Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Het mes snijd aan twee kanten
Het mes snijd aan twee kanten.

Het is handig als er een geautomatiseerd systeem is, maar men kan daar ook misbruik van maken. En er zijn grenzen.
Als men alles weet van een ander of denkt te weten omdat een derde zijn mening erin heeft verwerkt, maar niet de werkelijkheid van de persoon zelf.
En wij als individu vragen er niet om, om alles met iedereen te delen. Medicijnen verleden, voor een arts alleen, is niet nodig alleen maar als men ergens alergies voor is of vaste recepten heeft.
Maar nu wordt er zomaar in je dossier gekeken en je hele zogenaamde verleden staat erin verwerkt. Alles wordt erin verwerkt zonder dat jij er bewust van bent.
Ik ben onlangs van verzekering verwisseld, ik kom bij de apotheek en ik hoor "Oh, ik zie dat u onlangs van verzekering bent verwisseld". Ik heb niets laten aanpassen, dat heeft men (derden) voor mij gedaan zonder mijn tussenkomst.

 

Wat wordt er nog meer in "jou dossier" vermeld waar jij geen weet van hebt. Als men zegt dat jij geestelijke hulp nodig hebt want wij zien deze klachten hier in je dossier staan en dat moet waarheid zijn want een "zogenaamde" professional zijn mening "expertise" staat erin verwerkt. Het is een mens die een ander oordeeld, zonder daar het recht voor te hebben.
YHWH is de enige die dat recht heeft geen mens. Hun zogenaamde jaren lange ervaring en studie zegt niets als die persoon er geen verstand van heeft van een geestelijke wereld waarin wij als Christenen in zitten. Je leeft in twee werelden die niet met elkaar te vergelijken zijn. En een niet Christen kan en mag daar niet over oordelen.
Zelfs voor ons Christenen zit daarin gradaties en snapt men daardoor ook niet alles.


De NWO (Nieuwe Wereld Orde) is erop uit om iedereen als slaaf te gaan gebruiken en te onderdrukken en te doden.
En deze zogenaamde geautomatiseerde systemen werken eraan mee dat het voor hun wel zeer gemakkelijk is om dit te misbruiken.

Vroeger had men al slaven maar hoe is dat eigenlijk ontstaan. SATAN, FARAO afstammelingen van SATAN.
REUZEN, NEPHILIM. De strijd die Satan heeft met onze YHWH en met ons is nog steeds niet over/voorbij. Het is wel al gewonnen door Yeshua onze Messias, maar het is nog in volle gang.
Er werd tegen mij gezegd het is toch goed dat alles vergemakkelijkt wordt voor ons. Maar men ziet niet in dat dit een heel andere reden of doel heeft. Het doel van Satan is uiteindelijk om mensen tot slaaf te maken. Een geautomatiseerde slaaf.


Adam 130 130 Seth (Gelijkenis naar evenbeeld van Adam)
Seth 105 235 Enos
Enos 90 325 Kenan
Kenan 70 395 Mahalal-el
Mahalal-el 65 460 Jered
Jered 162 622 Henoch (Hij stierf niet, want God nam hem weg)
Henoch 65 687 Methúsalach
Methúsalach 187 874 Lamech
Lamech 182 1056 Noach
Noach (500,502 Sem,?) 502 1558 Cham, Jafeth, Sem (1558)
       
Vloed Noach 600 jaar oud 1656    
Sem (vloed 98/vader 100) 1658   Arfachsad


Naam Leeftijd Jaar Plaats
Sem 100 1658 Arfachsad
Arfachsad 35 1693 Selah
Selah 30 1723 Heber
Heber 34 1757 Peleg
Peleg 30 1787 Rehu
Rehu 32 1819 Serug
Serug 30 1849 Nahor
Nahor 29 1878 Terah
Terah (Strief op een leeftijd van 205) 2153 70 1948 Abram, Nahor, Haran
Abraham (Abram) (Stierf op een leeftijd van 175) 2123 (430) 100 2048 Izak (Israel)
Izak (Stierf op een leeftijd van 180) 2228 60  2108 Jakob
Jakob (Stierf op een leefijd van 147) (Israël) 12 stammen Hij is 17 jaar in Egypte tijdens zijn overlijden 130 2238 Egypte
Uittocht van de kinderen van Israël na 430 jaar in Egypte 430  2668 Uittocht
Tempel bouw na 480 jaar na de uittocht van de kinderen van Israël 480 3148 Tempelbouw (1e)

Mozus (Stierf op een leefijd van 120) Hij was 80 toen hij de Farao voor het eerst sprak met Aäron (83) 40 2708 Woestijn
Salomo lied de tempel bouwen in het 4e jaar van zijn regering in Israël 480 3148 Tempelbouw
Salomo 4 jaren al Koning over Israël en heeft 40 jaar geregeeerd over Israël 36 3184 Salomo
Rehábeam Hij was 41 jaar oud toen hij Koning werd over Jeruzalem
17
Rehábeam
Abía
    Abía
Asa

Jósafat
Jósafat (35 jaar oud toen hij Koning werd over Jeruzalem en regeerde 25 jaar) 25 3286


















  Naam Leeftijd Regering Overlijden Jaar Plaats

Mozus (Stierf op een leefijd van 120) Hij was 80 toen hij de Farao voor het eerst sprak met Aäron (83) 80 40 120 2768 Woestijn

Salomo lied de tempel bouwen in het 4e jaar van zijn regering in Israël (1 Kon 6:1) (480 jaar na de uittocht) 480

3208 Tempelbouw (1e)
1 Salomo 4 jaren al Koning over Israël en heeft 40 jaar geregeeerd over Israël (1 Kon 11:42) 36 40
3244 Jeruzalem (Juda)
2 Rehábeam/Róboam Hij was 41 jaar oud toen hij Koning werd over Jeruzalem
41 17 58 3261 Jeruzalem (Juda)
3 Abía(m)
  3
3264 Jeruzalem (Juda)
4 Asa
41
3305 Jeruzalem (Juda)
5 Jósafat  35 25 60 3330 Jeruzalem (Juda)
6 Joram (1 Kron 13:11, 2 Kon 8:16-17) 32 8 40 3338 Jeruzalem (Juda)
7 Aházia
1
3339
8 Athália (moeder van Aházia)
7
3346
9 Joas (42 jaar, de koning van Juda) 7 40
3386
10 Amazia
29
3415  
11

Uzzia/Azária/Ozias (1 Kron 13:11, 2 kron 25:1)

16 52 68 3467 Jeruzalem (Juda)
12 Joatham/Jotham (1 Kron 13:11, 2 kon 12:18, 16:1) 25 16 41 3483 Jeruzalem (Juda)
13 Achaz (2 kon 16:2) Jósafat, en Joram, en Aházia, 20 16 36 3499 Jeruzalem (Juda)
14 Ezekias/Jehizkia/Hiskia 25 29 54 3528 Jeruzalem (Juda)
15 Manasse (2 kon 21:1) 12 55 67 3533 Jeruzalem (Juda)
16 Amon 22 2 24 3585 Jeruzalem (Juda)
17 Josia 8 31 39 3616 Jeruzalem (Juda)
18 Jechonias/Jóahaz 23 3 mnd
3616 Jeruzalem (Juda)
19 Eljákim=Jójakim 25 11 36 3627 Jeruzalem (Juda)
20 Jóachin 18 3 mnd + 10 d   3627 Jeruzalem (Juda)
21 Zedekia (Broer van Jóachin) 21 11 32 3638

Nebukadnézar Koning van de Babyloniërs (70 jaar Sabbatten) (Jeremia 25)
70
3708
  Start Tempelbouw 2 jaar na aankomst vanuit Babel
2
3710 Kores/Darius

Kores Koning van Perzië (Alle koninkrijken der aarde) bouw tempel start 1e regeringsjaar van Kores tot het zesde regeringsjaar van Daríus. (6 jaar) (de bouw duurde 46 jaar)
46
 

3756 Tempelbouw (2e) 
   Alexander de Grote
  Alexander van Macedonië (de Grote) 33 jr Koning 12 jaar in Jeruzalem, de zoon van Filippus 23 jr Koning (332-305 BC=VC?)
12
3768 Antiochus Epifanes

Antiochus Epifanes: zoon van koning Antiochus. 
Hij werd koning in het jaar 137 van de Griekse overheersing. (137 = 175 v Chr) Overl 163 v Chr (jaar 149)
(Ptolemeüs Egypte 305-283 BC=VC?)

6/-175
3774 Tempel schending
  Filippus opvoeder van Antiochus=Eupator.          
  Koning Alexander Epifanes huwt Cleopatra dr v koning Ptolemeüs van Egypte (1 Makkabeeën 10)
(162 = 150 v Chr)
         
  In het jaar 167 kwam Demetrius aan de macht.
(1 Makk 11)
         
  Tot Yeshua (info Makkabeeën)   175
3943  
  Tot nu 2013 (Ik mis nog 44 jaar)   2013   5956  

Naam Leeftijd regering Overlijden Jaar Plaats
     


David (regering 7 jr en 6 mnd + 33 jaar Jeruzalem) 30 40 70
Jeruzalem
Sálomon in Jeruzalem geboren (ongeveer 33+40=73)
40

Jeruzalem
Asa
42

Juda
           
 

Naam Leeftijd regering Overlijden Jaar +508 Plaats
Salathiël/Sealthiël          
Zorobabel/Zerubbábel 30 40 70   Jeruzalem
Abiud   40     Jeruzalem
Eljakim 41 17 58    
Azor          
Sadok   42     Juda
Achim 35 25 60   Jeruzalem (Juda)
Elihud          
Eleazar          
Matthan          
Jakob          
Jozef          
Maria          
Yeshua       +2013  
 
 




430 2728 Uittocht
Mozus (Stierf op een leefijd van 120) Hij was 80 toen hij de Farao voor het eerst sprak met Aäron (83) 40 2768 Woestijn
Salomo lied de tempel bouwen in het 4e jaar van zijn regering in Israël 480 3208 Tempelbouw (1e)
Salomo 4 jaren al Koning over Israël en heeft 40 jaar geregeeerd over Israël 36 3244 Rehábeam
Rehábeam Hij was 41 jaar oud toen hij Koning werd over Jeruzalem
17 3261 Abía(m)
Abía(m)
3 3264 Asa
Asa 41 3305 Jósafat
Jósafat Hij was 35 jaar oud toen hij Koning werd van Juda 25 3330 Joram
Joram/Jejóram Hij was 32 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem 8 3338 Aházia
Aházia Hij was 22 jaar toen hij Koning werd van Jeruzalem 1 3339 Athália
Athália Zij heeft 6 jaar geregeerd (Ze heeft Aházia's zoon opgevoed tot hij 7 werd) 6 3345 Joas
Joas Hij was 7 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 40 jaar geregeerd 40 3385 Amázia
Amázia Hij was 25 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 29 jaar geregeerd 29 3414 Uzzia
Uzzia Hij was 16 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 52 jaar geregeerd 52 3466 Jotham
Jotham Hij was 25 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 16 jaar geregeerd 16 3482 Achaz
Achaz Hij was 20 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 16 jaar geregeerd 16 3498 Hizkía
Hizkía Hij was 25 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 29 jaar geregeerd 29 3527 Manasse
Manasse Hij was 12 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 55 jaar geregeerd 55 3582 Amon
Amon Hij was 22 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 2 jaren geregeerd 2 3584 Josía
Josía Hij was 8 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 30 jaar geregeerd 31 3616 Jójakim
Jóahaz 3 maanden      
Eljákim/Jójakim Hij was 25 jaar oud toen hij Koning werd van Jeruzalem en heeft 11 jaar geregeerd 11 3627 Jójachin
4e jaar van Jójakim (1e jaar van Nebukadrézar koning van Babel) Jójachin 3 maanden 10 dagen     Zedekia
Zedekía 11 3638
70 jaar ballingschap van de Joden 70 3708
Start Tempelbouw 2 jaar na aankomst vanuit Babel 2 3710 Kores/Darius
Kores Koning van Perzië (Alle koninkrijken der aarde) bouw tempel start 1e regeringsjaar van Kores tot het zesde regeringsjaar van Daríus. (6 jaar)
(de bouw duurde 46 jaar)
44 3754 Tempelbouw (2e) 
   Alexander de Grote
Alexander van Macedonië (de Grote) 33 jr Koning 12 jaar in Jeruzalem, de zoon van Filippus 23 jr Koning (332-305 BC=VC?) 12 3766 Antiochus Epifanes
Antiochus Epifanes (Ptolemeüs Egypte 305-283 BC=VC?) 6/-175 3771 Tempel schending
Tot Yeshua (info Makkabeeën) 175 3946
Van Yeshua tot nu 2013 2013 5959  
Ik mis nog 41 jaar 41    
       
Arthahsasta (457 BC) Hij was Koning van Perzie 32 jaar na Darius, (is nog niet zeker om te gebruiken als tijdlijn hij valt net voor Darius) Ezra is in het 7e jaar van deze Koning uit Babel gekomen. 32/7 3788/3763  
49+434=483 jaar 7e jaar van Arthahsasta 483   4246
  /27 AD
 
Alexander van Macedonië (de Grote) 33 jr Koning 12 jaar in Jeruzalem, de zoon van Filippus 23 jr Koning (332-305 BC=VC) 12 3768  
Antiochus Epifanes (Ptolemeüs Egypte 305-283 BC=VC) 137
-175
  145   -167 Tempel schending
In het jaar 162 (=-148) vertrok Ptolemeüs uit Egypte, samen met zijn dochter Cleopatra, en ging naar Ptolemaïs. 
58 Koning Alexander ontmoette hem daar, en Ptolemeüs gaf hem zijn dochter Cleopatra tot bruid.
In de herfst van 63 v.C. slaagde de Romeinse generaal Pompeius erin om Judea te veroveren. 
     
Ik mis nog 199 jaar  199

Ptolemaic Kingdom
2014 Dit jaar

 

http://www.hemels-brood.nl/Database%20publicaties/Artikelen/Perzische%20koningen%20en%20de%20Bijbel.htm#kor
http://www.home.zonnet.nl/gemeente.van.god/nieuwemaan.html


Naam Regeringsjaar Periode Land Naam Regeringsjaar Periode Land
Obed






Isaï






Saul       David 7,6 + 33 40 Juda
Isbóseth 40 jr oud 1 2 Israel David  1  7,6  Juda
Jonatan     Israel
     
David
33 Israel



Salomo zn v David
40 Israel Salomo zn v David 
40 Juda




Rehábeam zn v Salomo 40 jr oud 1 17 Juda
Jeróbeam 20 21 Israel Asa jaar 3305 1
Juda
Nadab 1
2 Israel Asa 2
Juda
Báësa






Ela zn v Báësa 1 2 Israel Asa 26
Juda
Omri 1 6/12 Israel Asa 31
Juda
Achab zn v Omri 1 22 Israel Asa 38 41 Juda
Achab  4
Israel Jósafat zn v Asa 1
Juda
Aházia zn v Achab 1 2 Israel Jósafat 17 25 Juda
Joram zn v Achab 5
Israel Jehóram 1
Juda
Joram 12
Israel Aházia zn v Jehóram 1
Juda
Joas zn v Jóahaz 1 16 Israel Joas  37
Juda
Joas zn v Jóahaz 2
Israel Amázia zn v Joas (Juda) 1
Juda
Jeróbeam zn v Joas 1 41 Israel Amázia zn v Joas (Juda) 15+15 31 Juda
Jeróbeam 27
Israel Azária zn v Amázia 1
Juda
Zacharía zn v Jeróbeam 6 mnd 6 mnd Israel Azária/Uzzia/Ozias 
(1 Kron 13:11, 2 kron 25:1)
38
Juda
Menáhem zn v Gadi 1 10 Israel Azária 39
Juda
Pekáhia zn v Menáhem 1 2 Israel Azária 50
Juda
Pekah zn v Remália 1 20 Israel Azária 52
Juda
Pekah zn v Remália 2
Israel Jotham zn v Uzzia 1 16 Juda
Hoséa zn v Ela 1



Juda  
        Achaz      
        Sedekia/Zedekia    11 Juda
koning Ahasvéros, Esther, Mórdechai, Haman


Jechónia zn v Jójakim 


Juda
Darius 62 jr zn van Ahasvéros       Kores      
Alexander van Macedonië, de zoon van Filippus    12   Zerubbábel, zn v Sealthiël     Juda
Antiochus Epifanes, de zoon van koning Antiochus 137* / 175 v.Chr.            

4 Asa   41   3305 Jeruzalem (Juda)

  • Salomon:


Mat 1,6
En Jessai gewon David, den koning; en David, de koning, gewon Sálomon bij degene, die Uria’s vrouw was geweest;

Mat 1,7
En Sálomon gewon Róboam, en Róboam gewon Abía, en Abía gewon Asa;


  • Róboam/Jeróbeam:

Mat 1,7
En Sálomon gewon Róboam, en Róboam gewon Abía, en Abía gewon Asa;

1 Kon 11,43
Daarna ontsliep Sálomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehábeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

1 Kon 12,1
En Rehábeam toog naar Sichem, want het ganse Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.

1 Kon 12,3
Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jeróbeam en de ganse gemeente van Israël kwamen en spraken tot Rehábeam, zeggende:

1 Kon 12,6
En de koning Rehábeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Sálomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?

1 Kon 12,12
Zo kwam Jeróbeam en het ganse volk tot Rehábeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.

1 Kon 12,17
Doch aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehábeam ook.

1 Kon 12,18
Toen zond de koning Rehábeam Adóram, die over de schatting was; en het ganse Israël stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehábeam verkloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.

1 Kon 12,21
Toen nu Rehábeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het ganse huis van Juda en den stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis Israëls te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehábeam, den zoon van Sálomo, bracht.

1 Kon 12,23
Zeg tot Rehábeam, den zoon van Sálomo, den koning van Juda, en tot het ganse huis van Juda en Benjamin, en het overige des volks, zeggende:

1 Kon 12,27
Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart dezes volks tot hun heer, tot Rehábeam, den koning van Juda, wederkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehábeam, den koning van Juda, wederkeren.

1 Kon 14,21
Rehábeam nu, de zoon van Sálomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehábeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die de HEERE verkoren had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Náäma, de Ammonietische.

1 Kon 14,25
Het geschiedde nu in het vijfde jaar van den koning Rehábeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem.

1 Kon 14,27
En de koning Rehábeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten, die de deur van het huis des konings bewaarden.

1 Kon 14,29
Het overige nu der geschiedenissen van Rehábeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

1 Kon 14,30
En er was krijg tussen Rehábeam en tussen Jeróbeam, al hun dagen.

1 Kon 14,31
En Rehábeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en de naam zijner moeder was Náäma, de Ammonietische; en zijn zoon Abíam regeerde in zijn plaats.

1 Kon 15,6
En er was krijg geweest tussen Rehábeam en tussen Jeróbeam, al de dagen zijns levens.

1 Kron 3,10
Sálomo’s zoon nu was Rehábeam; zijn zoon was Abía; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Jósafat;

2 Kron 9,31
En Sálomo ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad zijns vaders Davids; en zijn zoon Rehábeam werd koning in zijn plaats.

2 Kron 10,1
En Rehábeam toog naar Sichem; want het ganse Israël was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.

2 Kron 10,3
Want zij zonden henen, en lieten hem roepen; zo kwam Jeróbeam met het ganse Israël, en zij spraken tot Rehábeam, zeggende:

2 Kron 10,6
En de koning Rehábeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Sálomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?

2 Kron 10,12
Zo kwam Jeróbeam en al het volk tot Rehábeam, op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.

2 Kron 10,13
En de koning antwoordde hun hardelijk; want de koning Rehábeam verliet den raad der oudsten.

2 Kron 10,17
Doch aangaande de kinderen van Israël, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehábeam ook.

2 Kron 10,18
Toen zond de koning Rehábeam Hadóram, die over de schatting was; en de kinderen Israëls stenigden hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehábeam verkloekte zich, om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.

2 Kron 11,1
Toen nu Rehábeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het huis van Juda en Benjamin, eenhonderd en tachtig duizend, uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehábeam bracht.

2 Kron 11,3
Zeg tot Rehábeam, den zoon van Sálomo, den koning van Juda, en tot het ganse Israël in Juda en Benjamin, zeggende:

2 Kron 11,5
Rehábeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda.

2 Kron 11,17
Alzo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehábeam, den zoon van Sálomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in den weg van David, en Sálomo.

2 Kron 11,18
En Rehábeam nam zich, benevens Máhalath, de dochter van Jerimôth, den zoon van David, ter vrouwe Abiháïl, de dochter van Elíab, den zoon van Isaï,

2 Kron 11,21
En Rehábeam had Máächa, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn bijwijven; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijwijven; en hij gewon acht en twintig zonen en zestig dochteren.

2 Kron 11,22
En Rehábeam stelde Abía, den zoon van Máächa, tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijn broederen; want het was om hem koning te maken.

2 Kron 12,1
Het geschiedde nu, als Rehábeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet des HEEREN verliet, en gans Israël met hem.

2 Kron 12,2
Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van den koning Rehábeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen den HEERE),

2 Kron 12,5
Toen kwam Semája, de profeet, tot Rehábeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak.

2 Kron 12,10
En de koning Rehábeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten, die de deur van het huis des konings bewaarden.

2 Kron 12,13
Zo versterkte zich de koning Rehábeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehábeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die de HEERE uit alle stammen van Israël verkoren had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Náäma, een Ammonietische.

2 Kron 12,15
De geschiedenissen nu van Rehábeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semája, den profeet, en Iddo, den ziener, verhalende de geslachtsregisteren; daartoe de krijgen van Rehábeam en Jeróbeam in al hun dagen?

2 Kron 12,16
En Rehábeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids; en zijn zoon Abía werd koning in zijn plaats.

2 Kron 13,7
Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials, tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehábeam, den zoon van Sálomo, als Rehábeam jong was en teder van hart, dat hij zich tegen hen niet kon versterken.


  • Abia(m):

1 Kon 14,31
En Rehábeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en de naam zijner moeder was Náäma, de Ammonietische; en zijn zoon Abíam regeerde in zijn plaats.

1 Kon 15,1
In het achttiende jaar nu van den koning Jeróbeam, den zoon van Nebat, werd Abíam koning over Juda.

1 Kon 15,7
Het overige nu der geschiedenissen van Abíam, en alles, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? Er was ook krijg tussen Abíam en tussen Jeróbeam.

1 Kon 15,8
En Abíam ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

1 Sam 8,2
De naam van zijn eerstgeborenen zoon nu was Joël, en de naam van zijn tweeden was Abía; zij waren richters te Ber-séba.

1 Kon 14,1
Te dierzelfder tijd was Abía, de zoon van Jeróbeam, krank.

1 Kron 2,24
En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abía, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekóa.

1 Kron 3,10
Sálomo’s zoon nu was Rehábeam; zijn zoon was Abía; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Jósafat;

1 Kron 6,28
De zonen van Samuël nu waren dezen: zijn eerstgeborene was Vasni, daarna Abía.

1 Kron 24,10
Het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abía,

2 Kron 11,20
En na haar nam hij Máächa, de dochter van Absalom; deze baarde hem Abía, en Attai, en Ziza, en Selómith.

2 Kron 11,22
En Rehábeam stelde Abía, den zoon van Máächa, tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijn broederen; want het was om hem koning te maken.

2 Kron 12,16
En Rehábeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids; en zijn zoon Abía werd koning in zijn plaats.

2 Kron 13,1
In het achttiende jaar van den koning Jeróbeam, zo werd Abía koning over Juda.

2 Kron 13,2
Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Michája, de dochter van Uríël, van Gíbea; en er was krijg tussen Abía en tussen Jeróbeam.

2 Kron 13,3
En Abía bond den strijd aan met een heir van strijdbare helden, vierhonderd duizend uitgelezen mannen; en Jeróbeam stelde tegen hem de slagorde, met achthonderd duizend uitgelezen mannen, kloeke helden.

2 Kron 13,4
En Abía maakte zich op van boven den berg Zemaráïm, dewelke is in het gebergte van Efraïm; en hij zeide: Hoort mij toe, Jeróbeam, en gans Israël!

2 Kron 13,15
En de mannen van Juda maakten een alarmgeschrei; en het geschiedde, als de mannen van Juda een alarmgeschrei maakten, dat God Jeróbeam en het ganse Israël sloeg voor Abía en Juda.

2 Kron 13,17
Abía dan, en zijn volk, sloeg hen met een groten slag; want uit Israël vielen verslagen vijfhonderd duizend uitgelezen mannen.

2 Kron 13,19
En Abía jaagde Jeróbeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-El met haar onderhorige plaatsen, en Jesána met haar onderhorige plaatsen, en Efron met haar onderhorige plaatsen.

2 Kron 13,20
En Jeróbeam behield geen kracht meer in de dagen van Abía; maar de HEERE sloeg hem, dat hij stierf.

2 Kron 13,21
Zo versterkte zich Abía; en hij nam zich veertien vrouwen, en gewon twee en twintig zonen en zestien dochteren.

2 Kron 13,22
Het overige nu der geschiedenissen van Abía, zo zijn wegen als zijn woorden, zijn beschreven in de historie van den profeet Iddo.

2 Kron 14,1
Zo ontsliep Abía met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil.

2 Kron 29,1
Jehizkía werd koning, vijf en twintig jaren oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Abía, een dochter van Zacharía.

Neh 10,7
Mesullam, Abía, Mijámin,

Neh 12,4
Iddo, Ginnethoi, Abía,

Neh 12,17
Van Abía, Zichri; van Minjámin, van Moádja, Piltai;

Mat 1,7
En Sálomon gewon Róboam, en Róboam gewon Abía, en Abía gewon Asa;

Luk 1,5
In de dagen van Heródes, den koning van Judéa, was een zeker priester, met name Zacharías, van de dagorde van Abía; en zijn vrouw was uit de dochteren van Aäron, en haar naam Elizabet.


  • Asa:

1 Kon 15,8
En Abíam ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

1 Kon 15,9
In het twintigste jaar van Jeróbeam, den koning van Israël, werd Asa koning over Juda.

1 Kon 15,11
En Asa deed wat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David.

1 Kon 15,13
Ja, zelfs zijn moeder Máächa zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijken afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron.

1 Kon 15,14
De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa volkomen met den HEERE, al zijn dagen.

1 Kon 15,16
En er was krijg tussen Asa en tussen Báësa, den koning van Israël, al hun dagen.

1 Kon 15,17
Want Báësa, de koning van Israël, toog op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda.

1 Kon 15,18
Toen nam Asa al het zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings, en gaf ze in de hand zijner knechten; en de koning Asa zond ze tot Benhadad, den zoon van Tabrimmon, den zoon van Hézion, den koning van Syrië, die te Damaskus woonde, zeggende:

1 Kon 15,20
En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israël; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Máächa, en het ganse Cinnerôth, met het ganse land Nafthali.

1 Kon 15,22
Toen liet de koning Asa door gans Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmede Báësa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Geba-Benjamins, en Mizpa.

1 Kon 15,23
Het overige nu van alle geschiedenissen van Asa, en al zijn macht, en al wat hij gedaan heeft, en de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? Doch in den tijd zijns ouderdoms werd hij krank aan zijn voeten.

1 Kon 15,24
En Asa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven met zijn vaderen, in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Jósafat werd koning in zijn plaats.

1 Kon 15,25
Nadab nu, de zoon van Jeróbeam, werd koning over Israël, in het tweede jaar van Asa, den koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over Israël.

1 Kon 15,28
En Báësa doodde hem, in het derde jaar van Asa, den koning van Juda, en werd koning in zijn plaats.

1 Kon 15,32
En er was oorlog tussen Asa en tussen Báësa, den koning van Israël, al hun dagen.

1 Kon 15,33
In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Báësa, de zoon van Ahía, koning over gans Israël, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren.

1 Kon 16,8
In het zes en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Ela, de zoon van Báësa, koning over Israël, te Thirza, en regeerde twee jaren.

1 Kon 16,10
Zo kwam Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats.

1 Kon 16,15
In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gíbbethon, dat der Filistijnen is.

1 Kon 16,23
In het een en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Omri koning over Israël, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren.

1 Kon 16,29
En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël, in het acht en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël, te Samaria, twee en twintig jaren.

1 Kon 22,41
Jósafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, den koning van Israël.

1 Kon 22,43
En hij wandelde in al den weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende dat recht was in de ogen des HEEREN.

1 Kon 22,47
Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren.

1 Kron 3,10
Sálomo’s zoon nu was Rehábeam; zijn zoon was Abía; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Jósafat;

1 Kron 9,16
En Obadja, de zoon van Semája, den zoon van Galal, den zoon van Jedûthun; en Berechja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, woonachtig in de dorpen der Netofathieten.

2 Kron 14,1
Zo ontsliep Abía met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil.

2 Kron 14,2
En Asa deed dat goed en dat recht was in de ogen des HEEREN, zijns Gods.

2 Kron 14,8
Asa nu had een heir van driehonderd duizend uit Juda, rondas en spies dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en den boog spannende; al dezen waren kloeke helden.

2 Kron 14,10
Toen toog Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal Zefátha bij Marésa.

2 Kron 14,11
En Asa riep tot den HEERE, zijn God, en zeide: HEERE, het is niets bij U, te helpen hetzij den machtige, hetzij den krachteloze; help ons, o HEERE, onze God! Want wij steunen op U, en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o HEERE! Gij zijt onze God; laat den sterfelijken mens tegen U niets vermogen.

2 Kron 14,12
En de HEERE plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vloden.

2 Kron 14,13
Asa nu en het volk, dat met hem was, jaagden hen na tot Gerar toe; en zo velen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen hervatting was; want zij waren verbroken voor den HEERE en voor Zijn leger; en zij droegen zeer veel roofs daarvan.

2 Kron 15,2
En hij ging uit, Asa tegen, en hij zeide tot hem: Hoort mij, Asa, en gans Juda, en Benjamin! De HEERE is met ulieden, terwijl gij met Hem zijt; en zo gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo gij Hem verlaat, Hij zal u verlaten.

2 Kron 15,8
Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van den profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het ganse land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraïm genomen had, en vernieuwde het altaar des HEEREN, dat voor het voorhuis des HEEREN was.

2 Kron 15,10
En zij vergaderden zich te Jeruzalem, in de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa.

2 Kron 15,16
Aangaande ook Máächa, de moeder van den koning Asa, hij zette haar af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijken afgod uit, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron.

2 Kron 15,17
De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen.

2 Kron 15,19
En er was geen oorlog tot in het vijf en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa.

2 Kron 16,1
In het zes en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa, toog Báësa, de koning van Israël, op tegen Juda, en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda.

2 Kron 16,2
Toen bracht Asa het zilver en het goud voort, uit de schatten van het huis des HEEREN en van het huis des konings, en zond tot Benhadad, den koning van Syrië, die te Damaskus woonde, zeggende:

2 Kron 16,4
En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israël, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-Maïm, en alle schatsteden van Nafthali.

2 Kron 16,6
Toen nam de koning Asa gans Juda, en zij droegen weg de stenen van Rama, en het hout daarvan, waarmede Báësa gebouwd had; en hij bouwde daarmede Geba en Mizpa.

2 Kron 16,7
En in denzelfden tijd kwam de ziener Hanáni tot Asa, den koning van Juda, en hij zeide tot hem: Omdat gij gesteund hebt op den koning van Syrië, en niet gesteund hebt op den HEERE, uw God, daarom is het heir des konings van Syrië uit uw hand ontkomen.

2 Kron 16,10
Doch Asa werd toornig tegen den ziener, en leidde hem in het gevangenhuis; want hij was hierover tegen hem ontsteld; daartoe onderdrukte Asa enigen uit het volk ter zelfder tijd.

2 Kron 16,11
En ziet, de geschiedenissen van Asa, de eerste met de laatste, ziet, zij zijn beschreven in het boek der koningen van Juda en Israël.

2 Kron 16,12
Asa nu werd, in het negen en dertigste jaar van zijn koninkrijk, krank aan zijn voeten; tot op het hoogste toe was zijn krankheid; daartoe ook zocht hij den HEERE niet in zijn krankheid, maar de medicijnmeesters.

2 Kron 16,13
Alzo ontsliep Asa met zijn vaderen; en hij stierf in het een en veertigste jaar zijner regering.

2 Kron 17,2
En hij legde krijgsvolk in alle vaste steden van Juda, en legde bezettingen in het land van Juda, en in de steden van Efraïm, die zijn vader Asa ingenomen had.

2 Kron 20,32
En hij wandelde in den weg van zijn vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de ogen des HEEREN.

2 Kron 21,12
Zo kwam een schrift tot hem van den profeet Elía, zeggende: Alzo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Omdat gij in de wegen van uw vader Jósafat, en in de wegen van Asa, den koning van Juda, niet gewandeld hebt;

Jer 41,9
De kuil nu, waarin Ismaël al de dode lichamen der mannen, die hij aan de zijde van Gedália geslagen had, henenwierp, is dezelfde, dien de koning Asa maakte vanwege Báësa, den koning Israëls; dezen vulde Ismaël, de zoon van Nethánja, met de verslagenen.

Mat 1,7
En Sálomon gewon Róboam, en Róboam gewon Abía, en Abía gewon Asa;

Mat 1,8
En Asa gewon Jósafat, en Jósafat gewon Joram, en Joram gewon Ozías;



  • Josafat:

2 Sam 8,16
Joab nu, de zoon van Zerúja, was over het heir; en Jósafat, zoon van Achílud, was kanselier.

2 Sam 20,24
En Adóram was over de schatting; en Jósafat, de zoon van Ahílud, was kanselier;

1 Kon 4,3
Elihóref, en Ahía, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Jósafat, de zoon van Ahílud, was kanselier.

1 Kon 15,24
En Asa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven met zijn vaderen, in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Jósafat werd koning in zijn plaats.

1 Kon 22,2
Maar het geschiedde in het derde jaar, als Jósafat, de koning van Juda, tot den koning van Israël afgekomen was,

1 Kon 22,4
Daarna zeide hij tot Jósafat: Zult gij met mij trekken in den strijd naar Ramoth in Gilead? En Jósafat zeide tot den koning van Israël: Zo zal ik zijn gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.

1 Kon 22,5
Verder zeide Jósafat tot den koning van Israël: Vraag toch als heden naar het woord des HEEREN.

1 Kon 22,7
Maar Jósafat zeide: Is hier niet nog een profeet des HEEREN, dat wij het van hem vragen mochten?

1 Kon 22,8
Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Er is nog één man, om door hem den HEERE te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Jósafat zeide: De koning zegge niet alzo!

1 Kon 22,10
De koning van Israël nu, en Jósafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, op het plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.

1 Kon 22,18
Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaads profeteren?

1 Kon 22,29
Alzo toog de koning van Israël en Jósafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.

1 Kon 22,30
En de koning van Israël zeide tot Jósafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van Israël, en kwam in den strijd.

1 Kon 22,32
Het geschiedde dan, als de oversten der wagenen Jósafat zagen, dat zij zeiden: Gewisselijk, die is de koning van Israël, en zij keerden zich naar hem, om te strijden; maar Jósafat riep uit.

1 Kon 22,41
Jósafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, den koning van Israël.

1 Kon 22,42
Jósafat was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azúba, de dochter van Silchi.

1 Kon 22,45
En Jósafat maakte vrede met den koning van Israël.

1 Kon 22,46
Het overige nu der geschiedenissen van Jósafat, en zijn macht, die hij bewezen heeft, en hoe hij geoorloogd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

1 Kon 22,49
En Jósafat maakte schepen van Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-Geber.

1 Kon 22,50
Toen zeide Aházia, de zoon van Achab, tot Jósafat: Laat mijn knechten met uw knechten op de schepen varen; maar Jósafat wilde niet.

1 Kon 22,51
En Jósafat ontsliep met zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.

1 Kon 22,52
Aházia, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het zeventiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, en regeerde twee jaren over Israël.

2 Kon 1,17
Alzo stierf hij, naar het woord des HEEREN, dat Elía gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, den zoon van Jósafat, den koning van Juda; want hij had geen zoon.

2 Kon 3,1
Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het achttiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren.

2 Kon 3,7
En hij ging heen, en zond tot Jósafat, den koning van Juda, zeggende: De koning der Moabieten is van mij afgevallen, zult gij met mij trekken in den oorlog tegen de Moabieten? En hij zeide: Ik zal opkomen; zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.

2 Kon 3,11
En Jósafat zeide: Is hier geen profeet des HEEREN, dat wij door hem den HEERE mochten vragen? Toen antwoordde een van de knechten des konings van Israël, en zeide: Hier is Elísa, de zoon van Safat, die water op Elía’s handen goot.

2 Kon 3,12
En Jósafat zeide: Des HEEREN woord is bij hem. Zo togen tot hem af de koning van Israël, en Jósafat, en de koning van Edom.

2 Kon 3,14
En Elísa zeide: Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, zo ik niet het aangezicht van Jósafat, den koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien!

2 Kon 8,16
In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, toen Jósafat koning was van Juda, begon Jehóram, de zoon van Jósafat, den koning van Juda, te regeren.

2 Kon 9,2
Als gij daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van Jósafat, den zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden zijner broederen, en breng hem in een binnenste kamer.

2 Kon 9,14
Alzo maakte Jehu, de zoon van Jósafat, den zoon van Nimsi, een verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en gans Israël, uit oorzake van Házaël, den koning van Syrië;

2 Kon 12,18
Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Jósafat, en Joram, en Aházia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis des HEEREN, en van het huis des konings, en zond het tot Házaël, den koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.

1 Kron 3,10
Sálomo’s zoon nu was Rehábeam; zijn zoon was Abía; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Jósafat;

1 Kron 11,43
Hanan, de zoon van Máächa, en Jósafat, de Mithniet;

1 Kron 15,24
En Sebánja, en Jósafat, en Nethánaël, en Amásai, en Zechárja, en Benája, en Eliëzer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark Gods; en Obed-Edom en Jehía waren poortiers der ark.

1 Kron 18,15
Joab nu, de zoon van Zerúja, was over het heir; en Jósafat, de zoon van Ahílud, was kanselier;

2 Kron 17,1
En zijn zoon Jósafat werd koning in zijn plaats, en hij sterkte zich tegen Israël.

2 Kron 17,3
En de HEERE was met Jósafat; want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de Baäls niet.

2 Kron 17,5
En de HEERE bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en gans Juda gaf Jósafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte.

2 Kron 17,10
En een verschrikking des HEEREN werd over alle koninkrijken der landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Jósafat.

2 Kron 17,11

En van de Filistijnen brachten zij Jósafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken.

2 Kron 17,12
Alzo nam Jósafat toe, en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en schatsteden.

2 Kron 18,1
Jósafat nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab.

2 Kron 18,3
Want Achab, de koning van Israël, zeide tot Jósafat, den koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zeide tot hem: Zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in dezen krijg.

2 Kron 18,4
Verder zeide Jósafat tot den koning van Israël: Vraag toch als heden naar het woord des HEEREN.

2 Kron 18,6
Maar Jósafat zeide: Is hier niet nog een profeet des HEEREN, dat wij van hem vragen mochten?

2 Kron 18,7
Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Er is nog één man, om door hem den HEERE te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Jósafat zeide: de koning zegge niet alzo.

2 Kron 18,9
De koning van Israël nu en Jósafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, en zij zaten op het plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.

2 Kron 18,17
Toen zeide de koning van Israël tot Jósafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds, maar kwaad profeteren?

2 Kron 18,28
Alzo toog de koning van Israël, en Jósafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.

2 Kron 18,29
En de koning van Israël zeide tot Jósafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van Israël, en zij kwamen in den strijd.

2 Kron 18,31
Het geschiedde dan, als de oversten der wagenen Jósafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israël; en zij togen rondom hem, om te strijden; maar Jósafat riep, en de HEERE hielp hem, en God wendde hen van hem af.

2 Kron 19,1
En Jósafat, de koning van Juda, keerde met vrede weder naar zijn huis te Jeruzalem.

2 Kron 19,2
En Jehu, de zoon van Hanáni, de ziener, ging uit, hem tegen, en zeide tot den koning Jósafat: Zoudt gij den goddeloze helpen, en die den HEERE haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des HEEREN grote toornigheid.

2 Kron 19,4
Jósafat nu woonde te Jeruzalem; en hij toog wederom uit door het volk, van Ber-séba af tot het gebergte van Efraïm toe, en deed hen wederkeren tot den HEERE, hunner vaderen God.
56.
2 Kron 19,8

Daartoe stelde Jósafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesteren, en van de hoofden der vaderen van Israël, over het gericht des HEEREN, en over rechtsgeschillen, als zij weder te Jeruzalem gekomen waren.

2 Kron 20,1
Het geschiedde nu na dezen, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en met hen anderen benevens de Ammonieten, kwamen tegen Jósafat ten strijde.

2 Kron 20,2
Toen kwamen er, die Jósafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde der zee, uit Syrië, en zie, zij zijn te Házezon-Thamar, hetwelk is Engedi.

2 Kron 20,3
Jósafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht, om den HEERE te zoeken; en hij riep een vasten uit in gans Juda.

2 Kron 20,5
En Jósafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis des HEEREN, voor het nieuwe voorhof.

2 Kron 20,15
En hij zeide: Merkt op, geheel Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem, en gij, koning Jósafat! Alzo zegt de HEERE tot ulieden: Vreest gijlieden niet, en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte; want de strijd is niet uwe, maar Gods.

2 Kron 20,18
Toen neigde zich Jósafat met het aangezicht ter aarde; en gans Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor het aangezicht des HEEREN, aanbiddende den HEERE.

2 Kron 20,20
En zij maakten zich des morgens vroeg op, en togen uit naar de woestijn van Thekóa; en als zij uittogen, stond Jósafat en zeide: Hoort mij, o Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem! Gelooft in den HEERE, uw God, zo zult gij bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten, en gij zult voorspoedig zijn.

2 Kron 20,25
Jósafat nu en zijn volk kwamen, om hun buit te roven, en zij vonden bij hen in menigte, zowel have en dode lichamen, als kostelijk gereedschap, en namen voor zich weg, totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden den buit drie dagen, want dies was veel.

2 Kron 20,27
Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weder, en Jósafat in de voorspitse van hen, om wederom met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want de HEERE had hen verblijd over hun vijanden.

2 Kron 20,30
Alzo was het koninkrijk van Jósafat stil; en zijn God gaf hem rust rondom henen.

2 Kron 20,31
Zo regeerde Jósafat over Juda; hij was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azúba, een dochter van Silhi.

2 Kron 20,34
Het overige nu der geschiedenissen van Jósafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu, den zoon van Hanáni, die men hem optekenen deed in het boek der koningen van Israël.

2 Kron 20,35
Doch na dezen vergezelschapte zich Jósafat, de koning van Juda, met Aházia, den koning van Israël; die handelde goddelooslijk in zijn doen.

2 Kron 20,37
Maar Eliëzer, de zoon van Dódava, van Marésa, profeteerde tegen Jósafat, zeggende: Omdat gij u met Aházia vergezelschapt hebt, heeft de HEERE uw werken verscheurd. Alzo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan.

2 Kron 21,1
Daarna ontsliep Jósafat met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.

2 Kron 21,2
En hij had broederen, Jósafats zonen, Azárja, en Jehíël, en Zechárja, en Azarjáhu, en Michaël, en Sefátja; deze allen waren zonen van Jósafat, den koning van Israël.

2 Kron 21,12
Zo kwam een schrift tot hem van den profeet Elía, zeggende: Alzo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Omdat gij in de wegen van uw vader Jósafat, en in de wegen van Asa, den koning van Juda, niet gewandeld hebt;

2 Kron 22,9
Daarna zocht hij Aházia, en zij kregen hem (want hij was verstoken in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Jósafat, die den HEERE met zijn ganse hart gezocht heeft. Zo had het huis van Aházia niemand, die kracht behield tot het koninkrijk.

Jl 3,2
Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Jósafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;

Jl 3,12
De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Jósafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.

Mat 1,8
En Asa gewon Jósafat, en Jósafat gewon Joram, en Joram gewon Ozías;




  • Joram/Jehóram:

2 Kon 8,16
In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, toen Jósafat koning was van Juda, begon Jehóram, de zoon van Jósafat, den koning van Juda, te regeren.

2 Kon 8,25
In het twaalfde jaar van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, begon Aházia, de zoon van Jehóram, den koning van Juda, te regeren.

2 Kon 8,29
Toen keerde Joram, de koning wederom, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Házaël, den koning van Syrië; en Aházia, de zoon van Jehóram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was krank.

2 Kon 8,16
In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, toen Jósafat koning was van Juda, begon Jehóram, de zoon van Jósafat, den koning van Juda, te regeren.

2 Kon 8,25
In het twaalfde jaar van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, begon Aházia, de zoon van Jehóram, den koning van Juda, te regeren.

2 Kon 8,29
Toen keerde Joram, de koning wederom, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Házaël, den koning van Syrië; en Aházia, de zoon van Jehóram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was krank.

2 Sam 8,10
Zo zond Thoï zijn zoon Joram tot den koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ézer gekrijgd en hem geslagen had (want Hadad-ézer voerde steeds krijg tegen Thoï); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;

1 Kon 22,51
En Jósafat ontsliep met zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.

2 Kon 1,17
Alzo stierf hij, naar het woord des HEEREN, dat Elía gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, den zoon van Jósafat, den koning van Juda; want hij had geen zoon.

2 Kon 3,1
Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het achttiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren.

2 Kon 3,6
Zo toog de koning Joram ter zelfder tijd uit Samaria, en monsterde gans Israël.

2 Kon 8,16
In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, toen Jósafat koning was van Juda, begon Jehóram, de zoon van Jósafat, den koning van Juda, te regeren.

2 Kon 8,21
Daarom toog Joram over naar Zaïr, en al de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten der wagenen; en het volk vlood in zijn hutten.

2 Kon 8,23
Het overige nu der geschiedenissen van Joram, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

2 Kon 8,24
En Joram ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad Davids; en Aházia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

2 Kon 8,25
In het twaalfde jaar van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, begon Aházia, de zoon van Jehóram, den koning van Juda, te regeren.

2 Kon 8,28
En hij toog met Joram, den zoon van Achab, naar den strijd, te Ramoth in Gilead, tegen Házaël, den koning van Syrië; en de Syriërs sloegen Joram.

2 Kon 8,29
Toen keerde Joram, de koning wederom, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Házaël, den koning van Syrië; en Aházia, de zoon van Jehóram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was krank.

2 Kon 9,14
Alzo maakte Jehu, de zoon van Jósafat, den zoon van Nimsi, een verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en gans Israël, uit oorzake van Házaël, den koning van Syrië;

2 Kon 9,15
Maar de koning Joram was wedergekeerd, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Házaël, den koning van Syrië.) En Jehu zeide: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen.

2 Kon 9,16
Toen reed Jehu, en toog naar Jizreël; want Joram lag aldaar; en Aházia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bezien.

2 Kon 9,17
De wachter nu stond op den toren te Jizreël, en zag den hoop van Jehu, als hij aankwam, en zeide: Ik zie een hoop. Toen zeide Joram: Neem een ruiter, en zend dien hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede?

2 Kon 9,21
Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo toog Joram, de koning van Israël, uit, en Aházia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij togen uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, den Jizreëliet.

2 Kon 9,22
Het geschiedde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zeide: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zeide: Wat vrede, zo lang als de hoererijen van uw moeder Izébel, en haar toverijen zo vele zijn?

2 Kon 9,23
Toen keerde Joram zijn hand, en vlood, en zeide tot Aházia: Het is bedrog, Aházia!

2 Kon 9,24
Maar Jehu spande den boog met volle hand, en schoot Joram tussen zijn armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijn wagen.

2 Kon 9,29
In het elfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, was Aházia koning geworden over Juda.

2 Kon 11,2
Maar Joséba, de dochter van den koning Joram, de zuster van Aházia, nam Joas, den zoon van Aházia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athália, dat hij niet gedood werd.

2 Kon 12,18
Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Jósafat, en Joram, en Aházia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis des HEEREN, en van het huis des konings, en zond het tot Házaël, den koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.

1 Kron 3,11
Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Aházia; zijn zoon was Joas;

1 Kron 26,25
Maar zijn broeders van Eliézer waren dezen: Rehábja was zijn zoon, en Jesája zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selómith zijn zoon.

2 Kron 17,8
En met hen de Levieten, Semája en Nethánja, en Zebádja, en Asaël, en Semiramôth, en Jónathan, en Adonia, en Tobia, en Tôb-Adonia, de Levieten, en met hen de priesters Elisáma en Joram.

2 Kron 21,1
Daarna ontsliep Jósafat met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.

2 Kron 21,3
En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was.

2 Kron 21,4
Als Joram tot het koninkrijk zijns vaders opgekomen was, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broederen met het zwaard, mitsgaders ook enige van de vorsten van Israël.

2 Kron 21,5
Twee en dertig jaar was Joram oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.

2 Kron 21,9
Daarom toog Joram voort met zijn oversten, en al de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, en de oversten der wagenen.

2 Kron 21,16
Zo verwekte de HEERE tegen Joram den geest der Filistijnen en der Arabieren, die aan de zijde der Moren zijn.

2 Kron 22,1
En de inwoners van Jeruzalem maakten Aházia, zijn kleinsten zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eersten gedood. Aházia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde.

2 Kron 22,5
Hij wandelde ook in hun raad, en toog henen met Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, tot den strijd tegen Házaël, den koning van Syrië, bij Ramoth in Gilead; en de Syriërs sloegen Joram.

2 Kron 22,6
En hij keerde weder om zich te laten genezen te Jizreël; want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Házaël, den koning van Syrië; en Azárja, de zoon van Joram, den koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was krank.

2 Kron 22,7
De vertreding nu van Aházia was van God, dat hij tot Joram kwam; want als hij gekomen was, toog hij met Joram uit tot Jehu, den zoon van Nimsi, denwelken de HEERE gezalfd had, om het huis van Achab uit te roeien.

2 Kron 22,11
Maar Józabath, de dochter des konings, nam Joas, den zoon van Aházia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Józabath, de dochter van den koning Joram, de huisvrouw van den priester Jójada (want zij was de zuster van Aházia), voor Athália, dat zij hem niet doodde.

Mat 1,8
En Asa gewon Jósafat, en Jósafat gewon Joram, en Joram gewon Ozías;

Joas/Ozias/Uzzia:

Mat 1,8
En Asa gewon Jósafat, en Jósafat gewon Joram, en Joram gewon Ozías;

Mat 1,9
En Ozías gewon Jóatham, en Jóatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekías;

2 Kon 15,13
Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.

2 Kon 15,30
En Hoséa, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remália, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.

2 Kon 15,32
In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remália, den koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda.

2 Kon 15,34
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.

1 Kron 6,24
Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uríël; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.

1 Kron 11,44
Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeïel, de zoon van Hotham, den Aroëriet;

1 Kron 27,25
En over de schatten des konings was Azmáveth, de zoon van Adíël; en over de schatten op het land, in de steden, en in de dorpen, en in de torens, was Jónathan, de zoon van Uzzia.

2 Kron 26,1
Toen nam het ganse volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amázia.

2 Kron 26,3
Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jechólia, van Jeruzalem.

2 Kron 26,8
En de Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en zijn naam ging tot den ingang van Egypte, want hij sterkte zich ten hoogste.

2 Kron 26,9
Daartoe bouwde Uzzia torens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort, en aan de hoeken; en hij sterkte ze.

2 Kron 26,11
Verder had Uzzia een heirkracht van geoefenden ten oorlog, uittrekkende ten heire bij benden, naar het getal hunner monstering, door de hand van Jeíël, den schrijver, en Mahaséja, den ambtman; onder de hand van Hanánja, een van de vorsten des konings.

2 Kron 26,14
En Uzzia bereidde voor hen, voor het ganse heir, schilden, en spiesen, en helmen, en pantsieren, en bogen, zelfs tot de slingerstenen toe.

2 Kron 26,18
En zij wederstonden den koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, den HEERE te roken, maar den priesteren, Aärons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, want gij hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van den HEERE God.

2 Kron 26,19
Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesteren, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht der priesteren, in het huis des HEEREN, van boven het reukaltaar.

2 Kron 26,21
Alzo was de koning Uzzia melaats tot aan den dag zijns doods; en melaats zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis des HEEREN afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis des konings, richtende het volk des lands.

2 Kron 26,22
Het overige nu der geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de profeet Jesája, de zoon van Amos, beschreven.

2 Kron 26,23
En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
19.
2 Kron 27,2

En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij in den tempel des HEEREN niet ging; en het volk verdierf zich nog.
20.
Neh 11,4

Te Jeruzalem dan woonden sommigen van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin. Van de kinderen van Juda: Athája, de zoon van Uzzía, den zoon van Zachárja, den zoon van Amárja, den zoon van Sefátja, den zoon van Mahaláleël, van de kinderen van Perez;

Jes 1,1
Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkía, de koningen van Juda.

Jes 6,1
In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel.

Jes 7,1
Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van Uzzia, den koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remália, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.

Hos 1,1
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hoséa, den zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkía, koningen van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël.

Am 1,1
De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekóa, dewelke hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor de aardbeving.

Zach 14,5
Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzía, den koning van Juda; dan zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE!
 
 
 
 

Joas/Ozias/Uzzia:
 
Ri 6,11
Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder den eik, die te Ofra is, welke aan Joas, den Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gídeon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht der Midianieten.
 
Ri 6,29
Zo zeiden zij, de een tot den ander: Wie heeft dit stuk gedaan? En als zij onderzochten en navraagden, zo zeide men: Gídeon, de zoon van Joas, heeft dit stuk gedaan.
 
Ri 6,30
Toen zeiden de mannen van die stad tot Joas: Breng uw zoon uit, dat hij sterve, omdat hij het altaar van Baäl heeft omgeworpen, en omdat hij de haag, die daarbij was, afgehouwen heeft.
 
Ri 6,31
Joas daarentegen zeide tot allen, die bij hem stonden: Zult gij voor den Baäl twisten; zult gij hem verlossen? Die voor hem zal twisten, zal nog dezen morgen gedood worden! Indien hij een god is, hij twiste voor zichzelven, omdat men zijn altaar heeft omgeworpen.
 
Ri 7,14
En zijn metgezel antwoordde, en zeide: Dit is niet anders, dan het zwaard van Gídeon, den zoon van Joas, den Israëlietischen man; God heeft de Midianieten en dit ganse leger in zijn hand gegeven.
 
Ri 8,13
Toen nu Gídeon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon,
 
Ri 8,29
En Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis.
 
Ri 8,32
En Gídeon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets.
 
1 Kon 22,26
De koning van Israël nu zeide: Neem Micha, en breng hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des konings;
 
2 Kon 11,2
Maar Joséba, de dochter van den koning Joram, de zuster van Aházia, nam Joas, den zoon van Aházia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athália, dat hij niet gedood werd.
 
2 Kon 11,21
Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd.
 
2 Kon 12,1
In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja van Ber-séba.
 
2 Kon 12,2
En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN, al zijn dagen, in dewelke de priester Jójada hem onderwees.
 
2 Kon 12,4
En Joas zeide tot de priesteren: Al het geld der geheiligde dingen, dat gebracht zal worden in het huis des HEEREN, te weten het geld desgenen, die overgaat tot de getelden, het geld van een ieder der personen naar zijn schatting, en al het geld, dat in ieders hart komt, om dat te brengen in het huis des HEEREN,
 
2 Kon 12,6
Maar het geschiedde in het drie en twintigste jaar van den koning Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden.
 
2 Kon 12,7
Toen riep de koning Joas den priester Jójada en de andere priesteren, en zeide tot hen: Waarom betert gijlieden niet de breuken van het huis? Nu dan, neemt geen geld van uw bekenden, dat gij het zoudt geven voor de breuken van het huis.
 
2 Kon 12,18
Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Jósafat, en Joram, en Aházia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis des HEEREN, en van het huis des konings, en zond het tot Házaël, den koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.
 
2 Kon 12,19
Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
 
2 Kon 12,20
En zijn knechten stonden op, en maakten een verbintenis, en sloegen Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla;
 
2 Kon 13,1
In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Aházia, den koning van Juda, werd Jóahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.
 
2 Kon 13,9
En Jóahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.
 
2 Kon 13,10
In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Jóahaz, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zestien jaren.
 
2 Kon 13,12
Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amázia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?
 
2 Kon 13,13
En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jeróbeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israël.
 
2 Kon 13,14
Elísa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israël, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiteren!
 
2 Kon 13,25
Joas nu, de zoon van Jóahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Házaël, die hij uit de hand van Jóahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israël weder.
 
2 Kon 14,1
In het tweede jaar van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, werd Amázia koning, de zoon van Joas, den koning van Juda.
 
2 Kon 14,3
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, nochtans niet als zijn vader David; hij deed naar alles, wat zijn vader Joas gedaan had.
 
2 Kon 14,8
Toen zond Amázia boden tot Joas, den zoon van Jóahaz, den zoon van Jehu, den koning van Israël, zeggende: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.
 
2 Kon 14,9
Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amázia, den koning van Juda, zeggende: De distel, die op den Libanon is, zond tot den ceder, die op den Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte des velds, dat op den Libanon is, ging voorbij, en vertrad den distel.
 
2 Kon 14,11
Doch Amázia hoorde niet; daarom toog Joas, de koning van Israël, op, zodat hij en Amázia, de koning van Juda, elkanders aangezichten zagen te Beth-Sémes, dat in Juda is.
 
2 Kon 14,13
En Joas, de koning van Israël, greep Amázia, den koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Aházia, te Beth-Sémes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.
 
2 Kon 14,15
Het overige nu der geschiedenissen van Joas, wat hij gedaan heeft, en zijn macht, en hoe hij gestreden heeft tegen Amázia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?
 
2 Kon 14,16
En Joas ontsliep met zijn vaderen, en werd te Samaria begraven bij de koningen van Israël; en zijn zoon Jeróbeam werd koning in zijn plaats.
 
2 Kon 14,17
Amázia nu, de zoon van Joas, koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien jaren.
 
2 Kon 14,23
In het vijftiende jaar van Amázia, den zoon van Joas, den koning van Juda, werd te Samaria koning, Jeróbeam, de zoon van Joas, koning over Israël, en regeerde een en veertig jaren.
 
2 Kon 14,27
En de HEERE had niet gesproken, dat Hij den naam van Israël van onder den hemel verdelgen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Jeróbeam, den zoon van Joas.
 
1 Kron 3,11
Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Aházia; zijn zoon was Joas;
 
1 Kron 4,22
Daartoe Jokim, en de mannen van Chozéba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasúbiléhem; doch deze dingen zijn oud.
 
1 Kron 7,8
De kinderen van Becher nu waren Zemíra, en Joas, en Eliëzer, en Eljoënai, en Omri, en Jerémoth, en Abíja, en Anáthoth, en Alémeth; deze allen waren kinderen van Becher.
 
1 Kron 12,3
Het hoofd was Ahiëzer, en Joas, zonen van Semáä, den Gibeathiet; daarna Jeziël en Pelet, zonen van Azmáveth, en Berácha, en Jehu, de Anathothiet.

1 Kron 27,28
En over de olijfgaarden en de wilde vijgebomen, die in de laagte waren, was Baäl-Hánan, de Gederiet; maar Joas was over de schatten der olie.

2 Kron 18,25
De koning van Israël nu zeide: Neemt Micha, en brengt hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des konings;

2 Kron 22,11
Maar Józabath, de dochter des konings, nam Joas, den zoon van Aházia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Józabath, de dochter van den koning Joram, de huisvrouw van den priester Jójada (want zij was de zuster van Aházia), voor Athália, dat zij hem niet doodde.

2 Kron 24,1
Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja, van Ber-séba.

2 Kron 24,2
En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN, al de dagen van den priester Jójada.

2 Kron 24,4
Het geschiedde nu na dezen, dat het in het hart van Joas was, het huis des HEEREN te vernieuwen.

2 Kron 24,22
Zo gedacht de koning Joas niet der weldadigheid, die zijn vader Jójada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; dewelke, als hij stierf, zeide: De HEERE zal het zien en zoeken!

2 Kron 24,24
Hoewel de heirkracht van Syrië met weinig mannen kwam, evenwel gaf de HEERE in hun hand een heirkracht van grote menigte, dewijl zij den HEERE, den God hunner vaderen, verlaten hadden; alzo voerden zij de oordelen uit tegen Joas.

2 Kron 25,17
En Amázia, de koning van Juda, werd te rade, dat hij zond tot Joas, den zoon van Jóahaz, den zoon van Jehu, den koning van Israël, om te zeggen: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.

2 Kron 25,18
Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amázia, den koning van Juda, om te zeggen: De distel, die op den Libanon is, zond tot den ceder, die op den Libanon is, om te zeggen: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte des velds, dat op den Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel.

2 Kron 25,21
Zo toog Joas, de koning van Israël, op, en hij en Amázia, de koning van Juda, zagen elkanders aangezichten te Beth-Sémes, dat in Juda is.

2 Kron 25,23
En Joas, de koning van Israël, greep Amázia, den koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Jóahaz, te Beth-Sémes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.

2 Kron 25,25
Amázia nu, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien jaren.

Hos 1,1
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hoséa, den zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkía, koningen van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël.

Am 1,1
De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekóa, dewelke hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël; twee jaren voor de aardbeving.
 
 
 
 

Jóatham:
 
Mat 1,9
En Ozías gewon Jóatham, en Jóatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekías;

Achaz:
 
2 Kon 15,38
En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.

2 Kon 16,1
In het zeventiende jaar van Pekah, den zoon van Remália, werd Achaz koning, de zoon van Jotham, den koning van Juda.

2 Kon 16,2
Twintig jaren was Achaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN zijns Gods, als zijn vader David.

2 Kon 16,5
Toen toog Rezin, de koning van Syrië, op, met Pekah, den zoon van Remália, den koning van Israël, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden.

2 Kon 16,7
Achaz nu zond boden tot Tiglath-Pilézer, den koning van Assyrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van den koning van Syrië, en uit de hand van den koning van Israël, die zich tegen mij opmaken.

2 Kon 16,8
En Achaz nam het zilver en het goud, dat in het huis des HEEREN, en in de schatten van het huis des konings gevonden werd, en hij zond den koning van Assyrië een geschenk.

2 Kon 16,10
Toen toog de koning Achaz Tiglath-Pilézer, den koning van Assyrië, tegemoet, naar Damaskus; en gezien hebbende een altaar, dat te Damaskus was, zo zond de koning Achaz aan den priester Uría de gelijkenis van het altaar, en zijn afbeelding, naar zijn ganse maaksel.

2 Kon 16,11
En Uría, de priester, bouwde een altaar, naar alles, wat de koning Achaz van Damaskus ontboden had; alzo deed de priester Uría, tegen dat de koning Achaz van Damaskus kwam.

2 Kon 16,15
En de koning Achaz gebood Uría, den priester, zeggende: Steek op het grote altaar aan het morgenbrandoffer, en het avondspijsoffer, en des konings brandoffer, en zijn spijsoffer, en het brandoffer van al het volk des lands, en hun spijsoffer, en hun drankofferen; en spreng daarop al het bloed des brandoffers, en al het bloed des slachtoffers; maar het koperen altaar zal mij zijn, om te onderzoeken.

2 Kon 16,16
En Uría, de priester, deed naar alles, wat de koning Achaz geboden had.

2 Kon 16,17
En de koning Achaz sneed de lijsten der stellingen af, en nam die van boven het wasvat weg, en deed de zee af van de koperen runderen, die daaronder waren; en hij zette die op een stenen vloer.

2 Kon 16,19
Het overige nu der geschiedenissen van Achaz, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

2 Kon 16,20
En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad Davids; en Hizkía, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

2 Kon 17,1
In het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hoséa, de zoon van Ela, koning over Israël te Samaria, en regeerde negen jaren.

2 Kon 18,1
Het geschiedde nu in het derde jaar van Hoséa, den zoon van Ela, den koning van Israël, dat Hizkía koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda.

2 Kon 20,11
En Jesája, de profeet, riep den HEERE aan; en Hij deed de schaduw tien graden achterwaarts keren in de graden, dewelke zij nederwaarts gegaan was, in de graden van Achaz’ zonnewijzer.

2 Kon 23,12
Verder de altaren die op het dak der opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis des HEEREN gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron.

1 Kron 3,13
Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkía; zijn zoon was Manasse;

1 Kron 8,35
De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaäréa, en Achaz.

1 Kron 8,36
En Achaz gewon Jehóadda, en Jehóadda gewon Alémeth, en Azmáveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza;

1 Kron 9,42
En Achaz gewon Jáëra, en Jáëra gewon Alémeth, en Azmáveth, en Zimri; en Zimri gewon Moza;

2 Kron 27,9
En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.

2 Kron 28,1
Achaz was twintig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David;

2 Kron 28,16
Ter zelfder tijd zond de koning Achaz tot de koningen van Assyrië, dat zij hem helpen zouden.

2 Kron 28,19
Want de HEERE vernederde Juda, om der wille van Achaz, den koning Israëls; want hij had Juda afgetrokken, dat het gans zeer overtrad tegen den HEERE.

2 Kron 28,21
Want Achaz nam een deel van het huis des HEEREN, en van het huis des konings en der vorsten, hetwelk hij den koning van Assyrië gaf; maar hij hielp hem niet.

2 Kron 28,22
Ja, ter tijd, als men hem benauwde, zo maakte hij des overtredens tegen den HEERE nog meer; dit was de koning Achaz.

2 Kron 28,24
En Achaz verzamelde de vaten van het huis Gods, en hieuw de vaten van het huis Gods in stukken, en sloot de deuren van het huis des HEEREN toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken te Jeruzalem.

2 Kron 28,27
En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven der koningen van Israël; en zijn zoon Jehizkía werd koning in zijn plaats.

2 Kron 29,19
Alle gereedschap ook, dat de koning Achaz, onder zijn koninkrijk, door zijn overtreding weggeworpen had, hebben wij bereid en geheiligd; en zie, zij zijn voor het altaar des HEEREN.

Jes 1,1
Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkía, de koningen van Juda.

Jes 7,1
Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van Uzzia, den koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remália, de koning van Israël, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.

Jes 7,3
En de HEERE zeide tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, gij en uw zoon, Schear-Jaschub, aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers;

Jes 7,10
En de HEERE voer voort te spreken tot Achaz, zeggende:

Jes 7,12
Doch Achaz zeide: Ik zal het niet eisen, en ik zal den HEERE niet verzoeken.

Jes 14,28
In het jaar, toen de koning Achaz stierf, geschiedde deze last.

Jes 38,8
Zie, Ik zal de schaduw der graden, die met de zon in de graden van Achaz’ zonnewijzer nederwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doen keren. Dies is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij nederwaarts gegaan was.

Hos 1,1
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hoséa, den zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkía, koningen van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël.

Mi 1,1
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Micha, den Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkía, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.

Mat 1,9
En Ozías gewon Jóatham, en Jóatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekías;
 
 
 
 

Ezekías/Aházia/Amázia/Hizkía

Mat 1,9
En Ozías gewon Jóatham, en Jóatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekías;

Mat 1,10
En Ezekías gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josías;

1 Kon 22,40
Alzo ontsliep Achab met zijn vaderen; en zijn zoon Aházia werd koning in zijn plaats.

1 Kon 22,50
Toen zeide Aházia, de zoon van Achab, tot Jósafat: Laat mijn knechten met uw knechten op de schepen varen; maar Jósafat wilde niet.

1 Kon 22,52
Aházia, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaria, in het zeventiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, en regeerde twee jaren over Israël.

2 Kon 1,2
En Aházia viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaria was, en werd krank. En hij zond boden, en zeide tot hen: Gaat heen, vraagt Baäl-Zebub, den god van Ekron, of ik van deze krankheid genezen zal.

2 Kon 1,18
Het overige nu der zaken van Aházia, die hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?

2 Kon 8,24
En Joram ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad Davids; en Aházia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

2 Kon 8,25
In het twaalfde jaar van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, begon Aházia, de zoon van Jehóram, den koning van Juda, te regeren.

2 Kon 8,26
Twee en twintig jaren was Aházia oud, als hij koning werd, en regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athália, de dochter van Omri, den koning van Israël.

2 Kon 8,29
Toen keerde Joram, de koning wederom, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Házaël, den koning van Syrië; en Aházia, de zoon van Jehóram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was krank.

2 Kon 9,16
Toen reed Jehu, en toog naar Jizreël; want Joram lag aldaar; en Aházia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bezien.

2 Kon 9,21
Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo toog Joram, de koning van Israël, uit, en Aházia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij togen uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, den Jizreëliet.

2 Kon 9,23
Toen keerde Joram zijn hand, en vlood, en zeide tot Aházia: Het is bedrog, Aházia!

2 Kon 9,27
Als Aházia, de koning van Juda, dat zag, zo vlood hij door den weg van het huis des hofs; doch Jehu vervolgde hem achterna, en zeide: Slaat hem ook op den wagen, aan den opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vlood naar Megiddo, en stierf aldaar.

2 Kon 9,29
In het elfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, was Aházia koning geworden over Juda.

2 Kon 10,13
Vond Jehu de broederen van Aházia, den koning van Juda, en hij zeide: Wie zijt gijlieden? En zij zeiden: Wij zijn de broederen van Aházia, en zijn afgekomen, om de zonen des konings en de zonen der koningin te groeten.

2 Kon 11,1
Toen nu Athália, de moeder van Aházia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad om.

2 Kon 11,2
Maar Joséba, de dochter van den koning Joram, de zuster van Aházia, nam Joas, den zoon van Aházia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athália, dat hij niet gedood werd.

2 Kon 12,18
Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Jósafat, en Joram, en Aházia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis des HEEREN, en van het huis des konings, en zond het tot Házaël, den koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.

2 Kon 13,1
In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Aházia, den koning van Juda, werd Jóahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.

2 Kon 14,13
En Joas, de koning van Israël, greep Amázia, den koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Aházia, te Beth-Sémes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.

1 Kron 3,11
Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Aházia; zijn zoon was Joas;

2 Kron 20,35
Doch na dezen vergezelschapte zich Jósafat, de koning van Juda, met Aházia, den koning van Israël; die handelde goddelooslijk in zijn doen.

2 Kron 20,37
Maar Eliëzer, de zoon van Dódava, van Marésa, profeteerde tegen Jósafat, zeggende: Omdat gij u met Aházia vergezelschapt hebt, heeft de HEERE uw werken verscheurd. Alzo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan.

2 Kron 22,1
En de inwoners van Jeruzalem maakten Aházia, zijn kleinsten zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eersten gedood. Aházia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde.

2 Kron 22,2
Twee en veertig jaar was Aházia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athália, een dochter van Omri.

2 Kron 22,7
De vertreding nu van Aházia was van God, dat hij tot Joram kwam; want als hij gekomen was, toog hij met Joram uit tot Jehu, den zoon van Nimsi, denwelken de HEERE gezalfd had, om het huis van Achab uit te roeien.

2 Kron 22,8
Zo geschiedde het, als Jehu oordeel uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen der broederen van Aházia, die Aházia dienden, vond, en die doodde.

2 Kron 22,9
Daarna zocht hij Aházia, en zij kregen hem (want hij was verstoken in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Jósafat, die den HEERE met zijn ganse hart gezocht heeft. Zo had het huis van Aházia niemand, die kracht behield tot het koninkrijk.

2 Kron 22,10
Toen Athália, de moeder van Aházia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad van het huis van Juda om.

2 Kron 22,11
Maar Józabath, de dochter des konings, nam Joas, den zoon van Aházia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Józabath, de dochter van den koning Joram, de huisvrouw van den priester Jójada (want zij was de zuster van Aházia), voor Athália, dat zij hem niet doodde.

2 Kon 12,21
Want Józacar, de zoon van Símeath, en Józabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de stad Davids; en Amázia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

2 Kon 13,12
Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amázia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?

2 Kon 14,1
In het tweede jaar van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, werd Amázia koning, de zoon van Joas, den koning van Juda.

2 Kon 14,8
Toen zond Amázia boden tot Joas, den zoon van Jóahaz, den zoon van Jehu, den koning van Israël, zeggende: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.

2 Kon 14,9
Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amázia, den koning van Juda, zeggende: De distel, die op den Libanon is, zond tot den ceder, die op den Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte des velds, dat op den Libanon is, ging voorbij, en vertrad den distel.

2 Kon 14,11
Doch Amázia hoorde niet; daarom toog Joas, de koning van Israël, op, zodat hij en Amázia, de koning van Juda, elkanders aangezichten zagen te Beth-Sémes, dat in Juda is.

2 Kon 14,13
En Joas, de koning van Israël, greep Amázia, den koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Aházia, te Beth-Sémes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.

2 Kon 14,15
Het overige nu der geschiedenissen van Joas, wat hij gedaan heeft, en zijn macht, en hoe hij gestreden heeft tegen Amázia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?

2 Kon 14,17
Amázia nu, de zoon van Joas, koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien jaren.

2 Kon 14,18
Het overige nu der geschiedenissen van Amázia, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

2 Kon 14,21
En het ganse volk van Juda nam Azária (die nu zestien jaren oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amázia.

2 Kon 14,23
In het vijftiende jaar van Amázia, den zoon van Joas, den koning van Juda, werd te Samaria koning, Jeróbeam, de zoon van Joas, koning over Israël, en regeerde een en veertig jaren.

2 Kon 15,1
In het zeven en twintigste jaar van Jeróbeam, den koning van Israël, werd koning Azária, de zoon van Amázia, den koning van Juda.

2 Kon 15,3
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amázia gedaan had.

1 Kron 3,12
Zijn zoon was Amázia; zijn zoon was Azária; zijn zoon was Jotham;

1 Kron 4,34
Doch Mesóbab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amázia,

1 Kron 6,45
Den zoon van Hasabja, den zoon van Amázia, den zoon van Hilkía,

2 Kron 24,27
Aangaande nu zijn zonen, en de grootheid van den last, hem opgelegd, en het gebouw van het huis Gods, ziet, zij zijn geschreven in de historie van het boek der koningen; en zijn zoon Amázia werd koning in zijn plaats.

2 Kron 25,1
Amázia, vijf en twintig jaren oud zijnde, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jóaddan, van Jeruzalem.

2 Kron 25,5
En Amázia vergaderde Juda, en stelde hen, naar de huizen der vaderen, tot oversten van duizenden en tot oversten van honderden, door gans Juda en Benjamin; en hij monsterde hen, van twintig jaren oud en daarboven, en vond hen driehonderd duizend uitgelezenen, uittrekkende ten heire, handelende spies en rondas.

2 Kron 25,9
En Amázia zeide tot den man Gods: Maar wat zal men doen met de honderd talenten, die ik aan de benden van Israël gegeven heb? En de man Gods zeide: De HEERE heeft meer dan dit, om u te geven.

2 Kron 25,10
Toen scheidde Amázia die af, te weten de benden, die uit Efraïm tot hem gekomen waren, dat zij naar hun plaats gingen; daarom ontstak hun toorn zeer tegen Juda, en zij keerden weder tot hun plaats in hittigheid des toorns.

2 Kron 25,11
Amázia nu sterkte zich, en leidde zijn volk uit, en toog in het Zoutdal, en sloeg van de kinderen van Seïr tien duizend.

2 Kron 25,13
Maar de mannen der benden, die Amázia had doen wederkeren, dat zij met hem in den strijd niet zouden trekken, die deden een inval in de steden van Juda, van Samaria af tot Beth-hóron toe, en sloegen van hen drie duizend, en roofden veel roofs.

2 Kron 25,14
Het geschiedde nu, nadat Amázia van het slaan der Edomieten gekomen was, en dat hij de goden der kinderen van Seïr medegebracht had, dat hij die zich tot goden stelde, en zich voor dezelve nederboog, en dien rookte.

2 Kron 25,15
Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Amázia; en Hij zond tot hem een profeet, die zeide tot hem: Waarom hebt gij de goden van dat volk gezocht, die hun volk niet gered hebben uit uw hand?

2 Kron 25,17
En Amázia, de koning van Juda, werd te rade, dat hij zond tot Joas, den zoon van Jóahaz, den zoon van Jehu, den koning van Israël, om te zeggen: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.

2 Kron 25,18
Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amázia, den koning van Juda, om te zeggen: De distel, die op den Libanon is, zond tot den ceder, die op den Libanon is, om te zeggen: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte des velds, dat op den Libanon is, ging voorbij, en vertrad de distel.

2 Kron 25,20
Doch Amázia hoorde niet, want het was van God, opdat Hij hen in hun hand gave, overmits zij de goden der Edomieten gezocht hadden.

2 Kron 25,21
Zo toog Joas, de koning van Israël, op, en hij en Amázia, de koning van Juda, zagen elkanders aangezichten te Beth-Sémes, dat in Juda is.

2 Kron 25,23
En Joas, de koning van Israël, greep Amázia, den koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Jóahaz, te Beth-Sémes; en hij bracht hem te Jeruzalem, en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.

2 Kron 25,25
Amázia nu, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien jaren.

2 Kron 25,26
Het overige nu der geschiedenissen van Amázia, de eerste en de laatste, ziet, zijn die niet geschreven in het boek der koningen van Juda en Israël?

2 Kron 25,27
Van den tijd nu af, dat Amázia afgeweken was van achter den HEERE, zo maakten zij in Jeruzalem een verbintenis tegen hem; doch hij vluchtte naar Lachis. Toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar.

2 Kron 26,1
Toen nam het ganse volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amázia.

2 Kron 26,4
En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Amázia gedaan had.

Am 7,10
Toen zond Amázia, de priester te Beth-El, tot Jeróbeam, den koning van Israël, zeggende: Amos heeft een verbintenis tegen u gemaakt, in het midden van het huis Israëls; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen.

Am 7,12
Daarna zeide Amázia tot Amos: Gij ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet aldaar brood, en profeteer aldaar.

Am 7,14
Toen antwoordde Amos, en zeide tot Amázia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af.


2 Kon 16,20
En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad Davids; en Hizkía, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

2 Kon 18,1
Het geschiedde nu in het derde jaar van Hoséa, den zoon van Ela, den koning van Israël, dat Hizkía koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda.

2 Kon 18,9
Het geschiedde nu in het vierde jaar van den koning Hizkía (hetwelk was het zevende jaar van Hoséa, den zoon van Ela, den koning van Israël) dat Salmanéser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde.

2 Kon 18,10
En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkía; het was het negende jaar van Hoséa, den koning van Israël, als Samaria ingenomen werd.

2 Kon 18,13
Maar in het veertiende jaar van den koning Hizkía kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.

2 Kon 18,14
Toen zond Hizkía, de koning van Juda, tot den koning van Assyrië, naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij, wat gij mij opleggen zult, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkía, den koning van Juda, driehonderd talenten zilvers, en dertig talenten gouds op.

2 Kon 18,15
Alzo gaf Hizkía al het zilver, dat gevonden werd in het huis des HEEREN, en in de schatten van het huis des konings.

2 Kon 18,16
Te dier tijd sneed Hizkía het goud af van de deuren van den tempel des HEEREN, en van de posten, die Hizkía, de koning van Juda, had laten overtrekken, en gaf dat aan de koning van Assyrië.

2 Kon 18,17
Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsaké, van Lachis tot den koning Hizkía, met een zwaar heir naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij den watergang des oppersten vijvers, welke is bij den hogen weg van het veld des vollers.

2 Kon 18,19
En Rabsaké zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkía: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt?

2 Kon 18,22
Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den HEERE, onzen God; is Hij die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkía weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u buigen te Jeruzalem?

2 Kon 18,29
Zo zegt de koning: Dat Hizkía u niet bedriege: want hij zal u niet kunnen redden uit zijn hand.

2 Kon 18,30
Daartoe dat Hizkía u niet doe vertrouwen op den HEERE, zeggende: De HEERE zal ons zekerlijk redden, en deze stad zal niet in de hand van den koning van Assyrië gegeven worden.

2 Kon 18,31
Hoort naar Hizkía niet; want zo zegt de koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom; en drinkt een ieder het water zijns bornputs;

2 Kon 18,32
Totdat ik kom, en u haal in een land, als ulieder land, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honig; zo zult gij leven en niet sterven; en hoort niet naar Hizkía, want hij hitst u op, zeggende: De HEERE zal ons redden.

2 Kon 18,37
Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkía, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkía, met gescheurde klederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsaké te kennen.

2 Kon 19,1
En het geschiedde, als de koning Hizkía dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.

2 Kon 19,3
En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkía: Deze dag is een dag der benauwdheid, en der schelding, en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.

2 Kon 19,5
En de knechten van den koning Hizkía kwamen tot Jesája.

2 Kon 19,9
Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weder boden tot Hizkía, zeggende:

2 Kon 19,10
Zo zult gij spreken tot Hizkía, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet gegeven worden.

2 Kon 19,14
Als nu Hizkía de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN, en Hizkía breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.

2 Kon 19,15
En Hizkía bad voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: O HEERE, God Israëls, Die tussen de cherubim woont! Gij zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde, Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt.
24.
2 Kon 19,20

Toen zond Jesája, de zoon van Amoz, tot Hizkía, zeggende: Zo spreekt de HEERE, de God Israëls: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrië, heb Ik gehoord.
25.
2 Kon 20,1

In die dagen werd Hizkía krank tot stervens toe; en de profeet Jesája, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven.
26.
2 Kon 20,3

Och, HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkía weende gans zeer.
27.
2 Kon 20,5

Keer weder en zeg tot Hizkía, den voorganger Mijns volks: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal u gezond maken; aan den derden dag zult gij opgaan in het huis des HEEREN;
28.
2 Kon 20,8

Hizkía nu had gezegd tot Jesája: Welk is het teken, dat de HEERE mij gezond maken zal, en dat ik op den derden dag in des HEEREN huis zal opgaan?
29.
2 Kon 20,10

Toen zeide Hizkía: Het is der schaduwe licht, tien graden nederwaarts te gaan; neen, maar dat de schaduw tien graden achterwaarts kere.
30.
2 Kon 20,12

Te dier tijd zond Beródach Báladan de zoon van Báladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkía; want hij had gehoord, dat Hizkía krank geweest was.
31.
2 Kon 20,13

En Hizkía hoorde naar hen, en hij toonde hun zijn ganse schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn ganse heerschappij, dat hij hun niet toonde.
32.
2 Kon 20,14

Toen kwam de profeet Jesája tot den koning Hizkía, en zeide tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en van waar zijn zij tot u gekomen? En Hizkía zeide: Zij zijn uit verren lande gekomen, uit Babel.
33.
2 Kon 20,15

En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkía zeide: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb.
34.
2 Kon 20,16

Toen zeide Jesája tot Hizkía: Hoor des HEEREN woord.
35.
2 Kon 20,19

Maar Hizkía zeide tot Jesája: Het woord des HEEREN, dat gij gesproken hebt, is goed. Ook zeide hij: Zou het niet, naardien vrede en waarheid in mijn dagen wezen zal?
36.
2 Kon 20,20

Het overige nu der geschiedenissen van Hizkía, en al zijn macht, en hoe hij den vijver en den watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
37.
2 Kon 20,21

En Hizkía ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.
38.
2 Kon 21,3

Want hij bouwde de hoogten weder op, die Hizkía, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Baäl altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze.
39.
1 Kron 3,13

Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkía; zijn zoon was Manasse;
40.
1 Kron 3,23

En de kinderen van Neárja waren Eljoënai, en Hizkía, en Azríkam; drie.

1 Kron 4,41
Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkía, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.

2 Kron 29,18
Daarna kwamen zij binnen tot den koning Hizkía, en zeiden: Wij hebben het gehele huis des HEEREN gereinigd, mitsgaders het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, en de tafel der toerichting met al haar gereedschap.

2 Kron 29,27
En Hizkía beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang des HEEREN met de trompetten en met de instrumenten van David, den koning van Israël.

2 Kron 31,2
En Hizkía bestelde de verdelingen der priesteren en der Levieten, naar hun verdelingen, een ieder naar zijn dienst, de priesteren en de Levieten tot het brandoffer en tot de dankofferen, om te dienen, en om te loven, en om te prijzen in de poort van de legers des HEEREN;

Ezra 2,16
De kinderen van Ater, van Hizkía, acht en negentig.

Neh 7,21
De kinderen van Ater, van Hizkía, acht en negentig;

Neh 10,17
Ater, Hizkía, Azzur,

Spr 25,1
Dit zijn ook spreuken van Sálomo, die de mannen van Hizkía, den koning van Juda, uitgeschreven hebben.

Jes 1,1
Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkía, de koningen van Juda.

Jes 36,1
En het geschiedde in het veertiende jaar van den koning Hizkía, dat Sanherib, de koning van Assyrië, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.

Jes 36,2
En de koning van Assyrië zond Rabsake van Lachis naar Jeruzalem tot den koning Hizkía, met een zwaar heir; en hij stond aan den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers.

Jes 36,4
En Rabsake zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkía: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt;

Jes 36,7
Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den HEERE, onzen God; is Hij Die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkía weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u nederbuigen?

Jes 36,14
Alzo zegt de koning: Dat Hizkía u niet bedriege, want hij zal u niet kunnen redden.

Jes 36,15
Daartoe, dat Hizkía u niet doe vertrouwen op den HEERE, zeggende: De HEERE zal ons zekerlijk redden; deze stad zal niet in de hand des konings van Assyrië gegeven worden.

Jes 36,16
Hoort naar Hizkía niet; want alzo zegt de koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom, en drinkt een ieder het water zijns bornputs;

Jes 36,18
Dat Hizkía ulieden niet verleide, zeggende: De HEERE zal ons redden; hebben de goden der volken, een ieder zijn land, gered uit de hand des konings van Assyrië?

Jes 36,22
Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkía, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkía met gescheurde klederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen.

Jes 37,1
En het geschiedde, als de koning Hizkía dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.

Jes 37,3
En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkía: Deze dag is een dag der benauwdheid, en der schelding, en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.

61.
Jes 37,5

En de knechten van den koning Hizkía kwamen tot Jesaja.
62.
Jes 37,9

Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetogen, om tegen u te strijden; toen hij zulks hoorde, zo zond hij weder boden tot Hizkía, zeggende:
63.
Jes 37,10

Zo zult gijlieden spreken tot Hizkía, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet gegeven worden.
64.
Jes 37,14

Als nu Hizkía de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN; en Hizkía breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.
65.
Jes 37,15

En Hizkía bad tot den HEERE, zeggende:
66.
Jes 37,21

Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkía, om te zeggen: Alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrië, heb Ik gehoord.
67.
Jes 38,1

In die dagen werd Hizkía krank tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Alzo zegt de HEERE: Geef bevel aan uw huis; want gij zult sterven, en niet leven.
68.
Jes 38,2

Toen keerde Hizkía zijn aangezicht om naar den wand, en hij bad tot den HEERE.
69.
Jes 38,3

En hij zeide: Och HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkía weende gans zeer.
70.
Jes 38,5

Ga henen, en zeg tot Hizkía: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen;
71.
Jes 38,9

Dit is het schrift van Hizkía, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was.
72.
Jes 38,22

En Hizkía had gezegd: Welk zal het teken zijn, dat ik ten huize des HEEREN zal opgaan?
73.
Jes 39,1

Te dien tijd zond Meródach Báladan, de zoon van Báladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkía; want hij had gehoord dat hij krank geweest en weder sterk geworden was.
74.
Jes 39,2

En Hizkía verblijdde zich over hen, en hij toonde hun zijn schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn ganse wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn ganse heerschappij, dat Hizkía hun niet toonde.

Jes 39,3
Toen kwam de profeet Jesaja tot den koning Hizkía, en zeide tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en van waar zijn zij tot u gekomen? En Hizkía zeide: Zij zijn uit verren lande tot mij gekomen, uit Babel.

Jes 39,4
En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkía zeide: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb.

Jes 39,5
Toen zeide Jesaja tot Hizkía: Hoor het woord des HEEREN der heirscharen.

Jes 39,8
Maar Hizkía zeide tot Jesaja: Het woord des HEEREN, dat gij gesproken hebt, is goed. Ook zeide hij: Doch het zij vrede en waarheid in mijn dagen!

Jer 26,18
Micha, de Morastiet, heeft in de dagen van Hizkía, koning van Juda, geprofeteerd, en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zo zegt de HEERE des heirscharen: Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steenhopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten des wouds.

Jer 26,19
Hebben ook Hizkía, de koning van Juda, en gans Juda hem ooit gedood? Vreesde hij niet den HEERE, en smeekte des HEEREN aangezicht, zodat het den HEERE berouwde over het kwaad, dat Hij tegen hen gesproken had? Wij dan doen een groot kwaad tegen onze zielen.

Hos 1,1
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hoséa, den zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkía, koningen van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël.

Zef 1,1
Het woord des HEEREN, hetwelk geschied is tot Zefánja, den zoon van Cuschi, den zoon van Gedálja, den zoon van Amárja, den zoon van Hizkía; in de dagen van Josía, den zoon van Amon, den koning van Juda.
 
 
 
 

Manasse:
 
2 Kon 21,1
Manasse was twaalf jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hefzi-bah.
 
2 Kon 21,9
Maar zij hoorden niet; want Manasse deed hen dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had.
 
2 Kon 21,11
Dewijl dat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die vóór hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen;
 
2 Kon 21,16
Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN.
 
2 Kon 21,17
Het overige der geschiedenissen van Manasse, en al wat hij gedaan heeft, en zijn zonde, die hij gezondigd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
 
2 Kon 21,18
En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
 
2 Kon 21,20
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; gelijk als zijn vader Manasse gedaan had.
 
2 Kon 23,12
Verder de altaren die op het dak der opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis des HEEREN gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron.
 
2 Kon 23,26
Nochtans keerde zich de HEERE van den brand Zijns groten toorns niet af, waarmede Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmede Manasse Hem getergd had.
 
2 Kon 24,3
Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des HEEREN tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had;
 
1 Kron 3,13
Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkía; zijn zoon was Manasse;
 
1 Kron 5,18
Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.
 
1 Kron 5,23
De kinderen nu van den halven stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baäl-Hermon, en Senir, en den berg Hermon.
 
1 Kron 5,26
Zo verwekte de God Israëls den geest van Pul, den koning van Assyrië, en den geest van Tiglath-Pilnéser, den koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag.
 
1 Kron 6,61
Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit den halven stam van half Manasse, bij het lot, tien steden.
 
1 Kron 6,62
En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden.
 
1 Kron 6,70
En uit den halven stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bíleam en haar voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen van Kahath hadden deze steden.
 
1 Kron 6,71
De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van den halven stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharôth, en haar voorsteden.
 
1 Kron 7,14
De kinderen van Manasse waren Asriël, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead.
 
 
1.
Gen 41,51
 
En Jozef noemde den naam des eerstgeborenen Manasse; want, zeide hij, God heeft mij doen vergeten al mijn moeite, en het ganse huis mijns vaders.
2.
Gen 46,20
 
En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraïm, die hem Asnath, de dochter van Potiféra, den overste te On, baarde.
3.
Gen 48,1
 
Het geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraïm!
4.
Gen 48,5
 
Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraïm en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.
5.
Gen 48,13
 
En Jozef nam die beiden, Efraïm met zijn rechterhand, tegenover Israëls linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israëls rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem.
6.
Gen 48,14
 
Maar Israël strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.
7.
Gen 48,17
 
Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm leide, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraïm op het hoofd van Manasse af te brengen.
8.
Gen 48,20
 
Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israël zegenen, zeggende: God zette u als Efraïm en als Manasse! En hij zette Efraïm voor Manasse.
9.
Gen 50,23
 
En Jozef zag van Efraïm kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieën geboren.
10.
Num 1,10
 
Van de kinderen van Jozef: van Efraïm, Elisáma, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamáliël, de zoon van Pedázur.
11.
Num 1,34
 
Van de zonen van Manasse, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
12.
Num 1,35
 
Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.
13.
Num 2,20
 
En nevens hem de stam van Manasse; en Gamáliël, de zoon van Pedázur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.
14.
Num 7,54
 
Op den achtsten dag offerde de overste der kinderen van Manasse, Gamáliël, de zoon van Pedázur.
15.
Num 10,23
 
En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamáliël, de zoon van Pedázur.
16.
Num 13,11
 
Van den stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.
17.
Num 26,28
 
De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraïm.
18.
Num 26,29
 
De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.
19.
Num 26,34
 
Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.
20.
Num 27,1
 
Toen naderden de dochteren van Zeláfead, den zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);
 
 
21.
Num 32,33
 
Alzo gaf Mozes hunlieden, den kinderen van Gad en den kinderen van Ruben, en den halven stam van Manasse, den zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning der Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelve in de landpalen, de steden des lands rondom.
22.
Num 32,39
 
En de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, gingen naar Gilead, en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten, die daarin waren, uit de bezitting.
23.
Num 32,40
 
Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, den zoon van Manasse; en hij woonde daarin.
24.
Num 32,41
 
Jaïr nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hunlieder dorpen in, en hij noemde die Havvôth-Jaïr.
25.
Num 34,13
 
En Mozes gebood den kinderen Israëls, zeggende: Dit is het land, dat gij door het lot ten erve innemen zult, hetwelk de HEERE aan de negen stammen en den halven stam van Manasse te geven geboden heeft.
26.
Num 34,14
 
Want de stam van de kinderen der Rubenieten, naar het huis hunner vaderen, en de stam van de kinderen der Gadieten, naar het huis hunner vaderen, hebben ontvangen; mitsgaders de halve stam van Manasse heeft zijn erfenis ontvangen.
27.
Num 34,23
 
Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniël, zoon van Efod;
28.
Num 36,1
 
En de hoofden der vaderen van het geslacht der kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, uit de geslachten der kinderen van Jozef, traden toe, en spraken voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht der oversten, hoofden van de vaderen der kinderen Israëls.
29.
Num 36,12
 
Onder de geslachten van de kinderen van Manasse, den zoon van Jozef, zijn zij tot vrouwen geworden; alzo bleef haar erfenis aan den stam van het geslacht haars vaders.
30.
Deut 3,13
 
En het overige van Gilead, mitsgaders het ganse Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan den halven stam van Manasse, de ganse landstreek van Argob, door het ganse Bazan; datzelve werd genoemd het land der reuzen.
31.
Deut 3,14
 
Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de ganse landstreek van Argob, tot aan de landpale der Gezurieten en Maächatieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvôth-Jaïr, tot op dezen dag.
32.
Deut 33,17
 
Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden des lands. Dezen nu zijn de tien duizenden van Efraïm, en dezen zijn de duizenden van Manasse!
33.
Deut 34,2
 
En het ganse Nafthali, en het land van Efraïm en Manasse, en het ganse land van Juda, tot aan de achterste zee;
34.
Joz 1,12
 
En Jozua sprak tot de Rubenieten en Gadieten, en den halven stam van Manasse, zeggende:
35.
Joz 4,12
 
En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, mitsgaders de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het aangezicht der kinderen Israëls, gelijk als Mozes tot hen gesproken had.
36.
Joz 12,6
 
Mozes, de knecht des HEEREN, en de kinderen Israëls sloegen hen, en Mozes, de knecht des HEEREN, gaf aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan den halven stam van Manasse, dat land tot een erfelijke bezitting.
37.
Joz 13,7
 
En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen stammen, en aan den halven stam van Manasse,
38.
Joz 13,29
 
Verder had Mozes aan den halven stam van Manasse een erfenis gegeven, die aan den halven stam der kinderen van Manasse bleef, naar hun huisgezinnen;
39.
Joz 13,31
 
En het halve Gilead, en Astharôth, en Edréï, steden des koninkrijks van Og in Bazan, waren van de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, namelijk de helft der kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen.
40.
Joz 14,4
 
Want de kinderen van Jozef waren twee stammen, Manasse en Efraïm; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en derzelver voorsteden voor hun vee en voor hun bezitting.
 
 
41.
Joz 16,4
 
Alzo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen van Jozef, Manasse en Efraïm.
42.
Joz 16,9
 
En de steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van Efraïm, waren in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, al die steden en haar dorpen.
43.
Joz 17,1
 
De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan.
44.
Joz 17,2
 
Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiézer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semída. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, den zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen.
45.
Joz 17,3
 
Zeláfead nu, de zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.
46.
Joz 17,5
 
En aan Manasse vielen tien snoeren toe, behalve het land Gilead en Bazan, dat op gene zijde van de Jordaan is.
47.
Joz 17,6
 
Want de dochteren van Manasse erfden een erfdeel in het midden zijner zonen; en het land Gilead hadden de overgebleven kinderen van Manasse.
48.
Joz 17,7
 
Zodat de landpale van Manasse was van Aser af tot Michmetâth, die voor aan Sichem is; en deze landpale gaat ter rechterhand tot aan de inwoners van En-Tappûah.
49.
Joz 17,8
 
Manasse had wel het land van Tappûah, maar Tappûah zelve, aan de landpale van Manasse, hadden de kinderen van Efraïm.
50.
Joz 17,9
 
Daarna komt de landpale af naar de beek Kana tegen het zuiden der beek. Deze steden zijn van Efraïm in het midden der steden van Manasse; en de landpale van Manasse is aan het noorden der beek, en haar uitgangen zijn aan de zee.
51.
Joz 17,10
 
Het was van Efraïm tegen het zuiden, en tegen het noorden was het van Manasse, en de zee was zijn landpale; en aan het noorden stieten zij aan Aser, en aan het oosten aan Issaschar.
52.
Joz 17,11
 
Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jîbleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dôr en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dôr en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Tháänach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
53.
Joz 17,12
 
En de kinderen van Manasse konden de inwoners van die steden niet verdrijven; want de Kanaänieten wilden in hetzelve land wonen.
54.
Joz 17,17
 
Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraïm en tot Manasse, zeggende: Gij zijt een groot volk, en gij hebt grote kracht, gij zult geen een lot hebben;
55.
Joz 18,7
 
Want de Levieten hebben geen deel in het midden van ulieden; maar het priesterdom des HEEREN is hun erfdeel. Gad nu, en Ruben, en de halve stam van Manasse, hebben hun erfdeel genomen op gene zijde van de Jordaan, oostwaarts, hetwelk hun Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft.
56.
Joz 20,8
 
En aan gene zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van den stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van den stam van Gad; en Golan in Bazan, van den stam van Manasse.
57.
Joz 21,5
 
En aan de overgebleven kinderen van Kahath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van den stam van Efraïm, en van den stam van Dan, en van den halven stam van Manasse, tien steden.
58.
Joz 21,6
 
En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den halven stam van Manasse, in Bazan, bij het lot, dertien steden.
59.
Joz 21,25
 
En van den halven stam van Manasse, Tháänach en haar voorsteden, en Gath-Rimmon en haar voorsteden: twee steden.
60.
Joz 21,27
 
En aan de kinderen van Gerson, van de huisgezinnen der Levieten, van den halven stam van Manasse, de vrijstad des doodslagers, Golan in Bazan, en haar voorsteden, en Beësthera en haar voorsteden: twee steden.
 
 
61.
Joz 22,1
 
Toen riep Jozua de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse,
62.
Joz 22,7
 
Want aan de helft van den stam van Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Bazan; maar aan de andere helft van denzelven gaf Jozua een erfdeel bij hun broederen, aan deze zijde van de Jordaan westwaarts. Verder ook als Jozua hen liet trekken naar hun tenten, zo zegende hij hen.
63.
Joz 22,9
 
Alzo keerden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse wederom, en togen van de kinderen Israëls, van Silo, dat in het land Kanaän is, om te gaan naar het land van Gilead, naar het land hunner bezitting, in hetwelk zij bezitters gemaakt waren, naar den mond des HEEREN, door den dienst van Mozes.
64.
Joz 22,10
 
Toen zij kwamen aan de grenzen van de Jordaan, die in het land Kanaän zijn, zo bouwden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse aldaar een altaar aan de Jordaan, een altaar groot in het aanzien.
65.
Joz 22,11
 
En de kinderen Israëls hoorden zeggen: Ziet, de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd, tegenover het land Kanaän, aan de grenzen van de Jordaan, aan de zijde der kinderen Israëls.
66.
Joz 22,13
 
En de kinderen Israëls zonden aan de kinderen van Ruben, en aan de kinderen van Gad, en aan den halven stam van Manasse, in het land Gilead, Pínehas, den zoon van Eleázar, den priester;
67.
Joz 22,15
 
Toen zij tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot den halven stam van Manasse kwamen, in het land Gilead, zo spraken zij met hen, zeggende:
68.
Joz 22,21
 
Toen antwoordden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse, en zij spraken met de hoofden der duizenden van Israël:
69.
Joz 22,30
 
Toen de priester Pínehas, en de oversten der vergadering, en de hoofden der duizenden van Israël, die bij hem waren, de woorden hoorden, die de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de kinderen van Manasse gesproken hadden, zo was het goed in hun ogen.
70.
Joz 22,31
 
En Pínehas, de zoon van den priester Eleázar, zeide tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot de kinderen van Manasse: Heden weten wij, dat de HEERE in het midden van ons is, dewijl gij deze overtreding tegen den HEERE niet begaan hebt; toen hebt gijlieden de kinderen Israëls verlost uit de hand des HEEREN.
71.
Ri 1,27
 
En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Tháänach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dôr met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jîbleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaänieten wilden wonen in hetzelve land.
72.
Ri 6,15
 
En hij zeide tot Hem: Och, mijn Heer! waarmede zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in mijns vaders huis.
73.
Ri 6,35
 
Ook zond hij boden in gans Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; desgelijks zond hij boden in Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet.
74.
Ri 7,23
 
Toen werden de mannen van Israël bijeengeroepen, uit Nafthali, en uit Aser, en uit gans Manasse; en zij jaagden de Midianieten achterna.
75.
Ri 11,29
 
Toen kwam de Geest des HEEREN op Jeftha, dat hij Gilead en Manasse doortrok; want hij trok door tot Mizpa in Gilead, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Ammons.
76.
Ri 12,4
 
En Jeftha vergaderde alle mannen van Gilead, en streed met Efraïm; en de mannen van Gilead sloegen Efraïm, want de Gileadieten, zijnde tussen Efraïm en tussen Manasse, zeiden: Gijlieden zijt vluchtelingen van Efraïm.
77.
Ri 18,30
 
En de kinderen van Dan richtten voor zich dat gesneden beeld op; en Jónathan, de zoon van Gersom, den zoon van Manasse, hij en zijn zonen waren priesters voor den stam der Danieten, tot den dag toe, dat het land gevankelijk is weggevoerd.
78.
1 Kon 4,13
 
De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jaïr, den zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendelen.
79.
2 Kon 20,21
 
En Hizkía ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.
80.
2 Kon 21,1
 
Manasse was twaalf jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hefzi-bah.
 
 
81.
2 Kon 21,9
 
Maar zij hoorden niet; want Manasse deed hen dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had.
82.
2 Kon 21,11
 
Dewijl dat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die vóór hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen;
83.
2 Kon 21,16
 
Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN.
84.
2 Kon 21,17
 
Het overige der geschiedenissen van Manasse, en al wat hij gedaan heeft, en zijn zonde, die hij gezondigd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
85.
2 Kon 21,18
 
En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
86.
2 Kon 21,20
 
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; gelijk als zijn vader Manasse gedaan had.
87.
2 Kon 23,12
 
Verder de altaren die op het dak der opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis des HEEREN gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron.
88.
2 Kon 23,26
 
Nochtans keerde zich de HEERE van den brand Zijns groten toorns niet af, waarmede Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmede Manasse Hem getergd had.
89.
2 Kon 24,3
 
Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des HEEREN tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had;
90.
1 Kron 3,13
 
Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkía; zijn zoon was Manasse;
91.
1 Kron 5,18
 
Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.
92.
1 Kron 5,23
 
De kinderen nu van den halven stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baäl-Hermon, en Senir, en den berg Hermon.
93.
1 Kron 5,26
 
Zo verwekte de God Israëls den geest van Pul, den koning van Assyrië, en den geest van Tiglath-Pilnéser, den koning van Assyrië, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag.
94.
1 Kron 6,61
 
Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit den halven stam van half Manasse, bij het lot, tien steden.
95.
1 Kron 6,62
 
En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden.
96.
1 Kron 6,70
 
En uit den halven stam van Manasse: Aner en haar voorsteden, en Bíleam en haar voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen van Kahath hadden deze steden.
97.
1 Kron 6,71
 
De kinderen van Gerson hadden van de huisgezinnen van den halven stam van Manasse: Golan in Basan en haar voorsteden, en Astharôth, en haar voorsteden.
98.
1 Kron 7,14
 
De kinderen van Manasse waren Asriël, welken de vrouw van Gilead baarde; doch zijn bijwijf, de Syrische, baarde Machir, den vader van Gilead.
99.
1 Kron 7,17
 
De kinderen van Ulam nu waren Bedan; dezen zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.
100.
1 Kron 7,29
 
En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, Tháänach en haar onderhorige plaatsen, Megiddo en haar onderhorige plaatsen, Dor en haar onderhorige plaatsen. In deze hebben de kinderen van Jozef, den zoon van Israël, gewoond.
 
 
101.
1 Kron 9,3
 
Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen van Benjamin, en van de kinderen van Efraïm en Manasse;
102.
1 Kron 12,19
 
Er vielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden, alhoewel zij hen niet hielpen; want de vorsten der Filistijnen verlieten hem met raad, zeggende: Met gevaar van onze hoofden zou hij tot Saul, zijn heer, vallen.
103.
1 Kron 12,20
 
Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Józabad, en Jedíaël, en Míchaël, en Józabad, en Elíhu, en Zillethai; hoofden der duizenden, die in Manasse waren.
104.
1 Kron 12,31
 
En van den halven stam van Manasse achttien duizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken;
105.
1 Kron 12,37
 
En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend.
106.
1 Kron 27,20
 
Over de kinderen van Efraïm was Hoséa, de zoon van Azázja; over den halven stam van Manasse was Joël, de zoon van Pedája;
107.
1 Kron 27,21
 
Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zechárja; over Benjamin was Jaäsiël, de zoon van Abner;
108.
2 Kron 15,9
 
En hij vergaderde het ganse Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israël vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat de HEERE, zijn God, met hem was.
109.
2 Kron 30,1
 
Daarna zond Jehizkía tot het ganse Israël en Juda, en schreef ook brieven tot Efraïm en Manasse, dat zij zouden komen tot het huis des HEEREN te Jeruzalem, om den HEERE, den God Israëls, pascha te houden.
110.
2 Kron 30,10
 
Zo gingen de lopers door, van stad tot stad, door het land van Efraïm en Manasse, tot Zebulon toe; doch zij belachten hen, en bespotten hen.
111.
2 Kron 30,11
 
Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser, en Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem.
112.
2 Kron 30,18
 
Want een menigte des volks, velen van Efraïm en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet gelijk geschreven is. Doch Jehizkía bad voor hen, zeggende: De HEERE, die goed is, make verzoening voor dien,
113.
2 Kron 31,1
 
Als zij nu dit alles voleind hadden, togen alle Israëlieten, die er gevonden werden, uit, tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden, en hieuwen de bossen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit gans Juda en Benjamin, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden al de kinderen Israëls weder, een ieder tot zijn bezitting in hun steden.
114.
2 Kron 32,33
 
En Jehizkía ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven der zonen van David; daartoe deden gans Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijn dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.
115.
2 Kron 33,1
 
Manasse was twaalf jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem.
116.
2 Kron 33,9
 
Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had.
117.
2 Kron 33,10
 
De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op.
118.
2 Kron 33,11
 
Daarom bracht de HEERE over hen de krijgsoversten, die de koning van Assyrië had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.
119.
2 Kron 33,13
 
En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat de HEERE God is.
120.
2 Kron 33,18
 
Het overige nu der geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden der zieners, die tot hem gesproken hebben in den Naam van den HEERE, den God Israëls, ziet, die zijn in de geschiedenissen der koningen van Israël;
 
121.
2 Kron 33,20
 
En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
122.
2 Kron 33,22
 
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al den gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze.
123.
2 Kron 33,23
 
Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEEREN, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld.
124.
2 Kron 34,6
 
Daartoe in de steden van Manasse, en Efraïm, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom,
125.
2 Kron 34,9
 
En zij kwamen tot Hilkía, den hogepriester, en zij gaven het geld, dat ten huize Gods gebracht was, hetwelk de Levieten, die den dorpel bewaarden, vergaderd hadden uit de hand van Manasse en Efraïm, en uit het ganse overblijfsel van Israël, en uit gans Juda en Benjamin, en te Jeruzalem wedergekomen waren;
126.
Ezra 10,30
 
En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benája, Maäséja, Mattánja, Bezáleël, en Binnui, en Manasse.
127.
Ezra 10,33
 
Van de kinderen van Hasum: Mathnai, Máttata, Zabad, Elifélet, Jerémai, Manasse, Simeï.
128.
Ps 60,9
 
Gilead is mijn, en Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.
129.
Ps 80,3
 
Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraïm, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.
130.
Ps 108,9
 
Gilead is mijn, Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.
131.
Jes 9,20
 
Manasse Efraïm, en Efraïm Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
132.
Jer 15,4
 
En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken der aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkía, koning van Juda, om hetgeen hij te Jeruzalem gedaan heeft.
133.
Ez 48,4
 
En aan de landpale van Nafthali, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Manasse één.
134.
Ez 48,5
 
En aan de landpale van Manasse, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Efraïm één.

Amon:
 
 
1 Kon 22,26
De koning van Israël nu zeide: Neem Micha, en breng hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des konings;
 
2 Kon 21,18
En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
 
2 Kon 21,19
Amon was twee en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Mesullémet, een dochter van Haruz van Jotba.
 
2 Kon 21,23
En de knechten van Amon maakten een verbintenis tegen hem, en zij doodden den koning in zijn huis.
 
2 Kon 21,24
Maar het volk des lands versloeg allen, die tegen den koning Amon een verbintenis gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josía koning in zijn plaats.
 
2 Kon 21,25
Het overige nu der geschiedenissen van Amon, die hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
 
1 Kron 3,14
Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josía.
 
2 Kron 18,25
De koning van Israël nu zeide: Neemt Micha, en brengt hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des konings;
 
2 Kron 33,20
En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.
 
2 Kron 33,21
Amon was twee en twintig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem.
 
2 Kron 33,22
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al den gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze.
 
2 Kron 33,23
Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEEREN, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld.
 
2 Kron 33,25
Maar het volk des lands sloeg hen allen, die de verbintenis tegen den koning Amon gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josía koning in zijn plaats.
 
Neh 7,59
De kinderen van Sefátja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochéreth van Zebáïm, de kinderen van Amon;
 
Jer 1,2
Tot welken het woord des HEEREN geschiedde, in de dagen van Josía, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regering.
 
Jer 25,3
Van het dertiende jaar van Josía, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des HEEREN tot mij geschied; en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord.
 
Zef 1,1
Het woord des HEEREN, hetwelk geschied is tot Zefánja, den zoon van Cuschi, den zoon van Gedálja, den zoon van Amárja, den zoon van Hizkía; in de dagen van Josía, den zoon van Amon, den koning van Juda.
 
 
 
 

Josia:
 
1 Kon 13,2
En hij riep tegen het altaar, door het woord des HEEREN, en zeide: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: Zie, een zoon zal aan het huis Davids geboren worden, wiens naam zal zijn Josía; die zal op u offeren de priesters der hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.
 
2 Kon 21,24
Maar het volk des lands versloeg allen, die tegen den koning Amon een verbintenis gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josía koning in zijn plaats.
 
2 Kon 21,26
En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en zijn zoon Josía werd koning in zijn plaats.
 
2 Kon 22,1
Josía was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jedída, een dochter van Adája, van Bozkath.
 
2 Kon 22,3
Het geschiedde nu in het achttiende jaar van den koning Josía, dat de koning den schrijver Safan, den zoon van Azália, den zoon van Mesullam, zond in het huis des HEEREN, zeggende:
 
2 Kon 23,16
En als Josía zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op den berg waren, en zond henen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord des HEEREN, dat de man Gods uitgeroepen had, die deze woorden uitriep.
 
2 Kon 23,19
Daartoe nam Josía ook weg al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israël gemaakt hadden, om den HEERE tot toorn te verwekken; en hij deed dezelve naar al de daden, die hij te Beth-El gedaan had.
 
2 Kon 23,23
Maar in het achttiende jaar van den koning Josía, werd dit pascha den HEERE te Jeruzalem gehouden.
 
2 Kon 23,24
En ook deed Josía weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkía in het huis des HEEREN gevonden had.
 
2 Kon 23,28
Het overige nu der geschiedenissen van Josía, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?
 
2 Kon 23,29
In zijn dagen toog Faraö Necho, de koning van Egypte, op tegen den koning van Assyrië, naar de rivier Frath; en de koning Josía toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had.
 
2 Kon 23,30
En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Jóahaz, den zoon van Josía, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijns vaders plaats.
 
2 Kon 23,34
Ook maakte Faraö Necho Eljákim, den zoon van Josía, koning, in de plaats van zijn vader Josía, en veranderde zijn naam in Jójakim; maar Jóahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar.
 
1 Kron 3,14
Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josía.
 
1 Kron 3,15
De zonen van Josía nu waren dezen: de eerstgeborene Jóhanan, de tweede Jójakim, de derde Zedekía, de vierde Sallum.
 
2 Kron 33,25
Maar het volk des lands sloeg hen allen, die de verbintenis tegen den koning Amon gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josía koning in zijn plaats.
 
2 Kron 34,1
Josía was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.
 
2 Kron 34,33
Josía dan deed alle gruwelen weg uit alle landen, die der kinderen Israëls waren, en maakte allen, die in Israël gevonden werden, te dienen; te dienen den HEERE, hun God; al zijn dagen weken zij niet af van den HEERE, den God hunner vaderen, na te volgen.
 
2 Kron 35,1
Daarna hield Josía het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand.
 
2 Kron 35,7
En Josía gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van des konings have.
 
2 Kron 35,16
Alzo werd de ganse dienst des HEEREN op denzelfden dag beschikt, om pascha te houden, en brandofferen op het altaar des HEEREN te offeren, naar het gebod van den koning Josía.

2 Kron 35,18
Daar was ook geen pascha als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuël, den profeet, af; en geen koningen van Israël hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josía hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israël, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.

2 Kron 35,19
In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josía, werd dit pascha gehouden.

2 Kron 35,20
Na dit alles, toen Josía het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Kárchemis, aan den Frath; en Josía toog uit hem tegemoet.

2 Kron 35,22
Doch Josía keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.

2 Kron 35,23
En de schutters schoten den koning Josía. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.

2 Kron 35,24
En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josía.

2 Kron 35,25
En Jeremía maakte een klaaglied over Josía; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josía, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israël; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.

2 Kron 35,26
Het overige nu der geschiedenissen van Josía, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN;

2 Kron 36,1
Toen nam het volk des lands Jóahaz, den zoon van Josía, en zij maakten hem koning, in zijns vaders plaats, te Jeruzalem.

Jer 1,2
Tot welken het woord des HEEREN geschiedde, in de dagen van Josía, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regering.

Jer 1,3
Ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda, totdat voleind werd het elfde jaar van Zedekía, zoon van Josía, koning van Juda; totdat Jeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand.

Jer 3,6
Voorts zeide de HEERE tot mij, in de dagen van den koning Josía: Hebt gij gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging henen op allen hogen berg, en tot onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar.

Jer 22,11
Want zo zegt de HEERE van Sallum, den zoon van Josía, koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josía regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer wederkomen.

Jer 22,18
Daarom zegt de HEERE alzo van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broeder! of, och zuster! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit!

Jer 25,1
Het woord, dat tot Jeremía geschied is over het ganse volk van Juda, in het vierde jaar van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadrézar, koning van Babel);

Jer 25,3
Van het dertiende jaar van Josía, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des HEEREN tot mij geschied; en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord.

Jer 26,1
In het begin des koninkrijks van Jójakim, den zoon van Josía, koning van Juda, geschiedde dit woord van den HEERE, zeggende:

Jer 27,1
In het begin des koninkrijks van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremía, van den HEERE, zeggende:

Jer 35,1
Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, in de dagen van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, zeggende:

Jer 36,1
Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, dat dit woord tot Jeremía geschiedde van den HEERE, zeggende:

Jer 36,2
Neem u een rol des boeks, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israël, en over Juda, en over al de volken, van den dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josía aan, tot op dezen dag.

Jer 36,9
Want het geschiedde in het vijfde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor des HEEREN aangezicht uitriepen, allen volke te Jeruzalem, mitsgaders allen volke, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen.

Jer 37,1
En Zedekía, zoon van Josía, regeerde, koning zijnde, in plaats van Chonja, Jójakims zoon, welken Zedekía Nebukadrézar, de koning van Babel, koning gemaakt had in het land van Juda.

Jer 45,1
Het woord, dat de profeet Jeremía gesproken heeft tot Baruch, den zoon van Nerija, als hij die woorden uit den mond van Jeremía in een boek schreef, in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, zeggende:

Jer 46,2
Tegen Egypte; tegen het heir van Faraö Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrézar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda.

Zef 1,1
Het woord des HEEREN, hetwelk geschied is tot Zefánja, den zoon van Cuschi, den zoon van Gedálja, den zoon van Amárja, den zoon van Hizkía; in de dagen van Josía, den zoon van Amon, den koning van Juda.

Zach 6,10
Neem van de gevankelijk weggevoerden van Cheldaï, van Tobía, en van Jedája, en kom gij te dien dage, en ga in ten huize van Josía, den zoon van Zefánja, dewelke uit Babel gekomen zijn;
 
 
 
 

Eljákim=Jójakim:

2 Kon 23,34
Ook maakte Faraö Necho Eljákim, den zoon van Josía, koning, in de plaats van zijn vader Josía, en veranderde zijn naam in Jójakim; maar Jóahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar.

2 Kon 23,35
En Jójakim gaf dat zilver en dat goud aan Faraö; doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Faraö te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan Faraö Necho te geven.

2 Kon 23,36
Vijf en twintig jaren was Jójakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zebudda, een dochter van Pedája, van Ruma.

2 Kon 24,1
In zijn dagen toog Nebukadnézar, de koning van Babel, op, en Jójakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem.

2 Kon 24,5
Het overige nu der geschiedenissen van Jójakim, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?

2 Kon 24,6
En Jójakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jójachin werd koning in zijn plaats.

2 Kon 24,19
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat Jójakim gedaan had.

1 Kron 3,15
De zonen van Josía nu waren dezen: de eerstgeborene Jóhanan, de tweede Jójakim, de derde Zedekía, de vierde Sallum.

1 Kron 3,16
De kinderen van Jójakim nu waren: Jechónia zijn zoon, Zedekía zijn zoon.

2 Kron 36,4
En de koning van Egypte maakte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jójakim; maar zijn broeder Jóahaz nam Necho, en bracht hem in Egypte.

2 Kron 36,5
Vijf en twintig jaren was Jójakim oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods.

2 Kron 36,8
Het overige nu van de geschiedenissen van Jójakim, en zijn gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda; en Jójachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

Neh 12,10
Jésua nu gewon Jójakim, en Jójakim gewon Eljásib, en Eljásib gewon Jójada,

Neh 12,12
En in de dagen van Jójakim waren priesters, hoofden der vaderen: van Serája was Merája; van Jeremía, Hanánja;

Neh 12,26
Dezen waren in de dagen van Jójakim, den zoon van Jésua, den zoon van Józadak, en in de dagen van Nehemía, den landvoogd, en van den priester Ezra, den schriftgeleerde.

Jer 1,3
Ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda, totdat voleind werd het elfde jaar van Zedekía, zoon van Josía, koning van Juda; totdat Jeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand.

Jer 22,18
Daarom zegt de HEERE alzo van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broeder! of, och zuster! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit!

Jer 22,24
Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, ofschoon Chónia, de zoon van Jójakim, den koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken.

Jer 24,1
De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrézar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechónia, den zoon van Jójakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.

Jer 25,1
Het woord, dat tot Jeremía geschied is over het ganse volk van Juda, in het vierde jaar van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadrézar, koning van Babel);

Jer 26,1
In het begin des koninkrijks van Jójakim, den zoon van Josía, koning van Juda, geschiedde dit woord van den HEERE, zeggende:

Jer 26,21
En als de koning Jójakim, mitsgaders al zijn geweldigen, en al de vorsten zijn woorden hoorden, zocht de koning hem te doden; als Uría dat hoorde, zo vreesde hij, en vluchtte, en kwam in Egypte;

Jer 26,22
Maar de koning Jójakim zond mannen naar Egypte, Elnathan, den zoon van Achbor, en andere mannen met hem, in Egypte;

Jer 26,23
Die voerden Uría uit Egypte, en brachten hem tot den koning Jójakim, en hij sloeg hem met het zwaard, en hij wierp zijn dood lichaam in de graven van de kinderen des volks.

Jer 27,1
In het begin des koninkrijks van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremía, van den HEERE, zeggende:

Jer 27,20
Die Nebukadnézar, de koning van Babel, niet heeft weggenomen, als hij Jechónia, den zoon van Jójakim, koning van Juda, van Jeruzalem, naar Babel gevankelijk wegvoerde, mitsgaders al de edelen van Juda en Jeruzalem;

Jer 28,4
Ook zal Ik Jechónia, den zoon van Jójakim, koning van Juda, en allen, die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats wederbrengen, spreekt de HEERE; want Ik zal het juk des konings van Babel verbreken.

Jer 35,1
Het woord, dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, in de dagen van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, zeggende:

Jer 36,1
Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, dat dit woord tot Jeremía geschiedde van den HEERE, zeggende:

Jer 36,9
Want het geschiedde in het vijfde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor des HEEREN aangezicht uitriepen, allen volke te Jeruzalem, mitsgaders allen volke, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen.

Jer 36,28
Neem u weder een andere rol, en schrijf daarop al de eerste woorden, die geweest zijn op de eerste rol, die Jójakim, de koning van Juda, verbrand heeft.

Jer 36,29
En tot Jójakim, den koning van Juda, zult gij zeggen: Zo zegt de HEERE: Gij hebt deze rol verbrand, zeggende: Waarom hebt gij daarop geschreven, zeggende: De koning van Babel zal zekerlijk komen, en dit land verderven, en maken, dat mens en beest daarin ophouden?

Jer 36,30
Daarom zegt de HEERE alzo van Jójakim, den koning van Juda: Hij zal geen hebben, die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, des daags in de hitte, en des nachts in de vorst.

Jer 36,32
Jeremía dan nam een andere rol, en gaf ze aan den schrijver Baruch, den zoon van Nerija; die schreef daarop, uit den mond van Jeremía, al de woorden des boeks, dat Jójakim, de koning van Juda, met vuur verbrand had; en tot dezelve werden nog veel dergelijke woorden toegedaan.

Jer 45,1
Het woord, dat de profeet Jeremía gesproken heeft tot Baruch, den zoon van Nerija, als hij die woorden uit den mond van Jeremía in een boek schreef, in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, zeggende:

Jer 46,2
Tegen Egypte; tegen het heir van Faraö Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrézar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda.

Jer 52,2
En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat Jójakim gedaan had.

Dan 1,1
In het derde jaar des koninkrijks van Jójakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnézar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar.

Dan 1,2
En de Heere gaf Jójakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods.

 



Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen