázia, den koning van Juda.

2 Kon 17:1. In het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hoséa, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria, en regeerde negen jaren.

2 Kon 17:21. Want Hij scheurde Israël van het huis van David af, en zij maakten Jeróbeam, den zoon van Nebat, koning; en Jeróbeam dreef Israël af van achter den HEERE, en hij deed ze een grote zonde zondigen.

2 Kon 18,1
Het geschiedde nu in het derde jaar van Hoséa, den zoon van Ela, den koning van Israël, dat Hizkía koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda.

2 Kon 18,9
Het geschiedde nu in het vierde jaar van den koning Hizkía (hetwelk was het zevende jaar van Hoséa, den zoon van Ela, den koning van Israël) dat Salmanéser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde.

2 Kon 18,10
En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkía; het was het negende jaar van Hoséa, den koning van Israël, als Samaria ingenomen werd.

2 Kon 18,11
En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden der Meden.

2 Kon 21,3
Want hij bouwde de hoogten weder op, die Hizkía, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze.

2 Kon 23,13
De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van den berg Mashith, die Sálomo, de koning van Israël, voor Astoreth, het verfoeisel der Sidoniërs, en voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, en voor Milchom, den gruwel der kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.

2 Kon 24,13
En hij bracht van daar uit al de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Sálomo, de koning van Israël, in den tempel des HEEREN gemaakt had, gelijk als de HEERE gesproken had.

1 Kron 5,17
Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, den koning van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, den koning van Israël.

1 Kron 11,2
Zelfs ook te voren, toen Saul nog koning was, hebt gij Israël uitgeleid en ingeleid; ook heeft de HEERE, uw God, tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israël weiden, en gij zult voorganger zijn van Mijn volk Israël.

1 Kron 11,3
Ook kwamen alle oudsten in Israël tot den koning naar Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David ten koning over Israël, naar het woord des HEEREN, door den dienst van Samuël.

1 Kron 12,38
Al deze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over gans Israël. En ook was al het overige van Israël één hart, om David tot koning te maken.

1 Kron 23:1. Toen nu David oud was en zat van dagen, maakte hij zijn zoon Sálomo tot koning over Israël.

2 Kron 6,3
Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de ganse gemeente van Israël; en de ganse gemeente van Israël stond.

2 Kron 8,11
Sálomo nu deed de dochter van Faraö opkomen uit de stad Davids, tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had; want hij zeide: Mijn vrouw zal in het huis van David, den koning van Israël, niet wonen, omdat de plaatsen heilig zijn, tot dewelke de ark des HEEREN gekomen is.

2 Kron 10,16
Toen het ganse volk Israël zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo antwoordde het volk den koning, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isaï; een ieder naar uw tenten, o Israël! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging het ganse Israël naar zijn tenten.

2 Kron 11,3
Zeg tot Rehábeam, den zoon van Sálomo, den koning van Juda, en tot het ganse Israël in Juda en Benjamin, zeggende:

2 Kron 12,6
Toen verootmoedigden zich de oversten van Israël en de koning, en zij zeiden: De HEERE is rechtvaardig.

2 Kron 12,13
Zo versterkte zich de koning Rehábeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehábeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die de HEERE uit alle stammen van Israël verkoren had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Náäma, een Ammonietische.

2 Kron 16,1
In het zes en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa, toog Báësa, de koning van Israël, op tegen Juda, en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda.

2 Kron 16,3
Er is een verbond tussen mij en tussen u, en tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u zilver en goud, ga heen, maak uw verbond te niet met Báësa, den koning van Israël, dat hij van tegen mij aftrekke.

2 Kron 16,4
En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israël, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-Maïm, en alle schatsteden van Nafthali.

2 Kron 18,3
Want Achab, de koning van Israël, zeide tot Jósafat, den koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zeide tot hem: Zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in dezen krijg.

2 Kron 18,4
Verder zeide Jósafat tot den koning van Israël: Vraag toch als heden naar het woord des HEEREN.

2 Kron 18,5
Toen vergaderde de koning van Israël de profeten, vierhonderd mannen, en hij zeide tot hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want God zal hen in de hand des konings geven.

2 Kron 18,7
Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Er is nog één man, om door hem den HEERE te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Jósafat zeide: de koning zegge niet alzo.

2 Kron 18,8
Toen riep de koning van Israël een kamerling, en hij zeide: Haal haastelijk Micha, den zoon van Jimla.

2 Kron 18,9
De koning van Israël nu en Jósafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, en zij zaten op het plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.

2 Kron 18,17
Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profeteren?

2 Kron 18,19
En de HEERE zeide: Wie zal Achab, den koning van Israël, overreden, dat hij optrekke, en valle te Ramoth in Gilead? Daarna zeide Hij: Deze zegt aldus, en die zegt alzo.

2 Kron 18,25
De koning van Israël nu zeide: Neemt Micha, en brengt hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des konings;

2 Kron 18,28
Alzo toog de koning van Israël, en Jósafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.

2 Kron 18,29
En de koning van Israël zeide tot Jósafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van Israël, en zij kwamen in den strijd.

2 Kron 18,30
De koning nu van Syrië had geboden aan de oversten der wagenen, die hij had, zeggende: Gijlieden zult niet strijden tegen kleinen noch groten, maar tegen den koning van Israël alleen.

2 Kron 18,31
Het geschiedde dan, als de oversten der wagenen Jósafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israël; en zij togen rondom hem, om te strijden; maar Jósafat riep, en de HEERE hielp hem, en God wendde hen van hem af.

2 Kron 18,32
Want het geschiedde, als de oversten der wagenen zagen, dat het de koning van Israël niet was, dat zij van achter hem afkeerden.

2 Kron 18,33
Toen spande een man den boog in zijn eenvoudigheid, en schoot den koning van Israël tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zeide hij tot den voerman: Keer uw hand en voer mij uit het leger, want ik ben verwond.

2 Kron 18,34
En de strijd nam op dien dag toe, en de koning van Israël deed zich met den wagen staande houden tegenover de Syriërs, tot den avond toe; en hij stierf ter tijd, als de zon onderging.

2 Kron 20,35
Doch na dezen vergezelschapte zich Jósafat, de koning van Juda, met Aházia, den koning van Israël; die handelde goddelooslijk in zijn doen.

2 Kron 21,2
En hij had broederen, Jósafats zonen, Azárja, en Jehíël, en Zechárja, en Azarjáhu, en Michaël, en Sefátja; deze allen waren zonen van Jósafat, den koning van Israël.

2 Kron 22,5
Hij wandelde ook in hun raad, en toog henen met Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, tot den strijd tegen Házaël, den koning van Syrië, bij Ramoth in Gilead; en de Syriërs sloegen Joram.

2 Kron 24,6
En de koning riep Jójada, het hoofd, en zeide tot hem: Waarom hebt gij geen onderzoek gedaan bij de Levieten, dat zij uit Juda en uit Jeruzalem inbrengen zouden de schatting van Mozes, den knecht des HEEREN, en van de gemeente van Israël, voor de tent der getuigenis?

2 Kron 25,7
Maar er kwam een man Gods tot hem, zeggende: O, koning! laat het heir van Israël met u niet gaan; want de HEERE is niet met Israël, met alle kinderen van Efraïm.

2 Kron 25,17
En Amázia, de koning van Juda, werd te rade, dat hij zond tot Joas, den zoon van Jóahaz, den zoon van Jehu, den koning van Israël, om te zeggen: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.

2 Kron 25,18
Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amázia, den koning van Juda, om te zeggen: De distel, die op den Libanon is, zond tot den ceder, die op den Libanon is, om te zeggen: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte des velds, dat op den Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel.

2 Kron 25,21
Zo toog Joas, de koning van Israël, op, en hij en Amázia, de koning van Juda, zagen elkanders aangezichten te Beth-Sémes, dat in Juda is.

2 Kron 25,23
En Joas, de koning van Israël, greep Amázia, den koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Jóahaz, te Beth-Sémes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.

2 Kron 25,25
Amázia nu, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien jaren.

2 Kron 28,27
En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven der koningen van Israël; en zijn zoon Jehizkía werd koning in zijn plaats.

2 Kron 29,27
En Hizkía beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang des HEEREN met de trompetten en met de instrumenten van David, den koning van Israël.

2 Kron 30,26
Zo was er grote blijdschap te Jeruzalem; want van de dagen van Sálomo, den zoon van David, den koning van Israël, was desgelijks in Jeruzalem niet geweest.

2 Kron 35,3
En hij zeide tot de Levieten, die gans Israël onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Sálomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israël;

2 Kron 35,4
En bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, den koning van Israël, en naar de beschrijving van zijn zoon Sálomo;

2 Kron 36,8
Het overige nu van de geschiedenissen van Jójakim, en zijn gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda; en Jójachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

Ezra 3
10 
Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israël.

Ezra 4
Maar Zerubbábel, en Jésua, en de overige hoofden der vaderen van Israël zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gijlieden en wij onzen God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het den HEERE, den God Israëls, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft.

Ezra 5
11 
En zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde, en bouwen het huis, dat vele jaren vóór dezen is gebouwd geweest; want een groot koning van Israël had het gebouwd en voltrokken.

Ezra 7
11 
Dit is nu het afschrift des briefs, dien de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde; den schriftgeleerde van de woorden der geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen over Israël:

Ezra 8
25 
En ik woog hun toe het zilver, en het goud, en de vaten, zijnde de offering van het huis onzes Gods die de koning en zijn raadsheren, en zijn vorsten, en gans Israël, die er gevonden werden, geofferd hadden;

Neh 13,26

Heeft niet Sálomo, de koning van Israël, daarin gezondigd, hoewel er onder vele heidenen geen koning was, gelijk hij, en hij zijn God lief was, en God hem ten koning over gans Israël gesteld had? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen.
228.
Spr 1,1

De spreuken van Sálomo, den zoon van David, den koning van Israël,
229.
Jes 7,1

Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van Uzzia, den koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remália, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.
230.
Jes 43,15

Ik ben de HEERE, uw Heilige; de Schepper van Israël, ulieder Koning.
231.
Jes 44,6

Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël, en zijn Verlosser, de HEERE der heirscharen: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God.
232.
Jer 3,6

Voorts zeide de HEERE tot mij, in de dagen van den koning Josía: Hebt gij gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging henen op allen hogen berg, en tot onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar.
233.
Jer 50,17

Israël is een verbijsterd lam, dat de leeuwen verjaagd hebben; de eerste, die hem heeft opgegeten, was de koning van Assur, en deze de laatste, Nebukadrézar, de koning van Babel, heeft hem de beenderen verbrijzeld.

Hos 1
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hoséa, den zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkía, koningen van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël.

Am 1
De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekóa, dewelke hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor de aardbeving.

Am 7
10 T
oen zond Amázia, de priester te Beth-El, tot Jeróbeam, den koning van Israël, zeggende: Amos heeft een verbintenis tegen u gemaakt, in het midden van het huis Israëls; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen.

2 Koningen 24

Nebukadnézar trekt tegen Juda op
In zijn dagen toog Nebukadnézar, de koning van Babel, op, en Jójakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem.
En de HEERE zond tegen hem de benden der Chaldeeën, en de benden der Syriërs, en de benden der Moabieten, en de benden der kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst Zijner knechten, de profeten.
Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des HEEREN tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had;
Als ook om het onschuldig bloed, dat hij vergoten had, zodat hij Jeruzalem met onschuldig bloed vervuld had; daarom wilde de HEERE niet vergeven.
Het overige nu der geschiedenissen van Jójakim, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
En Jójakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jójachin werd koning in zijn plaats.
De koning nu van Egypte toog voortaan niet meer uit zijn land; want de koning van Babel had, van de rivier van Egypte af tot aan de rivier Frath, ingenomen al wat van den koning van Egypte was.
Jójachin koning van Juda
Jójachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Nehústa, een dochter van Elnáthan, van Jeruzalem.
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader gedaan had.
10 Te dier tijd togen de knechten van Nebukadnézar, den koning van Babel, naar Jeruzalem; en de stad werd belegerd.
11 Zelfs kwam Nebukadnézar, de koning van Babel, tegen de stad, als zijn knechten die belegerden.
12 Toen ging Jójachin, de koning van Juda, uit tot den koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar zijner regering.
13 En hij bracht van daar uit al de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Sálomo, de koning van Israël, in den tempel des HEEREN gemaakt had, gelijk als de HEERE gesproken had.
14 En hij voerde gans Jeruzalem weg, mitsgaders al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangenen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk des lands.
15 Zo voerde hij Jójachin weg naar Babel, mitsgaders des konings moeder, en des konings vrouwen, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen des lands bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel;
16 En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog geoefend waren; dezen bracht de koning van Babel gevankelijk naar Babel.
17 En de koning van Babel maakte Mattánja, deszelfs oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekía.
Zedekía laatste koning van Juda
18 Zedekía was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamútal, een dochter van Jeremía, van Libna.
19 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat Jójakim gedaan had.
20 Want het geschiedde, om den toorn des HEEREN tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekía rebelleerde tegen den koning van Babel.

2 Koningen 25

Nebukadnézar verwoest Jeruzalem
En het geschiedde in het negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op den tienden der maand, dat Nebukadnézar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn ganse heir, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.
Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van den koning Zedekía.
Op den negenden der vierde maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk des lands geen brood had,
Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden des nachts door den weg der poort, tussen de twee muren, die aan des konings hof waren (de Chaldeeën nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door den weg des vlakken velds.
Doch het heir der Chaldeeën jaagde den koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jéricho, en al zijn heir werd van bij hem verstrooid.
Zij dan grepen den koning, en voerden hem opwaarts tot den koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem.
En zij slachtten de zonen van Zedekía voor zijn ogen, en men verblindde Zedekía’s ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
Daarna in de vijfde maand, op den zevenden der maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnézar, den koning van Babel) kwam Nebuzáradan, de overste der trawanten, de knecht des konings van Babel, te Jeruzalem.
En hij verbrandde het huis des HEEREN, en het huis des konings, mitsgaders alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen der groten verbrandde hij met vuur.
10 En het ganse heir de Chaldeeën, dat met den overste der trawanten was, brak de muren van Jeruzalem rondom af.
11 Het overige nu des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot den koning van Babel gevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzáradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg.
12 Maar van de armsten des lands liet de overste der trawanten enigen overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.
13 Verder braken de Chaldeeën de koperen pilaren, die in het huis des HEEREN waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis des HEEREN was; en zij voerden het koper daarvan naar Babel.
14 Zij namen ook de potten, en de schoffelen, en de gaffelen, en de rookschalen, en al de koperen vaten, daar men den dienst mede deed.
15 En de overste der trawanten nam weg de wierookvaten en de sprengbekkens, wat geheel goud en wat geheel zilver was.
16 De twee pilaren, de ene zee, en de stellingen, die Sálomo voor het huis des HEEREN gemaakt had; het koper van al deze vaten was zonder gewicht.
17 De hoogte van een pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte des kapiteels was drie ellen; en het net, en de granaatappelen op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en dezen gelijk had de andere pilaar, met het net.
18 Ook nam de overste der trawanten Serája, den hoofdpriester, en Zefanja, den tweeden priester, en de drie dorpelbewaarders.
19 En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en vijf mannen uit degenen, die des konings aangezicht zagen, die in de stad gevonden werden, mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands, die in de stad gevonden werden.
20 Als Nebuzáradan, de overste der trawanten, dezen genomen had, zo bracht hij hen tot den koning van Babel, naar Ribla.
21 En de koning van Babel sloeg hen, en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Alzo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd.
Gedália gedood
22 Maar aangaande het volk, dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnézar, de koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij Gedália, den zoon van Ahíkam, den zoon van Safan.
23 Toen nu al de oversten der heiren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedália tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedália naar Mizpa; namelijk, Ismaël, de zoon van Nethánja, en Jóhanan, de zoon van Karéah, en Serája, de zoon van Tanhúmeth, de Netofathiet, en Jaäzánja, de zoon van den Maächathiet, zij en hun mannen.
24 En Gedália zwoer hun en hun mannen, en zeide tot hen: Vreest niet van te zijn knechten der Chaldeeën, blijft in het land, en dient den koning van Babel, zo zal het u wel gaan.
25 Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethánja, den zoon van Elisáma, van koninklijk zaad, kwam, en tien mannen met hem; en zij sloegen Gedália, dat hij stierf; mitsgaders de Joden en de Chaldeeën, die met hem te Mizpa waren.
26 Toen maakte zich al het volk op, van de minste tot den meeste, en de oversten der heiren, en kwamen in Egypte; want zij vreesden voor de Chaldeeën.
27 Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar (37 jaar) der wegvoering van Jójachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op den zeven en twintigsten der maand, dat Evilmeródach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jójachin, den koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief.
28 En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven den stoel der koningen, die bij hem te Babel waren.
29 En hij veranderde de klederen zijner gevangenis, en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, al de dagen zijns levens.
30 En aangaande zijn tering, een gedurige tering werd hem van den koning gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijn dag, al de dagen zijns levens.

Ezra 6:14. En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggaï en Zacharía, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God Israëls, en naar het bevel van Kores, en Daríus, en Arthahsasta, koning van Perzië.
 

2 Kronieken 36

Josia’s zoon Joachaz werd door het volk in Jeruzalem als opvolger van zijn vader tot koning uitgeroepen.
De regering van Joachaz
Joachaz was drieëntwintig jaar oud toen hij koning werd. Drie maanden regeerde hij in Jeruzalem. Toen werd hij afgezet door de koning van Egypte, die het land een schatting oplegde van honderd talent zilver en één talent goud. De koning van Egypte stelde Joachaz’ broer Eljakim als koning van Juda en Jeruzalem aan en veranderde zijn naam in Jojakim. Joachaz zelf werd door Necho meegevoerd naar Egypte.
De regering van Jojakim
Jojakim was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, zijn God.
Koning Nebukadnessar van Babylonië trok tegen hem ten strijde, nam hem gevangen en voerde hem, geboeid met bronzen ketenen, mee naar Babel. Nebukadnessar nam ook voorwerpen uit de tempel van de HEER mee en gaf ze een plaats in zijn paleis in Babel. Verdere bijzonderheden over Jojakim, over zijn verfoeilijke praktijken en de andere dingen die hij heeft misdaan, zijn opgetekend in het boek over de koningen van Israël en Juda. Zijn zoon Jojachin volgde hem op.
De regering van Jojachin
Jojachin was acht jaar oud toen hij koning werd. Drie maanden en tien dagen regeerde hij in Jeruzalem. Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER.
10 Bij het aanbreken van het voorjaar liet koning Nebukadnessar hem en ook de kostbaarheden uit de tempel van de HEERnaar Babel brengen. Nebukadnessar stelde Jojachins broer Sedekia als koning van Juda en Jeruzalem aan.
De regering van Sedekia; de verwoesting van Jeruzalem
11 Sedekia was eenentwintig jaar oud toen hij koning werd. Elf jaar regeerde hij in Jeruzalem. 12 Hij deed wat slecht is in de ogen van de HEER, zijn God, en boog het hoofd niet voor Jeremia toen die hem in opdracht van de HEER waarschuwde. 13 Ook kwam hij in opstand tegen koning Nebukadnessar, die hem bij God trouw had laten zweren. Koppig en halsstarrig weigerde hij terug te keren naar de HEER, de God van Israël. 14 Ook de leiders van de priesters en het volk verzaakten voortdurend hun plichten, gaven zich over aan de verfoeilijke praktijken van andere volken en bezoedelden de tempel die de HEER in Jeruzalem geheiligd had.
15 De HEER, de God van hun voorouders, waarschuwde hen bij monde van zijn boden, die hij telkens opnieuw naar hen toe zond omdat hij zijn volk en zijn woning voor de ondergang wilde behoeden. 16 Maar zij lachten Gods boden uit, minachtten zijn woorden en dreven de spot met zijn profeten, totdat de toorn van de HEER tegen zijn volk zo hoog oplaaide dat niets hen meer kon helpen. 17 Toen stuurde hij de koning van de Chaldeeën op hen af, die hun uitgelezen mannen ombracht in hun heilige tempel. Niemand werd gespaard; jonge mannen en vrouwen, oude mensen en ook hoogbejaarden werden aan de koning uitgeleverd. 18 En alle voorwerpen uit de tempel van God, de grote zowel als de kleine, liet hij naar Babel overbrengen, evenals de schatten uit de tempel en de kostbaarheden van de koning en zijn raadsheren. 19 Ze staken de tempel van God in brand en haalden de stadsmuur van Jeruzalem neer. Ook alle paleizen werden in brand gestoken en gingen met kostbaarheden en al in vlammen op. 20 De mensen die aan het zwaard ontkomen waren, werden als ballingen naar Babylonië meegevoerd, waar ze de koning en zijn nakomelingen als slaven dienden totdat het rijk in handen viel van Perzië. 21 Zo ging in vervulling wat de HEER bij monde van Jeremia had voorzegd. Zeventig jaar bleef het land braak liggen en had het rust, totdat alle niet in acht genomen sabbatsjaren vergoed waren.
Opdracht tot herbouw van de tempel
22 In het eerste regeringsjaar van Cyrus, de koning van Perzië, ging in vervulling wat de HEER Jeremia had laten aankondigen. Hij zette de koning ertoe aan om in zijn hele koninkrijk mondeling en ook schriftelijk het volgende besluit bekend te laten maken:
23 ‘Dit zegt Cyrus, de koning van Perzië: Alle koninkrijken van de aarde heeft de HEER, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen om voor hem een tempel te bouwen in Jeruzalem, een stad in Juda. Laten al diegenen onder u die tot zijn volk behoren, zich verzekerd weten van de hulp van de HEER, hun God, en daarheen gaan.
 

2 Kronieken 36

Jóahaz koning van Juda
Toen nam het volk des lands Jóahaz, den zoon van Josía, en zij maakten hem koning, in zijns vaders plaats, te Jeruzalem.
Drie en twintig jaren was Jóahaz oud, als hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem.
Want de koning van Egypte zette hem af te Jeruzalem; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.
En de koning van Egypte maakte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jójakim; maar zijn broeder Jóahaz nam Necho, en bracht hem in Egypte.
Jójakim koning van Juda
Vijf en twintig jaren was Jójakim oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods.
Nebukadnézar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel.
Nebukadnézar bracht ook van de vaten van het huis des HEEREN naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel.
Het overige nu van de geschiedenissen van Jójakim, en zijn gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda; en Jójachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
Jójachin koning van Juda
Acht jaren was Jójachin oud, als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.
10 En met de wederkomst des jaars zond de koning Nebukadnézar henen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis des HEEREN; en hij maakte zijn broeder Zedekía koning over Juda en Jeruzalem.
Zedekía koning van Juda
11 Eén en twintig jaren was Zedekía oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem.
12 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van den profeet Jeremía, sprekende uit den mond des HEEREN.
13 Daartoe werd hij ook afvallig tegen den koning Nebukadnézar, die hem beëdigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot den HEERE, den God Israëls.
14 Ook maakten alle oversten der priesteren, en het volk, der overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der heidenen; en zij verontreinigden het huis des HEEREN, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem.
15 En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.
16 Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.
Nebukadnézar verwoest Jeruzalem (Tempelverwoesting)
17 Want Hij deed tegen hen opkomen den koning der Chaldeeën, die hun jongelingen met het zwaard in het huis huns heiligdoms doodde, en hij verschoonde de jongelingen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand.
18 En alle vaten van het huis Gods, de grote en de kleine, en de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten des konings en zijner vorsten, dit alles voerde hij naar Babel.
19 En zij verbrandden het huis Gods, en zij braken den muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten derzelve.
20 En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot het regeren des koninkrijks van Perzië;
21 Opdat het woord des HEEREN vervuld wierd, door den mond van Jeremía, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.
Kores geeft den Joden vrijheid naar hun land terug te keren
22 Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, door den mond van Jeremía, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:
23 Zo zegt Kores, koning van Perzië: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is; wie is onder ulieden van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.

Daniël 6

Daríus, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren (62 jaar) oud zijnde.
29 Deze Daniël nu had voorspoed in het koninkrijk van Daríus, en in het koninkrijk van Kores, den Perziaan.

Jeremía 29

10 
Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig (70) jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.


Jeremía 28

Voorts geschiedde het in hetzelfde jaar, in het begin des koninkrijks van Zedekía, koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat Hanánja, zoon van Azur, de profeet, die van Gíbeon was, tot mij sprak, in het huis des HEEREN, voor de ogen der priesteren en des gansen volks, zeggende:
Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, zeggende: Ik heb het juk des konings van Babel verbroken.
In nog twee volle jaren zal Ik tot deze plaats wederbrengen al de vaten van het huis des HEEREN, die Nebukadnézar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en dezelve naar Babel gebracht.
Ook zal Ik Jechónia, den zoon van Jójakim, koning van Juda, en allen, die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats wederbrengen, spreekt de HEERE; want Ik zal het juk des konings van Babel verbreken.

1 Kronieken 3

16 
De kinderen van Jójakim nu waren: Jechónia zijn zoon, Zedekía zijn zoon.

Jeremía 52

28 Dit is het volk, dat Nebukadrézar gevankelijk heeft weggevoerd; in het zevende jaar, drie duizend drie en twintig Joden;
29 In het achttiende jaar van Nebukadrézar, voerde hij gevankelijk weg achthonderd twee en dertig zielen uit Jeruzalem;
30 In het drie en twintigste jaar van Nebukadrézar voerde Nebuzáradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg van de Joden zevenhonderd vijf en veertig zielen. Alle zielen zijn vier duizend en zeshonderd.
31 Het geschiedde daarna, in het zeven en dertigste (37) jaar der gevankelijke wegvoering van Jójachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op den vijf en twintigsten der maand, dat Evilmeródach, de koning van Babel, in het eerste jaar zijns koninkrijks, het hoofd van Jójachin, den koning van Juda, verhief, en hem uit het gevangenhuis uitbracht.

Jeremía 32

Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, in het tiende jaar van Zedekía, koning van Juda; dit jaar was het achttiende (18) jaar van Nebukadrézar.


Daniël 9

In het eerste jaar van Daríus, de zoon van Ahasvéros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën;
In het eerste jaar van zijn regering, merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal der jaren, waarvan het woord des HEEREN tot de profeet Jeremía geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren (70) was.

Ezra 6

14 En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggaï en Zacharía, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God Israëls, en naar het bevel van Kores, en Daríus, en Arthahsasta, koning van Perzië.
15 En dit huis werd volbracht op den derden dag der maand Adar; datzelve was het zesde jaar van het koninkrijk van den koning Daríus.

Haggaï 1

In het tweede jaar van den koning Daríus, in de zesde maand, op den eersten dag der maand, geschiedde het woord des HEEREN, door den dienst van Haggaï, den profeet, tot Zerubbábel, den zoon van Sealthiël, den vorst van Juda, en tot Jósua, den zoon van Józadak, den hogepriester, zeggende:

Ezra 3

En Jésua, de zoon van Józadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbábel, de zoon van Sealthiël, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israël, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.

1 Makkabeeën 1

Alexander van Macedonië, de zoon van Filippus, was vanuit zijn land opgetrokken tegen Darius, de koning van de Perzen en de Meden. Hij versloeg hem en werd in zijn plaats koning; hij heerste toen al over Griekenland.
7 Twaalf (12) jaar had Alexander geregeerd toen hij stierf. Na zijn dood namen de bevelhebbers het bestuur over, ieder in hun eigen gebied,
 
waarna zij zichzelf tot koning kroonden. Hun bewind en dat van hun nakomelingen bracht nog lange tijd veel onheil op aarde.
10 Een van hun afstammelingen was de schurk Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus, die gijzelaar geweest was in Rome. Hij werd koning in het jaar 137 van de Griekse overheersing. 
 



Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen