Familie
de Gier
Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen
Stambomen Bijbel 1

Hoséa 1

DE PROFEET HOSEA
Israëls afgoderij wordt afgebeeld
Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hoséa, den zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkía, koningen van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, zoon van Joas, koning van Israël.
Het begin van het woord des HEEREN door Hoséa. De HEERE dan zeide tot Hoséa: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE.
Zo ging hij henen, en nam Gomer, een dochter van Diblaïm; en zij ontving; en baarde hem een zoon.
En de HEERE zeide tot hem: Noem zijn naam Jizreël, want nog een weinig tijds, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreël bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden.
En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël.
En zij ontving wederom, en baarde een dochter; en Hij zeide tot hem: Noem haar naam Lo-Rucháma; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israëls, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren.
Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren.
Als zij nu Lo-Rucháma gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon.
En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn.
10 Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods.
11 En de kinderen van Juda, en de kinderen Israëls zullen samenvergaderd worden, en zich een enig Hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn.
12 Zegt tot uw broederen: Ammi, en tot uw zusteren: Rucháma.

Hoséa 2

Het verbond Gods met Israël verbroken en daarna hernieuwd
Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen.
Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als ten dage, toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst;
En Mij harer kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen der hoererijen zijn.
Want hunlieder moeder hoereert, die henlieden ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn boelen nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven.
Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden.
En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan, en keren weder tot mijn vorigen Man, want toen was mij beter dan nu.
Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en den most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot den Baäl gebruikt hebben.
Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken.
En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen harer boelen; en niemand zal haar uit Mijn hand verlossen.
10 En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden en haar sabbatten, ja, al haar gezette hoogtijden.
11 En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boelen gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte des velds zal ze vreten.
12 En Ik zal over haar bezoeken de dagen des Baäls, waarin zij dien gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel, en haar halssieraad, en is haar boelen nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt de HEERE.
13 Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.
14 En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage, toen zij optoog uit Egypteland.
15 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE (YHVH), dat gij Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl!
16 En Ik zal de namen der Baäls van haar mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden.
17 En Ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels, en het kruipend gedierte des aardbodems; en Ik zal den boog, en het zwaard, en den krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen.
18 En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.
19 En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE kennen.
20 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, spreekt de HEERE (YHVH); Ik zal den hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren.
21 En de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders den most en de olie; en die zullen Jizreël verhoren.
22 En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-Rucháma; en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!
 

Genesis 10

Nakomelingschap van Noachs zonen
Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.
De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madái, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.
En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.
En de zonen van Javan zijn: Elísa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.
Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.
En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraïm, en Put, en Kanaän.(vervloekt door Noach)
En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havíla, en Sabta, en Raëma, en Sábtecha. En de zonen van Raëma zijn: Scheba en Dedan.
En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.
Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN.
10 En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.
11 Uit ditzelve land is Assur (Syrië: chams zoon)uitgegaan, en heeft gebouwd Nínevé, en Rehobôth, Ir, en Kálach.
12 En Resen, tussen Nínevé en tussen Kálach; deze is die grote stad.
13 En Mitsraïm gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,
14 En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.
15 En Kanaän gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
16 En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,
17 En den Hivviet, en den Arkiet, en den Siniet,
18 En den Arvadiet, en den Tsemariet, en den Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaänieten verspreid. (sexuele perversie)
19 En de landpale der Kanaänieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sódom (sodomie) en Gomórra, en Adama, en Zobóïm, tot Lasa toe.
20 Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken.
21 Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Jafeth, de grootste.
22 Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram.
23 En Arams zonen waren Uz, en Hul, en Gether, en Maz.
24 En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.
25 En Heber werden twee zonen geboren; des enen naam was Pelegwant in zijn dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan.
26 En Joktan gewon Almódad, en Selef, en Hatsarmáveth, en Járach,
27 En Hadóram, en Usal, en Dikla,
28 En Obal, en Abímaël, en Scheba,
29 En Ofir, en Havíla, en Jobab; deze allen waren zonen van Joktan.
30 En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten.
31 Deze zijn zonen van Sem, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, naar hun volken.
32 Deze zijn de huisgezinnen der zonen van Noach, naar hun geboorten, in hun volken; en van dezen zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.

Deuteronomium 32

Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.
Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israëls.
 

Genesis 11

Nakomelingschap van Sem (De gekozen mensen van Israel door YHWH)
10 Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en gewon Arfachsadtwee jaren na den vloed.
11 En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
12 En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij gewon Selah.
13 En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
14 En Selah leefde dertig jaren, en hij gewon Heber.
15 En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hij gewon zonen en dochteren.
16 En Heber leefde vier en dertig jaren, en gewon Peleg. (Mensen werden op de aarde verdeeld door de stad Babel)
17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
18 En Peleg leefde dertig jaren, en hij gewon Rehu.
19 En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
20 En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij gewon Serug.
21 En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
22 En Serug leefde dertig jaren, en gewon Nahor.
23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
24 En Nahor leefde negen en twintig jaren, en gewon Terah.
25 En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.
Nakomelingschap van Terah
26 En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran.
27 En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot.
28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeeën.
29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.
30 En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind.
31 En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeeën, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar.
32 En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.

Gomer (Hebreeuwse Bijbel)
Gomer was volgens de volkerenlijst en Genesis 10:2 een van de zeven zonen van Jafet, en kleinzoon van Noach. Naast Genesis komt Gomer ook voor 1 Kronieken 1: 5,6 en in het Joodse boek der Jubileeën. In deze bronnen staat dat hij de vader was van Askenaz, Rifath en Togarma.

Volgens de Romeinse geschiedschrijver Flavius Josephus was Gomer de voorvader van de Gomerianen (Germanen), de Galaten, de Kelten en de inwoners van Wales (hun taal werd oorspronkelijk ook Gomeraeg genoemd).

Van de Hebreeuwse naam ‘Gomer’ wordt algemeen aangenomen dat deze refereert aan de Cimmeriërs die rondtrokken door de Euraziatische steppe. Dit volk viel in de late 7e eeuw v. Chr. Assyrië binnen, en werd door de Assyriërs de ‘Gimmerai’ genoemd. In het Akkadisch stonden de Cimmeriërs bekend als de Gimirru.

Bronnen, noten en/of referenties
Bijbelboek Genesis 10, Bijbelboek 1 Kronieken 1, Boek der Jubileeën 9, Geschiedenis van de Joden (Antiquitates Judaicae), Flavius Josephus

1 Koningen 9

20 
Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Amorieten (Zuid-Irak) , Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusietendie niet waren van de kinderen Israëls;

Exodus 3

Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats der Kanaänieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten.

Genesis 32

28 Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.

De Volkerentafel
In dit artikel bespreken we de volkerentafel. We kijken allereerst naar Genesis 10 waar de volkerentafel beschreven staat. We zullen in het komende artikel per zoon/kleinzoon van Noach bekijken hoe de volkeren zich over de wereld verspreid hebben. Dat we nog niet alles weten blijkt uit de beschrijvingen van sommige kleinzonen van Noach.


Gomer
Ezechiël lokaliseert de vroege afstammelingen van Gomer samen met Togarma (een zoon van Gomer) als uit het uiterste noorden (Ezechiel 38:6). In het Armenisch worden ze ook wel Gamir genoemd. In een spijkerschrift heten ze Gimirrai. Bij de Grieken zijn ze bekend als de Cimmeriërs Ze woonden in de laatste periode van het Assyrische Rijk om de Zwarte Zee en bij de Kaspische Zee en gaven mede de stoot tot de val van Ninevé. Ze werden verdreven door de Elamieten. Ze werden verdreven naar het uiterste noorden. Flavius Josephus heeft beschreven dat de mensen die in zijn dagen Galaten of Galliërs genoemd werden voordien Gomerieten werden genoemd. Zij migreerden in westelijke richting, wat nu Frankrijk en Spanje heet. Heel lang werd Frankrijk aangeduid met de naam Gallië (Gaul), afgeleid van de afstammelingen van Gomer. Vandaar is er nog een streek in noordwest Spanje dat Galicia heet. Een aantal Gomerieten migreerden verder naar wat we nu Wales noemen. Welshman Davis zegt dat de Gomerieten vanuit Frankrijk kwamen ongeveer 300 jaar na de zondvloed. De taal van de Wesh wordt ook wel Gomeraeg genoemd.

Magog
De volgende die komt in de volkerentafel is Magog. Volgens Ezechiël leefde hij in het uiterste noorden (Ezechiël 38:15, 39:2). Over deze naam worden de wildste fantasieën gemaakt. In Ezechiël 28:2 staat en Gog vermeld dat hij een hoofdvorst was. Voor hoofd staat in het oorspronkelijk rosj. Daarom heeft een enkele uitlegger er van willen maken dat het een vorst de Russen was. Wie dat doet, zou ook naar consequentie overal in het O.T. kohen rosj kunnen vertalen niet als hoofdpriester of hogepriester maar als priester der Russen. Dit lijkt dus niet zo te zijn. Het Soemerisch geeft nog de duidelijkste verklaring: ma (land) en kug (donker); zo aldus wordt het land genoemd het land der buitenste duisternis, een ver naar het noorden liggend land, met lange en donkere winters. Dit klopt met de beschrijving dat dit volk verwant is aan de Kimmeriërs. Maar ze woonden nog verder naar het donkere onheilspellende noorden. Magog is de stamvader van de Scythen. Volgens de Encyclopedie Britannica was Scythia de oude naam voor een gebied wat nu onderdeel is van Roemenië en de Oekraïne. Een opvallende beschrijving van dit volk komt uit een vroeg Ierse genealogie. Het schijnt dat de Ieren van de Scythen afstammen. De Ieren werden lange tijd de schotten genoemd, zelfs voordat sommigen van hen migreerden naar het land, dat vandaag hun naam draagt. Brewer beschrijft het volgens het boek After the flood zo: “Scot is hetzelfde als Scyth in de etymologie; de wortel van beide is Sct. De Grieken kenden geen c en veranderden t in th, zodat de wortel veranderde in skth, en door een fonetische klinker toe te voegen krijgen we Skuthai (Scythen), en Skodiai (Skoths). De Welshen hielden niet van een s aan het begin van een woord, en veranderden dit in ys; zij veranderden ook de c of k in g, th in d; zodat de Welsche wortel werd Ysgd, en Skuth of Skoth werd ysgod. Vervolgens verwijderden de Saksen de Welsche y, en veranderden de g terug in een c, en de d in t, zodat Ysgod werd Scot.”

Madai
Deze naam biedt geen moeilijkheden. Het zou gaan over de Meden die in hun eigen Iranische taal Mada heetten. Zij schijnen een gemengd volk te zijn geweest. De adelklasse sprak een taal die vrijwel met het Oud-Perzisch overeenkwam, maar het gewone volk sprak Medisch. Ze hebben een tijdlang onder vazalschap van de Assyriërs geleefd, maar hebben zich in de latere vervaltijd van dit volk van hen onafhankelijk gemaakt. Na de periode van Cyrus, werden de Meden altijd in een adem genoemd met de Perzen. Zij vormden een koninkrijk met een wet, de wet van de Meden en Perzen (Daniël 6:8). Later werden ze eenvoudigweg Perzen genoemd. De Meden hebben ook India bevolkt. Samen met Sem’s zoon Elam zijn zij de voorouders van de hedendaagse Iraniërs die in 1995 hun land Iran noemde.

Javan
Jawan is het Hebreeuwse woord voor Griekenland. Het komt vijfmaal voor in het Oude Testament en elke keer wordt het woord Jawan gebruikt. Ze worden ook wel Joniërs genoemd, het werd een algemene naam voor de Griek. De eerste keer dat de naam voorkomt is in een spijkerschrift van de 7e eeuw voor Christus.

Tubal
Ezechiël vermeld hem samen met Gog en Mesech (Ezechiël 39:1). Josepus heeft hun naam vastgelegd als Thobelieten welke later bekend werden als Iberiërs. Hun land besloeg volgens een bron waarschijnlijk Georgië en waarvan de hoofdstad Tbilisi, nog steeds de naam Tubal in zich draagt. Vanuit hieruit doorkruisten deze mensen de bergen van de Kaukassus en migreerden ze naar het noordoosten. Hierbij verleenden ze hun stemnaam zowel waan de rivier de Tobol als de befaamde stad Tobolsk. Ik zelf en een andere bron vinden dat de Spanjaarden, Iberiërs en de Italianen hiervan afstammen. Het eiland van Spanje en Portugal noemen ze het Iberische schiereiland.

Mesech
Zijn volk wordt in een spijkerschriftinscriptie van 1170 voor Christus de Moesjki genoemd. Dit is een Klein-Aziatisch volk. Ze zaten meer in het westen van Klein-Azië. Sargon II, die leefde in de tijd van de profeet Jesaja, heeft gestreden tegen de koning Mita van Musjki. Deze koning bestreed Sargon indirect door allerlei rijkjes tegen hem op te richten. Deze koning is ook bekend uit een sage. Hij wordt daarin koning Midas genoemd. Volgens deze sage was hij zo rijk dat alles wat hij aanraakte veranderde in goud. Na deze vermelding zouden ze in de richting van Rusland getrokken zijn, want Mesech is de oude naam voor Moskou. Moskou is zowel de naam voor Rusland’s hoofdstad evenals voor de regio rondom de stad. Tot de dag van vandaag draagt een regio, de laaglanden van Mesera, nog steeds de naam Mesech (Meschera Lowland).

Tiras
Dit volk is bekend bij de Egyptenaren, uit de teksten van Farao Meren-Ptah die omstreeks 1231 voor Christus leefde. Zij noemen het volk Toeroesja. Dat waren toendertijd beruchte zeerovers, die de Westkust van Klein-Azië en daarvoor gelegen Griekse eilanden onveilig maakten. Volgens Flavius Josephus droegen de nakomelingen van Tiras de naam Thirasianen. De Grieken veranderde hun naam in Tracianen. Thrace reikte van Macedonië in het zuiden tot aan de rivier de Donau in het noorden en tot aan de Zwarte Zee in het oosten. De World Book Encyclopedia zegt het volgende over dit volk: “Het volk van Thrace bestond uit woeste Indo-Europeanen die hielden van oorlogvoering en plundering. Tiras werd vereerd door zijn nakomelingen als Thuras, of Thor, de god van de donder.” Waarschijnlijk werd dit volk van Klein-Azië verdrongen, daarna hebben ze zich gevestigd in Noord-Italië en werden ze de Ertrusken genoemd. Een zee daar in de buurt draagt nog steeds de naam de Tyrrheense Zee. De beschrijving van de World Book Encyclopedia doet ons vooral denken aan de Vikingen die ook al rovend en plunderend de andere volken aanvielen om hun buit, deze Scandinaviërs dienden ook de god Thor.


Na Tiras spitst de auteur van deze stamlijst nog toe op twee andere ‘twijgen’. Hij heeft een onderverdeling voor Gomer en Jawan.

De zonen van Gomer zijn:

Azkenaz
Het is niet zo makkelijk dit volk de identificeren. Misschien is het identiek met de Asjkoeza of Askuza. Uit Jeremia 51:27, waar de profeet ze combineert met de Ararat en Minni, blijkt dat ze uit het Armenische hoogland kwamen. Volgens de kanttekeningen is het de vader van de inwoners van Pontus en Bithynië. Later zou dit volk naar Europa gemigreerd zijn en zich daar in Duitsland gevestigd hebben. Dan zouden uit deze stamvader de Duitsers voortgekomen zijn. Azkenaz is het Hebreeuwse woord voor Duitsland dus het zou aardig in de buurt zitten.

Riphath
Men zoekt tegenwoordig ook wel bij het riviertje de Ribas of Rhebaios in Bithynië in het uiterste Noodwesten van Klein-Azië. Misschien is het volk wel zo genoemd, omdat het langs deze weg uit Europa Azië binnendrong. Een andere mening is dat men hier zou kunnen denken aan een stad Aripas, voorkomend in de inscripties die men gevonden heeft te Boghaz-Keui een stad die gelegen zou hebben in de omgeving van het tegenwoordige Erzerum.

Togarma
Uit Hethietische geschriften die stammen uit de veertiende eeuw voor Christus wordt de naam Tegarma aangetroffen, die bijna wel zeker identiek is aan Togarmah. Sargon II noemt dit volk de Tilgarimmoe. Waarschijnlijk is de naam Turkije van Togarma afgeleid. Dit volk zou waarschijnlijk in Armenië gelokaliseerd kunnen worden. De Armeniërs claimen namelijk dat ze van dit volk afstammen. Het land was beroemd door zijn paardenfokkerijen. Sommigen denken dat ze in het hoge noorden gelokaliseerd moeten worden en dat de Hoog-Duitsers hier afstammelingen van zijn.

De zonen van Jawan zijn:

Elisa
De meningen zijn erg verdeeld over dit volk. Sommigen houden het voor Carthago, andere voor het Griekse Peloponnesus, nog weer andere voor Sicilië of beneden Italië. In oude Amarna-brieven wordt Cyprus genoemd, er valt te denken aan de Feniciërs, het volk wat uit Elisa voortkomt staat namelijk bekend om de purperhandel. Veel denken aan Carthago omdat de eerste Fenisische koningin in deze kolonie, Dido, de bijnaam Elissa droeg. Scheppingofevolutie.nl zegt in een van hun vertaalde artikelen: “De Elisianen (een oud Grieks volk) kreeg overduidelijk hun naam van Elisa.” Geoffrey van Monmouth beschrijft in de Welshe kronieken opvallende beschrijvingen over deze Elisa. Allereerst is daar de afstammelingenlijst van de Britse voorvaderen. Deze luidt: “De eerste bewoners van Engeland waren de Britten, genoemd naar Brutus. Brutus was de zoon van Hessitio. Hessitio was de zoon van Alanus, de zoon van Rhea Silvia, de dochter van Numa Pompilius, de zoon van Ascanius. Ascanius was de zoon van Aeneas, de zoon van Anchises, de zoon van Trous, de zoon van Dardanus, de zoon van Elisah, de zoon van Javan, de zoon van Jafet.” Zo blijkt ook dat de genoemde Hessitio vier zonen had namelijk Francus, Romanus, Britto en Albanus. Zo zouden ook uit deze Elisah de Franken, Latijnen, Britten en de Albaniërs voortkomen. Volgens overleveringen begon de geschiedenis van de Britten bij de val van Troje. Waar Anchises met zijn zoon Aeneas vanuit de brandende ruïnes van Troje trokken naar een land dat nu Italië wordt genoemd. Uit de lijn van Aeneas wordt Brutus geboren. Zijn moeder stierf aan het kraambed, en toen Brutus een jongen van 15 was, schoot hij per ongelijk zijn vader dood met een pijl gedurende de jacht. Omdat hij de dood van zijn beide ouders had veroorzaakt, werd hij verbannen uit Italië. Brutus trok van Italië naar Griekenland. Daar kwam hij in contact met slaven. Dit waren de nakomelingen van de soldaten die tegen de Grieken hadden gevochten in de Trojaanse oorlogen in de 13e eeuw voor Christus. Toen zij hoorden dat Brutus afstamde van hun eigen vroegere koningen, accepteerden de Trojanen hem in hun eigen kring en kozen hem als hun leider. Ze vormden een leger en versloegen Pandrasus. Nadat zij deze hadden verslagen zeilden ze weg op zoek naar land waar zei zich konden vestigen. Ze voeren tussen de pilaren van Hercules door en zeilden richting Gallië onder leiding van Brutus. Ze kwamen aan land bij Totnes in Devon in de 12e eeuw voor Christus. Later werden het land en zijn bevolking genoemd naar hun leider Brutus. Brutus stichtte op dat eiland de stad Trinovantum of Nieuw-Troje, dat later de stad Londen werd. Brutus regeerde als eerste koning over zijn volk op dit eiland gedurende 23 jaar van ca. 1104-1081 voor Christus. En zo stammen de Britten af van deze Elisa.

Tarsis
Twee verklaringen voor dit volk. Als eerste wordt genoemd dat het hier gaat om de hoofdstad van Cilicië, zodat Tarsis de stamvader van de Ciliciërs is. Andere verklaringen vertellen ons dat Tarsis een stad is in Spanje. Hieruit zou je het Spaanse Tartessus af kunnen leiden. Dit lag volgens Herodotus buiten de zuilen van Hercules. Volgens de Griekse geograaf Strabo die ongeveer aan het begin van onze jaartelling leefde, zou de rivier die tegenwoordig de Guadalquivir heet eerst de naam Tartessus hebben gedragen, evenals ook de stad die aan de monding van deze rivier lag. Wij moeten ons Tarsis denken aan de Atlantische kust van het Iberische schiereiland. Dit bestond al in het jaar 1100 voor Christus. Baarslag voegt hier nog aan toe: “Het gaat hier waarschijnlijk over alle vreemde en verre handelsfactorijen in het westen van de Middellandse Zee.”

Chittim
Dit zijn naar alle waarschijnlijkheid inwoners van Cyprus geweest. Dit weren we omdat een stad aan de Zuid-oost kust van Cyprus lag de naam Kition had. Onder de Kittiërs in de engste zin moeten we dus de inwoners van de stad Kition verstaan, in een wat ruimere zin de inwoners van het gehele eiland Cyprus.

Dodanim
Enkele andere namen die hier aan gegeven worden zijn Rhodanim of de Rhodiërs. Aalders denkt dat het gaat over de Dardaniërs. Maar we hebben gezien dat Dardanus de zoon van Elisa was, daarom denk ik dat dit hier niet het geval is. Ik deel de mening met Baarslag die zegt dat de Rhodiërs bewoners zijn geweest van het eiland Rhodus (Rozeneiland) Hij zegt verder: “Hier hebben we nu bij de onderverdeling van Jawan, de Joniër voor het eerste echte Grieken voor ons. Al zijn het dan nog niet eens echte Joniërs maar Dorische Grieken.”


Nu worden de zonen van Cham genoemd. Deze zonen waren:

Kus
De naam Kus is het Hebreeuwse woord voor Oud-Ethiopië. In het Egyptisch luidt het woord Kasj. Hiervoor wordt veelal mee bedoeld het gebied ten zuiden van Egypte, beginnend bij de eerste grote Nijl-waterval, het tegenwoordige Nubië. Josephus geeft de naam weer als Chus en zegt dat de Ethiopiërs tot de dag van vandaag Chusieten genoemd worden. De kanttekeningen zeggen dat van deze Kus de moren en de Arabieren afkomstig zijn.

Mitsraïm
Hieruit zijn de Egyptenaren voort gekomen. Mizraïm is het Hebreeuws voor Egypte. Men vind deze naam op honderden plaatsen in het Oude Testament. Bijvoorbeeld bij de begrafenis van Jakob waar de Kanaänieten de rouwklacht van de Egyptenaren gadesloegen en daarom de naam Abel-Mitsraïm gaven aan die plaats. Het is ook de naam van het land en de inwoners van dit land.

Put
Er zijn twee verschillende visies op dit volk. De eerste visie: Put is de Hebreeuwse naam voor Libië. Dit komt driemaal voor in het Oude Testament. In de dagen van Daniël werd de naam veranderd in Libië. Flavius Josephus zegt: “Put was ook de oprichter van Libië, en hij vernoemde de inwoners naar zichzelf, Putieten.” Volgens de kanttekeningen zou er in Libië een rivier zijn met de naam Put.
De tweede visie: Het land wordt vaak bij de Egyptenaren aangehaald met de naam: het wierookland Poent. Dit lag aan het Zuidelijke einde van de Rode Zee. Men zoekt het of in Zuidwest Arabië of aan de tegenoverliggende Somalikust. Waarschijnlijk heeft men het te zoeken in het kustland van Abessynië maar ook mogelijk is dat het zich aan beide zijden van de Rode Zee bevond.

Kanaän
Dit is de stamvader van de Kanaänieten. Deze naam, die al in de Egyptische teksten van het Nieuwe Rijk (1350 v Chr.) en in de Amarna-brieven wordt aangetroffen, duidt in ruimeren zin het gehele gebied langs de Middellandse Zee kust aan, vanaf de Libanon tot aan de grens van Egypte. Dit is de regio die door de Romeinen werd aangeduid met Palestina, of het moderne Israël en Jordanië.


Net als bij Jafet krijgen we in de Bijbel hier ook weer een onderverdeling te zien. Deze onderverdeling geldt voor drie van de vier zonen van Cham. Alleen Put heeft geen onderverdeling. Ik beschrijf ze in de volgorde van de tekst. Allereerst zijn daar de zonen van Kus.

Seba
De eerder genoemde Griekse geograaf Strabo, zoekt het in Afrika en kent het volk als Saba aan de kust van de Rode Zee. Volgens Baarslag gaat het om Eritrea, het land tussen Abessynië en de Rode Zee. Het volk worden ook wel Sabeeërs genoemd.

Havila
Hierover is een grote verdeeldheid wat hier nu mee bedoeld wordt. De naam Havila betekend een zandstreek. Het zou dienst doen voor een Afrikaans woestijnland. Of het Arabische woestijnland. Men weet niet goed waar men dit moet zoeken.

Sabta
Men heeft hierin de naam Sabbatha of Zabata teruggevonden. Dit is de hoofdstad van Hadramauth. Ik heb gekeken in de Bosatlas waar dit ligt en ik vond het in het huidige Jemen, men noemt dit ook wel het wierookland van Zuid-Arabië.

Raema
In Sabeese inscripties komt deze naam in een vrijwel gelijke vorm voor en volgens Strabo zijn het waarschijnlijk de Rammanieten. We hebben ze te zoeken in Zuidwest Arabië.

Sabtecha
Sommigen denken hierbij aan een streek Samydake aan de oostelijke oever van de Perzische Golf, anderen zoeken deze stam liever aan de Rode Zee.

Scheba
We kunnen Scheba nog niet goed lokaliseren. Vast staat wel dat we het in Afrika moeten zoeken. Ze zouden ook Sabeeërs genoemd worden. Omdat deze al eerder genoemd zijn staan we hier voor een vraagstuk. Het zou kunnen zijn dat er twee verschillende stammen van Sabeeërs waren. Een in Midian (het bovengenoemde Seba) en een in Jemen het meest Zuidelijke gedeelte van Arabië (de hiergenoemde Scheba). Maar het zou zich ook in morenland kunnen bevinden zoals de kanttekeningen zeggen. Het land is bekend in de tijd van koning Salomo (koningin van Scheba).

Dedan
Deze stam is kennelijk in latere eeuwen naar het Noorden verhuisd. We weten nu dat het een Arabische stam is, die zijn woning moet hebben gehad op de grenzen van Edom’s grondgebied, vermoedelijk ten zuiden van Tema in Noordwest Arabië. Zo zouden de profeten Jesaja, Jeremia en Ezechiël spreken over deze stam.

Nimrod wil ik niet noemen omdat het hier gaat om maar een persoon die een heerser was over de genoemde steden.

De zonen van Mitsraïm waren:

Ludim
Ook voor deze is het onduidelijk waar ze gelokaliseerd moeten worden. Sommige denken aan de Lydiërs, die in Klein-Azië gewoond hebben en daar een machtig rijk hebben gevormd. Anderen denken dat ze in plaats van Loeb Loed moeten lezen, zo zou hun naam teruggevonden moeten worden in het volk van de Lybiërs die ten westen van de Nijldelta zouden wonen. Volgens de kanttekeningen is het de stamvader van het volk van Lydië in Mauritanië.

Anamim
Men houdt deze voor de stamvader van de Cyreneërs. Het zou een Hebreeuwse versie van het Egyptische woord Kenamieten zijn. Dit waren bewoners van de grote oase ten westen van Egypte.

Lehabim
Dit zou hetzelfde betekenen als Loebim, waarmee ongetwijfeld de Libiërs bedoeld worden. Verder wordt er niet veel over dit volk vermeld in de bronnen.

Naphtuhim
De kanttekeningen denken dat van dit volk de moren afkomstig zijn. Andere houden het voor de bewoners van Noord- Egypte. Egyptologen wijzen op het woord napatoech of napatuh wat het volk van de delta, betekent. We hebben al gezien dat de moren juist van Kus afkomstig zijn.

Pathrusim
Dit is het volk wat rond de stad Pathros in Egypte gewoond hebben. Het lag in het zuidelijke gedeelte van Egypte, ook wel bekend als Opper-Egypte. Het Egyptische woord patoresi betekend Zuiderland). Koning Esharradon van Assyrië (681-668 v Chr.) vermeldt de overwinning op de Paturisi.

Kasluhim
Uit dit volk zijn de Filistijnen voortgekomen. Volgens Amos 9:7 zijn ze uit Kaphtorim voortgekomen. We zullen dit zo uitleggen. De meningen liggen verdeeld waar Kasluhim gewoond heeft. Sommigen denken aan de Siwa-oase ten westen van Egypte. De meeste zien in dit volk, de bewoners van het gebied dat grenst aan de berg Kasios ten oosten van de Nijl-Delta en veronderstellen dat een deel van de Filistijnen omstreeks 1200 voor Christus zich in dat gebied had genesteld. De Filistijnen staan bij de Assyriërs bekend als de Palashtu en de Pilisti, en bij de Grieken als de Palastine, vandaar de latere naam Palestina. Na de verovering van Assyrië in de 8e eeuw v Chr. verdwijnen de Palestijnen als een samenhangende natie. Deze Filistijnen zouden voor een deel uit Kaphtor komen maar het grootste deel zou zich vanuit Noord-Egypte gevestigd hebben in Philistaea. Daarom staat in Amos wat over het verband met Kaphtor en de Filistijnen.

Kaphtorim
Over dit volk bestaat ook wat onenigheid. Sommigen denken dat met Kaphtor, Cappadocia moet worden bedoeld en refereren dit zo aan het vasteland van Klein-Azië. Anderen hebben een andere mening. Men heeft wel met grote zekerheid kunnen vaststellen, dat deze naam moet samenhangen met het Egyptische Kefto, dat al in de teksten uit de periode tussen 1600 en 1200 voor Chr. gevonden wordt. Onder dit Kefto wordt een vrij uitgebreid gebied verstaan, namelijk de Klein-Aziatische en de Griekse kusten en eilanden ten westen van Cyprus. Misschien is het wel een verspreid volk geweest met haar voornaamste plaats op Kreta maar ook hun afstammelingen in Capadocië en aan de kusten.

De zonen van Kanaän waren:

Sidon
Hij vestigde zich met zijn nakomelingen aan de Middellandse Zee. De stad Sidon is naar hem genoemd. Deze naam betekent hier niet alleen een bepaalde stad maar heel Fenicië of Phoenicië. De stad Sidon lag tussen de befaamde Phoenicische stad Tyrus en het tegenwoordige Beiroet.

Heth
Hij was de voorvader van de Hethieten. Ze worden volgens de Egyptische teksten Cheta genoemd en spijkerinscripties noemen het volk Chatti. De Hethieten waren het eerste volk dat ijzer smolt op grotere schaal. De Hethieten hadden tussen 1500 en 1200 voor Chr. een zeer machtig rijk. Dat zich aan de ene kant over Klein-Azië en aan de andere kant ver naar het Zuiden en Zuidoosten uitbreidde. Dit rijk kwam vaak in conflict met de Egyptische strijdkrachten. Een bekende en beroemde slag, is de slag bij Kadesh, het schijnt dat de Hethieten toen de Egyptenaren overwonnen. Hun hoofdstad lag in het hartje van Klein-Azië in de nabijheid van het tegenwoordige dorpje Boghaz-Keui. Daar heeft men duizenden kleitabletten met spijkerschrift teruggevonden die ons veel vertellen over de oude historie van dit volk.

Jebusi
Dit volk woonde in de omgeving van Jeruzalem. Dit was hun hoofdstad, in de Amarna tabletten wordt deze stad Urusalimmu genoemd.

Emori
Dit volk bewoonde in de tijd van Israëls intocht het Oost-Jordaanland en het gebergte van het West-Jordaanland. Bij de Summeriërs bekend als de Martu, en bij de Akkadiërs als Ammurru. Maar in vroegere tijden had het een machtig rijk ten Westen van Babylonië gevormd, en had het zelfs een tijd lang Babel beheerst, want Chammoerapi of ook wel bekend als Hammurabi was afkomstig uit deze Amoritische dynastie.

Girgasi
Deze naam is ontdekt in de geschriften van Ugariet als grgs en bngrgs, met andere woorden Girgash en zijn zonen. Ze zijn ook bekend in Hethietische bronnen als Kakisa of Qaraquisa. Ze vestigden zich ten oosten van de Jordaan tussen Galilea en de Dode Zee. Waarschijnlijk zijn hun nakomelingen de Gadarenen die in het Nieuwe Testament worden genoemd.

Hivvi
Dit volk is bij de oude Grieken bekend als Heualos. Dit zijn de voor-Israëlitische bewoners van Kanaän en deze waren in het bijzonder te vinden in Sichem en in Gibeon. Na de verovering van het land Kanaän door de Israëlieten trok dit volk naar het noorden richting het heuvelland van Libanon. Salomo gebruikte deze Hivvieten later als bouwers.

Arki
Dit zijn waarschijnlijk de bewoners van de stad Arqa. Dit volk wordt genoemd in de inscripties van Salmanasser II en Tiglath-Pileser III, beiden koning van Assyrië en beiden beschrijven de Arkieten als opstandig. Ook de Egyptenaren spreken over dit volk, in de Amarna-brieven hebben ze het over Irkata. Het is bekend dat zij Astarte vereerden. Tegenwoordig ligt deze stad ongeveer vijf uur ten noorden van Tripolis en is nog bekend als Tell-Arka.

Sini
Dit zijn waarschijnlijk de bewoners van de stad Sinna. De naam van dit volk treft men tegenwoordig aan in de bekende steden Nahr as-Sinn en Sinn Addarb.De Assyriërs noemen hen de Usana en Siannu. Deze stad lag iets ten zuiden van de rivier Arka in de buurt van de bovengenoemde stad.

Arvadi
Dit volk woonde in de havenstad Aradus of Arwad. Deze stad ligt nog weer noordelijker dan Arka. Ze vestigden zich op het eiland Arvad. Dit heet nu Ruad en ligt ongeveer 3 km ten noorden van de baai van Tripoli. Dit volk was beroemd in de oude wereld om hun kundige zeemanschap, en oogsten daarvoor de bewondering van de Assyriërs. In de Amarna-brieven worden zij Aewada genoemd.

Zemari
Dit zijn de inwoners van het tegenwoordig nietige plaatsje Soemra. Het ligt tussen Tripolis en Arwad in. In Egyptische teksten wordt dit plaatsje Samar genoemd. In Assyrische inscripties Simirra.

Hamathi
Dit zijn de bewoners van de stad Hamath. Deze stad ligt in Syrië aan de oever van de rivier de Orontes. Het volk is bij de Akkadiërs bekend als Amatu en bij de Egyptenaren als Hmtu. In 853 voor Chr. waren de mannen van Hamath succesvol in het terugdringen van Assyrische aanvallen in het westen met een leger van niet minder dan 63.000 man voetvolk, 2000 man lichte cavalerie, 4000 strijdwagens en 1000 kamelen. Dit was een Assyrische schatting van het leger. Sargon II van Assyrië veroverde uiteindelijk de stad en in 605 voor Chr. versloeg Nebukadnezar de Egyptische legers hier.


Als laatste worden de zonen van Sem genoemd:

Elam
Dit was de stichter van het Elamitische volk. Volgens Baarslag was dit volk verwant aan het voor-Maleise ras. Hun gebied moet geografisch gezien gezocht worden aan de Perzische Golf, ten Oosten van de benedenloop van de Tigris, in het Westen door Babylonië, in het Noorden door Medië. Elam is de oude naam voor Perzië, en Perzië is weer de oudere naam voor Iran. In oude tijden moet dit een zeer machtig rijk geweest zijn. Modernere Perzische inscripties vermelden Khuzistan als hun thuisland. De Perzen werden tot aan de periode van Cyrus Elamieten genoemd.

Assur
Dit is de stamvader van de Assyriërs. Dit volk komt van de oude volken het meeste voor in de Bijbel. We vinden bij de vertaling van Assyrië elke keer het Hebreeuwse woord Asshur tegen. Al vroeger dan 2000 voor Chr. vinden we de sporen van een zelfstandige Assyrische staat. Door deze staat werd Assur vereerd als God. Bil Cooper zegt: “Zo lang Assyrië bestond, dat is tot 612 v Chr., werden dagelijks verslagen van veldslagen, diplomatieke zaken en buitenlandse bulletins gelezen in zijn naam. Iedere Assyrische koning regeerde bij de gratie van Assur’s vergoddelijkte geest.”

Arphachsad
Hij was de voorvader van de Chaldeeën. Zijn naam komt waarschijnlijk overeen met Aep-keshed, de grensmoerassen van Chaldea. Het wordt ook bevestigd door de Hurriaanse tabletten (Nuzi) die zijn naam weergeven als Arip-hurra de stichter van Chaldea. Hun allereerste vestiging was waarschijnlijk wat tegenwoordig een ruïne is van 1,1 hectare, en nog steeds de naam Arpachiya draagt. Deze ruïne ligt ongeveer 6 km ten oosten van het oude Ninevé en is het overblijfsel van een zeer vroege landbouwnederzetting. Zijn nakomeling Eber gaf zijn naam aan het Hebreeuwse volk. Via de lijn van Peleg. Eber’s andere zoon Joktan, had 13 zonen die zich blijkbaar allemaal gevestigd hebben in Arabië.

Lud
Hij was de stamvader van de Lydiërs. Lydië bevond zich in wat nu West-Turkije heet. Hun hoofdstad was Sardis. Er is bekend dat de eerste Lydische koningen Semieten waren daardoor weet men ook dat Lud de afstammeling van Sem is. In spijkerteksten wordt Loebdi of Loebdoe genoemd. Het is een machtig rijk geweest.

Aram
Dit is de stamvader van de Syrische of Arameese volkerengroep. Al sinds 1500 v Chr. worden door hen sporen achtergelaten in de Historie. Een Assyrische Inscriptie van Tiglat Pileser I, van ca. 1100 voor Chr., wordt van de Arameeërs gezegd dat zij ten oosten van de Rivier de Tigris woonden. Ongeveer 400 jaar later, in de tijd van Tiglat-Pileser II, wordt er van hen gezegd dat zij leefden in heel Mesopotamië. Daarna wordt er van hen gezegd dat zij zich in het westen, in het gebied dat thans het moderne Syrië uitmaakt. In het Oude Testament wordt er regelmatig melding gemaakt van de Arameeërs of Syriërs. Een bekende Syrische koning is bijvoorbeeld Benhadad, die ten tijde van de profeet Elisa leefde.


Hier volgt weer een kleine onderverdeling. Dit geldt alleen voor Arams zonen. Joktan is enkele generaties verder en deze wil ik niet meer noemen.

Arams zonen waren:

Uz
Het land Uz komt vaker in de Bijbel voor. Zo woonde Job in het land Uz. Uit Klaagliederen 4:21 en Jeremia 25:20 kan worden opgemaakt dat het land ten zuiden van Kanaän te zoeken is. Omdat Klaagliederen meldt dat de dochter van Edom in het land Uz woont en Jeremia zegt ons dat het land Uz te vinden is tussen Egypte en de Filistijnen. Sommige lokaliseren het in Syrië omdat Uz goed aansluit bij de zoon van Nahor. Het zou er kunnen zijn dat er twee streken de naam Uz droegen en dat we met deze Uz te maken hebben met een landstreek tussen Egypte en Arabië, ten zuiden van Kanaän.

Hul
Zijn afstammelingen hebben zich ten noorden van het meer van Galilea gevestigd. Hij gaf de naam Huleh (de Bijbelse wateren van Merom) aan een meer net boven Galilea. De tegenwoordige Israeli’s hebben er een natuurreservaat opgericht en kennen de vallei als de Hula vallei.

Gether
Men lokaliseert zijn afstammelingen ten zuiden van Damascus. Sommigen menen er Gessoer te herkennen dat tussen Basan en Hermon in ligt. Verder is er niet veel bekend over dit volk.

Mas
De Babyloniërs duidden hen aan als Ma-a-soe. De Egyptenaren kennen het volk als Msh’r. Ze werden ook wel Mishal genoemd. Zijn afstammelingen vestigden zich in Libanon. In Kronieken heten ze ook Mesek. We moeten daarom uitkijken dat we dit volk niet verwarren met het Jafetitische Mesek.


(Het komende jaar hopen wij op deze site meer te publiceren over de afzonderlijke volkeren/dit is niet van mij maar van iemand anders overgenomen)

Gebruikte bronnen:

Bill Cooper, After the flood
Dr. G. Ch. Aalders, Het Boek Genesis (opnieuw uit den grondtekst vertaald en verklaard)
D.J. Baarslag, De Bijbelse geschiedenis
www.scheppingofevolutie.nl
De kanttekeningen bij de statenvertaling

Jeremía 51

27 Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijeen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt een krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts, als ruige kevers!

1 Johannes 2

15 Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.
16 Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.
17 En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.

Galaten 6

Vermaning tot broederlijke liefde
Broeders, indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.
Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.
Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.
Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een anderen.
Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.
En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen dengene, die hem onderwijst.
7 Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.
Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.
Doch laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.
10 Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs.
11 Ziet, hoe groten brief ik u geschreven heb met mijn hand.
12 Al degenen, die een schoon gelaat willen tonen naar het vlees, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden.
13 Want ook zij zelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden.
Christus' kruis onze enige roem
14 Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.
15 Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.
16 En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.
17 Voorts, niemand doe mij moeite aan; want ik draag de littekenen van den Heere Jezus in mijn lichaam.
18 De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen.

Johannes 16

Het werk van den Heiligen Geest
    7 
Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.
En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel:
Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven;
10 En van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en gij zult Mij niet meer zien;
11 En van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.
12 Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen.
13 Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.
14 Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.
15 Al wat de Vader heeft, is Mijn; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen.

Spreuken 19

29 
Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.

Hebreeën 12

En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt;
Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, dien Hij aanneemt.
Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?)
Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen.
Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven?
10 Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden.
11 En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn.
12 Daarom richt weder op de trage handen, en de slappe knieën;
13 En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.

Jakobus 4

Weerstand bieden aan twistgierigheid
Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren?
Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt.
Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt.
Overspelers en overspeleressen, weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.
Of meent gij, dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid?
Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.
Zo onderwerpt u dan God; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.
Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!
Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid.
10 Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.
11 Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter.
12 Er is een enig Wetgever, Die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die een anderen oordeelt?
Onzekerheid des levens
13 Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen.
14 Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinigtijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.
15 In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.
16 Maar nu roemt gij in uw hoogmoed; alle zodanige roem is boos.
17 Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.

Psalmen 19

De wet des HEEREN (YHVH) is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN (YHVH) is gewis, den slechte wijsheid gevende.
9 De bevelen des HEEREN (YHVH) zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN (YHVH) is zuiver, verlichtende de ogen.
10 De vreze des HEEREN (YHVH) is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN (YHVH) zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.
11 Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.
12 Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.
13 Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.
14 Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.
15 Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, HEERE (YHVH), mijn Rotssteen en mijn Verlosser!

Johannes 10

Gelijkenis van den goeden Herder
Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.
Maar die door de deur ingaat, is een herder der schapen.
Dezen doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit.
En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, overmits zij zijn stem kennen.
Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden; overmits zij de stem des vreemden niet kennen.
Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.
Yeshua dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur der schapen.
Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord.
Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden.
10 De dief komt niet, dan opdat hij stele, en slachte, en verderve; Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben.
11 Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.
12 Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen.
13 En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen.
14 Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend.
15 Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.
16 Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden één kudde, en één Herder.
17 Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme.
18 Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
19 Er werd dan wederom tweedracht onder de Joden, om dezer woorden wil.
20 En velen van hen zeiden: Hij heeft den duivel, en is uitzinnig; wat hoort gij Hem?
21 Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden eens bezetenen; kan ook de duivel der blinden ogen openen?

Natie onder YHVH's gerecht:
  1. Protection
  2. Economic strugle
  3. Wheater causing damage
  4. sickness
  5. famines
  6. Lack of jobs
  7. division (house divided)

Lukas 13

Boetprediking van Jezus
En er waren te dierzelfder tijd enigen tegenwoordig, die Hem boodschapten van de Galiléërs, welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had.
En Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galiléërs zondaars zijn geweest boven al de Galiléërs, omdat zij zulks geleden hebben?
Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.
Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen?
Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan.

1 Petrus 2

Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen;
En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen;
Indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is.
Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar;
Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.
Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.
U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis;
Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.
Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;
10 Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden.
De eerlijke levenswandel temidden der heidenen
11 Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;
12 En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.
13 Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende;
14 Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen.
15 Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;
16 Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God.
17 Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.
Plichten der dienstknechten
18 Gij huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig den heren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden.
19 Want dat is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte.
20 Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.
21 Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen;
22 Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden;
23 Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt;
24 Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.
25 Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.


1 Petrus 4

Leven en lijden als Christenen
Dewijl dan Christus voor ons in het vlees geleden heeft, zo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vlees geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde;
Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der mensen, maar naar den wil van God, den tijd, die overig is in het vlees, te leven.
Want het is ons genoeg, dat wij den voorgaande tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen;
Waarin zij zich vreemd houden, als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren;
Dewelke zullen rekenschap geven Dengene, Die bereid staat om te oordelen de levenden en de doden.
Want daartoe is ook den doden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mens in het vlees, maar leven zouden naar God in den geest.
En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden.
Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; want de liefde zal menigte van zonden bedekken.
Zijt herbergzaam jegens elkander, zonder murmureren.
10 Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve aan de anderen, als goede uitdelers der menigerlei genade Gods.
11 Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient, die diene als uit kracht, die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, Welken toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen.
12 Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u ietsvreemds overkwame;
13 Maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzo verblijdt u; opdat gij ook in de openbaring Zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen.
14 Indien gij gesmaad wordt om den Naam van Christus, zo zijt gij zalig; want de Geest der heerlijkheid, en de Geest van God rust op u. Wat hen aangaat, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, Hij wordt verheerlijkt.
15 Doch dat niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een, die zich met eens anders doen bemoeit;
16 Maar indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen dele.
17 Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?
18 En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen?
19 Zo dan ook die lijden naar den wil van God, dat zij hun zielen Hem, als den getrouwen Schepper, bevelen met weldoen.

Ezechiël 3

Ezechiël tot wachter over het huis Israëls aangesteld
16 Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen (7=compleet perfect), dat het woord des HEEREN (YHVH) tot mij geschiedde, zeggende:
17 Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.
18 Als Ik tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om den goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. ('Het is onze verantwoordelijkheid om de mensen te waarschuwen')
19 Doch als gij den goddeloze waarschuwt, en hij zich van zijn goddeloosheid en van zijn goddelozen weg niet bekeert, hij zal in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.
20 Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
21 Doch als gij den rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt; hij zal zekerlijk leven, omdat hij gewaarschuwd is; en gij hebt uw ziel bevrijd.

We are getting prepared for raining.
God has called me to be a watchman for this time for this season in preparation for his return in Yeshua's name. Amen.

2 Timoteüs 2

Aanwijzingen voor de omgang met dwaalleraren
14 Blijf dit de gelovigen voorhouden en roep hen ten overstaan van God dringend op om niet te redetwisten. Dat heeft geen enkel nut en leidt er alleen maar toe dat de toehoorders ten onder gaan.
Het gedrag tegen de dwaalleraren
14 Breng deze dingen in gedachtenis, en betuig voor den Heere, dat zij geen woordenstrijd voeren, hetwelk tot geen ding nut isdan tot verkering der toehoorders.
15 Span je in om voor God te staan als iemand die betrouwbaar is. Zorg dat je je niet voor je werk hoeft te schamen en verkondig regelrecht de waarheid.
15 Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.
16 Luister niet naar zinloos en leeg gezwets, want het voert steeds verder van God weg.
16 Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdelroepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen.
17 Wat dwaalleraren vertellen, woekert voort als een gezwel. Ook Hymeneüs en Filetus
17 En hun woord zal voorteten, gelijk de kanker; onder welke is Hymenéüs en Filétus;
18 zijn van de waarheid afgedwaald door te beweren dat de opstanding al heeft plaatsgevonden. Daarmee ondermijnen ze het geloof van anderen.
18 Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding alrede geschied is, en verkeren sommiger geloof.
19 Maar het fundament dat God gelegd heeft, ligt onwrikbaar vast en draagt het opschrift: ‘De Heer weet wie hem toebehoren’ en ‘Laat ieder die de naam van de Heer noemt, onrecht uit de weg gaan’.
19 Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een iegelijk, die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.
20 In een groot huis zijn er niet alleen voorwerpen van goud en zilver, maar ook van hout en aardewerk. De eerste zijn voor bijzondere gelegenheden, de laatste voor dagelijks gebruik.
20 Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; en sommige ter ere, maar sommige ter onere.
21 Als iemand zich van alle kwaad gereinigd heeft, wordt hij een bijzonder en geheiligd voorwerp, dat zijn eigenaar vele diensten kan bewijzen en geschikt is voor elk goed doel.
21 Indien dan iemand zichzelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid.
22 Mijd de begeerten van de jeugd, streef naar rechtvaardigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer met een zuiver hart aanroepen.
22 Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid; en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die den Heere aanroepen uit een rein hart.
23 Verwerp dwaze en onzinnige speculaties; je weet dat ze tot ruzie leiden.
23 En verwerp de vragen, die dwaas en zonder lering zijn, wetende, dat zij twistingen voortbrengen.
24 Een dienaar van de Heer moet geen ruzie maken, maar voor iedereen vriendelijk zijn; hij moet een goede leraar zijn en een verdraagzaam mens,
24 En een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leren, endie de kwaden kan verdragen;
25 en zijn tegenstanders zachtmoedig terechtwijzen. Dan brengt de Heer hen misschien tot inkeer, zodat zij de waarheid leren kennen
25 Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid;
26 en ontsnappen uit de valstrik van de duivel, die hen levend gevangen heeft genomen en hen dwingt zijn wil te doen.
26 En zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren totzijn wil.

'Het wakker worden uit de wereldse slaap'.

Romeinen 13

   11 En dit zeg ik te meerdewijl wij de gelegenheid des tijds wetendat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben.
12 De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts.
13 Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren (Pornografie) en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid;
14 Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.

Éfeze 5

Vermaning tot de navolging van God
Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;
En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, God tot een welriekenden reuk.
Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt,
Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veel meer dankzegging.
Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God.
Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.
Zo zijt dan hun medegenoten niet.
8 Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts.
(Want de vrucht des Geestes is in alle goedigheid, en rechtvaardigheid, en waarheid),
10 Beproevende wat den Heere welbehagelijk zij.
11 En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.
12 Want hetgeen heimelijk van hen geschiedt, is schandelijk ook te zeggen.
13 Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht.
14 Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.
15 Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.
16 Den tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn.
17 Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij.
18 En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;
19 Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart;
20 Dankende te allen tijd over alle dingen God en den Vader, in den Naam van onzen Heere Yeshua Messias;
21 Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods.

Romeinen 2

De Joden en de Wet
12 Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden;
13 (Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;
14 Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, dezen, de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet;
15 Als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende).
16 In den dag wanneer God de verborgene dingen der mensen zal oordelen door Yeshua Messias, naar mijn Evangelie.
17 Zie, gij wordt een Jood genaamd en rust op de wet; en roemt op God,
18 En gij weet Zijn wil, en beproeft de dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet;
19 En gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn;
20 Een onderrichter der onwijzen, en een leermeester der onwetenden, hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet.
21 Die dan een anderen leert, leert gij uzelven niet? Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt gij?
22 Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige?
23 Die op de wet roemt, onteert gij God door de overtreding der wet?
24 Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is.
De Joden en de besnijdenis
25 Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de wet doet; maar indien gij een overtreder der wet zijt, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden.
26 Indien dan de voorhuid de rechten der wet bewaart, zal niet zijn voorhuid tot een besnijdenis gerekend worden?
27 En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt, u niet oordelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt?
28 Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is;
29 Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.

Prediker 8

Ik zegNeem acht op den mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods.
Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.
Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?
Wie het gebod onderhoudt, zal niets kwaads gewaar worden; en het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten.
Want een ieder voornemen heeft tijd en wijze, dewijl het kwaad des mensen veel is over hem.
Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?
8 Er is geen mens, die heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden; en hij heeft geen heerschappij over den dag des doods; ook geen geweer in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid haar meesters niet verlossen.
Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon geschiedt: er is een tijd, dat de ene mens over den anderen mens heerst, hem ten kwade.
10 Alzo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenendie kwamen, en uit de plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad, in dewelke zij recht gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid.

Prediker 8

De zin van wat God doet
Wie heeft wijsheid? Wie kent de verklaring van de dingen? De wijsheid straalt de mens van het gezicht en verandert strenge ogen in een milde blik.
Ik geef je deze raad: Volg de bevelen van de koning op, zoals je hebt gezworen tegenover God. 
Onttrek je niet aan zijn gezag, voorkom problemen, want wanneer de koning iets beveelt gebeurt het ook. 
Zijn woord is wet; is er iemand die hem rekenschap kan vragen van zijn daden? 
Een wijs mens leeft zijn geboden na en heeft geen kwaad te duchten. Ook doet hij alles op de juiste tijd, want hij weet: 
voor alles wat gebeurt is er een juiste tijd. Een zware last is dat, voor ieder mens. Het is een kwade zaak, 
want niemand weet wat komen zal en hoe het later wordt. Wie kan daar iets over zeggen?
Niemand heeft macht over zijn adem, geen mens kan tegenhouden dat zijn adem vergaat. Niemand heeft macht over de dag waarop hij sterft, geen mens ontvlucht het slagveld van de dood. En ook het kwaad – het zal zijn dienaren niet redden.
Dit alles heb ik vastgesteld gedurende de tijd dat ik aandachtig keek naar alles wat gebeurt onder de zon, en zag dat een mens zijn macht misbruikt om een ander kwaad te doen.
10 Ik heb ook gezien hoe zondaars naar het graf werden gedragen. Op de heilige plaats werden ze in het graf gelegd en ze verlieten onder eerbetoon het leven. Maar de rechtvaardigen werden vergeten in de stad.Ook dat is enkel leegte.
11 Omdat een slechte daad niet snel bestraft wordt, is een mensenhart maar al te snel tot het kwaad geneigd. 
12 Een zondaar kan wel honderd maal kwaad doen en toch vele jaren leven. Natuurlijk weet ook ik: het zal een mens die ontzag voor God heeft goed vergaan – want hij heeft toch ontzag voor God? 
13 Een zondaar daarentegen zal het slecht vergaan: de schaduw van zijn levensdagen zal niet lengen – want hij heeft toch geen ontzag voor God? 
14 Maar is het hier op aarde niet een grote leegte dat rechtvaardigen ten deel valt wat zondaars verdienen, en zondaars wat rechtvaardigen verdienen? Ook dat – zeg ik – is leegte. 
15 Daarom prijs ik de vreugde, want er is onder de zon niets beters voor de mens dan dat hij zich aan eten en drinken te goed doet en geniet. De vreugde is zijn metgezel wanneer hij zwoegt op elke levensdag onder de zon die God hem heeft gegeven.
16 Ik zocht met heel mijn hart naar wijsheid. Alles wat de mens op aarde onderneemt, wilde ik doorgronden. Nooit geeft hij zijn ogen rust, dag noch nacht,
17 maar bij alles wat God doet onder de zon, zo heb ik ingezien, doet hij wat hij doet. De mens is niet in staat de zin ervan te vinden. Hij tobt zich af en zoekt ernaar, maar hij vindt hem niet, en al zegt de wijze dat hij inzicht heeft, ook hij is niet in staat de zin ervan te vinden.

Ezra 2

Register der eerste Joden, die met Zerubbábel in Juda zijn teruggekomen
Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnézar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijn stad;
Dewelken kwamen met Zerubbábel, Jésua, Nehemía, Serája, Reëlaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Báëna. Dit is het getal der mannen des volks van Israël.
 

Ezra 7

Koning Arthahsasta stuurt Ezra naar Jeruzalem
Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzië: Ezra, de zoon van Serája, den zoon van Azárja, den zoon van Hilkía,
Den zoon van Sallum, den zoon van Zadok, den zoon van Ahítub,
Den zoon van Amárja, den zoon van Azárja, den zoon van Merájoth,
Den zoon van Zeráhja, den zoon van Uzzi, den zoon van Bukki,
Den zoon van Abísua, den zoon van Pínehas, den zoon van Eleázar, den zoon van Aäron, den hoofdpriester.
Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die de HEERE, de God Israëls, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand des HEEREN, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek.
Ook sommigen van de kinderen Israëls, en van de priesteren en de Levieten, en de zangers, en de poortiers, en de Nethínim, togen op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van den koning Arthahsasta.
En hij kwam te Jeruzalem in de vijfde maand; dat was het zevende jaar dezes konings.
Want op den eersten der eerste maand was het begin des optochts uit Babel, en op den eersten der vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand zijns Gods over hem.
10 Want Ezra had zijn hart gericht, om de wet des HEEREN te zoeken en te doen, en om in Israël te leren de inzettingen en de rechten.
Volmacht aan Ezra
11 Dit is nu het afschrift des briefs, dien de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde; den schriftgeleerde van de woorden der geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen over Israël:
12 Arthahsasta koning der koningen, aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde der wet van den God des hemels, volkomen vrede en op zulken tijd.
13 Van mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israël, en van deszelfs priesteren en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga.
14 Dewijl gij van voor den koning en zijn zeven raadsheren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Judéa, en te Jeruzalem, naar de wet uws Gods, die in uw hand is;
15 En om henen te brengen het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwilliglijk gegeven hebben aan den God Israëls, Wiens woning te Jeruzalem is;
16 Mitsgaders al het zilver en goud, dat gij vinden zult in het ganse landschap van Babel, met de vrijwillige gave des volks en der priesteren, die vrijwilliglijk geven, ten huize huns Gods, dat te Jeruzalem is;
17 Opdat gij spoediglijk voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hun spijsofferen, en hun drankofferen, en die offert op het altaar van het huis van ulieder God, dat te Jeruzalem is.
18 Daartoe, wat u en uw broederen goeddunken zal, met het overige zilver en goud te doen, zult gijlieden doen naar het welgevallen uws Gods.
19 En geef de vaten, die u gegeven zijn tot den dienst van het huis uws Gods, weder voor den God van Jeruzalem.
20 Het overige nu, dat van node zal zijn voor het huis uws Gods, dat u voorvallen zal uit te geven, zult gij geven uit het schathuis des konings.
21 En van mij, mij, koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan gene zijde der rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde der wet van den God des hemels, van u zal begeren, spoediglijk gedaan worde;
22 Tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift.
23 Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde, voor het huis van den God des hemels; want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk des konings en zijner kinderen?
24 Ook laten wij ulieden weten, aangaande alle priesteren en Levieten, zangers, poortiers, Nethínim en dienaars van het huis dezes Gods, dat men den cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen.
25 En gij, Ezra, naar de wijsheid uws Gods, die in uw hand is, stel regeerders en richters, die al het volk richten, dat aan gene zijde der rivier is, allen, die de wetten uws Gods weten, en die ze niet weet, zult gijliedendie bekend maken.
26 En al wie de wet uws Gods en de wet des konings niet zal doen, over dien laat spoediglijk recht worden gedaan, hetzij ter dood, of tot uitbanning, of tot boete van goederen, of tot de banden.
Ezra dankt God
27 Geloofd zij de HEERE, de God onzer vaderen, Die alzulks in het hart des konings gegeven heeft, om te versieren het huis des HEEREN, dat te Jeruzalem is.
28 En heeft tot mij weldadigheid geneigd, voor het aangezicht des konings en zijner raadsheren, en aller geweldige vorsten des konings! Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand des HEEREN, mijns Gods, over mij, en de hoofden uit Israël vergaderd, om met mij op te trekken.

Ezra 8

Reisgenoten van Ezra en hun reis
1 Dit nu zijn de hoofden hunner vaderen, met hun geslachtsrekening, die met mij uit Babel optogen, onder het koninkrijk van den koning Arthahsasta.
Van de kinderen van Pínehas, Gersom; van de kinderen van Ithamar, Daniël; van de kinderen van David, Hattus.
Van de kinderen van Sechánja, van de kinderen van Paros, Zachárja; en met hem werden bij geslachtsregisters gerekend, aan manspersonen, honderd en vijftig.
Van de kinderen van Pahath-Moab, Eljehóënai, de zoon van Zeráhja; en met hem tweehonderd manspersonen.
Van de kinderen van Sechánja, de zoon van Jaháziël; en met hem driehonderd manspersonen.
En van de kinderen van Adin, Ebed, de zoon van Jónathan; en met hem vijftig manspersonen.
En van de kinderen van Elam, Jesája, de zoon van Athálja; en met hem zeventig manspersonen.
En van de kinderen van Sefátja, Zebádja, de zoon van Michaël; en met hem tachtig manspersonen.
Van de kinderen van Joab, Obádja, de zoon van Jehíël; en met hem tweehonderd en achttien manspersonen.
10 En van de kinderen van Selómith, de zoon van Josífja; en met hem honderd en zestig manspersonen.
11 En van de kinderen van Babai, Zachárja, de zoon van Bebai; en met hem acht en twintig manspersonen.
12 En van de kinderen van Azgad, Jóhanan, de zoon van Katan; en met hem honderd en tien manspersonen.
13 En van de laatste kinderen van Adónikam, welker namen deze waren: Elifélet, Jehíël, en Semája; en met hen zestig manspersonen.
14 En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen.
15 En ik vergaderde hen aan de rivier, gaande naar Ahava, en wij legerden ons aldaar drie dagen; toen lette ik op het volk en de priesteren, en vond aldaar geen van de kinderen van Levi.
16 Zo zond ik tot Eliëzer, tot Ariël, tot Semája, en tot Elnathan, en tot Jarib, en tot Elnathan, en tot Nathan, en tot Zachárja, en tot Mesullam, de hoofden; en tot Jójarib en tot Elnathan, de leraars;
17 En ik gaf hun bevel aan Iddo, het hoofd in de plaats Chasífja; en ik legde de woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo, zijn broeder, en de Nethínim, in de plaats Chasífja, dat zij ons brachten dienaars voor het huis onzes Gods.
18 En zij brachten ons, naar de goede hand onzes Gods over ons, een man van verstand, van de kinderen van Mahli, den zoon van Levi, den zoon van Israël; namelijk Sérebja, met zijn zonen en broederen, achttien;
19 En Hasábja, en met hem Jesája, van de kinderen van Merári, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;
20 En van Nethínim, die David en de vorsten ten dienste der Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig Nethínim, die allen bij namen genoemd werden.
21 Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods, om van Hem te verzoeken een rechten weg, voor ons, en voor onze kinderkens, en voor al onze have.
22 Want ik schaamde mij van den koning een heir en ruiters te begeren, om ons te helpen van den vijand, op den weg; omdat wij tot den koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten.
23 Alzo vastten wij; en verzochten zulks van onzen God; en Hij liet zich van ons verbidden.
24 Toen scheidde ik twaalf uit van de oversten der priesteren: Sérebja, Hasábja, en tien van hun broederen met hen.
25 En ik woog hun toe het zilver, en het goud, en de vaten, zijnde de offering van het huis onzes Gods die de koning en zijn raadsheren, en zijn vorsten, en gans Israël, die er gevonden werden, geofferd hadden;
26 Ik woog dan aan hun hand zeshonderd en vijftig talenten zilvers, en honderd zilveren vaten in talenten; aan goud, honderd talenten;
27 En twintig gouden bekers, tot duizend drachmen; en twee vaten van blinkend goed koper, begeerlijk als goud.
28 En ik zeide tot hen: Gij zijt heilig den HEERE, en deze vaten zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave, den HEERE, den God uwer vaderen.
29 Waakt en bewaart het, totdat gij het opweegt, in tegenwoordigheid van de oversten der priesteren en Levieten, en der vorsten der vaderen van Israël, te Jeruzalem, in de kameren van des HEEREN huis.
30 Toen ontvingen de priesters en de Levieten het gewicht des zilvers en des gouds, en der vaten, om te brengen te Jeruzalem, ten huize onzes Gods.
31 Alzo verreisden wij van de rivier Ahava, op den twaalfden der eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand des vijands, en desgenen, die ons lagen legde op den weg.
32 En wij kwamen te Jeruzalem; en wij bleven aldaar drie dagen.
33 Op den vierden dag nu werd gewogen het zilver, en het goud, en de vaten, in het huis onzes Gods, aan de hand van Merémoth, den zoon van Uría, den priester, en met hem Eleázar, de zoon van Pínehas; en met hem Józabad, de zoon van Jésua, en Noádja, de zoon van Binnui, de Levieten.
34 Naar het getal en naar het gewicht van dat alles; en het ganse gewicht werd ter zelfder tijd opgeschreven.
35 En de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden den God Israëls brandofferen; twaalf varren voor gans Israël, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ten brandoffer den HEERE.
36 Daarna gaven zij de wetten des konings aan des konings stadhouders en landvoogden aan deze zijde der rivier; en zij bevorderden het volk en het huis Gods.

Ezra 9

Rouw en gebed van Ezra over de gemengde huwelijken
Als nu deze dingen voleind waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israëls, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hun gruwelen, namelijk van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten.
Want zij hebben van hun dochteren genomen voor zichzelven en voor hun zonen, zodat zich vermengd hebben het heilig zaad met de volken dezer landen; ja, de hand der vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding.
Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat verbaasd neder.
Toen verzamelden zich tot mij allen, die voor de woorden van den God Israëls beefden, om de overtreding der weggevoerden; doch ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer.
En omtrent het avondoffer stond ik op uit mijn bedruktheid, als ik nu mijn kleed en mijn mantel gescheurd had; en ik boog mij op mijn knieën, en breidde mijn handen uit tot den HEERE, mijn God.
En ik zeide: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel.
Van de dagen onzer vaderen af zijn wij in grote schuld tot op dezen dag; en wij zijn om onze ongerechtigheden overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in de hand van de koningen der landen, in zwaard, in gevangenis, en in roof, en in schaamte des aangezichts, gelijk het is te dezen dage.
En nu is er, als een klein ogenblik, een genade geschied van den HEERE, onzen God, om ons een ontkoming over te laten, en ons een nagel te geven in Zijn heilige plaats, om onze ogen te verlichten, o onze God, en om ons een weinig levens te geven in onze dienstbaarheid.
Want wij zijn knechten; doch in onze dienstbaarheid heeft ons onze God niet verlaten; maar Hij heeft weldadigheid tot ons geneigd voor het aangezicht der koningen van Perzië, dat Hij ons een weinig levens gave, om het huis onzes Gods te verhogen, en de woestigheden van hetzelve op te richten, en om ons een tuin te geven in Juda en te Jeruzalem.
10 En nu, wat zullen wij zeggen, o onze God! na dezen? Want wij hebben Uw geboden verlaten,
11 Die Gij geboden hadt door den dienst Uwer knechten, de profeten, zeggende: Het land, waar gijlieden inkomt, om dat te erven, is een vuil land, door de vuiligheid van de volken der landen, om hun gruwelen, waarmede zij dat vervuild hebben, van het ene einde tot het andere einde, met hun onreinigheid.
12 Zo zult gij nu uw dochteren niet geven aan hun zonen, en hun dochteren niet nemen voor uw zonen, en zult hun vrede en hun best niet zoeken, tot in eeuwigheid; opdat gij sterk wordt, en het goede des lands eet, en uw kinderen doet erven tot in eeuwigheid.
13 En na alles, wat over ons gekomen is, om onze boze werken, en om onze grote schuld, omdat Gij, o onze God! belet hebt, dat wij niet te onder zijn vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons een ontkoming gegeven, als deze is;
14 Zullen wij nu wederkeren, om Uw geboden te vernietigen, en ons te verzwageren met de volken dezer gruwelen? Zoudt Gij niet tegen ons toornen tot verterens toe, dat er geen overblijfsel noch ontkoming zij?
15 O HEERE, God van Israël! Gij zijt rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te dezen dage. Zie, wij zijn voor Uw aangezicht in onze schuld; want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan, om zulks.

Ezra 10

De vreemde (Nephelims, Aliens) vrouwen weggezonden
Als Ezra alzo bad, en als hij deze belijdenis deed, wenende en zich voor Gods huis nederwerpende, verzamelde zich tot hem uit Israël een zeer grote gemeente van mannen, en vrouwen, en kinderen; want het volk weende met groot geween.
Toen antwoordde Sechánja, de zoon van Jehíël, een van de zonen van Elam, en zeide tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onzen God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken des lands bij ons doen wonen; maar nu, er is hope voor Israël, dezen aangaande.
Laat ons dan nu een verbond maken met onzen God, dat wij al die vrouwen, en wat van haar geboren is, zullen doen uitgaan, naar den raad des Heeren, en dergenen, die beven voor het gebod onzes Gods; en laat er gedaan worden naar de wet.
Sta op, want deze zaak komt u toe; en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het.
Toen stond Ezra op, en deed de oversten der priesteren, de Levieten en gans Israël zweren, te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren.
En Ezra stond op van voor Gods huis, en ging in de kamer van Jóhanan, den zoon van Eljásib; als hij daar kwam, at hij geen brood, en dronk geen water, want hij bedreef rouw over de overtreding der weggevoerden.
En zij lieten een stem doorgaan door Juda en Jeruzalem, aan al de kinderen der gevangenis, dat zij zich te Jeruzalem zouden verzamelen.
En al wie niet kwam in drie dagen, naar den raad der vorsten en der oudsten, al zijn have zou verbannen zijn; en hij zelf zou afgezonderd wezen van de gemeente der weggevoerden.
Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand op den twintigsten in de maand; en al het volk zat op de straat van Gods huis, sidderende om deze zaak, en vanwege de plasregenen.
10 Toen stond Ezra, de priester, op en zeide tot hen: Gijlieden hebt overtreden, en vreemde vrouwen bij udoen wonen, om Israëls schuld te vermeerderen.
11 Nu dan, doet den HEERE, uwer vaderen God, belijdenis en doet Zijn welgevallen, en scheidt u af van de volken des lands, en van de vreemde vrouwen.
12 En de ganse gemeente antwoordde en zeide met luider stem: Naar uw woorden, alzo komt het ons toe te doen.
13 Maar des volks is veel, en het is een tijd van plasregen, dat men hier buiten niet staan kan; en het is geen werk van één dag noch van twee; want velen onzer hebben overtreden in deze zaak.
14 Laat toch onze vorsten der ganse gemeente hierover staan, en allen, die in onze steden zijn, die vreemde vrouwen bij zich hebben doen wonen, op gezette tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad en derzelver rechters; totdat wij van ons afwenden de hittigheid des toorns onzes Gods, om dezer zake wil.
15 Alleenlijk Jónathan, de zoon van Asahel, en Jeházia, de zoon van Tikva, stonden hierover; en Mesullam, en Sábbethai, de Leviet, hielpen hen.
16 En de kinderen der gevangenis deden alzo; en Ezra, de priester, met de mannen, de hoofden der vaderen, naar het huis hunner vaderen, en zij allen, bij namen genoemd, scheidden zich af, en zij zaten op den eersten dag der tiende maand, om deze zaak te onderzoeken.
17 En zij voleindden het met alle mannen, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen, tot op den eersten dag der eerste maand.
18 En er werden gevonden van de zonen der priesteren, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen; van de zonen van Jésua, den zoon van Józadak, en zijn broederen, Maäséja, en Eliézer, en Jarib, en Gedálja.
19 En zij gaven hun hand, dat zij hun vrouwen zouden doen uitgaan; en schuldig zijnde, offerden zij een ram van de kudde voor hun schuld.
20 En van de kinderen van Immer: Hanáni en Zebádja.
43 Van de kinderen van Nebo: Jeíël, Mattithja, Zabad, Zebína, Jaddai, en Joël, Benája.
44 Alle dezen hadden vreemde vrouwen genomen; en sommigen van hen hadden vrouwen, waarbij zij kinderen gekregen hadden.

   

Keizer Augustus


De opkomst van Gaius Octavius

Keizer Augustus is in het jaar 63 voor Christus in Rome geboren. Hij heette toen nog niet Keizer Augustus, maar gewoon Gaius Octavius. Hij was een achterneef van Julius Caesar die hem al vroeg adopteerde. In 45 v. Chr. voegde Caesar hem zelfs toe aan zijn testament. Vanaf dat moment heette Gaius: Gaius Julius Caesar Octavianus.

Augustus schijnt een mooie man geweest te zijn (helaas zijn er geen foto’s van hem bewaard gebleven), maar hij had een zwakke gezondheid. Ondanks al zijn kwaaltjes werd hij toch 76 jaar oud.

De triumvirato
Toen Julius Caesar in 44 v. Chr. door Brutus en Cassius was vermoord, ontbrandde in Rome een machtsstrijd tussen Marcus Antonius (consul van Caesar), legeraanvoerder Lepidus en de toen 18-jarige Gaius Octavianus (die door Caesar testamentair was benoemd tot opvolger). Na wat onderling gekissebis spraken zij af dat zij gedrieën voor 5 jaar Rome zouden leiden. Dit verbond wordt wel de triumvirato genoemd.

De periode die toen volgde staat niet bekend als de meest vreedzame in de Romeinse geschiedenis. Octavianus liet onder andere Cicero, bekend jurist en voorzitter van de Senaat, ter dood brengen. Ook duizenden andere Romeinen kwamen om.

Octavianus en Marcus Antonius 
Politiek succes was er voor Antonius en Octavianus, toen zij gezamenlijk Brutus en Cassius uitschakelden in de Slag bij Philippi (42 v.Chr.). Lepidus werd uit hun Driemanschap gezet. Om hun onderlinge band te versterken trouwde Marcus Antonius met Octavia, de zus van Octavius.

Trouwen ja, maar de huwelijkse verplichtingen opvolgen ho maar. Niet lang na het huwelijk begon die schuinsmarcheerder van een Marcus Antonius een verhouding met de koningin van Egypte, Cleopatra. De machtsstrijd tussen de twee rivalen Antonius en Octavianus laaide op en mondde in 31 v. Chr. uit in een oorlog.

De verovering van Egypte 
In een zeeslag voor de Griekse kust versloeg een leger van Octavianus het leger van Cleopatra en Antonius. Antonius en Cleopatra vluchtten naar Egypte en pleegden daar zelfmoord. De zoon die Cleopatra nog had van Julius Caesar, Caesarion, werd vermoord. (Het is niet overigens niet bekend of de bandeloosheid die de Romeinse adel kenmerkte, ook opgang vond in het volk. Octavianus heeft er evenwel korte metten mee willen maken. Hij heeft zelfs zijn dochter – toen zij haar vriend weer eens voor een ander inruilde, uit Rome verbannen.)

Octavianus lijfde Egypte in bij het Romeinse Rijk en maakte zich meester van zijn goedgevulde schatkist. Daarmee werd Octavianus op 32-jarige leeftijd de onbetwiste heerser over het Romeinse Rijk. Dit was in het jaar 31 v. Chr.

Keizer Augustus 
Octavianus macht nam langzaam toe en in 27 v. Chr. kende de Senaat hem de eretitel "Augustus" (De Verhevene) toe. De regeringsvorm die toen ontstond wordt wel het "principaat" (keizerschap) genoemd. Terwijl Augustus aan het hoofd van de Romeinse Staat stond, bleven er voor de Senatoren genoeg kruimels over om niet in opstand te komen. (Wij brengen de lezer in herinnering dat de autoritaire wijze van regeren van Julius Caesar veel kwaad bloed gezet had. Hij werd "niet voor niets" om zeep gebracht.)

Octavianus, die nu dus Augustus heette, pakte de zaken iets slimmer aan. Zijn desondanks niet geringe macht berustte op de volgende elementen:

  • Hij beschikte over het vetorecht in de Senaat;
  • Hij was opperbevelhebber van het leger;
  • Hij werd opperpriester (Pontifex Maximus) van de Romeinse kerk.

    Pax Romana 
    Augustus wilde oorlog en onrust in het Romeinse Rijk vermijden. Door wegen aan te leggen kon het Romeinse leger snel ter plaatse zijn om opstanden de kop in te drukken. Op zee werd de handelsvloot beschermd tegen piraten. De periode van 200 jaar van vrede die aanbrak in het Romeinse Rijk wordt wel de Pax Romana genoemd. Augustus vond dat er alleen maar vrede kon heersen in een behoorlijk begrensd rijk dat ten dienste moest staan van een schitterende economische en culturele ontwikkeling. In de eerste plaats legde Augustus de grenzen van zijn keizerrijk vast. De handel, de industrie en de landbouw namen een bijzonder hoge vlucht rond de Middellandse Zee.

    Wie denkt dat alleen moderne heersers als Mao, Saddam Hoessein, Fidel Castro, Chirac of Gadaffi zich op buitensporige wijze laten verheerlijken heeft het mis. Augustus liet de grootheid van Rome in het algemeen en van zijn eigen prestaties in het bijzonder verkondigen in kunst en literatuur. Bekende schrijvers als Horatius, Vergilius en Livius werkten voor hem. Augustus en zijn naaste medewerkers (waaronder Agrippa) deden alles om Rome te verfraaien, vooral door het neerzetten van prachtige openbare gebouwen en talloze tempels. 'Ik trof Rome aan in baksteen en liet het na in marmer', zo verklaarde Augustus op de Romeinse t.v.

    De opvolgingskwestie 
    In de loop der jaren werd Augustus geconfronteerd met het probleem van zijn opvolging. De belangrijkste kandidaten stierven voortijdig. De enige oplossing die hem overbleef, was zijn stiefzoon Tiberius te adopteren en te benoemen tot mederegent.

    Augustus stierf in 14 n.C. tijdens een reis naar Campanië; hij was 76 jaar oud en had 45 jaar geregeerd. Een zelfgeschreven overzicht van zijn daden (Res Gestae divi Augusti) werd als inscriptie voor zijn mausoleum en op ander plaatsen in het rijk aangebracht.
     


    Bronnen voor dit artikel en ander interessant materiaal:

     

  • Meer informatie over Gaius Julius Caesar Octavianus (Augustus) vind je op Wikipedia
  • De RES GESTAE DIVI AUGUSTI in het Nederlands en in het Latijn
  • Bergen informatie over het Romeinse Rijk (Eng.)
  • Weer over Augustus, maar nu in het Italiaans
  • Een handige verzameling links over Augustus (Eng.)

Lukas 2

Geboorte van Jezus Christus
En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.
Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrénius over Syrië stadhouder was.
En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad.
En Jozef ging ook op van Galiléa, uit de stad Názareth, naar Judéa, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was);
Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was.
En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude.
En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.
 
                Heródus                                  Pontius Pilatus
 

Lukas 2

En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.
Besnijdenis van Jezus
21 En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.
22 En als de dagen harer reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes, brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij Hemden Heere voorstelden;
23 (Gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden.)
24 En opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.
33 En Jozef (stiefvader van Yeshua) en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd.

43 En de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet.
48 En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zeide tot Hem: Kind! waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht.
49 En Hij zeide tot hen: Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?
50 En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.
51 En Hij ging met hen af, en kwam te Názareth, en was hun onderdanig. En Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.

Lukas 23 

Jezus voor Pilatus
En de gehele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus.
En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.
En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het.
En Pilatus zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen Mens.
En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judéa, begonnen hebbende van Galiléa tot hier toe.
Als nu Pilatus van Galiléa hoorde, vraagde hij, of die Mens een Galileeër was;
En verstaande, dat Hij uit het gebied van Heródes was, zond hij Hem heen tot Heródes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.
Jezus voor Heródes
En als Heródes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.
En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.
10 En de overpriesters en de schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftiglijk.
11 En Heródes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.
12 En op denzelfde dag werden Pilatus en Heródes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap de een tegen den anderen.
Bar-abbas losgelaten
13 En als Pilatus de overpriesters, en de oversten, en het volk bijeengeroepen had, zeide hij tot hen:
14 Gij hebt dezen Mens tot mij gebracht, als een, die het volk afkerig maakt; en ziet, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen Mens geen schuld gevonden, van hetgeen daar gij Hem mede beschuldigt;
15 Ja, ook Heródes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden, en ziet, er is van Hem niets gedaan, dat des doods waardig is.
16 Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.
17 En hij moest hun op het feest een loslaten.
18 Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Dezen, en laat ons Bar-abbas los.
19 Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen.
20 Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten.
21 Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem!
22 En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.
23 Maar zij hielden aan met groot geroep, eisende, dat Hij zou gekruist worden; en hun en der overpriesteren geroep werd geweldiger.
24 En Pilatus oordeelde, dat hun eis geschieden zou.
25 En hij liet hun los dengene, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geëist hadden; maar Jezus gaf hij over tot hun wil.


Mat 2,1
Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judéa, in de dagen van den koning Heródes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.

Mat 2,3
De koning Heródes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem.

Mat 2,7
Toen heeft Heródes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was;

Mat 2,12
En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Heródes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.

Mat 2,13
Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Heródes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden.

Mat 2,15
En was aldaar tot den dood van Heródes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.

Mat 2,16
Als Heródes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.

Mat 2,19
Toen Heródes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte.

Mat 2,22
Maar als hij hoorde, dat Archeláüs in Judéa koning was, in de plaats van zijn vader Heródes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de delen van Galiléa.

Mat 14,1
Te dierzelfder tijd hoorde Heródes, de viervorst, het gerucht van Jezus;

Mat 14,3
Want Heródes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in den kerker gezet, om Heródias’ wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broeder.

Mat 14,6
Maar als de dag der geboorte van Heródes gehouden werd, danste de dochter van Heródias in het midden van hen, en zij behaagde aan Heródes.

Mar 6,14
En de koning Heródes hoorde het (want Zijn Naam was openbaar geworden), en zeide: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem.

Mar 6,16
Maar als het Heródes hoorde, zeide hij: Deze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt.

Mar 6,17
Want dezelve Heródes, enigen uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Heródias, de huisvrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had.

Mar 6,18
Want Johannes zeide tot Heródes: Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben.

Mar 6,20
Want Heródes vreesde Johannes, wetende, dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne.

Mar 6,21
En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Heródes, op den dag zijner geboorte, een maaltijd aanrichtte, voor zijn groten, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galiléa;

Mar 6,22
En als de dochter van dezelve Heródias inkwam, en danste, en Heródes en dengenen, die mede aanzaten, behaagde, zo zeide de koning tot het dochtertje: Eis van mij, wat gij ook wilt, en ik zal het u geven.

Mar 8,15
En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdesem der farizeeën, en van den zuurdesem van Heródes.

Luk 1,5
In de dagen van Heródes, den koning van Judéa, was een zeker priester, met name Zacharías, van de dagorde van Abía; en zijn vrouw was uit de dochteren van Aäron, en haar naam Elizabet.

Luk 3,1
En in het vijftiende jaar der regering van den keizer Tibérius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judéa, en Heródes een viervorst over Galiléa, en Filippus, zijn broeder, een viervorst over Ituréa en over het land Trachónitis, en Lysánias een viervorst over Abiléne;

Luk 3,19
Maar als Heródes, de viervorst van hem bestraft werd, om Heródias’ wil, de vrouw van Filippus, zijn broeder, en over alle boze stukken, die Heródes deed,

Luk 8,3
En Johanna, de huisvrouw van Chûsas, den rentmeester van Heródes, en Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen.

Luk 9,7
En Heródes, de viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem geschiedden; en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de doden was opgestaan;

Luk 9,9
En Heródes zeide: Johannes heb ik onthoofd; wie is nu Deze, van Welken ik zulke dingen hoor? En hij zocht Hem te zien.

Luk 13,31
Te dienzelfden dage kwamen er enige farizeeën, zeggende tot Hem: Ga weg, en vertrek van hier; want Heródes wil U doden.

Luk 23,7
En verstaande, dat Hij uit het gebied van Heródes was, zond hij Hem heen tot Heródes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.

Luk 23,8
En als Heródes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.

Luk 23,11
En Heródes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.

Luk 23,12
En op denzelfde dag werden Pilatus en Heródes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap de een tegen den anderen.

Luk 23,15
Ja, ook Heródes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden, en ziet, er is van Hem niets gedaan, dat des doods waardig is.

Hand 4,27
Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Heródes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls;

Hand 12,1
En omtrent denzelfden tijd sloeg de koning Heródes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen.

Hand 12,6
Toen hem nu Heródes zou voorbrengen, sliep Petrus dienzelfden nacht tussen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis.

Hand 12,11
En Petrus, tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Heródes, en uit al de verwachting van het volk der Joden.

Hand 12,19
En als Heródes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters rechtelijk ondervraagd had, gebood hij, dat zij weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judéa naar Cesaréa, en hield zich aldaar.

Hand 12,20
En Heródes had in den zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te krijgen; maar zij kwamen eendrachtelijk tot hem, en Blastus, die des konings kamerling was, overreed hebbende, begeerden vrede, omdat hun land gespijzigd werd van des konings land.

Hand 12,21
En op een gezetten dag, Heródes, een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op den rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen.

Hand 13,1
En er waren te Antiochíë, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Bárnabas, en Símeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyréne, en Mánahen, die met Heródes den viervorst opgevoed was, en Saulus.
 
Hand 23,35
Zeide hij: Ik zal u horen, als ook uw beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval, dat hij in het rechthuis van Heródes zou bewaard worden.



1 Kronieken 1

De generaties van Adam tot Abraham
Adam, Set, Enos, Kenan, Mahalalel, Jered, Henoch, Metuselach, Lamech, Noach, Sem, Cham en Jafet.
Zonen van Jafet: Gomer, Magog, Madai, Jawan, Tubal, Mesech en Tiras. Zonen van Gomer: Askenaz, Difat en Togarma.Zonen van Jawan: Elisa en Tarsis; andere nakomelingen van Jawan: Kittiërs en Rodanieten.
Zonen van Cham: Kus, Misraïm, Put en Kanaän. Zonen van Kus: Saba, Chawila, Sabta, Rama en Sabtecha. Zonen van Rama: Seba en Dedan. 10 Kus was ook de vader van Nimrod, de eerste machthebber op aarde. 11 Misraïm was de stamvader van de Ludieten, de Anamieten, de Lehabieten, de Naftuchieten, 12 de Patrusieten, de Kasluchieten – uit wie de Filistijnen zijn voortgekomen – en de Kretenzers. 13 Kanaän was de vader van Sidon, die de oudste was, en van Chet, 14 en de stamvader van de Jebusieten, Amorieten, Girgasieten, 15 Chiwwieten, Arkieten, Sinieten, 16 Arwadieten, Semarieten en Hamatieten.
17 Nakomelingen van Sem: Elam, Assur, Arpachsad, Lud en Aram, Us, Chul, Geter en Mesech. 18 Arpachsad was de vader van Selach, en Selach de vader van Eber. 19 Eber kreeg twee zonen. De ene heette Peleg; in zijn tijd werd de aarde verdeeld. De andere heette Joktan. 20 Joktan was de vader van Almodad, Selef, Chasarmawet, Jerach, 21 Hadoram, Uzal, Dikla, 22 Ebal, Abimaël, Seba, 23 Ofir, Chawila en Jobab. Zij allen waren zonen van Joktan.
24 Sem, Arpachsad, Selach, 25 Eber, Peleg, Reü, 26 Serug, Nachor, Terach, 27 Abram, dat is Abraham.
Afstammelingen van Abraham
28 Zonen van Abraham: Isaak en Ismaël.
29 Dit zijn hun nakomelingen: Nebajot, Ismaëls oudste zoon, Kedar, Adbeël, Mibsam, 30 Misma, Duma, Massa, Chadad, Tema, 31 Jetur, Nafis en Kedema. Dit waren de zonen van Ismaël.
32 Zonen van Ketura, een bijvrouw van Abraham: zij baarde Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. Zonen van Joksan: Seba en Dedan. 33 Zonen van Midjan: Efa, Efer, Chanoch, Abida en Eldaä. Zij allen waren nakomelingen van Ketura.
34 Abraham verwekte Isaak. Zonen van Isaak: Esau en Israël. 35 Zonen van Esau: Elifaz, Reüel, Jeüs, Jalam en Korach.36 Zonen van Elifaz: Teman, Omar, Sefi, Gatam, Kenaz, Timna en Amalek. 37 Zonen van Reüel: Nachat, Zerach, Samma en Mizza.
38 Zonen van Seïr: Lotan, Sobal, Sibon, Ana, Dison, Eser en Disan. 39 Zonen van Lotan: Chori en Homam; de zuster van Lotan was Timna. 40 Zonen van Sobal: Aljan, Manachat, Ebal, Sefi en Onam. Zonen van Sibon: Ajja en Ana. 41 Zoon van Ana: Dison. Zonen van Dison: Chamran, Esban, Jitran en Keran. 42 Zonen van Eser: Bilhan, Zaäwan en Jaäkan. Zonen van Disan: Us en Aran.
43 Dit zijn de koningen die in Edom geregeerd hebben nog voordat er een koning regeerde over de Israëlieten. Eerst Bela, de zoon van Beor; de stad waar hij zetelde heette Dinhaba. 44 Na de dood van Bela werd Jobab uit Bosra koning, de zoon van Zerach. 45 Na de dood van Jobab werd Chusam uit het land van de Temanieten koning. 46 Na de dood van Chusam werd Hadad koning, de zoon van Bedad; hij versloeg de Midjanieten in Moab en de stad waar hij zetelde heette Awit. 47 Na de dood van Hadad werd Samla uit Masreka koning. 48 Na de dood van Samla werd Saül uit Rechobot aan de rivier koning.49 Na de dood van Saül werd Baäl-Chanan, de zoon van Achbor, koning. 50 Na de dood van Baäl-Chanan werd Hadad koning; de stad waar hij zetelde heette Paï, en zijn vrouw was Mehetabel, die een dochter was van Matred, de dochter van Me-Zahab. 51 Toen stierf Hadad.
Er waren ook stamvorsten in Edom: Timna, Alja, Jetet, 52 Oholibama, Ela, Pinon, 53 Kenaz, Teman, Mibsar, 54 Magdiël en Iram. Dit waren de stamvorsten van Edom.

Stamboom van Adam tot Izak
1
Adam, Seth, Enos,
Kenan, Mahalal-el, Jered,
Henoch, Methúsalah, Lamech,
Noach, Sem, Cham en Jafeth.
De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.
En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogárma.
En de kinderen van Javan waren Elísa en Tharsísa, de Chittieten en Dodanieten.
De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraïm, Put, en Kanaän.
En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havíla, en Sabta, en Ráëma, en Sábtecha; en de kinderen van Ráëma waren Scheba en Dedan.
10 Cusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.
11 En Mitsraïm gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,
12 En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van welke de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten.
13 Kanaän nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
14 En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,
15 En den Heviet, en den Arkiet, en den Siniet,
16 En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.
17 De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.
18 Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.
19 Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam des enen was Peleg, omdat in zijn dagen het aardrijk verdeeld is, en de naam zijns broeders was Joktan.
20 En Joktan gewon Almódad, en Selef, en Hazarmáveth, en Jerah,
21 En Hadóram, en Uzal, en Dikla,
22 En Ebal, en Abímaël, en Scheba,
23 En Ofir, en Havíla, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.
24 Sem, Arfachsad, Selah,
25 Heber, Peleg, Rehu,
26 Serug, Nahor, Terah,
27 Abram; die is Abraham.
28 De kinderen van Abraham waren Izak en Ismaël.
29 Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van Ismaël was Nebájoth, en Kedar, en Adbeël, en Mibsam,
30 Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema,
31 Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismaël.
32 De kinderen nu van Ketûra, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Mídian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.
33 De kinderen van Mídian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abída, en Eldáä. Die allen waren zonen van Ketûra.
34 Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israël.
Stamboom der Edomieten
35 En de kinderen van Ezau: Elífaz, Rehuël, en Jehus, en Jáëlam, en Korah.
36 De kinderen van Elífaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gáëtham, Kenaz, en Timna, en Amalek.
37 De kinderen van Rehuël waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.
38 De kinderen van Seïr nu waren Lotan, en Sobal, en Zíbeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Disan.
39 De kinderen van Lotan nu waren Hori en Homam; en de zuster van Lotan was Timna.
40 De kinderen van Sobal waren Aljan, en Manáhath, en Ebal, Sefi en Onam; en de kinderen van Zíbeon waren Aja en Ana.
41 De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.
42 De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Záävan, en Jáäkan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.
43 Dit nu zijn de koningen, die geregeerd hebben in het land van Edom, eer er een koning regeerde over de kinderen Israëls: Bela, de zoon van Beor; en de naam zijner stad was Dinhába.
44 En Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.
45 En Jobab stierf, en Husam, uit het land der Themanieten, regeerde in zijn plaats.
46 En Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg; en de naam zijner stad was Avith.
47 En Hadad stierf, en Samla, van Masréka, regeerde in zijn plaats.
48 En Samla stierf, en Saul, van Rehobôth aan de rivier, regeerde in zijn plaats.
49 En Saul stierf, en Baäl-Hánan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
50 Als Baäl-Hánan stierf, zo regeerde Hadad in zijn plaats, en de naam zijner stad was Pahi, en de naam zijner huisvrouw was Mehetábeël, de dochter van Matred, dochter van Mee-sahab.
51 Toen Hadad stierf, zo werden vorsten in Edom: de vorst Timna, de vorst Alja, de vorst Jetheth,
52 De vorst Aholi-báma, de vorst Ela, de vorst Pinon,
53 De vorst Kenaz, de vorst Theman, de vorst Mibzar,
54 De vorst Magdiël, de vorst Iram. Dezen waren de vorsten van Edom.

1 Kronieken 2

De kinderen van Israël en nakomelingen van Juda
Dezen zijn de kinderen van Israël: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,
Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaänietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEEREN; daarom doodde Hij hem.
Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.
De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.
En de kinderen van Charmi waren Achan, de beroerder van Israël, die zich aan het verbannene vergreep.
De kinderen van Ethan nu waren Azária.
En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jeráhmeël, en Ram, en Chelúbai.
10 Ram nu gewon Amminádab, en Amminádab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;
11 En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz.
12 En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isaï,
13 En Isaï gewon Elíab, zijn eerstgeborene, en Abinádab, den tweede, en Simea, den derde,
14 Nethaneël, den vierde, Raddai, den vijfde,
15 Ozem, den zesde, David, den zevende.
16 En hun zusters waren Zerúja en Abigáïl. De kinderen nu van Zerúja waren Abísai, en Joab en Asa-El; drie.
17 En Abigáïl baarde Amása; en de vader van Amása was Jether, een Ismaëliet.
Nakomelingen van Kaleb
18 Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azúba, zijn vrouw, en uit Jeríoth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.
19 Als nu Azúba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.
20 En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezáleël.
21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.
22 Segub nu gewon Jaïr; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.
23 En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken van Jaïr, van dezelve, met Kenath, en haar onderhorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader van Gilead.
24 En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abía, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekóa.
25 De kinderen van Jeráhmeël nu, den eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahía.
26 Jeráhmeël had nog een andere vrouw, welker naam was Atára; zij was de moeder van Onam.
27 En de kinderen van Ram, den eerstgeborene van Jeráhmeël waren Maäz, en Jamin, en Eker.
28 En de kinderen van Onam waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abísur.
29 De naam nu der huisvrouw van Abísur was Abíháïl: die baarde hem Achban en Molid.
30 En de kinderen van Nadab waren Seled en Appáïm; en Seled stierf zonder kinderen.
31 En de kinderen van Appáïm waren Jiseï; en de kinderen van Jiseï waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.
32 En de kinderen van Jada, den broeder van Sammai, waren Jether en Jónathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.
33 De kinderen van Jónathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jeráhmeël.
34 En Sesan had geen zonen, maar dochteren. En Sesan had een Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha.
35 Sesan nu gaf zijn dochter aan zijn knecht Jarha tot een vrouw; en zij baarde hem Attai.
36 Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad,
37 En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,
38 En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azária,
39 En Azária gewon Helez, en Helez gewon Elása,
40 En Elása gewon Sismai, en Sismai gewon Sallum,
41 En Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisáma.
42 De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jeráhmeël, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Marésa, den vader van Hebron.
43 De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappúah, en Rekem, en Sema.
44 Sema nu gewon Raham, den vader van Jórkeam, en Rekem gewon Sammai.
45 De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.
46 En Efa, het bijwijf van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.
47 De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saäf.
48 Uit het bijwijf Máächa gewon Kaleb: Seber en Tirhana.
49 En de huisvrouw van Saäf, den vader van Madmánna, baarde Seva, den vader van Machbéna, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.
50 Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jeárim;
51 Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.
52 De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jeárim, waren Haroë en Hazihammenúchoth.
53 En de geslachten van Kirjath-Jeárim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraïeten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraïeten en de Esthaolieten.
54 De kinderen van Salma waren de Bethlehemieten, en de Netofathieten, Atroth, Beth-Joab, en de helft der Manathieten,en de Zorieten.
55 En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.
 


Noach: Japhet: Gomer


Gen 10:2
The sons of Japheth; Gomer, and Magog, and Madai, and Javan, and Tubal, and Meshech, and Tiras.

Gen 10:3
And the sons of Gomer; Ashkenaz, and Riphath, and Togarmah.

1Ch 1:5
The sons of Japheth; Gomer, and Magog, and Madai, and Javan, and Tubal, and Meshech, and Tiras.

1Ch 1:6
And the sons of Gomer; Ashchenaz, and Riphath, and Togarmah.

Eze 38:6
Gomer, and all his bands; the house of Togarmah of the north quarters, and all his bands: and many people with thee.

Eze 27:14
They of the house of Togarmah traded in thy fairs with horses and horsemen and mules.

Eze 27:19
Dan also and Javan going to and fro occupied in thy fairs:
bright iron, cassia, and calamus, were in thy market.

Gen 10:2
The sons of Japheth; Gomer, and Magog, and Madai, and Javan, and Tubal, and Meshech, and Tiras.

Gen 10:4
And the sons of Javan; Elishah, and Tarshish, Kittim, and Dodanim.

1Ch 1:5
The sons of Japheth; Gomer, and Magog, and Madai, and Javan, and Tubal, and Meshech, and Tiras.

1Ch 1:7
And the sons of Javan; Elishah, and Tarshish, Kittim, and Dodanim.

Isa 66:19
And I will set a sign among them, and I will send those that escape of them unto the nations, to Tarshish, Pul, and Lud, that draw the bow, to Tubal, and Javan, to the isles afar off, that have not heard my fame, neither have seen my glory; and they shall declare my glory among the Gentiles.

Eze 27:13
Javan, Tubal, and Meshech, they were thy merchants: they traded the persons of men and vessels of brass in thy market.

Hosea 1:3
So he went and took Gomer the daughter of Diblaim; which conceived, and bare him a son.


Hosea 1

1 Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hosea, den zoon van Beëri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israël.

2 Het begin van het woord des HEEREN door Hosea. De HEERE dan zeide tot Hosea: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE.

3 Zo ging hij henen, en nam Gomer, een dochter van Diblaim; en zij ontving; en baarde hem een zoon.

4 En de HEERE zeide tot hem: Noem zijn naam Jizreël, want nog een weinig tijds, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreël bezoeken over het huis van Jehu (afstammeling van Juda), en zal het koninkrijk van het huis van Israël doen ophouden.

5 En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël.

6 En zij ontving wederom, en baarde een dochter; en Hij zeide tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israëls, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren.

7 Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren.

8 Als zij nu Lo-ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon.

9 En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn.

10 Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods.

11 En de kinderen van Juda, en de kinderen Israëls zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn.

12 Zegt tot uw broederen: Ammi, en tot uw zusteren: Ruchama.

Hosea 2
1 Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen.
2 Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als ten dage, toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst;
3 (En Mij harer kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen der hoererijen zijn.
4 Want hunlieder moeder hoereert, die henlieden ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn boelen nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven.
5 Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden.
6 En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan, en keren weder tot mijn vorigen Man, want toen was mij beter dan nu.
7 Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en den most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot den Baäl gebruikt hebben.
8 Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken.
9 En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen harer boelen; en niemand zal haar uit Mijn hand verlossen.
10 En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden, en haar sabbatten, ja, al haar gezette hoogtijden.
11 En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boelen gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte des velds zal ze vreten.
12 En Ik zal over haar bezoeken de dagen des Baäls, waarin zij dien gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel, en haar halssieraad, en is haar boelen nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt de HEERE.
13 Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.
14 En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage, toen zij optoog uit Egypteland.
15 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat gij Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl!
16 En Ik zal de namen der Baäls van haar mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden.
17 En Ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels, en het kruipend gedierte des aardbodems; en Ik zal den boog, en het zwaard, en den krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen.
18 En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.
19 (En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE (YHWH) kennen.
20 (En het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, spreekt de HEERE; Ik zal den hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren.
21 En de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders den most en de olie; en die zullen Jizreël verhoren.
22 En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!

Jozua 17
16 Toen zeiden de kinderen van Jozef: Dat gebergte zou ons niet genoegzaam zijn; er zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaänieten, die in het land des dals wonen, bij die te Beth-sean en haar onderhorige plaatsen, en die in het dal van Jizreël zijn.
17 Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraïm en tot Manasse, zeggende: Gij zijt een groot volk, en gij hebt grote kracht, gij zult geen een lot hebben;
18 Maar het gebergte zal het uwe zijn; en dewijl het een woud is, zo houw het af, zo zullen zijn uitgangen de uwe zijn; want gij zult de Kanaänieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk.

Richteren 6
1 Maar de kinderen Israëls deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; zo gaf hen de HEERE in de hand der Midianieten, zeven jaren.
2 Als nu de hand der Midianieten sterk werd over Israël, maakten zich de kinderen Israëls, vanwege de Midianieten, de holen, die in de bergen zijn, en de spelonken, en de vestingen.
3 Want het geschiedde, als Israël gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen.
4 En zij legerden zich tegen hen, en verdierven de opkomst des lands, tot daar gij komt te Gaza; en zij lieten geen leeftocht overig in Israël, noch klein vee, noch os, noch ezel.
5 Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kemelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven.
6 Alzo werd Israël zeer verarmd, vanwege de Midianieten. Toen riepen de kinderen Israëls tot den HEERE.
7 En het geschiedde, als de kinderen Israëls tot den HEERE riepen, ter oorzake van de Midianieten;
8 Zo zond de HEERE een man, die een profeet was, tot de kinderen Israëls; die zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb u uit Egypte doen opkomen, en u uit het diensthuis uitgevoerd;
9 En Ik heb u verlost van de hand der Egyptenaren, en van de hand van allen, die u drukten; en Ik heb hen voor uw aangezicht uitgedreven, en u hun land gegeven;
10 En Ik zeide tot ulieden: Ik ben de HEERE, uw God; vreest de goden der Amorieten niet, in welker land gij woont; maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest.
11 Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder den eik, die te Ofra is, welke aan Joas, den Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht der Midianieten.
12 Toen verscheen hem de Engel des HEEREN, en zeide tot hem: De HEERE is met u, gij, strijdbare held!
13 Maar Gideon zeide tot Hem: Och, mijn Heer! zo de HEERE met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren? en waar zijn al Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben, zeggende: Heeft ons de HEERE niet uit Egypte opgevoerd? Doch nu heeft ons de HEERE verlaten, en heeft ons in der Midianieten hand gegeven.
14 Toen keerde zich de HEERE tot hem, en zeide: Ga heen in deze uw kracht, en gij zult Israël uit der Midianieten hand verlossen; heb Ik u niet gezonden?
15 En hij zeide tot Hem: Och, mijn Heer! waarmede zal ik Israël verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in mijns vaders huis.
16 En de HEERE zeide tot hem: Omdat Ik met u zal zijn, zo zult gij de Midianieten slaan, als een enigen man.
17 En hij zeide tot Hem: Indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo doe mij een teken, dat Gij het zijt, Die met mij spreekt.
18 Wijk toch niet van hier, totdat ik tot U kome, en mijn geschenk uitbrenge, en U voorzette. En Hij zeide: Ik zal blijven, totdat gij wederkomt.
19 En Gideon ging in, en bereidde een geitenbokje, en ongezuurde koeken van een efa meels; het vlees leide hij in een korf, en het sop deed hij in een pot; en hij bracht het tot Hem uit, tot onder den eik, en zette het neder.
20 Doch de Engel Gods zeide tot hem: Neem het vlees en de ongezuurde koeken, en leg ze op dien rotssteen, en giet het sop uit; en hij deed alzo.
schilderij van Ferdinand Bol: Gideon en de engel
21 En de Engel des HEEREN stak het uiterste van den staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel des HEEREN bekwam uit zijn ogen.
22 Toen zag Gideon, dat het een Engel des HEEREN was; en Gideon zeide: Ach, Heere, HEERE! daarom, omdat ik een Engel des HEEREN gezien heb van aangezicht tot aangezicht.
23 Doch de HEERE zeide tot hem: Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven.
24 Toen bouwde Gideon aldaar den HEERE een altaar, en noemde het: De HEERE is vrede! het is nog tot op dezen dag in Ofra der Abi-ezrieten.
schilderij van Pieter Aertsen: De vernietiging van het altaar van Baäl
25 En het geschiedde in dienzelven nacht, dat de HEERE tot hem zeide: Neem een var van de ossen, die van uw vader zijn, te weten, den tweeden var, van zeven jaren; en breek af het altaar van Baäl, dat van uw vader is, en houw af het bos, dat daarbij is.
26 En bouw den HEERE, uw God, een altaar, op de hoogte dezer sterkte, in een bekwame plaats; en neem den tweeden var, en offer een brandoffer met het hout der hage, die gij zult hebben afgehouwen.
27 Toen nam Gideon tien mannen uit zijn knechten, en deed, gelijk als de HEERE tot hem gesproken had. Doch het geschiedde, dewijl hij zijns vaders huis en de mannen van die stad vreesde, van het te doen bij dag, dat hij het deed bij nacht.
28 Als nu de mannen van die stad des morgens vroeg opstonden, ziet, zo was het altaar van Baäl omgeworpen, en de haag, die daarbij was, afgehouwen, en die tweede var was op het gebouwde altaar geofferd.
29 Zo zeiden zij, de een tot den ander: Wie heeft dit stuk gedaan? En als zij onderzochten en navraagden, zo zeide men: Gideon, de zoon van Joas, heeft dit stuk gedaan.
30 Toen zeiden de mannen van die stad tot Joas: Breng uw zoon uit, dat hij sterve, omdat hij het altaar van Baäl heeft omgeworpen, en omdat hij de haag, die daarbij was, afgehouwen heeft.
31 Joas daarentegen zeide tot allen, die bij hem stonden: Zult gij voor den Baäl twisten; zult gij hem verlossen? Die voor hem zal twisten, zal nog dezen morgen gedood worden! Indien hij een god is, hij twiste voor zichzelven, omdat men zijn altaar heeft omgeworpen.
32 Daarom noemde hij hem te dien dage Jerubbaäl, zeggende: Baäl twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen.
33 Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreël.
34 Toen toog de Geest des HEEREN Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen.
35 Ook zond hij boden in gans Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; desgelijks zond hij boden in Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet.
36 En Gideon zeide tot God: Indien Gij Israël door mijn hand zult verlossen, gelijk als Gij gesproken hebt;
37 Zie, ik zal een wollen vlies op den vloer leggen; indien er dauw op het vlies alleen zal zijn, en droogte op de ganse aarde, zo zal ik weten, dat Gij Israël door mijn hand zult verlossen, gelijk als Gij gesproken hebt.
38 En het geschiedde alzo; want hij stond des anderen daags vroeg op, en drukte het vlies uit, en hij wrong den dauw uit het vlies, een schaal vol waters.
39 En Gideon zeide tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij, dat ik alleenlijk ditmaal spreke; laat mij toch alleenlijk ditmaal met het vlies verzoeken; er zij toch droogte op het vlies alleen, en op de ganse aarde zij dauw.
40 En God deed alzo in denzelven nacht; want de droogte was op het vlies alleen, en op de ganse aarde was dauw.

1 Samuël 25
43 Ook nam David Ahinoam van Jizreël; alzo waren ook die beiden hem tot vrouwen.

2 Samuël 2
2 Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreëlietische, en Abigaïl, de huisvrouw van Nabal, de Karmeliet.
3 Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.
4 Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.
5 Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.
6 Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.
7 En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.
8 Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,
9 En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreël, en over Efraïm, en over Benjamin, en over gans Israël.


2 Koningen 9
1 Toen riep de profeet Elisa een van de zonen der profeten, en hij zeide tot hem: Gord uw lenden, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga heen naar Ramoth in Gilead.
2 Als gij daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden zijner broederen, en breng hem in een binnenste kamer.
3 En neem de oliekruik, en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg: Zo zegt de HEERE: Ik heb u tot koning gezalfd over Israël. Doe daarna de deur open, en vlied, en vertoef niet.
4 Zo ging de jongeling, die jongeling van den profeet, naar Ramoth in Gilead.
5 En toen hij inkwam, ziet, daar zaten de hoofdmannen van het heir, en hij zeide: Ik heb een woord aan u, o hoofdman! En Jehu zeide: Tot wien van ons allen? En hij zeide: Tot u, o hoofdman!
6 Toen stond hij op, en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zeide tot hem: Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik heb u gezalfd tot koning over het volk des HEEREN, over Israël.
7 En gij zult het huis van Achab, uw heer, slaan, opdat Ik het bloed van Mijn knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten des HEEREN, wreke van de hand van Izebel.
8 En het ganse huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook den beslotene en verlatene in Israël.
9 Want Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat, en als het huis van Baësa, den zoon van Ahia.
10 Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk lands van Jizreël, en er zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vlood.
11 En als Jehu uitging tot de knechten zijns heren, zeide men tot hem: Is het al wel? Waarom is deze onzinnige tot u gekomen? En hij zeide tot hen: Gij kent den man en zijn spraak.
12 Maar zij zeiden: Het is leugen; geef het ons nu te kennen. En hij zeide: Zo en zo heeft hij tot mij gesproken, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik heb u gezalfd tot koning over Israël.
13 Toen haastten zij zich, en een iegelijk nam zijn kleed, en leide het onder hem, op den hoogsten trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden!
14 Alzo maakte Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, een verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en gans Israël, uit oorzake van Hazaël, den koning van Syrië;
15 Maar de koning Joram was wedergekeerd, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, den koning van Syrië.) En Jehu zeide: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen.
16 Toen reed Jehu, en toog naar Jizreël; want Joram lag aldaar; en Ahazia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bezien.
17 De wachter nu stond op den toren te Jizreël, en zag den hoop van Jehu, als hij aankwam, en zeide: Ik zie een hoop. Toen zeide Joram: Neem een ruiter, en zend dien hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede?
18 En de ruiter te paard toog heen hem tegemoet, en zeide: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om naar achter mij. En de wachter gaf het te kennen, zeggende: De bode is tot hen gekomen, maar hij komt niet weder.
19 Toen zond hij een anderen ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zeide hij: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om naar achter mij.
20 En de wachter gaf dit te kennen, zeggende: Hij is tot aan hen gekomen, maar hij komt niet weder; en het drijven is als het drijven van Jehu, den zoon van Nimsi, want hij drijft onzinniglijk.
21 Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo toog Joram, de koning van Israël, uit, en Ahazia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij togen uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, den Jizreëliet.
22 Het geschiedde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zeide: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zeide: Wat vrede, zo lang als de hoererijen van uw moeder Izebel, en haar toverijen zo vele zijn?
23 Toen keerde Joram zijn hand, en vlood, en zeide tot Ahazia: Het is bedrog, Ahazia!
24 Maar Jehu spande den boog met volle kracht, en schoot Joram tussen zijn armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijn wagen.
25 Toen zeide Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, den Jizreëliet; want gedenk, als ik en gij nevens elkander achter zijn vader Achab reden, dat hem de HEERE dezen last opleide, zeggende:
26 Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed zijner zonen, zegt de HEERE, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt de HEERE. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord des HEEREN.
27 Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vlood hij door den weg van het huis des hofs; doch Jehu vervolgde hem achterna, en zeide: Slaat hem ook op den wagen, aan den opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vlood naar Megiddo, en stierf aldaar.
28 En zijn knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaderen in de stad Davids.
29 In het elfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, was Ahazia koning geworden over Juda.
schilderij van Anonymus: Jehu en Izebel
30 En Jehu (afstammeling van Juda) kwam te Jizreël. Als Izebel dat hoorde, zo blankette zij haar aangezicht, en versierde haar hoofd, en keek ten venster uit.
31 Toen nu Jehu ter poorte inkwam, zeide zij: Is het wel, o Zimri, doodslager van zijn heer?
32 En hij hief zijn aangezicht op naar het venster, en zeide: Wie is met mij? Wie? Toen zagen op hem twee, drie kamerlingen.
33 En hij zeide: Stoot ze van boven neder. En zij stieten haar van boven neder, zodat van haar bloed aan den wand en aan de paarden gesprengd werd; en hij vertrad haar.
34 Als hij nu ingekomen was, en gegeten en gedronken had, zeide hij: Ziet nu naar die vervloekte, en begraaf ze; want zij is eens konings dochter.
35 En zij gingen heen om haar te begraven; doch zij vonden niet van haar, dan het bekkeneel, en de voeten, en de palmen harer handen.
36 Toen kwamen zij weder, en gaven het hem te kennen, en hij zeide: Dit is het woord des HEEREN, dat Hij gesproken heeft door den dienst van Zijn knecht Elia, den Thisbiet, zeggende: Op het stuk lands van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten.
37 En het dode lichaam van Izebel zal zijn gelijk mest op het veld, in het stuk lands van Jizreël, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel.

1 Kronieken 4
1 De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.
2 En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;
3 En dezen zijn van den vader Etam: Jizreël, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelponi.

Lexicon :: Strong's H3157 - Yizr@`e'l

יִזְרְעֶאל

Transliteration
Yizr@`e'l
Pronunciation
yiz·reh·āl' (Key) 
Part of Speech
proper locative noun, proper masculine noun
Root Word (Etymology)
KJV Translation Count — Total: 36x
The KJV translates Strongs H3157 in the following manner: Jezreel (36x).
Outline of Biblical Usage
  1. Jezreel = "God sows"

    n pr m
    1. a descendant of the father or founder of Etam of Judah

    2. first son of Hosea the prophet

      n pr loc
    3. a city in the Nekeb of Judah

    4. a city in Issachar on the northwest spur of Mount Gilboa

Strong’s Definitions [?](Strong’s Definitions Legend)
יִזְרְעֵאל Yizrᵉʻêʼl, yiz-reh-ale'; from H2232 and H410; God will sow; Jizreel, the name of two places in Palestine and of two Israelites:—Jezreel.


Lexicon :: Strong's H1586 - Gomer

גֹּמֶר

Transliteration
Gomer
Pronunciation
gō'·mer (Key) 
Part of Speech
proper feminine noun, proper masculine noun
Root Word (Etymology)
Dictionary Aids

TWOT Reference: 363a

KJV Translation Count — Total: 6x
The KJV translates Strongs H1586 in the following manner: Gomer (6x).
Outline of Biblical Usage
  1. Gomer = "complete"

    n pr m
    1. the eldest son of Japheth and grandson of Noah; the progenitor of the early Cimmerians and other branches of the Celtic family

      n pr f
    2. the unfaithful wife of the prophet Hosea; Hosea's relationship with her was symbolic of God's relationship with wayward Israel

Strong’s Definitions [?](Strong’s Definitions Legend)
גֹּמֶר Gômer, go'-mer; from H1584; completion; Gomer, the name of a son of Japheth and of his descendants; also of a Hebrewess:—Gomer.
Gesenius' Hebrew-Chaldee Lexicon


Lexicon :: Strong's H1691 - Diblayim

דִּבְלַיִם

Transliteration
Diblayim
Pronunciation
div·lah'·yim (Key) 
Part of Speech
proper masculine noun
Root Word (Etymology)
KJV Translation Count — Total: 1x
The KJV translates Strongs H1691 in the following manner: Diblaim (1x).
Outline of Biblical Usage
  1. Diblaim = "two cakes"

    1. the father of Hosea's wife Gomer

Strong’s Definitions [?](Strong’s Definitions Legend)
דִּבְלַיִם Diblayim, dib-lah'-yim; dual from the masculine of H1690; two cakes; Diblajim, a symbolic name:—Diblaim.


Ezechiël 38
1 Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
2 Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, den hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem,
3 En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Gog, gij hoofdvorst van Mesech en Tubal!
4 En Ik zal u omwenden, en haken in uw kaken leggen, en Ik zal u uitvoeren, mitsgaders uw ganse heir, paarden en ruiteren, die altemaal volkomen wel gekleed zijn, een grote vergadering, met rondas en schild, die altemaal zwaarden handelen;
5 Perzen, Moren en Puteers met hen, die altemaal schild en helm voeren;
6 Gomer en al zijn benden, en het huis van Togarma, aan de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u.
7 Zijt bereid en maakt u gereed, gij en uw ganse vergadering, die tot u vergaderd zijn; en wees gij hun tot een wacht.
8 Na vele dagen zult gij bezocht worden; in het laatste der jaren zult gij komen in het land, dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als hetzelve land uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij allemaal zeker zullen wonen.
9 Dan zult gij optrekken, gij zult aankomen als een onstuimige verwoesting, gij zult zijn als een wolk, om het land te bedekken; gij en al uw benden, en vele volken met u.
10 Alzo zegt de Heere HEERE: Te dien dage zal het ook geschieden, dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en gij zult een kwade gedachte denken,
11 En zult zeggen: Ik zal optrekken naar dat dorpland, ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die altemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben.
12 Om buit te buiten, en om roof te roven; om uw hand te wenden tegen de woeste plaatsen, die nu bewoond zijn, en tegen een volk, dat uit de heidenen verzameld is, dat vee en have verkregen heeft, wonende in het midden des lands.
13 Scheba, en Dedan, en de kooplieden van Tarsis, en alle hun jonge leeuwen zullen tot u zeggen: Komt gij, om buit te buiten? hebt gij uw vergadering vergaderd, om roof te roven? om zilver en goud weg te voeren, om vee en have weg te nemen, om een groten buit te buiten?
14 Daarom profeteer, o mensenkind! en zeg tot Gog: Zo zegt de Heere HEERE: Zult gij het, te dien dage, als Mijn volk Israël zeker woont, niet gewaar worden?
15 Gij zult dan komen uit uw plaats, uit de zijden van het noorden, gij en vele volken met u; die altemaal op paarden zullen rijden, een grote vergadering, en een machtig heir;
16 En gij zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste der dagen zal het geschieden; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden.
17 Zo zegt de Heere HEERE: Zijt gij die, van welken Ik in verleden dagen gesproken heb, door den dienst Mijner knechten, de profeten Israëls, die in die dagen geprofeteerd hebben, jaren lang, dat Ik u tegen hen zou aanbrengen?
18 Maar het zal geschieden te dien dage, ten dage als Gog tegen het land Israëls zal aankomen, spreekt de Heere HEERE, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opkomen.
19 Want Ik heb gesproken in Mijn ijver, in het vuur Mijner verbolgenheid: Zo er niet, te dien dage, een groot beven zal zijn in het land Israëls!
20 Zodat van Mijn aangezicht beven zullen de vissen der zee, en het gevogelte des hemels, en het gedierte des velds, en al het kruipend gedierte, dat op het aardrijk kruipt, en alle mensen, die op den aardbodem zijn; en de bergen zullen nedergeworpen worden, en de steile plaatsen zullen nedervallen, en alle muren zullen ter aarde nedervallen.
21 Want Ik zal het zwaard over hem roepen op al Mijn bergen, spreekt de Heere HEERE; het zwaard van een ieder zal tegen zijn broeder zijn.
22 En Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed; en Ik zal een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn.
23 Alzo zal Ik Mij groot maken, en Mij heiligen, en bekend worden voor de ogen van vele heidenen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.


Bron:




Welkom / This site is always under construction
Torah, Wet, Instructies, Geboden
Feesten van YHWH
Dagelijks Woord
Afgoden feesten
Mijn nieuws kanalen